Beknopte handleiding procederen – Wijziging eis

Zolang de rechter geen eindvonnis heeft gewezen kan eiser altijd zijn vordering verminderen (artikel 129 RV). Een vermindering is bijvoorbeeld aan de orde als gedaagde een gedeelte van de huur heeft betaald. Dan is een vermindering van eis in ieder geval op zijn plaats.

Eiser is eveneens bevoegd zijn eis of gronden daarvan schriftelijk bij conclusie of akte te veranderen of te vermeerderen. Deze bevoegdheid bestaat in beginsel zo lang nog geen eindvonnis is gewezen (artikel 130 lid 1 RV). Deze bevoegdheid heeft hij niet als de gedaagde niet in het geding is verschenen (artikel 130 lid 3 RV). Voor de wijziging van de eis kan gebruik worden gemaakt van de “akte wijziging eis”.
Een wijziging van grondslag is niet altijd toegestaan. Een wijziging van de grondslag van de vordering kan in ieder geval niet worden toegestaan in een procedure, waarin tegen een partij verstek wordt verleend. Dit is beslist in een uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 5 november 2008. (LJN: BG8000, Rechtbank Rotterdam, 281154 / HA ZA 07-827 ).
Gedaagde kan zich verzetten tegen deze wijziging op grond dat de verandering in strijd is met de eisen van goede procesorde. Bijvoorbeeld vanwege het feit dat het geding onredelijk wordt vertraagd, of met het argument dat gedaagde onredelijk in zijn verdediging wordt geschaad. De rechter zal hierover beslissen nadat hij partijen daarover heeft gehoord. Hij kan ook ambtshalve een verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten, dat wil zeggen in de situatie dat de gedaagde zich niet tegen de wijziging of vermeerdering heeft verzet (artikel 130 lid 1 RV).

In de conclusie van de advocaat-generaal van 2 juni 2017 (ECLI:NL:PHR:2017:486)  wordt een voorbeeld gegeven van de verschillende grondslagen van het instellen van een vordering en de noodzaak om die verschillende grondslagen allemaal correct te onderbouwen. Hier had de eisende partij een vordering ingesteld wegens schade als gevolg van een gebrek aan het gehuurde (artikel 7:208 BW). Deze vordering werd afgewezen. De eisende partij ging er vervolgens ten onrechte vanuit dat de rechter vervolgens ambtshalve gehouden zou zijn de grondslag aan te vullen in de zin van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW. De rechter onderzoekt en beslist echter de zaak op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd, tenzij uit de wet anders voortvloeit (artikel 24 Rv). Deze feitelijke grondslag (ook wel genoemd: de rechtsfeiten) moet door partijen zijn gesteld. De rechter mag deze grondslag niet aanvullen met feiten en omstandigheden die de andere partij heeft gesteld in haar verweer of die hem ter comparitie, uit getuigenverhoor of deskundigenbericht gebleken zijn, tenzij deze feiten en omstandigheden alsnog aan de vordering of het verweer ten grondslag zijn gelegd. Hij moet, ook bij het aanvullen van rechtsgronden (artikel 25 Rv), binnen de grenzen van de rechtsstrijd blijven.

Voor een geslaagd beroep op kwalitatieve aansprakelijkheid op de voet van artikel 6:174 lid 1 BW dient derhalve als feitelijke grondslag te worden aangevoerd (i) dat de aangesproken (rechts)persoon de bezitter van een opstal is, (ii) dat de opstal niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen (anders gezegd: dat zij gebrekkig is), (iii) dat zij daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert en (iv) dat dit gevaar zich heeft verwezenlijkt.

Uit de door eiser gepresenteerde feiten konden geen aanknopingspunten worden gevonden om deze kwestie ook in het kader van de regeling van artikel 6:174 BW te beoordelen. Het arrest van het hof was daarom niet onbegrijpelijk door de kwalitatieve aansprakelijkheid van artikel 6:174 BW buiten beschouwing te laten. De kantonrechter had – als zodanig onbestreden – vastgesteld dat de vordering van eisende partij in eerste aanleg op de contractuele leest van artikel 7:208 BW was geschoeid. Eiser had daarna in hoger beroep niet (duidelijk) de grondslag van zijn vordering gewijzigd of aangevuld. De vordering mocht daarom alleen worden beoordeeld op basis van artikel 7:208 BW. Voor ambtshalve aanvulling van de gronden was dus geen plaats.

Een voorbeeld van een vermindering van eis in een laat stadium van de procedure geeft het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 28 juli 2004 (LJN: AQ5839, Gerechtshof Leeuwarden, Rolnummer 0300155 ). In deze zaak had de verhuurder de vordering tot herstel va het gehuurde gewijzigd in een vordering tot betaling van een bepaald bedrag. Het gerechtshof was van mening dat de gedane wijziging van eis deels een vermindering, deels een nadere bepaling van het gevorderde inhield. De verhuurder vordert immers thans niet meer om huurder te veroordelen om het gehuurde te herstellen in de staat waarin het zich bij de aanvang van de huurovereenkomst bevond (hetwelk kan worden aangemerkt als een schadevergoeding anders dan in geld, zie HR 20 maart 1992, NJ 1992, 495), terwijl zij haar vordering tot betaling van de herstelkosten thans nader heeft bepaald.

Een wijziging van eis dient te geschieden bij akte of conclusie (akte wijziging eis). Bij de kantonrechter kunnen dergelijke akten of conclusies ook mondeling worden genomen (artikel 82 lid 2 RV). Een schriftelijke conclusie dient door de partij zelf of haar gemachtigde te worden ondertekend (artikel 83 RV).

Als de rechter instemt met de wijziging van eis zal hij gedaagde in de gelegenheid stellen om zich tegen de (gewijzigde) eis te verweren. Wanneer de rechter de wijziging van eis niet toestaat, kan eiser natuurlijk altijd een separate procedure beginnen waarin hij het meerdere (of andere) alsnog opeist.