Beknopte handleiding procederen – Het bewijsaanbod

Ten aanzien van de bewijslast geldt dat de partij die iets beweert daarvan op grond van artikel 150 RV het bewijs dient aan te dragen. Voor het aandragen van de bewijslast kan de positie van partijen verschillen of er sprake is van een bevrijdend of een betwistend verweer.

Wie op basis van bepaalde verplichtingen die tussen partijen gelden een vordering instelt zal het bewijs van deze stellingen dienen te leveren. Vaak is een volledig objectief vast te stellen bewijs van de stellingen niet mogelijk. De rechter zal het bewijs voldoende achten als procespartijen een redelijke mate van zekerheid verlenen dat de beweerde feiten en rechten in overeenstemming met de waarheid zijn (Mr. P.A. Fruytier en mr. N. Amiel, Tijdschrift Huurrecht bedrijfsruimte, nr. 1, februari 2019, “Bewijslastverdeling in het huurrecht”).

Als een verhuurder bijvoorbeeld in het kader van een huurprijsverhogingsprocedure ex artikel 7:303 BW heeft gesteld dat een beroep op vernietiging van bepaalde wettelijke bepalingen op grond van artikel 3:55 BW door de huurder uitdrukkelijk is uitgesloten, dan zal de verhuurder dienen te bewijzen dat er sprake is van een huurovereenkomst ex artikel 7:290 BW. Als er geen sprake is van een huurovereenkomst, maar een gebruiksovereenkomst, of als er sprake is van een overeenkomst ex artikel 7:230a BW, dan zal de verhuurder slechts de kwalificatie van de overeenkomst duidelijk dienen te maken ter afwering van de vordering. Bewijs van de afwijkende afspraak is dan niet van belang, omdat deze afspraak alleen effect heeft op een overeenkomst waarvan de regeling van artikel 7:290 BW van toepassing is. Soms wordt de bewijslast omgekeerd. Dat wil zeggen dat de verwerende partij in het kader van het verweer bewijs aandraagt dat de rechter niet tot toewijzing van de vordering kan komen. Hier valt te denken aan de wijzigingen die door een huurder aan de woning zijn aangebracht. Voor deze wijziging is altijd toestemming van de verhuurder nodig, tenzij de wijziging zodanig ondergeschikt is dat deze veranderingen zonder noemenswaardige kosten ongedaan gemaakt kunnen worden. Hier zal de verhuurder kunnen stellen dat er geen toestemming voor een wijziging is gegeven. De huurder zal bij het verweer dienen te bewijzen dat er sprake is van wijzigingen of veranderingen die zonder noemenswaardige kosten ongedaan gemaakt kunnen worden. de verhuurder doet er natuurlijk verstandig aan dit zelf ook te onderzoeken. Als de vordering door een dergelijk eenvoudig verweer afgewezen kan worden, dan is dit natuurlijk zonde van het geld die met het starten van een procedure is genoemd.

Er kan niet voldoende nadruk worden gelegd op verplichting tot het voldoen aan de bewijsplicht: de partij die zijn stellingen door middel van bewijs wenst te leveren doet er verstandig aan het bewijsaanbod te specificeren en niet te volstaan met de holle frase: “eiser/gedaagde biedt aan zijn stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens, in het bijzonder door middel van getuigen”. Het beweren van een stelling zonder voldoende bewijs leidt dus tot afwijzing van de vordering. Dit ondervond de huurder in hoger beroep voor het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden in haar uitspraak van 11 maart 2014 ECLI:NL:GHARL:2014:2011 . De huurder stelde zowel een bankgarantie als een waarborgsom aan de verhuurder ter beschikking te hebben gesteld.
Het hof oordeelt hierover als volgt. De bewijslast van haar stelling dat er indertijd een waarborgsom is betaald, en geen (tweede) bankgarantie is afgegeven zoals door de verhuurder is gesteld, rust op huurder die zich ter afwering van de vordering van de verhuurder beroept op verrekening met die betaalde waarborgsom. De huurder heeft evenwel geen bewijs aangeboden. Huurder heeft overigens ook nagelaten om uit te leggen waarom zij, zoals onder alinea 4.5 is beschreven, bankgaranties heeft verstrekt indien de verhuurder nog beschikte over een waarborgsom die ook gold voor de in de plaats gestelde huurder. Het hof vond de stelling van de huurder dus ook onaannemelijk.
In de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 2005 LJN: AR6199, Hoge Raad, C04/067HR55 was de Hoge Raad van mening dat het Hof het bewijsaanbod in bovengemelde zin heeft mogen passeren wegens het beperkte karakter van het bewijsaanbod (rechtsoverweging 3.3.3). Dit is zuur, omdat eiser deze zaak heeft verloren wegens een onvoldoende bewijsaanbod, terwijl het bewijs wellicht wel aanwezig was. Hier zien we wederom waarom het van belang is om deugdelijk te procederen: gelijk hebben betekent niet dat men uiteindelijk ook gelijk krijgt.