Beknopte handleiding procederen – Updates

  • 23 juli 2011. wijzigingen verbandhoudende met de verhoging van de competentiegrens van de sector kanton naar € 25.000. verwerkt.
  • 28 juni 2012. De rechtbank te ‘s-Gravenhage, sector kanton, locatie ‘s-Gravenhage, heeft in haar vonnis van 17 november 2011 LJN: BU7640, sector kanton Rechtbank ‘s-Gravenhage, 1083380/11-19968 beslist dat een arbitragebeding is toegestaan.
  • 3 januari 2013. De term rechtbank, afdeling civiel, kantonzaken, ingevoerd.
  • 11 mei 2014. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:525 ) aangegeven op welke wijze de bewindvoeder zich in een geding kan meningen.
  • 13 mei 2014. Het beweren van een stelling zonder voldoende bewijs leidt dus tot afwijziging van de vordering. Dit ondervond de huurder in hoger beroep voor het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden in haar uitspraak van 11 maart 2014 ECLI:NL:GHARL:2014:2011 .
  • 9 augustus 2014. Onderdeel primaire en subsidiaire vordering ingevoerd.
  • 18 december 2014. Linkjes naar wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hersteld.
  • 18 december 2014. Link naar onerdeel “De bewindvoerder is procespartij”hersteld.
  • 29 maart 2015. Beheerovereenkomst. Rechtbank Rotterdam vonnis van 27 maart 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:1801) Artikel 7:401 BW. Als de beheerder met de verhuurder is overeengekomen dat de beheerder het financiële, commerciële, en technische beheer van de woning overneemt, dan kan de beheerder jegens de verhuurder aansprakelijk worden voor het houden van onvoldoende toezicht.
  • 8 april 2015. De kantonrechter van de rechtbank te Oost-Brabant van in kort geding in haar vonnis van 4 november 2014 ( ECLI:NL:RBOBR:2014:6618 van mening dat een exploot openbaar betekend moet worden als de huurder wel woonplaats heeft gekozen in het gehuurde, maar daar niet meer woonachtig is.
  • 21 mei 2015. Uitbreiding met het onderdeel: “Wie behoort tot de “zijnen” van de huurder bij ontruiming van het gehuurde?”
  • 12 juli 2015. De kantonrechter te Rotterdam oordeelde in haar vonnis van 23 januari 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:776) dat de bewindvoerder de huur van de onder bewind staande huurder op mocht zeggen, nadat in de woning van deze huurder een hennepkwekerij was ontdekt.
  • 15 juli 2015. Een openbare betekening van een exploot hoeft niet meer gepubliceerd te worden in een Landelijk dagblad, maar moet worden gepubliceerd in de Staatscourant. De kosten van de digitale publicatie in de Staatscourant bedragen € 5,i5 (exclusief BRW) per advertentie.
  • 25 augustus 2015. Volgens een vonnis van de rechtbank te Utrecht van 4 januari 2012ECLI:RBUTR:2012:3382 kan het exploot ook aan het gekozen domicilie van de huurder worden betekend als de gekozen woonplaats alleen in het belang van de huurder is gekozen.
  • 13 september 2015. Landelijk procesreglement kantonzaken, januari 2014 ingevoerd.
  • 28 februari 2016.De rechtbank Noord-Holland oordeelde in haar kortgedingvonnis van 5 november 2015 ( ECLI:NL:RBNHO:2015:9676) dat de verhuurder ten onrechte de bewindvoerder niet in een procedure had betrokken. Verhuurder werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
  • 14 maart 2016. De rechtbank Limburg heeft in haar kortgeding vonnis van 21 december 2015ECLI:NL:RBLIM:2015:10868 vastgesteld dat gedaagden de huurovereenkomst met de VOF hebben gesloten en niet met de voormalige vennoten in persoon. Vordering van eisers afgewezen.
  • Gewijzigd 30 september 2016. De rechtbank Limburg oordeelde in haar vonnis van 2 maart 2016 ( ECLI:NL:RBLIM:2016:1784) dat de man terecht de vrouw en niet haar bewindvoerder in deze procedure had betrokken, omdat de vrouw geen huurster was en het huurrecht niet tot de boedel van de vrouw behoorde.
  • Gewijzigd 1 november 2016. De partij die een WSNP-bewindvoerder krijgt toegewezen wordt niet handelingsonbekwaam, maar verlies wel het beheer en de beschikking over zijn vermogen. Het hof te ‘s-Hertogenbosch was in haar arrest van 8 mei 2007 (ECLI:NL:GHSHE:2007:BB0040) tot oordeel dat de huurder wél bevoegd blijft de huur te betalen. Volgens het hof hoeft de bewindvoerder niet te worden gedagvaard als de huurder zijn verplichtingen niet nakomt. Als de bewindvoerder niet wordt gedagvaard zal het vonnis echter de boedel niet raken.
  • Gewijzigd 3 november 2016. Het starten van een procedure heeft dus geen zin als het gaat om huurachterstand die vóór de toepassing van de WSNP is ontstaan. Als een ontruimingsvonnis vóór de WSNP is verkregen kan de executie van dit vonnis dus wél ten uitvoer worden gelegd als de huurder na toepassing van de WSNP wederom met betaling van de huur in gebreke blijft. Het gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 21 december 20007 (ECLI:NL:GHSGR:2007:BC1146).
  • Gewijzigd 11 februari 2017. De vennootschap wordt ontbonden na het instellen van de vordering
  • Gewijzigd 11 februari 2017. In het geval de procedure tegen de rechtspersoon is aangevangen voor het tijdstip van zijn ontbinding en de vereffening van zijn vermogen, kan de procedure tegen de rechtspersoon worden voortgezet, ook indien de vereffening van het vermogen inmiddels is geëindigd en de rechtspersoon niet meer bestaat (zie HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948
  • Gewijzigd 11 februari 2017. De rechtbank Overijssel heeft in haar vonnis van 26 juli 2016 (ECLI:NL:RBOVE:2016:4070). De rechter was van oordeel dat de vennootschap niet was opgehouden te bestaan. Indien een rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, houdt hij ingevolge het vierde lid van artikel 2:19 BW op te bestaan. Ingevolge het vijfde lid van dat artikel blijft een rechtspersoon echter ook na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is.
  • Gewijzigd 18 oktober 2018. In de procedures die bij de Huurcommissie worden gestart wordt door de huurder nogal eens de verkeerde partij in deze procedure betrokken. Het onderscheid tussen de ingeschakelde beheerder die slechts incasso’s verzorgt ten behoeve van de verhuurder en die dus niet bevoegd is voor zichzelf een procedure te voeren over geschillen die voortvloeien uit de huurovereenkomst, is een huurder doorgaans niet duidelijk. Als in dit verband de beheerder in een procedure bij de Huurcommissie wordt betrokken, dan zou de uitspraak geen effect ten laste van de verhuurder kunnen hebben. In deze procedure is dan immers de verkeerde partij betrokken. Dit bleek uit een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 augustus 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:3130).
  • Gewijzigd 18 oktober 2018. De rechtbank Amsterdam besliste in haar vonnis van 8 januari 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:3) dat de huurder tegen de verkeerde partij een beroepsprocedure was gestart. De huurder had kennelijk wel een procedure bij de Huurcommissie tegen de verhuurder gestart, maar had in het beroep tegen de uitspraak van de Huurcommissie bij de kantonrechter kennelijk de beheerder in een procedure betrokken. Deze beheerder voerde onder meer het verweer dat de huurder in haar vordering niet kan worden ontvangen, nu deze ten onrechte is ingesteld tegen de beheerder in plaats van tegen de verhuurder. De kantonrechter oordeelde als volgt: Uitgangspunt is dat de verhuurder moet worden gedagvaard inzake een procedure ex artikel 7: 262 BW.
  • Gewijzigd 23 oktober 2018. Een voorbeeld van middellijke vertegenwoordiging wordt gegeven in een vonnis van de rechtbank Gelderland van 16 augustus 2017 (ECLI:NL:RBGEL:2017:4770).  In deze situatie was een beheerder van een bedrijfspand in staat van faillissement geraakt. Na het faillissement is de eigenaar die het pand vanaf 2002 in eigendom had rechtstreeks het pand gaan verhuren.
  • Gewijzigd 10 december 2018. De kantonrechter stelt in het vonnis van 13 februari 2018 van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2018:790) vast dat uit de overgelegde kadasterstukken blijkt dat verhuurder A en verhuurder B beiden voor de onverdeelde helft eigenaar zijn van het woonhuis, waarvan het gehuurde deel uitmaakt. De verhuurder A, die zonder toestemming van verhuurder B een huurbeëindigingsprocedure tegen een huurder was gestart, werd daarom niet ontvankelijk verklaard.
  • Gewijzigd 10 december 2018. Onderdeel “Bevoegdheid huuropzegging door twee eigenaren”ingevoerd.
  • Gewijzigd 10 februari 2019. In de conclusie van Advocaat-Generaal Huydecoper van 2 november 2007 (ECLI:NL:PHR:2008:BB7037) wordt het standpunt van het hof ‘s-Gravenhage in haar arrest van 12 mei 2006 (ECLI:NL:GHSGR:2006:AX8678) bevestigd inhoudende dat er  tussen de beheerder en zijn opdrachtgever zeer wel een relatie kan bestaan die niet als (hoofd)huur valt aan te merken.
  • Gewijzigd 10 februari 2019. Door de Hoge Raad is dit standpunt overgenomen in haar arrest van 18 januari 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BB7037). In dit arrest concludeert de Hoge Raad dat de in het middel aangevoerde klachten niet kunnen leiden tot cassatie. De door het hof s-Gravenhage in haar arrest van 12 mei 2006 (ECLI:NL:GHSGR:2006:AX8678) toegepaste redenering echtte de HR dus juist.
  • Gewijzigd 2 maart 2019. De rechtbank Amsterdam oordeelde in haar vonnis van 17 december 2018  (ECLI:NL:RBAMS:2018:9239) dat een boete op het geheel of gedeeltelijk in gebruik te geven aan derden  van het gehuurde van € 10.000,00 als een onredelijk beding in de zin van Richtlijn 93/13 aangemerkt moet worden.
  • Gewijzigd 21 maart 2019. Een standaard arrest over de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is het arrest van 26 september 2003 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2003:AF9414).  In dit arrest kwam de casus aan de orde dat er een persoon  A die toen hoofd was van de financieel-economische bedrijfsvoering van de Regiopolitie en tevens beoogd hoofd van de facilitaire ondersteuning van de Regiopolitie had onderhandeld over een huurovereenkomst.
  • Gewijzigd 21 maart 2019. Onderdeel  “Is de beheerder of de verhuurder procespartij?” uitgebreid met vertegenwoordiging, schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid en bekrachtiging rechtshandeling.
  • Gewijzigd 13 april 2019. Een nieuw onderdeel “Voorlopige voorziening ex artikel 223 RV”ingevoerd.
  • Gewijzigd 13 april 2019. Het gerechtshof Amsterdam van 25 september 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:3408) wees een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv toe.
  • Bijgewerkt 31 mei 2019. Er was in de literatuur twijfel of de houder wel onder eigen naam deze werkzaamheden kan verrichten Echter sinds een uitspraak van de Hoge raad van 14 januari 2011 (HR 14 januari 2011, NJ 2012/88, ECLI:NL:HR:2011:BO3521 (Van der Plas/Janssens) is het geaccepteerd dat een tussenpersoon zijn beschikkingsbevoegdheid ontleend aan de overeenkomst met de eigenaar.
  • Bijgewerkt 31 mei 2019. Als de middellijke vertegenwoordiger buiten zijn opdracht handelt dan wordt de eigenaar niet aan deze rechtshandeling gebonden. Er is dan immers geen grond voor analoge toepassing van artikel 3:61 lid 2 BW in het geval er sprake is van middellijke vertegenwoordiging. Zie ook het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 december 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:10346).
  • Bijgewerkt 23 juli 2019. tekst aangevuld ten behoeve van het Informatieformulier voor zaken waarin gedaagde een natuurlijke persoon is.