Beknopte handleiding procederen – De verzoekschriftprocedure

Inleiding

Naast de dagvaardingsprocedure kennen we de verzoekschriftprocedure (ook wel: rekestprocdure). De betreffende regels staan in de derde titel van boek 1 RV (artikel 261 RV e.v.). Algemene regels voor het opstellen van een verzoekschrift zijn te vinden in boek 1 derde titel RV. In bijzondere situaties kunnen aanvullende en/of afwijkende regels gelden.

Partijen in de verzoekschriftprocedure duiden we aan als verzoeker en verweerder (gerekwestreerde).

In dit onderdeel wordt voornamelijk ingegaan op de regels die voor indiening van een verzoekschrift van toepassing zijn in het kader van een huurgeschil. Verzoeken in het kader van bijvoorbeeld de faillissementswet en het personen- en familierecht komen niet aan de orde.

Van een verzoekschriftprocedure is alleen sprake indien dit uit de wet voortvloeit (artikel 261 RV). Als in de wet is vermeld dat een procedure dient te worden ingeleid met een ‘verzoek’ of ‘verzoekschrift’, of dat een partij iets kan ‘verzoeken’, betreft het dus een verzoekschriftprocedure en zijn in beginsel de regels van titel 1.3 RV toepasselijk. Een voorbeeld van een huurzaak die met een verzoekschrift wordt ingeleid vindt men in artikel 7:304 BW.

In beginsel moeten ook verzoekschriften door een advocaat worden ingediend (artikel 278 lid 3 RV), maar dit geldt niet voor zaken die worden berecht door de kantonrechter. Dat een bepaalde zaak wordt behandeld door de kantonrechter, vindt men terug in de wet. In verzoekschriftprocedures bij de kantonrechter kunnen partijen zonder advocaat, dus ‘in persoon’, procederen.

Het basismodel

Een verzoekschriftprocedure is doorgaans minder complex dan een dagvaardingsprocedure. Het normale verloop is als volgt: verzoekschrift, verweerschrift, mondelinge behandeling en uitspraak. De uitspraak noemt men in een verzoekschriftprocedure geen vonnis, maar een beschikking.

Het verzoekschrift

Een verzoekschrift kent, in tegenstelling tot een dagvaarding, niet zo veel vormvereisten. Wel is er een aantal specifieke voorschriften. Deze worden hier besproken.

Welke rechter is relatief bevoegd?

De verzoekende partij moet het verzoekschrift indienen bij de bevoegde rechter. Bij wijze van hoofdregel geldt dat de rechter van de woonplaats van de verzoeker bevoegd is, dan wel de rechter van de woonplaats van een belanghebbende partij (artikel 262 aanhef en sub a RV). Voor een aantal soorten zaken bestaan bijzondere regels (artikel 263 RV e.v.). Voor huurzaken wijzen wij op artikel 264 RV: bevoegd is de rechter binnen wiens rechtsgebied de gehuurde zaak is gelegen.

Vermelding gegevens verzoeker

Het verzoekschrift vermeldt de voornamen, naam en woonplaats van de verzoeker (artikel 278 lid 1 RV). Is de verzoeker een natuurlijke persoon, dan dienen dus zijn volledige voornamen te worden vermeld.

Is de verzoekende partij een rechtspersoon, dan dient de statutaire naam te worden vermeld. Als er een afwijkende naam wordt gebruikt (de handelsnaam), dan dient deze naam tevens te worden vermeld (bijvoorbeeld: de besloten vennootschap X BV, handelende onder de naam van Y). De vestigingsplaats in een bepaalde gemeente brengt niet met zich dat de vennootschap in deze gemeente ook een statutaire zetel heeft. De vermelding dient dan bijvoorbeeld als volgt te luiden: de besloten vennootschap x gevestigd te Schiedam, handelende onder de naam y, zaakdoende te Vlaardingen aan de Hoofdstraat 50.

Met het begrip ‘woonplaats’ doelt artikel 278 lid 1 RV op de omschrijving van artikel 1:10 BW. De woonplaats van een natuurlijk persoon bevindt zich te zijner ‘woonstede’, en bij gebreke van een woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. Voor een rechtspersoon geldt dat deze zijn woonplaats heeft ter plaatse waar hij volgens wettelijk voorschrift of volgens zijn statuten of reglementen zijn zetel heeft.

Een persoon die een kantoor of filiaal houdt, heeft ten aanzien van aangelegenheden van dit kantoor/filiaal mede aldaar woonplaats (artikel 1:14 BW).

Bewijsmiddelen

Artikel 284 RV verklaart de bepalingen over het bewijsrecht in de dagvaardingsprocedure in beginsel van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat, conform artikel 150 RV, de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten de bewijslast van deze feiten draagt. Daarom doet de verzoeker er goed aan reeds te vermelden op welke wijze hij bepaalde stellingen kan bewijzen en voorts om bepaalde stellingen, zo mogelijk, aan de hand van producties (bijlagen) te adstrueren.

Gronden van het verzoek

Artikel 278 lid 1 RV bepaalt voorts dat het verzoekschrift duidelijk moet bepalen wat precies wordt verzocht en dat de gronden voor het verzoek moeten worden omschreven.

Ondertekening verzoekschrift

Het verzoekschrift dient op grond van artikel 278 lid 2 RV te worden ondertekend door de verzoeker. Als deze is vergeten om het verzoekschrift te ondertekenen, kan dit eenvoudig worden hersteld door indiening van een (alsnog) ondertekend exemplaar.

Indiening verzoekschrift

Het verzoekschrift kan eventueel ter plaatse bij de griffie worden afgeleverd. Voor de openingstijden verwijzen wij naar www.rechtspraak.nl. Doorgaans wordt een verzoekschrift echter per post of telefax naar de griffie gezonden. Indien het verzoekschrift per fax wordt ingediend, behoort een exemplaar per post te worden nagezonden. Aanbevolen wordt om de producties (bijlagen) niet per telefax, maar alleen per gewone post, toe te zenden.

Wij bevelen aan om het verzoekschrift (en de producties) in méérvoud in te dienen, namelijk zoveel exemplaren als er verweerders zijn, plús 1 (namelijk het exemplaar voor de rechtbank). De rechtbank zal immers de verweerder(s) oproepen voor de mondelinge behandeling en ze daarbij ook een afschrift van het verzoekschrift toezenden.

Sanctie
Het niet nakomen van de eisen die uit artikel 278 RV volgen leidt niet tot nietigheid van het verzoekschrift. De rechter kan de verzoeker gelegenheid geven het gebrek te verhelpen.

Oproeping

Nadat het verzoekschrift is ingediend, wordt de datum van de mondelinge behandeling bepaald en worden de verzoeker en verweerder opgeroepen voor de mondelinge behandeling. De verweerder ontvangt van de griffier naast de oproep ook een exemplaar van het verzoekschrift. De formaliteiten voor de oproep zijn vermeld in artikel 271 RV e.v.

Slechts in zeer bijzondere gevallen vindt géén mondelinge behandeling plaats. Een voorbeeld is het verzoek tot verlof voor het leggen van conservatoir beslag. Omdat een dergelijke procedure slechts door een advocaat kan worden geëntameerd, laten we deze procedure hier verder beschouwing.

Verweerschrift

De verweerder kan tot aan de mondelinge behandeling een verweerschrift indienen (artikel 282 RV). Het verweerschrift moet de gegevens van verweerder vermelden en moet verder een duidelijke omschrijving van het verweer (en de gronden daarvan) bevatten (artikel 282 lid 1 RV jo. artikel 278 RV).

Het indienen van een verweerschrift is niet verplicht: de verweerder kan ook mondeling, tijdens de zitting, verweer voeren.

Verandering verzoek

Zolang de rechter geen eindbeslissing heeft genomen kan de verzoeker schriftelijk de gronden veranderen, dan wel het verzoek verminderen of vermeerderen (artikel 283 RV). Artikel 130 RV is van overeenkomstige toepassing verklaard. Het verdient de voorkeur om deze wijziging schriftelijk door te voeren. Een vermindering van het verzoek is steeds toelaatbaar. De wederpartij kan echter protesteren als sprake is van vermeerdering of wijziging van (de grondslag van) het verzoek. Uiteindelijk beslist vervolgens de rechter of de eiswijziging toelaatbaar is. Het criterium bestaat uit de goede procesorde (artikel 130 RV jo. artikel 283 RV).

Aanwezigheid partijen; uitstel

Als de mondelinge behandeling wordt gepland op een datum die een van de partijen niet schikt, kan uitstel worden verzocht. De ervaring leert dat een dergelijk uitstel wel wordt toegestaan, indien het uitstelverzoek voldoende is gemotiveerd.

Indiening overige stukken

Partijen kunnen voorafgaande aan de mondelinge behandeling nog stukken naar de rechter zenden. Tijdens de mondelinge behandeling kan dan een beroep op deze stukken worden gedaan. Het is belangrijk dat een partij de stukken niet alleen naar de rechter zendt, maar óók naar de wederpartij(en). De wederpartij dient zich, overeenkomstig het beginsel van hoor en wederhoor, immers eveneens over de stukken te kunnen uitlaten.

Overigens is het verstandig om de stukken tijdig aan de rechtbank (en wederpartij) toe te zenden. Het is niet goed mogelijk om aan te geven welke termijn dient te worden gehanteerd. Dit hangt (onder meer) af van aard en omvang van de stukken. Zo is voorstelbaar dat een stuk bestaande uit één pagina nog één dag voor de zitting wordt toegestuurd, maar zal de rechter doorgaans moeite hebben met een dik pakket stukken dat slechts één dag voor de zitting wordt toegezonden.

Over het algemeen wordt geoordeeld dat het niet mogelijk is om stukken nog tijdens de mondelinge behandeling te overleggen. Daarmee zou de wederpartij te veel in haar verdediging worden geschaad.

Verloop van de zitting

Tijdens de zitting kunnen partijen hun zienswijze nog eens mondeling toelichten. Voorts zal de rechter partijen vragen kunnen stellen. Daarnaast onderzoekt de rechter vaak of partijen tot een schikking komen.

Van de zitting wordt een proces-verbaal opgemaakt (artikel 279 lid 4 RV), waarin zakelijk de inhoud van verklaringen wordt vastgelegd.

Tegenverzoek

Het verweerschrift mag ook een zelfstandig verzoek bevatten (tegenverzoek of verzoek in reconventie). Maar een tegenverzoek mag alleen betrekking hebben op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek (artikel 282 lid 4 RV). Hierin verschilt deze mogelijkheid zich van de reconventie in dagvaardingsprocedures. Dáár bestaat niet de beperking tot het onderwerp van de oorspronkelijke vordering.

Uitspraak (beschikking)

De rechter bepaalt na afloop van de mondelinge behandeling de dag waarop hij uitspraak zal doen, en deelt deze dag aan partijen mede (artikel 286 RV). De uitspraak wordt ‘beschikking’ genoemd. De rechter kan in zijn beschikking een kostenveroordeling opleggen (artikel 289 RV).

Ook tegen beschikkingen is hoger beroep mogelijk (artikel 358 lid 1 RV). Ook verstrijkt de termijn drie maanden na de uitspraak (artikel 358 lid 2 RV). Het instellen van hoger beroep geschiedt ook bij verzoekschrift (beroepschrift), maar daarvoor is een advocaat nodig.