Boek 6 BW – titel 5 – afdeling 5 – Artikel 277 (Vergoeding van schade in het kader van de ontbinding)

  1. Wordt een overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbonden, dan is de partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd, verplicht haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt, doordat geen wederzijdse nakoming doch ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt.
  2. Indien de tekortkoming niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend, is het vorige lid slechts van toepassing binnen de grenzen van het in artikel 78 bepaalde.

Boek 6 BW – titel 5 – afdeling 5 – artikel 267 (Vorm van ontbinding van de overeenkomst)

  1. De ontbinding vindt plaats door een schriftelijke verklaring van de daartoe gerechtigde. Indien de overeenkomst langs elektronische weg is totstandgekomen, kan deze tevens door een langs elektronische weg uitgebrachte verklaring worden ontbonden. Artikel 227a lid 1 is van overeenkomstige toepassing.
  2. Zij kan ook op zijn vordering door de rechter worden uitgesproken.

Boek 6 BW – titel 5 – afdeling 5 – artikel 265 (Ontbinding overeenkomst)

  1. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
  2. Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, wanneer de schuldenaar in verzuim is.

Boek 6 BW – titel 5 – afdeling 4 – artikel 258 (Onvoorziene omstandigheden)

  1. De rechter kan op vordering van een der partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Aan de wijziging of ontbinding kan terugwerkende kracht worden verleend.
  2. Een wijziging of ontbinding wordt niet uitgesproken, voor zover de omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich erop beroept.
  3. Voor de toepassing van dit artikel staat degene op wie een recht of een verplichting uit een overeenkomst is overgegaan, met een partij bij die overeenkomst gelijk.

Boek 6 BW – titel 5 – afdeling 4 – artikel 252 (Dulden of niet te doen)

1. Bij een overeenkomst kan worden bedongen dat de verplichting
van een der partijen om iets te dulden of niet te doen ten aanzien
van een haar toebehorend registergoed, zal overgaan op degenen die
het goed onder bijzondere titel zullen verkrijgen, en dat mede gebonden
zullen zijn degenen die van de rechthebbende een recht tot gebruik
van het goed zullen verkrijgen.
2. Voor de werking van het in lid 1 bedoelde beding is vereist dat
van de overeenkomst tussen partijen een notariële akte wordt
opgemaakt, gevolgd door inschrijving daarvan in de openbare registers.
Degene jegens wie de verplichting bestaat, waarop het beding betrekking
heeft, moet in de akte ter zake van de inschrijving woonplaats kiezen
in Nederland.
3. Ook na inschrijving heeft het beding geen werking:<br>
a. jegens hen die voor de inschrijving onder bijzondere titel een
recht op het goed of tot gebruik van het goed hebben verkregen;
b. jegens een beslaglegger op het goed of een recht daarop, indien
de inschrijving op het tijdstip van de inschrijving van het proces-verbaal
van inbeslagneming nog niet had plaats gevonden;<br>
c. jegens hen die hun recht hebben verkregen van iemand die ingevolge
het onder a of b bepaalde niet aan de bedongen verplichting gebonden
was.
4. Is voor de verplichting een tegenprestatie overeengekomen, dan
gaat bij de overgang van de verplichting het recht op de tegenprestatie
mee over, voor zover deze betrekking heeft op de periode na de overgang
en ook het beding omtrent deze tegenprestatie in de registers ingeschreven
is.
5. Dit artikel is niet van toepassing op verplichtingen die een
rechthebbende beperken in zijn bevoegdheid het goed te vervreemden
of te bezwaren.

Boek 6 BW – titel 5 – afdeling 4 – artikel 248 (Redelijk en billijkheid)

  1. Een overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien.
  2. Een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Boek 6 BW – titel 5 – afdeling 3 – artikel 238

1 Bij een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 236 en 237, kan jegens de wederpartij geen beroep worden gedaan

a. op het feit dat de overeenkomst in naam van een derde is gesloten, indien dit beroep berust op het enkele feit dat een beding van deze strekking in de algemene voorwaarden voorkomt;

b. op het feit dat de algemene voorwaarden beperkingen bevatten van de bevoegdheid van een gevolmachtigde van de gebruiker, die zo ongebruikelijk zijn dat de wederpartij ze zonder het beding niet behoefde te verwachten, tenzij zij ze kende.

2 Bij een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 236 en 237 moeten de bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. Bij twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de wederpartij gunstigste uitleg.