Beknopte handleiding procederen – De rol van getuigen in een civiele procedure

Het getuigenverhoor 

Als een partij in het kader van de bewijslevering zijn stellingen moet bewijzen, en hij wil dat doen aan de hand van het doen horen van een of meerdere getuigen, dan is de procedure als volgt. De rechter zal bij tussenvonnis (artikel 232 RV) een partij opdragen om bewijs te leveren. In het tussenvonnis staat er dan vermeld op welke datum deze partij bij akte aan moet geven welke partijen hij in het kader van deze bewijslevering wenst te laten horen. De partij zal dan de namen en de adressen van de getuigen in de akte, alsmede de verhinderdata van de getuigen (eiser/gedaagde) moeten vermelden.

Bij het oproepen van getuigen moet de partij die getuigen oproept goed nagaan of een getuige een juiste verklaring af kan leggen. Een getuige die niet uit eigen waarneming de feiten heeft waargenomen, waarover het geschil gaat, is als getuige waardeloos. Een getuige die zelf een interpretatie geeft, kan vaak ook niet de juiste verklaring afleggen. Bijvoorbeeld: er moet bewezen worden dat partij A iets heeft kapot gemaakt. Op een zeker moment constateert de getuige dat iets kapot is gegaan; bovendien heeft hij A in de buurt zien rondlopen. Daarmee is echter nog niet bewezen dat A de bewuste zaak kapot heeft gemaakt.

Als u op voorhand niet weet wat de getuige gaat verklaren, moet u zich de vraag stellen of het wel verstandig is om deze getuige op te roepen. Als u een dergelijke getuige oproept, neemt u een groot risico. Wellicht dat deze getuige uiteindelijk wel in uw nadeel verklaart! Een verstandige partij laat in beginsel alleen een getuige laten horen als hij weet wat deze getuige zal verklaren.

Volgens artikel 87 lid 2 Rv kunnen partijen met voorafgaande toestemming van de rechter tijdens de mondelinge behandeling getuigen en partijdeskundigen laten horen. Een partij die getuigen of partijdeskundigen wenst te doen horen, vraagt dit bij gemotiveerd schrijven, met afschrift aan de wederpartij. Zij doet dit zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken nadat de dag en het uur van de mondelinge behandeling zijn bepaald, onder opgave van de gegevens van de te horen getuigen of partijdeskundige (artikel 4.6. landelijk procesreglement voor rolzaken kanton).

Verhinderdata
De partij die niet tot levering van bewijs is gehouden moet ook vermelden op welke data hij is verhinderd de zitting bij te wonen.

Het is van belang om goed te lezen wat in het tussenvonnis staat vermeld. Meestal zijn partijen gehouden om onafhankelijk van elkaar de verhinderdata door te geven. Een partij hoeft niet zelf op de zitting te verschijnen als deze door een gemachtigde wordt vertegenwoordigd, tenzij door de rechter wordt bepaald dat zij wel aanwezig dienen te zijn (artikel 167 RV). Soms wordt in het vonnis vermeld dat de partij die bewijs moet leveren bij de andere partij moet navragen wat zijn verhinderdata zijn. In dat laatste geval geeft de partij die bewijs wenst te leveren zowel zijn eigen verhinderdata als de verhinderdata van wederpartij door.

Na ontvangst van de namen en de verhinderdata van de getuigen zal de rechter een zittingsdatum bepalen, waarbij dan rekening wordt gehouden met de verhinderdata van beide partijen.

De rechter kan ook al een datum bepalen waarop het getuigenverhoor zal plaatsvinden zonder vooraf de verhinderdata te vragen (artikel 166 RV). Dit is omslachtig, omdat de praktijk leert dat er wegens verhindering van de partijen dan (bijna) altijd uitstel moet worden gevraagd.

De namen en de woonplaats van de getuigen worden tenminste een week voor het verhoor aan wederpartij en de griffier van de rechtbank waar de zaak dient doorgegeven. (artikel 170 RV).

Alle getuigen moeten op dezelfde zitting worden gehoord. Als bepaalde getuigen, ondanks correcte oproeping, niet ter zitting verschijnen, dan bepaalt de rechter een nieuwe dag voor het horen van de getuigen (artikel 183 RV).

Oproeping van getuigen
De getuige dient, door de belanghebbende partij, te worden opgeroepen via een dagvaarding of een aangetekende brief. In deze brief dient te worden vermeld:

      • melding van dag, uur en plaats van het verhoor;
      • de feiten waaromtrent bewijs moet worden geleverd (= het “probandum”);
      • de gevolgen verbonden aan het niet verschijnen ter terechtzitting (de getuige kan worden gegijzeld, zie artikel 173 RV) ;In de praktijk wordt de oproeping niet zo formeel opgepakt. Vaak wordt de getuige met gewone brief en per mail opgeroepen. Als de getuige te kennen heeft gegeven te zullen komen leidt deze werkwijze zelden of nooit tot een probleem. Als de getuige echter niet op komt dagen, dan zal de rechter wel vragen of de getuige door middel van een aangetekende brief is opgeroepen. Het is wel verstandig de belangrijkste getuigen door middel van een aangetekende brief op te roepen. Als de getuige vervolgens afwezig blijft kan de rechter eenvoudig toestemming geven tot dagvaarding van nalatige getuige over te gaan. Als de getuige bij aangetekende brief is opgeroepen en hij verschijnt niet. Dan kan door de rechter op verzoek van de belanghebbende een dag worden bepaald waartegen de getuige moet worden opgeroepen (artikel 171 RV). De partij die een getuige per brief heeft opgeroepen moet er dus op attent zijn om de rechter op deze mogelijkheid te wijzen. De rechter hoort lijdelijk te zijn en behoort de partij die belang bij dit getuigenverhoor heeft niet op deze mogelijkheid te wijzen. Stel dat deze getuige cruciaal voor de zaak is, dan is het wel van belang dat deze wordt gehoord. Met moet zich wel realiseren dat met een onwillige getuige weinig goeds is te verwachten. De getuige kan ter zitting veinzen zich niets meer te herinneren over hetgeen waarover hij een verklaring moet afleggen. De getuige kan ook meineed plegen. Het plegen van meineed is weliswaar een strafbaar feit, maar de ervaring leert dat hier in het kader van een civiele procedure zelden of nooit iets mee wordt gedaan. Meineed is vaak ook moeilijk te bewijzen, zodat dikwijls van het strafrechtelijke traject ook weinig goeds valt te verwachten.

    Rechten en de plichten van de getuige

    De volgende personen moeten een verklaring afleggen
    Een getuige is verplicht te verschijnen (artikel 165 RV). Als hij zonder geldige reden wegblijft, kan de politie na dagvaarding van de getuige worden ingeschakeld om hem te halen. Een getuige is eveneens verplicht om een verklaring af te leggen. Doet hij dat niet, dan kan de rechter hem laten gijzelen (gevangen laten zetten).

  • Als een getuige moet werken op de dag dat hij is opgeroepen, dan moet zijn werkgever hem de gelegenheid bieden om een getuigenverklaring af te leggen;
  • Een getuige kan vooraf meer informatie krijgen over de zaak bij degene die hem heeft opgeroepen, of bij zijn gemachtigde.
  • Als de getuige ver weg woont, kan hij vragen de getuigenis af te leggen bij een rechtbank bij hem in de omgeving. De getuige vraagt dit aan bij degene die hem heeft opgeroepen. Deze dient op zijn beurt een verzoek in bij de rechtbank (artikel 174 RV).
  • De getuige heeft recht op vergoeding van de kosten die hij maakt om voor de rechter te verschijnen. Denk aan reiskosten en gemiste inkomsten. De rechtbank stelt de hoogte van de vergoeding (de taxe) na afloop van het verhoor vast. De vergoeding moet in eerste instantie worden betaald door degene die de getuige heeft opgeroepen.

De volgende personen mogen weigeren een verklaring af te leggen (het “verschoningsrecht”)

  • de echtgenoot en de vroegere echtgenoot dan wel de geregistreerde partner en de vroegere geregistreerde partner van een partij, de bloed- of aanverwanten van een partij of van de echtgenoot of van de geregistreerde partner van een partij, tot de tweede graad ingesloten, een en ander tenzij de partij in hoedanigheid optreedt;
  • zij die tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd. Te denken valt aan een arts, advocaat of dominee (zie artikel 165 RV). De personen die zich op het verschoningsrecht kunnen beroepen zijn dus wel verplicht ter zitting te verschijnen, doch kunnen met het beroep op het verschoningsrecht sommige vragen onbeantwoord laten. De rechter kan dan immers nagaan of de weigering om bepaalde vragen te beantwoorden terecht wordt voorgesteld. Als het zonder meer duidelijk is dat de getuige zich op een verschoningsrecht kan beroepen en dat een verhoor om deze reden zinloos is, dan kan de getuige de rechter verzoeken de zitting niet door te laten gaan. De getuige die van een partij toch met alle macht ter zitting moet verschijnen, kan de rechter vragen omtrent de verschijningsplicht een voor beroep vatbare beslissing te nemen als klip en klaar duidelijk is dat een zitting zinloos is.