Aansprakelijkheid van huurder voor schade aan het gehuurde 

In artikel 6:74 BW wordt een regeling opgenomen ten behoeve van het algemene verbintenissenrecht. In deze bepaling wordt geregeld dat de partij die tekortschiet in de nakoming van een verplichting voortvloeiende uit een verbintenis gehouden is de schade van de andere partij te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.
Het huurrecht kent naast deze algemene regeling een bijzondere regeling. De wettelijke regeling van aansprakelijkheid van huurder voor schade aan het gehuurde gedurende de huurperiode is vastgelegd in artikel 7:218 BW. Volgens deze regeling wordt alle toerekenbare schade aan het gehuurde geacht voor rekening van de huurder te komen. Alle schade wordt vermoed daardoor te zijn ontstaan behoudens brandschade.
Óf schade aan het gehuurde aan de huurder doorberekend kan worden, moet worden beantwoord aan de hand van de vraag of de schade aan de huurder toegerekend kan worden.
In mijn praktijk maakte ik enige tijd geleden het volgende geval mee. Een huurder, woonachtig in de kustplaats Katwijk, had op een zonnige dag haar raam “op het haakje gezet” en was naar het strand vertrokken. In de middag was er een harde wind opgestoken. De wind had het raam van het haakje gelicht. Het raam was met een smak opengeslagen. Het raam was vervolgens in het geheel met omlijsting en al uit de sponning gelicht en door de kas van de buren geslagen. De buren waren toevallig ook de verhuurder van de huurder. De verhuurder achtte de huurder aansprakelijk. De huurder achtte zichzelf niet aansprakelijk. De huurder was van mening dat het raam niet uit de sponning had mogen vallen, want naar de mening van de huurder was de wind niet zo heftig geweest dat deze noodzakelijkerwijs het raam uit de sponning had mogen laten slaan. Deze huurder was er lastig van te overtuigen dat zij zowel aansprakelijk was voor de schade aan het gehuurde als voor de schade aan de kas van de verhuurder. Door haar nalatigheid was de schade ontstaan. Een beroep op overmacht kon de huurder ook niet helpen, omdat de huurder verwijtbaar het raam open had laten staan. Dat zij dat deed toen het nog niet stormde deed daaraan niet af. Een goed huurder hoort immers op grond van artikel 7:213 BW ervoor te zorgen dat een raam niet uit de sponning waait. Deze wetsuitleg is gebaseerd op het gegeven dat een verhuurder nu eenmaal niet al zijn verhuurde zaken langs kan gaan, wanneer het gaat stormen, om de ramen te sluiten. Dat moet de huurder doen (Huurrecht @ctueel 2015-07, Storm wrikt een openstaand raam los- wie is aansprakelijk voor schade? Door mr P.G.A. van der Sanden). De huurder kon worden aangesproken op grond van artikel 6:74 BW. Door het in artikel 7:218 BW neergelegde bewijsvermoeden, zoals al besproken in het hoofdstuk De oplevering van woon-en bedrijfsruimte en het onderdeel “Bewijspositie gedurende de huurperiode en gedeelde schuld” in dit hoofdstuk is het voor de verhuurder eenvoudig de huurder aansprakelijk te houden voor deze schade. Dit is de toegevoegde waarde voor de verhuurder van dit artikel boven artikel 6:74 BW.
Als de kas van een andere eigenaar dan de eigenaar/verhuurder was geweest, dan had deze geleadeerde de eigenaar/verhuurder aansprakelijk kunnen stellen op basis van artikel 6:174 lid 1 BW. De eigenaar/verhuurder zou die schade dan kunnen verhalen ten laste van de huurder.