Schadevergoeding als gevolg van een gebrek aan het gehuurde – Updates

Laatst bijgewerkt op 2025-10-26 om 15:27:42

  • Bijgewerkt 25 april 2013. Huurder moet zijn gevolgschade voldoende onderbouwen. Aansprakelijkheid van de verhuurder voor herstel van het gebrek is niet voldoende om de claim van de huurder op grond van 7:208 BW te kunnen onderbouwen. Arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008 ( LJN: BG3827, Hoge Raad, C07/169HR ).Tevens de onderdelen “Aansprakelijkheid verhuurder in verband met gevolgschade” en “Aansprakelijkheid van schade mogelijk zonder ingebrekestelling” uitgebreid voor wat betreft de verschillen tussen 6:74 BW e.v. en 6:208 BW.
  • Bijgewerkt 16 januari 2014. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 30 november 2012 ( LJN: BX8442, Hoge Raad, 11/04183 ) een beslissing van het hof correct bevonden en cassatie afgewezen nu het hof op grond van de bepalingen in de algemene voorwaarden van een huurcontract de werking van een exoneratiebeding heeft uitgesloten.
  • Bijgewerkt 13 augustus 2014. Laat men desondanks het nemen van deze maatregelen achterwege, dan is het mogelijk dat de schade voor rekening van de gelaedeerde blijft. Dit blijkt uit het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht van 25 maart 2014 (Noot 17aa ).
  • Bijgewerkt 14 oktober 2014. Het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 januari 2014 ( ECLI:NL:GHAMS:2014:217 )
  • Bijgewerkt 7 mei 2015. Het hof te ‘s-Hertogenbosch was in hoger beroep in haar arrest van 9 december 2014 ( ECLI:NL:GHSHE:2014:5191 ) van mening dat herstel van een kapot raam dat bij dagvaarding in januari 2013 was gemeld en pas in oktober 2013 was hersteld, kon leiden tot een verplichting tot vergoeding van schade wegens extra stookkosten.
  • Bijgewerkt 15 juni 2016. Het gerechtsghof te ‘s-Hertogenbosch was echter in haar arrest van 21 september 2010 ( ECLI:NL:GHSHE:2010:BO0177) van oordeel dat een CV-ketel van 31 jaar bij aanvang van de huurovereenkomst met betrekking tot woonruimte een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW oplevert.
  • Bijgewerkt 1 augustus 2016. Als de huurder zich in de BRP niet in kan schrijven op een adres omdat dit adres volgens de BAG niet bestaat, dan is dit een gebrek van het gehuurde als bedoeld in artikel 7:204 lid 2 BW. Een dergelijke situatie deed zich voor in een zaak die door de rechtbank Rotterdam op 10 juni 2016 ( ECLI:NL:RBROT:2016:3984) werd beslist.
  • Bijgewerkt 11 augustus 2016. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch stelde in haar arrest van 15 september 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:3587 ) vast dat de verhuurder aansprakelijk was voor immateriële schade wegens aanwezigheid van asbesthoudende lijmresten van de vloerbedekking die door de vorige huurder in het gehuurde was aangebracht.
  • Bijgewerkt 29 oktober 2016. De de Hoge Raad heeft in haar arrest van 14 juni 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AE0657 ) een beslissing moeten nemen over de vraag of een geldtransportbedrijf op grond van artikel 6:76 BW verantwoordelijk was voor een diefstal door haar werknemer die op het moment van het vervoer van het geldtransport geen dienst had. Claim afgewezen.
  • Bijgewerkt 29 oktober 2016. De Hoge Raad sluit zich aan bij hetgeen mr. A.S. Hartkamp heeft gesteld in zijn conclusie van 14 juni 2002 (ECLI:NL:PHR:2002:AE0657) over de kring van personen waarvoor de opdrachtnemer gebruik maakt. In deze zaak was er geen aansprakelijkheid op grond van de inschakekelijking van hulppersonen.
  • Bijgewerkt 29 oktober 2016. De de Hoge Raad heeft in haar arrest van 18 juni 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL9596 ) een beslissing moeten nemen over de vraag over de aansprakelijkheid voor niet-ondergeschikten.
  • Bijgewerkt 08 mei 2017. De claim kan ook ter beoordeling worden voorgelegd aan de klachtencommissie van de woningcorporatie
  • Bijgewerkt 17 juli 2017. Als de verhuurder niets kan worden aangerekend ten aanzien van de zorg, ook betreffende de door haar ingeschakelde ondergeschikten of hulppersonen, dan is er geen reden voor schadeplichtigheid. Zie ook de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, van 22 maart 2017 ( ECLI:NL:RBROT:2017:2184).
  • Bijgewerkt 21 december 2017. Het hof te ‘s-Hertogenbosch heeft in haar arrest van 19 december 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:5799 ) een antwoord gegeven op de vraag of een verhuurder aansprakelijk is voor door de huurder gestelde schade op de voet van artikel 6:76 BW en/of artikel 6:171 BW.
  • Bijgewerkt 23 maart 2020. Volgens een arrest van de Hoge Raad van 28 mei 1999 (ECLI:NL:HR:1999:ZC2912 (Losser/Kruidhof) zijn verloren vakantie uren als een vorm van vermogensschade aan te merken.  Nu ging dit arrest over onrechtmatig handelen. Daarvan is geen sprake in dit voorbeeld. dat bij toerekenbaar tekortschieten dergelijke posten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen blijkt uit het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 juni 2013 (ECLI:NL:RBAMS:2013:5274).
  • Bijgewerkt 14 mei 2020. De vraag wie aansprakelijk is voor brandschade aan het gehuurde wegens een in brand gevlogen taxibusje was onderwerp van geschil in het arrest van het ‘s-Hertogenbosch van 1 oktober 2019 (ECLI:NL:GHSHE:2019:3600).  de verhuurder had niet voldoende onderbouwd dat de schade voor rekening van de huurder diende te komen.
  • Bijgewerkt 3 juni 2020. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden was in haar arrest van 5 november 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:9486) van oordeel dat de verhuurder van een winkelpand is niet aansprakelijk voor waterschade bij de huurder was, omdat in de huurovereenkomst de aansprakelijkheid daarvoor was uitgesloten.
  • Bijgewerkt 31 mei 2021. De rechtbank oost-Brabant kwam in haar vonnis van 12 december 2013 (ECLI:NL:RBOBR:2013:7298) tot oordeel dat de asbestbesmetting door lijmresten van de vloerbedekking van de vorige huurders een gebrek aan het gehuurde opleverde. De rechter was van oordeel dat de verhuurder bij aanvang van de huur de asbestbesmetting van de woning kunnen kennen als hij onderzoek had laten doen. De verhuurder was daarom aansprakelijk voor gevolgschade.
  • Bijgewerkt 27 juni 2021. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 29 januari 2021 (ECLI:NL:HR:2021:153) uitgewerkt of de verhuurder een beroep toekwam op uitsluiting van de aansprakelijkheid bij aanwezigheid van spuitasbest in het pand. Volgens de Hoge Raad had het hof daarom artikel 6:248 BW terughoudend toe dienen te passen. De Hoge Raad overwoog daarbij vervolgens uitdrukkelijk dat, na verwijzing, het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid opnieuw moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval en hetgeen partijen hadden aangevoerd.
  • Bijgewerkt 14 juli 2022. Vonnis van de rechtbank Gelderland van 25 augustus 2021 (ECLI:NL:RBGEL:2021:4642). In deze zaak kwam de verhuurder geen beroep op de exoneratie in de algemene bepalingen toe, omdat de verhuurder voor aanvang van de overeenkomst al van het gebrek op de hoogte was.
  • Bijgewerkt 27 augustus 2023. Of de verhuurder onderzoek naar het gehuurde dient te doen bij aanvang van de overeenkomst en of de verhuurder bij gebreke van een dergelijk onderzoek aansprakelijk is voor (gevolg)schade als gevolg van dit gebrek, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 5 april 2023 (ECLI:NL:RBNHO:2023:2973) werd deze vraag aan de orde gesteld of de schade aan de vloer van een supermarkt door de verhuurder vergoed diende te worden.
  • Bijgewerkt 14 januari 2024. De rechtbank Noord-Holland heeft in haar vonnis van 20 december 2023 (ECLI:NL:RBNHO:2023:13004) beslist dat de verhuurder niet aansprakelijk was voor diefstal van enige spullen uit de woning van een huurder  tijdens renovatiewerkzaamheden.
  • Bijgewerkt 25 maart 2024. De rechtbank Noord-Holland heeft in haar vonnis van 15 november 2023 (ECLI:NL:RBNHO:2023:11877)  beslist dat de in de algemene voorwaarden opgenomen uitsluiting van de aansprakelijk ook werkt tegen de verzekeraar die de huurder had schadeloosgesteld en was gesubrogeerd in de rechten van de huurder.
  • Bijgewerkt 7 september 2025. De rechtbank Midden-Nederland heeft op 15 januari 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:31) een vonnis gewezen waarin werd beslist dat de verhuurder aansprakelijk was een deel van de schade te vergoeden die de huurder heeft geleden als gevolg van een gebrek aan de woning die zij huurden.
  • Bijgewerkt 26 oktober 2025. Het gaat in deze zaak waarbij het Hof Den Haag op 20 mei 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:936) arrest heeft gewezen om de vraag of de verhuurder als verhuurder aansprakelijk is voor de schade die de huurder heeft geleden als gevolg van een lekkage in de huurwoning. De kernvraag is ook hier of de schade als gevolg van het gebrek de huurder kan worden toegerekend.
  • Bijgewerkt 26 oktober 2025. In deze zaak die diende voor de rechtbank Amsterdam en waarin vonnis was gewezen op 7 maart 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:1599) tussen huurder en verhuurder stond de vraag centraal of de verhuurder aansprakelijk was voor schade die de huurder had geleden als gevolg van wateroverlast, vocht en schimmel in de gehuurde bedrijfsruimte. De verhuurder was niet aansprakelijk voor de gevolgschade.
  • Bijgewerkt 26 oktober 2025. Als de verhuurder had getreuzeld met herstel van het gebrek, dan had de huurder wel een schadeclaim in kunnen dienen niettegenstaande de uitsluiting van aansprakelijkheid. Dit bleek ook uit het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 28 februari 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:1157).
  • Bijgewerkt 26 oktober 2025. In een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 18 december 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:6888) stond de vraag centraal of de verhuurder aansprakelijk is voor schade die de huurder heeft geleden doordat zij haar winkel achttien dagen moest sluiten vanwege herstelwerkzaamheden aan de draagconstructie van de vloer boven het gehuurde pand.Verhuurder niet aansprakelijk voor gevolgschade.

Semi-dwingend recht voor woonruimte, regelend recht voor bedrijfsruimte

Laatst bijgewerkt op 2025-10-26 om 13:35:27

Ingevolge artikel 7:242 BW kan bij woonruimte niet ten nadele van de huurder van artikel 7:208 BW worden afgeweken. Voor bedrijfsruimte is deze bepaling regelend recht voor zover deze gebreken tijdens de huurperiode zijn ontstaan en de verhuurder niet tijdig de gebreken heeft hersteld, of heeft kunnen herstellen. De mogelijkheid van uitsluiting van aansprakelijkheid voor gevolgschade door een gebrek door de verhuurder van bedrijfsruimte lijkt te worden gelegitimeerd vanwege de omstandigheid dat de huurder zich tegen deze schade kan verzekeren, terwijl dit voor de verhuurder doorgaans niet mogelijk is. Het is daarom verstandig dat de huurder zich laat informeren of een dergelijke verzekering interessant voor hem is.

De verhuurder blijft ook bij bedrijfsruimte op grond van artikel 7:209 BW aansprakelijk voor schade, die door de huurder is geleden als gevolg van gebreken die bij aanvang van de huurovereenkomst bestonden en die de verhuurder kende of had behoren te kennen. Dit wordt bevestigd in een arrest van de Hoge Raad van 3 september 2010 ( LJN: BM3980, Hoge Raad, 08/04896 ) in rechtsoverweging 4.2. van dit arrest. In dit arrest is beslist dat áls er sprake is van een gebrek van het gehuurde in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW waar de huurder geen rekening had hoeven te houden, en dit gebrek bij de verhuurder bij aanvang van de overeenkomst bekend was of bij de verhuurder bekend had horen te zijn, de verhuurder aansprakelijkheid voor gevolgschade van de huurder op grond van artikel 7:209 BW uit kan sluiten. In de zaak die tot dit arrest heeft geleid moest dit nog worden uitgezocht. De zaak is daarom verwezen naar het gerechtshof te ‘s-Gravenhage om met inachtneming van het gestelde in dit arrest opnieuw een beslissing te nemen. Voor aansprakelijkheid voor gevolgschade is immers van belang dat er sprake is van een gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW en dat de verhuurder, als deze in de algemene voorwaarden artikel 7:208 BW buiten werking heeft gesteld, met het gebrek bij aanvang van de huurovereenkomst op de hoogte was, of het gebrek hoorde te kennen. Mocht laatstgenoemde bepaling niet buiten werking zijn gesteld, dan is de verhuurder aansprakelijk voor de gevolgschade als het gebrek hem kan worden toegerekend.
Voor de goede orde zij opgemerkt dat voor de kwalificatie “gebrek” (aan het gehuurde) deze wetenschap niet van belang is. Voor de kwalificatie gebrek als genoemd in artikel 7:204 BW is van belang wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst omtrent het verstrekte huurgenot zijn overeengekomen. Doet een gebrek zich voor, dan dient het gebrek door de verhuurder te worden hersteld. Voor de schade als gevolg van dit gebrek gelden de overwegingen als in dit hoofdstuk behandeld.

Kwade trouw
Huydecoper verdedigt in zijn conclusie bij laatstgenoemd arrest van 3 september 2010 dat de mededeling van de verhuurder dat zij niet wist of het pand asbestvrij was onvoldoende is om de huurder gerechtvaardigd te laten twijfelen dat er geen deugdelijke prestatie mocht worden verwacht. En als de huurder door uitlatingen van de verhuurder wel asbest mocht verwachten, dan nog zou de huurder geen genotstoornis in de vorm van vrijgekomen asbestdeeltjes hoeven te verwachten. Dit ligt anders als de verhuurder uitdrukkelijk een onderzoeksplicht naar de aanwezigheid van asbest naar de huurder zou hebben verlegd. Het is dan mogelijk dat op grond van artikel 7:204 lid 2 BW de verhuurder een verplichting tot herstel heeft. Bij uitsluiting van artikel 7:208 BW kan de verhuurder zijn aansprakelijkheid voor gevolgschade blokkeren als er geen kwade trouw in het spel is.
Artikel 7:209 BW heeft als uitgangspunt dat aansprakelijkheid voor gevolgschade mag worden uitgesloten, tenzij er sprake is van “kwade trouw” aan de kant van de verhuurder. Dit is op zich zelf geen vreemde regeling. Partijen kunnen immers bij bedrijfsruimte ook de reikwijdte van het begrip “gebrek” inkorten, waardoor er geen sprake is van aansprakelijkheid voor gevolgschade als zich een gecalculeerd gebrek voordoet. Voorts is het bij vrijwel alle benoemde (bijvoorbeeld: arbeidsovereenkomst, huurovereenkomst, consumentenkoop) en onbenoemde contracten (koopovereenkomst) mogelijk aansprakelijkheid voor gevolgschade uit te sluiten.

In het middel wordt geen beroep gedaan op grove schuld of ernstige nalatigheid van de verhuurder (of anderszins op ernstig aan deze toerekenbare tekortkomingen) – ook niet in die zin dat de verhuurder ernstig zou mogen worden verweten dat die, hoewel zij door de leveringsakte op de aanwezigheid van asbest was geattendeerd, daar vervolgens niet naar heeft gehandeld -, zodat de verhuurder een beroep op uitsluiting van aansprakelijkheid voor gevolgschade kan doen.

In het huurcontract was onder daarbij behorende algemene voorwaarden de volgende bepaling opgenomen:
(art. 10 AB) Indien verhuurder het nodig oordeelt in, op of aan het gehuurde (…) onderhoud, herstel, vernieuwing (…) renovatie- of andere werkzaamheden te (doen) verrichten (…) zal huurder die werkzaamheden en maatregelen en het eventuele ongerief gedogen, zonder daarvoor enige schadevergoeding of vermindering van de betalingsverplichting of ontbinding van de huurovereenkomst te kunnen vorderen, tenzij (art. 11.8 overeenkomst) e.e.a. langer duurt dan 40 dagen, op welk moment huurder recht heeft op een compensatie van de huurprijs. (…)

Huydecoper brengt naar voren dat ten aanzien van de gevorderde verminderde huurprijs het volgende van toepassing kan zijn: het is mogelijk dat deze contractuele bepaling alleen aansprakelijkheid voor minder ernstige tekortkomingen uitsluit. Als met deze regeling wel is bedoeld om de verhuurder te ontheffen van aansprakelijkheid voor ernstige vormen van tekortschieten, dan zou deze regel in strijd kunnen komen met de regeling van artikel 7:209 BW In deze zaak is echter geen grove schuld of ernstige nalatigheid gesteld door de huurder, zodat de contractuele regel onverkort toegepast lijkt te kunnen worden.

Algemene voorwaarden
In veel algemene voorwaarden wordt aansprakelijkheid voor schade op grond van omzetderving, vervanging inventaris, etc. uitgesloten. Als een verhuurder met een beroep op de algemene voorwaarden aansprakelijkheid voor schade tracht te ontlopen, zonder gebreken in het gehuurde te hebben hersteld, ook na uitdrukkelijke verzoeken van de huurder om deze gebreken te herstellen, dan kan de huurder op grond van een beroep op de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW) deze voorwaarden trachten te neutraliseren. De bedrijfsmatige huurder komt eigenlijk (behoudens artikel 6:248 BW) geen beroep toe om onredelijke bedingen in de algemene voorwaarden buiten spel te laten zetten. Dit beroep op de onredelijkheid van bedingen komt immers slechts een consument en niet twee zakelijke partijen toe. Dit beroep op de onredelijkheid van bedingen komt immers in beginsel slechts een consument en niet twee zakelijke partijen toe. De rechtbank te Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht, oordeelde evenwel in haar vonnis van 19 januari 2011 ( LJN: BP2595,Sector kanton Rechtbank Utrecht, 597767 UC EXPL 08-14989 AW/321 ) dat de kleine ondernemer, die materieel niet of nauwelijks van een consument is te onderscheiden, toch beroep kan doen op de onredelijkheid van een bepaling in de algemene voorwaarden via de open norm van artikel 6:233 sub a BW. Daarnaast kan de contractspartij als omschreven in artikel 6:235 BW (vernietiging algemene voorwaarden) toch ook een beroep doen op het vernietigen van algemene voorwaarden, die als bijlage bij een huurovereenkomst zijn gevoegd. (Zie artikel 6:236 BW en artikel 6:237 BW. Artikel 6:237 sub f BW lijkt (enigszins gekunsteld) een beroep op vernietiging in omschreven geval mogelijk te maken.

Een beroep op vernietiging moet de huurder uitdrukkelijk schriftelijk doen met bijvoorbeeld de zin: “ik vernietig de bepaling in de algemene voorwaarden van de huurovereenkomst, omdat deze onredelijke bezwarend is volgens artikelen”. Als de huurder de algemene voorwaarden niet heeft ontvangen, dan kan hij in ieder geval op grond van artikel artikel 6:234 BW een beroep op vernietiging van deze voorwaarden doen. Door een succesvol beroep op vernietiging van de voorwaarden, worden deze voorwaarden geacht met terugwerkende kracht nooit tussen partijen te hebben bestaan. Tot het moment van vernietiging maken deze voorwaarden gewoon deel uit van de overeenkomst en binden deze voorwaarden partijen onderling.

De Hoge Raad heeft in haar arrest van 30 november 2012 ( LJN: BX8442, Hoge Raad, 11/04183 ) beslist dat het door de verhuurder ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 24 mei 2011 niet tot cassatie kon leiden. Dit behoefde, gezien art. 81 lid 1 RO, volgens de Hoge Raad geen nadere motivering nu de klachten niet noopten tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Het hof had een beslissing moeten nemen over de vraag of de verhuurder toerekenbaar tekort was geschoten wegens gebreken aan het gehuurde en de verhuurder tevens aansprakelijk was voor de gevolgschade als gevolg van dit gebrek, ondanks de in de overeenkomst aanwezige exoneratie. Het hof was van oordeel dat de verhuurder tekort was geschoten aan de verplichtingen uit de huurovereenkomst. Vanuit deze benadering was het niet nodig om het exoneratiebeding via artikel 6:248 BW buiten spel te zetten. In het huurcontract was de volgende bepaling opgenomen:
11.9 Het gestelde in 11.6 en 11.8 ten aanzien van de bedrijfsschade geldt niet bij schade als gevolg van grove schuld of ernstige nalatigheid van verhuurder ten aanzien van de staat van het gehuurde of van het gebouw of complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt. Evenmin geldt het gestelde in 11.6 en 11.8 ten aanzien van de bedrijfsschade indien de schade het gevolg is van een gebrek aan het gehuurde dat verhuurder bij het aangaan van de huurovereenkomst kende of had behoren te kennen, tenzij het gaat om gebreken waarvan huurder op de hoogte was of had kunnen zijn door zijn onderzoek als omschreven in 4, welk gebrek alsdan tussen partijen niet als een gebrek kan worden beschouwd.
De artikelen 11.6 en 11.8 in het huurcontract beschreven uitsluiting van aansprakelijkheid.

Het gebrek bestond uit een te hoge luchtvochtigheid in het gehuurde, waardoor de huurder de voorgenomen fabricage van de in het gehuurde geplaatste machines niet zoals bedoeld kon uitvoeren. De machines van de huurder raakten door het vocht ook beschadigd. Mr. F.F. Langemeijer geeft vanaf alinea 1.7 van zijn conclusie bij dit arrest de overwegingen van het hof weer. Het hof ging ervan uit dat de vochtige conditie in het gehuurde als een gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW aangemerkt kon worden. De relatieve luchtvochtigheid bleef na herstelwerkzaamheden door de verhuurder onveranderd hoog. Na opmerkingen door de huurder over de onverminderde te hoge relatieve luchtvochtigheid ondernam de verhuurder verder geen actie en haalde bovendien de eerder geplaatste bouwdrogers weg. De verhuurder was naar de mening van het hof wegens deze handelwijze ernstig tekort geschoten in zijn verplichting als verhuurder om het gebrek te verhelpen. In afwachting van verder onderzoek naar de oorzaak van het gebrek had het de verhuurder duidelijk moeten zijn dat het gebrek met relatief eenvoudige middelen (tijdelijk) door de plaatsing van bouwdrogers, tot een aanvaardbaar niveau kon worden teruggebracht. Desondanks had de verhuurder de bouwdrogers weggehaald en niet meer teruggeplaatst. Ook niet nadat de huurder de verhuurder herhaaldelijk van de schadelijke gevolgen van het gebrek op de hoogte had gebracht. Daarmee was naar het oordeel van het hof gebleken van ernstige nalatigheid aan de kant van de verhuurder, zodat de verhuurder geen beroep toekwam op de door hem ingeroepen exoneratiebepalingen.

Mr. Langemeijer merkt op dat het hof de exoneratiebepalingen buiten toepassing verklaart op grond van een ‘ernstige nalatigheid’ in de zin van art. 11.9 van de algemene voorwaarden. Het hof vond om deze reden het exoneratiebeding hier niet van toepassing. Daarmee heeft het hof volgens Langemeijer een uitleg gegeven aan het begrip ‘ernstige nalatigheid’. Door deze uitleg van artikel 11.9 van de algemene voorwaarden werden exoneratiebepalingen buiten toepassing verklaard.

In de onderhavige zaak is het hof niet toegekomen aan een rechtstreekse toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW. Volgens de redelijkheid en billijkheid kunnen voorwaarden die aansprakelijkheid uitsluiten ook buiten toepassing worden verklaard. Volgens Langemeijer heeft het hof, bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een ‘ernstige nalatigheid’ in de zin van artikel 11.9 van de toepasselijke algemene voorwaarden, een maatstaf aangelegd die gelijk is aan de maatstaf, welke geldt voor de beoordeling van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid wegens ‘bewuste roekeloosheid’, waardoor een succesvol beroep op het exoneratiebeding door de verhuurder niet mogelijk is.

In de conclusie van Langemeijer is aangevoerd dat met betrekkelijk eenvoudige middelen de schade voorkomen had kunnen worden. Langemeijer merkt in alinea 2.20 van zijn conclusie hierover op: ook als dat standpunt feitelijk juist is dat de huurder ook bouwdrogers had kunnen regelen, het hof kon oordelen dat in dit geval de verhuurder actie had moeten ondernemen om het gebrek te verhelpen. In het kader van de schadebeperkingsplicht van de huurder zal een tekortschieten in deze verplichting kunnen leiden tot toekenning van een lager schadebedrag. Deze uitkomst maakt deze zaak interessant. Het is voor een huurder goed om te weten dat een beroep op artikel 11.9 van de algemene voorwaarden inhoudelijk een zelfde effect heeft als een beroep op de werking van de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:248 BW.

De Hoge Raad heeft in haar arrest van 29 januari 2021 (ECLI:NL:HR:2021:153) uitgewerkt of de verhuurder een beroep toekwam op uitsluiting van de aansprakelijkheid bij aanwezigheid van spuitasbest in het pand. De huurder was de opvolger van een vorige exploitant. Deze vorige exploitant had een asbestonderzoek uit laten voeren. In dit rapport van onderzoek stond vermeld dat het winkelpand is gesaneerd en dat 180 m² plafondbeplating en 6 m² kolombeplating en dat 180 m² besmetting is opgeruimd. Verder bleek uit het rapport dat de eindcontrole heeft plaatsgevonden op 6 februari 2010. In de conclusie van het rapport is het volgende te lezen: “De gemiddelde vezelconcentratie ligt beneden de vrijgavenorm van 0,01 v/ml lucht. Op grond van de resultaten van de visuele inspectie en eventueel het beschreven onderzoek mag de onderzochte ruimte wel zonder gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen worden betreden.”

In de huurovereenkomst werden dezelfde uitsluitingen in de algemene bepalingen gebruikt (artikelen 11.6 en 11.8 van de algemene bepalingen) als hierboven weergegeven. Tijdens een verbouwing heeft de arbeidsinspectie de verbouwing stilgelegd. Bij een inspectie was namelijk geconstateerd dat zich spuitasbest of resten daarvan in het winkelpand bevonden.

Huurder en verhuurder waren een bedrag overeengekomen dat voorlopig wekelijks aan de huurder betaald zou worden. Op een zeker moment verzocht de verhuurder de huurder de exploitatie na sanering te hervatten, bij gebreke waarvan de overeenkomst zou worden ontbonden. Partijen kwamen niet tot overeenstemming waarna de verhuurder de overeenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden en de vergoeding heeft gestopt. Het hof heeft de overeenkomst ontbonden en de vergoeding van schade op te maken bij staat toegewezen. Het hof merkte ten aanzien van de exoneraties in de huurovereenkomst het volgende op: Voor zover de grondslag is schade door onterechte ontbinding, zien de ingeroepen exoneraties daarop niet en dient de daardoor veroorzaakte schade te worden vergoed. Dit geldt evenzeer voor zover sprake is van schade in de franchiseovereenkomst waarin geen exoneratie is opgenomen. De exoneratie(s) in alleen de huurovereenkomst ziet op gevolgschade voor een gebrek in het gehuurde en de daardoor veroorzaakte schade. Een beroep van verhuurder op de bedoelde uitsluitingen van aansprakelijkheid, zoals het hof de stellingen van huurder opvat, is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

In cassatie diende beoordeeld te worden of het hof de terughoudendheid heeft miskend waarmee de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW moet worden toegepast en dat het hof heeft miskend dat alle omstandigheden van het geval relevant zijn bij de beoordeling van een beroep op een exoneratiebeding, althans dat het oordeel onbegrijpelijk is.

De Hoge Raad was het met de verhuurder eens en achtte de klacht terecht voorgesteld. De Hoge Raad overwoog als volgt: Het hof heeft in rechtsoverweging 5.8 van haar arrest overwogen dat de ingeroepen exoneraties niet zien op de schade als gevolg van de onterechte ontbinding, en evenmin op aansprakelijkheid voor schade uit hoofde van de franchiseovereenkomst, waarin geen exoneratie is opgenomen. De exoneraties zijn opgenomen in de huurovereenkomst en zien op schade die het gevolg is van een gebrek aan het gehuurde, aldus het hof. Artikel 11.9 van de algemene bepalingen behorend bij de huurovereenkomst houdt in dat de daarin geregelde aansprakelijkheidsbeperkingen niet gelden bij schade als gevolg van grove schuld of ernstige nalatigheid van verhuurder ten aanzien van de staat van het gehuurde en evenmin ten aanzien van bedrijfsschade die het gevolg is van een gebrek aan het gehuurde dat verhuurder bij het aangaan van de huurovereenkomst kende of had behoren te kennen. Gelet daarop en tegen de achtergrond van de stelling van de verhuurder dat zij het gebrek kende noch behoorde te kennen, welke stelling het hof niet heeft verworpen, alsmede in het licht van het vaststaande feit dat de sanering van het winkelpand eind april 2013 was afgerond, heeft het hof met zijn oordeel dat het beroep van de verhuurder op de exoneratiebedingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, de terughoudendheid miskend waarmee de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW moet worden toegepast, dan wel is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd. De door het hof genoemde omstandigheden dat de tekortkoming de kern van de prestatie betreft, dat zonder terbeschikkingstelling van het gehuurde niet alleen aan de huurovereenkomst maar ook aan de franchiseovereenkomst elke betekenis komt te ontvallen en dat de verhuurder gedurende een bepaalde periode de huurder wekelijks schadeloos heeft gesteld, maken onvoldoende duidelijk waarom het beroep op de exoneratiebedingen in de huurovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Er was hier een behoorlijk onderzoek uitgevoerd. Door dit onderzoek is een aansprakelijkheid op basis van artikel 7:209 BW niet voor de hand liggend. De verhuurder kan immers niet worden geacht het gebrek te kennen of dat hij het gebrek behoorde te kennen. Aangezien de situatie als genoemd in artikel 7:209 BW zich niet leek voor te doen, is het voor bedrijfsruimte mogelijk aansprakelijkheid van artikel 7:208 BW uit te sluiten. Het hof had niet vastgesteld dat de verhuurder het gebrek kende of behoorde te kennen, waardoor afwijking van artikel 7:208 BW mogelijk is. Volgens de Hoge Raad had het hof daarom artikel 6:248 BW terughoudend toe dienen te passen. De Hoge Raad overwoog daarbij vervolgens uitdrukkelijk dat, na verwijzing, het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid opnieuw moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval en hetgeen partijen hadden aangevoerd. Uit dit arrest maak ik wel op dat de Hoge Raad onder deze omstandigheden doorbreking van de exoneratie niet zo voor de hand vindt liggen.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden was in haar arrest van 5 november 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:9486) van oordeel dat de verhuurder van een winkelpand niet aansprakelijk voor waterschade bij de huurder was, omdat in de huurovereenkomst de aansprakelijkheid daarvoor was uitgesloten. In het betreffende contract was de volgende bepaling opgenomen: “Verhuurder is niet aansprakelijk voor schade toegebracht aan de persoon of goederen van huurder […] door het optreden en de gevolgen van zichtbare en onzichtbare gebreken aan het gehuurde of het gebouw of complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt of ontstaan door […] in- en uitstroming van gassen of vloeistoffen […]”.

De wateroverlast is veroorzaakt doordat het water in de niet geïsoleerde leiding, onder een niet/slecht geïsoleerd dak in een niet tot slecht verwarmde ruimte, tijdens de extreem koude periode is bevroren waardoor de (matige) soldeerverbinding tussen de afsluiter en de leiding, door uitzetting van ijs in de leiding, uit elkaar is geperst.

De verhuurder werd onder meer door de verzekeraar van de huurder aangesproken. Op grond van artikel 6:197 BW zijn rechten die gebaseerd zijn op risicoaansprakelijkheden zoals bedoeld in (onder meer) artikelen 6:171 BW  en 7:174 BW niet vatbaar voor subrogatie. De verzekeraar vorderde daarom op basis van onrechtmatig handelen van de verhuurder vergoeding van schade. De verzekeraar betoogde dat de exoneraties in dit verband zouden gelden, omdat de verhuurder niet in haar hoedanigheid als  verhuurder maar in haar hoedanigheid als eigenaar werd aangesproken. Het staat partijen volgens het hof echter vrij om contractuele regelingen te treffen die (ook) zien op aansprakelijkheid die uit de wet voortvloeit. De juridische grondslag van de vordering van de verzekeraar is daarom niet doorslaggevend voor de vraag of de verhuurder zich kan beroepen op de exoneraties. De overwegingen van het hof zijn interessant.

Voor de vraag of de bepalingen uit de huurovereenkomst ook van toepassing zijn op de verbintenis die op grond van artikel 6:162 BW is ontstaan, moeten die bepalingen in de overeenkomst worden uitgelegd. De betekenis van een beding in een schriftelijke overeenkomst moet door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Over de betrokken bepalingen is niet onderhandeld. Zowel de tekst van de exoneratie in de overeenkomst zelf als die van de exoneratie in de algemene voorwaarden zien expliciet op schade veroorzaakt door binnenstromen van water of het instromen van vloeistoffen. Dat is – exact – wat zich in dit geval heeft voorgedaan. Dat de lekkage zelf zich in een ander deel van het gebouw bevond, speelt daarbij geen rol: de schade is veroorzaakt doordat het water de kelder instroomde. De exoneraties zijn, gezien de bewoordingen, niet beperkt tot schade veroorzaakt door derden of tot gebreken aan het gehuurde in de zin van artikel 7:204 BW. Er zijn geen verklaringen of gedragingen van partijen of feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de huurder redelijkerwijs kon verwachten dat tussen partijen geen exoneratie voor de onderhavige schade was overeengekomen, althans dat de verhuurder daar in redelijkheid geen beroep op kon doen. Dat wil zeggen dat partijen overeengekomen zijn dat de verhuurder niet aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door binnentredend water, ook niet als de juridische grondslag van de vordering een onrechtmatige daad van de verhuurder of door haar ingeschakelde opdrachtnemers is. Van opzet of grove schuld is geen sprake en de verhuurder kan zich dus beroepen op deze exoneraties.

In deze zaak die diende voor de rechtbank Amsterdam en waarin vonnis was gewezen op 7 maart 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:1599) tussen huurder en verhuurder stond de vraag centraal of de verhuurder aansprakelijk was voor schade die de huurder had geleden als gevolg van wateroverlast, vocht en schimmel in de gehuurde bedrijfsruimte. Huurder huurde sinds 1 mei 2022 een bedrijfsruimte van verhuurder en meldde in augustus 2023 wateroverlast. De verhuurder liet daarop in september 2023 herstelwerkzaamheden uitvoeren die in december 2023 werden afgerond. Tijdens deze periode heeft de verhuurder de huurder onverplicht vrijgesteld van huurbetaling. Enkele maanden later, in juli 2024, meldde de huurder opnieuw vocht- en schimmelproblemen en stelde de verhuurder aansprakelijk voor schade aan haar bedrijfsinventaris, vloer en bedrijfsvoering.

De rechtbank stelde voorop dat volgens artikel 7:208 van het Burgerlijk Wetboek een verhuurder aansprakelijk kan zijn voor schade als gevolg van een gebrek, tenzij dit contractueel bij bedrijfsruimte is uitgesloten. Op de huurovereenkomst waren de ROZ-algemene bepalingen kantoorruimte 2015 van toepassing. Artikel 10 van deze bepalingen bepaalt dat de verhuurder niet aansprakelijk is voor schade ten gevolge van een gebrek en dat de huurder geen aanspraak kan maken op huurprijsvermindering of verrekening. Slechts indien de verhuurder het gebrek bij aanvang van de huurovereenkomst kende of behoorde te kennen, geldt deze uitsluiting niet. Daarnaast geldt dat deze uitsluiting niet geldt als een beroep op deze uitsluiting onredelijk is Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de verhuurder na verzoek om herstel daartoe niet overgaat, of pas daartoe overgaat geruime periode na de melding. De kantonrechter moest in deze situatie beoordelen of de verhuurder bij het aangaan van de huurovereenkomst wist of had moeten weten van de gebreken.

Uit de stukken bleek dat de verhuurder bij de oplevering van het gehuurde in 2022 een inspectie had uitgevoerd en dat toen geen vochtproblemen werden geconstateerd. De eerste melding van wateroverlast volgde pas veertien maanden later. De oorzaak bleek te liggen in een verzakte hemelwaterafvoer, mogelijk in combinatie met een hoge grondwaterstand en een lekkende leiding. Deze gebreken waren niet zichtbaar of kenbaar bij de oplevering. De huurder heeft onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat de verhuurder het gebrek kende of behoorde te kennen. De rechtbank oordeelde daarom dat de verhuurder bij aanvang van de huurovereenkomst niet op de hoogte was van de gebreken en dat haar daarvan ook geen verwijt kon worden gemaakt.

Ook voor wat betreft het herstel van de schade heeft de rechtbank vastgesteld dat de verhuurder adequaat en voortvarend heeft gehandeld. Binnen een maand na de melding werd begonnen met grootschalige herstelwerkzaamheden die zorgvuldig zijn uitgevoerd. Er is dan ook geen sprake van nalatig of traag optreden. Dat de verhuurder bovendien de huurder tijdens de herstelperiode vrijwillig vrijstelde van huur, terwijl de algemene bepalingen een recht op huurprijsvermindering uitsluiten, getuigt volgens de kantonrechter van goed verhuurderschap. Het is daarom niet onredelijk dat de verhuurder voor verdere schadevergoeding een beroep doet op de contractuele uitsluiting van aansprakelijkheid. Als de verhuurder had getreuzeld met herstel van het gebrek, dan had de huurder wel een schadeclaim in kunnen dienen niettegenstaande de uitsluiting van aansprakelijkheid. Dit bleek ook uit het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 28 februari 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:1157).

In deze zaak had de huurder een lekkage gemeld. Het treuzelen met herstel van het gebrek leverde naar het oordeel van de kantonrechter een ernstige tekortkoming van de verhuurder, zoals bedoeld in artikel 11.4 van de algemene bepalingen. In dit artikel staat onder meer : “Het gestelde in 11.3 is in de navolgende omstandigheden niet van toepassing: (…) indien een gebrek een gevolg is van een toerekenbare ernstige tekortkoming van verhuurder”. In artikel 11.3 van de algemene  bepalingen staat een uitsluiting van aansprakelijkheid.

De rechter oordeelde in dit verband dat het gebrek door de verhuurder stand was gelaten doordat de deze geen maatregelen heeft getroffen, ondanks besprekingen met en meerdere e-mails van de vorige gemachtigde van de huurder en zelfs nadat zij op 20 juni 2023 in gebreke was gesteld met een hersteltermijn van drie weken. Naar het oordeel van de kantonrechter doet zich na het verstrijken van die termijn voornoemde uitzondering op de exoneratie voor, zodat de huurder vanaf dat moment aanspraak bestaat op huurkorting en schadevergoeding. Ik merk hierbij overigens op dat op grond van artikel 7:206 BW een ingebrekestelling niet nodig is om de verhuurder in verzuim te doen geraken. Volgens artikel 7:206 lid 1 BW is een mededeling naar de verhuurder ook voldoende om een gebrek te melden bij de verhuurder. Artikel 7:206 lid 1 BW is regelend recht voor de huurder  van bedrijfsruimte. Daarvan kan in het huurcontract vanaf worden geweken. In artikel 10 van de algemene bepalingen is echter slechts gesteld dat de huurder de verhuurder onverwijld van een gebrek op de hoogte zal brengen. Ook in deze voorwaarden wordt er niet gesproken van een ingebrekestelling bij het constateren van gebreken. De huurkorting en schadevergoeding had vermoedelijk ook op een eerder moment in kunnen gaan.

Ten aanzien van de latere vocht- en schimmelklachten uit 2024 heeft de kantonrechter geoordeeld dat deze problemen zo nauw samenhangen met de eerdere wateroverlast dat sprake is van één en hetzelfde gebrek. Zelfs als zou worden aangenomen dat het om een nieuw gebrek ging, zou de verhuurder daarvoor niet aansprakelijk zijn omdat het dan gaat om een gebrek dat is ontstaan ná het aangaan van de huurovereenkomst, waarvoor de algemene bepalingen eveneens aansprakelijkheid uitsluiten. Daarnaast is gebleken dat de huurder haar zorgplicht ten aanzien van ventilatie en verwarming niet volledig was nagekomen, wat volgens de rechtbank mede aan het ontstaan van de schimmel heeft bijgedragen.

De rechtbank kwam tot de slotsom dat de verhuurder niet aansprakelijk is voor de schade die de huurder heeft geleden. De verhuurder kende of behoorde het gebrek bij aanvang niet te kennen, heeft adequaat herstel verricht en heeft zich bovendien coulant opgesteld door de huurder tijdelijk huurvrijstelling te verlenen. De uitsluiting van aansprakelijkheid en huurvermindering in de algemene bepalingen is geldig en niet onredelijk. Omdat de vochtproblemen moeten worden beschouwd als één gebeurtenis waarop de uitsluiting van toepassing is, en zelfs bij een tweede gebeurtenis dezelfde uitsluiting zou gelden, werden alle vorderingen van de huurder afgewezen en werd zij veroordeeld in de proceskosten.

In deze uitspraak werd kennelijk door de verhuurder niet verwezen naar artikel 2.3 van de algemene bepalingen. In deze bepaling staat: “Huurder is gehouden het gehuurde voor het aangaan van de huurovereenkomst grondig te (doen) inspecteren om na te gaan of het gehuurde geschikt is, of door of vanwege huurder geschikt kan worden gemaakt, voor de overeengekomen bestemming die huurder daaraan moet geven”. Huurder moet daarom bij aanvang van de overeenkomst onderzoeken of het gehuurde gebreken heeft. Kennelijk heeft de huurder het gehuurde bij aanvang van de overeenkomst niet onderzocht. Nu gaat de mededelingsplicht van de verhuurder vóór de onderzoeksplicht. Mocht de verhuurder van deze gebreken wel op de hoogte zijn geweest, dan zou het ontbreken van een onderzoek de huurder niet tegengeworpen kunnen worden. Nu uit dit vonnis bleek dat de verhuurder bij aanvang van de overeenkomst niet van het gebrek op de hoogte was, zou afwezigheid van een onderzoek de huurder tegenworpen kunnen worden. Dit is uitdrukkelijk anders bij woonruimte. Bij woonruimte mag de huurder uitgaan van een objectief goed onderhouden staat en mag er geen onderzoeksplicht van de conditie van het gehuurde bij de huurder worden neergelegd.

In een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 18 december 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:6888) stond de vraag centraal of de verhuurder aansprakelijk is voor schade die de huurder heeft geleden doordat zij haar winkel achttien dagen moest sluiten vanwege herstelwerkzaamheden aan de draagconstructie van de vloer boven het gehuurde pand. De huurder vorderde ruim vier ton schadevergoeding, maar de rechtbank wees de vordering af omdat de verhuurder niet bekend was met het gebrek, de aansprakelijkheid contractueel was uitgesloten en hij adequaat had gehandeld bij het herstel.

De huurder exploiteerde sinds 2013 een winkelruimte in een pand waarvan de verhuurder ook de bovenliggende verdiepingen in eigendom had. Op enig moment werd ontdekt dat de draagconstructie van de vloer boven de winkel onvoldoende sterk was voor de betonnen vloer erboven. Uit veiligheidsoverwegingen werd besloten tot herstel van deze constructie. Tijdens die werkzaamheden moest de huurder haar winkel tijdelijk sluiten. Volgens de verhuurder ging het om dringende werkzaamheden in de zin van artikel 7:220 BW, die de huurder verplicht was te gedogen. De kantonrechter onderschreef dat standpunt: dergelijke werkzaamheden kunnen onvermijdelijk hinder opleveren, maar dat maakt nog niet dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming of een gebrek.

In de huurovereenkomst waren de algemene bepalingen van toepassing waarin was vastgelegd dat onderhouds-, herstel- en vervangingswerkzaamheden geen gebrek opleveren, ook niet als de huurder daardoor tijdelijk niet het volle huurgenot heeft. Artikel 16 van die bepalingen bepaalt dat werkzaamheden aan of in het gehuurde of het gebouw waartoe het behoort, die noodzakelijk zijn in verband met onderhoud, herstel of vernieuwing, geen gebrek opleveren, zelfs niet als installaties of voorzieningen tijdelijk buiten gebruik worden gesteld. Artikel 11 van dezelfde bepalingen bevat een uitsluiting van aansprakelijkheid voor schade ten gevolge van een gebrek en sluit ook huurprijsvermindering uit, tenzij sprake is van een ernstig toerekenbare tekortkoming van de verhuurder of als de verhuurder het gebrek bij aanvang kende of behoorde te kennen. De kantonrechter oordeelde dat deze uitsluiting rechtsgeldig is en niet onredelijk of onbillijk, te meer omdat beide partijen professionele vastgoedpartijen zijn die gewend zijn met dergelijke contracten te werken.

Vaststond dat de verhuurder het constructieve gebrek niet kende bij het aangaan van de huurovereenkomst. Het gebrek was niet zichtbaar en kon ook niet worden ontdekt zonder destructief onderzoek. De constructie had bovendien al jarenlang zonder problemen gefunctioneerd, tot het moment waarop in een bovenliggend vertrek een scheur werd geconstateerd. De verhuurder heeft daarop onmiddellijk een deskundig onderzoek laten uitvoeren en uit voorzorg stempels laten plaatsen. Daarmee heeft hij snel en adequaat gehandeld. Dat in 2017 elders in het pand een incident plaatsvond, bood geen aanleiding om te vermoeden dat sprake was van een constructief probleem. De kantonrechter concludeerde daarom dat de verhuurder het gebrek niet kende en ook niet behoorde te kennen, waardoor de contractuele uitsluiting van aansprakelijkheid onverkort geldt.

Omdat partijen uitdrukkelijk hadden overeengekomen dat werkzaamheden als deze geen gebrek opleveren, is evenmin sprake van een tekortkoming in de zin van artikel 6:74 BW. De tijdelijke sluiting van achttien dagen vormt geen schending van de verplichting om het gehuurde ter beschikking te stellen, omdat de huurder ingevolge artikel 7:220 BW verplicht was de dringende werkzaamheden te dulden. De verhuurder had de hinder bovendien tot een minimum beperkt en was niet tekortgeschoten in zijn verplichtingen.

Ook de andere grondslagen waarop de huurder zich beriep, konden haar niet baten. Een beroep op artikel 6:174 BW, dat ziet op de aansprakelijkheid van de bezitter van een gebrekkige opstal, slaagde niet, omdat geen sprake was van schade door verwezenlijking van gevaar in de zin van die bepaling. Er waren geen personen of zaken beschadigd geraakt door het constructieve gebrek. Voor toepassing van artikel 6:184 BW, dat ziet op schade door redelijke maatregelen ter voorkoming van gevaar, was evenmin plaats, omdat dergelijke maatregelen niet door de huurder maar door de verhuurder waren getroffen. Ook een beroep op artikel 6:162 BW, de onrechtmatige daad, werd afgewezen. De verhuurder heeft geen inbreuk gemaakt op enig recht van de huurder, noch gehandeld in strijd met een wettelijke of maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm. Omdat hij niet wist en ook niet had hoeven weten van het gebrek, kan hem geen verwijt worden gemaakt en ontbreekt toerekenbaarheid.

De rechtbank overwoog verder dat zelfs als zou moeten worden aangenomen dat de achttien dagen durende sluiting een gebrek opleverde, de verhuurder op grond van artikel 11 van de algemene bepalingen niet aansprakelijk is voor de schade, nu hij geen ernstige tekortkoming heeft begaan en het gebrek bij aanvang niet kende of behoorde te kennen. Huurprijsvermindering is eveneens uitgesloten. Ook het betoog van de huurder dat de verhuurder zou hebben toegezegd de schade te vergoeden, vond geen steun in de feiten; uit de correspondentie bleek slechts dat om een onderbouwing van de schade werd gevraagd, niet dat er een betalingsbelofte was gedaan.

Alles afwegend oordeelde de kantonrechter dat de verhuurder niet aansprakelijk is voor de schade van de huurder. De draagconstructie vertoonde een verborgen gebrek dat hij bij aanvang van de overeenkomst niet kende en niet hoefde te kennen, de noodzakelijke herstelwerkzaamheden waren dringende werkzaamheden die de huurder moest gedogen, de hinder duurde slechts achttien dagen, de uitsluiting van aansprakelijkheid is rechtsgeldig en niet onredelijk of onbillijk, en er is geen sprake van enige tekortkoming, onrechtmatige daad of gebrekkige opstal in de zin van de wet. De vordering tot schadevergoeding werd daarom integraal afgewezen.

 

Verborgen gebrek

Laatst bijgewerkt op 2018-06-23 om 15:25:55

De nadelige gevolgen van een gebrek waarvan de verhuurder heeft gezegd dat dit niet aanwezig was, doch waarvan het gebrek en de nadelige gevolgen van dit gebrek, naar achteraf bleek, wel aanwezig bleken te zijn, zijn voor rekening van de verhuurder.

Gebreken bij sluiten van de huurovereenkomst

Laatst bijgewerkt op 2024-05-06 om 21:37:40

De verhuurder is aansprakelijk voor de schadelijke gevolgen van gebreken bij het aangaan van de huur die de verhuurder kende of behoorde te kennen.
De verhuurder kan worden verweten dat hij zich niet beter op de hoogte heeft gesteld van de onderhoudssituatie van het gehuurde en waar nodig maatregelen heeft getroffen. Bij gebreken die de verhuurder aan het begin van de huur al kende of behoorde te kennen geldt onder alle omstandigheden dat de verhuurder voldoende ruimte heeft om te zorgen dat het gebrek verholpen is voordat de huurder risico gaat lopen. Dan speelt de vraag of de verhuurder daarvoor een redelijke termijn heeft gehad dus niet.
De verhuurder wordt niet geacht een gebrekkige cv-installatie te hebben geleverd als die bij aanvang van de huurovereenkomst weliswaar 18 jaar oud was, doch nog wel goed functioneerde en aldus geschikt was om het gehuurde pand te verwarmen. Als deze installatie gedurende de huurperiode stuk gaat en schade aan eigendommen van de huurder veroorzaakt, dan is de verhuurder niet aansprakelijk voor de gevolgschade van de huurder, aldus het Hof te ‘s-Hertogenbosch in haar arrest van 1 juli 2008 ( LJN: BF0349, Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, HD 103.005.194). Dit gerechtshof was echter in haar arrest van 21 september 2010 ( ECLI:NL:GHSHE:2010:BO0177) van oordeel dat een cv-ketel van 31 jaar bij aanvang van de huurovereenkomst met betrekking tot woonruimte een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW oplevert. Als deze cv-ketel technisch in orde zou zijn conform de normen voor een laagrendementsketel uit 1974, dan wordt dit niet anders. Volgens het hof zijn feiten van algemene bekendheid dat de levensduur van een cv-ketel circa vijftien jaar is en dat moderne ketels, met name hoogrendementsketels, aanzienlijk goedkoper in het gebruik zijn. In geval van een meer dan dertig jaar oude ketel zijn de stookkosten veel hoger dan een huurder mag verwachten, waardoor het gehuurde aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat hij bij het aangaan van de huurovereenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de huurovereenkomst betrekking heeft. Aangezien de cv-ketel bij aanvang van de overeenkomst 31 jaar oud was, wordt het gebrek bij het aangaan van de huurovereenkomst geacht aanwezig te zijn geweest omdat de verhuurster het gebrek toen kende of had behoren te kennen. Om deze redenen was verhuurster op grond van artikel 7:208 BW verplicht tot vergoeding van de door het gebrek veroorzaakte schade over te gaan. Deze schade werd geacht het hogere energieverbruik te zijn geweest. Ik vind dit arrest enerzijds voor discussie vatbaar. Allereerst is de technische levensduur van een cv-ketel, mist goed onderhouden, langer dan vijftien jaar. Verder weet de huurder van woonruimte waarin zich een oude ketel bevindt waar hij aan toe is. Dit geldt ook voor een woning waarin enkel glas in de venters zit, of een woning waarin zich geen isolatie bevindt. Een woning zonder isolatie wordt ook niet geacht gebrekkig te zijn. De wet biedt de huurder dan ook op grond van artikel 7:243 BW de mogelijkheid deze cv-ketel in het kader van een renovatievoorstel te vervangen. Anderzijds stelde de huurder over een periode van circa twee jaren een bedrag van € 2.350 te veel aan energiekosten te hebben betaald. Mocht dit bewezen worden, dan is dit wel een fors verschil met het verbruik dat een huurder conform de gegevens van het NIBUD mag verwachten kwijt te zijn aan verwarming van een woning. In dit verband valt het wel te rechtvaardigen dat het hof een dergelijke zeer onzuinige ketel als een gebrek heeft gekwalificeerd.

Een verhuurder werd geacht aansprakelijk te zijn voor de gebreken aan het gehuurde die bij aanvang van de huurovereenkomst bekend waren. Deze kwestie werd behandeld in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 januari 2014 ( ECLI:NL:GHAMS:2014:217 ). Het hof besliste dat gebreken aan het gehuurde kleefden die bij aanvang van de huurovereenkomst bij de verhuurder al bekend waren. Deze geconstateerde gebreken staan, zonder herstel, in de weg aan het gebruik van het gehuurde overeenkomstig de door partijen overeengekomen bestemming als ruimte ten behoeve van de huurder. De verhuurder betoogde dat de contractuele bepalingen aansprakelijkheid voor haar uitsloten.

Het hof achtte in dezen van belang dat, zo voormelde contractuele bepalingen al in de door de verhuurder voorgestane zin dienden te worden uitgelegd, dit de verhuurder ingevolge artikel 7:209 BW niet kon baten, indien zij de gebreken die hier aan de orde waren bij het aangaan van de huurovereenkomst met de huurder kende. In dit verband merkte het hof op dat in dat geval ingevolge artikel 7:209 BW niet ten nadele van de huurder kon worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7:206 lid 1 en 2 BW (de verplichting tot het verhelpen van gebreken), artikel 7:207 BW (het recht op huurprijsvermindering in verband met een gebrek), en artikel 7:208 BW (de verplichting tot vergoeding van de door een gebrek veroorzaakte schade).

Een soortgelijke beslissing werd genomen door de rechtbank Gelderland in haar vonnis van 25 augustus 2021 (ECLI:NL:RBGEL:2021:4642). In deze zaak kwam de verhuurder geen beroep op de exoneratie in de algemene bepalingen toe, omdat de verhuurder voor aanvang van de overeenkomst al van het gebrek op de hoogte was. De onderzoeksplicht als genoemd in de algemene bepalingen kon de verhuurder ook niet helpen, omdat de mededelingsplicht voor de onderzoeksplicht gaat. Het gehuurde pand bleek na het sluiten van de huurovereenkomst niet te voldoen aan de brandvoorschriften, waardoor de huurder het pand niet kon gebruiken. De huurder claimde in verband met deze gebreken huurverlaging.

De bouwkundige gebreken op het gebied van de brandveiligheid waren in de eerste plaats geconstateerd ten aanzien van verbouwingen die in 1998 in opdracht van de verhuurder waren uitgevoerd. Aan de verhuurder was daarvoor een bouwvergunning verleend. De verbouwing is niet conform de aan die vergunning verbonden voorwaarden uitgevoerd. Het was de verantwoordelijkheid van de verhuurder als opdrachtgever om te controleren of volgens die voorwaarden werd gebouwd. Het betrof verbouwingen aan een hotel, zodat op het gebied van de brandveiligheid extra strenge eisen worden gesteld. Het verweer van de verhuurder dat zij er niet op bedacht had hoeven zijn dat de aannemer niet conform de bouwtekeningen bouwde, kan dan ook niet slagen. De gebreken zijn in de tweede plaats geconstateerd ten aanzien van verbouwingen die in 2006 zijn uitgevoerd door de vorige huurder/exploitant. Ook als de verhuurder  van die verbouwingen niet heeft geweten, zoals zij stelde, dan had het op haar weg gelegen om het gehuurde, alvorens tot verhuring over te gaan, te onderzoeken op gebreken (vgl. HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3980). Uit de brief van de gemeente van 26 februari 2020 bleek dat na globale inspectie is vastgesteld dat het gehuurde niet voldeed aan de wettelijke vereisten op het gebied van brandveiligheid. De stelling van verhuurder dat de gebreken enkel na destructief onderzoek konden worden vastgesteld en dat een dergelijk vergaand onderzoek van haar niet kon worden gevergd, diende om die reden te worden gepasseerd. De conclusie is dat de gebreken bij aanvang van de huurovereenkomst reeds bestonden en dat de verhuurder die gebreken behoorde te kennen. De verhuurder kwam om die reden geen beroep op artikel 11.3 van de algemene bepalingen toe.

Of de verhuurder onderzoek naar het gehuurde dient te doen bij aanvang van de overeenkomst en of de verhuurder bij gebreke van een dergelijk onderzoek aansprakelijk is voor (gevolg)schade als gevolg van dit gebrek, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 5 april 2023 (ECLI:NL:RBNHO:2023:2973) werd deze vraag aan de orde gesteld of de schade aan de vloer van een supermarkt door de verhuurder vergoed diende te worden. De vloer was aangetast door vocht en schimmels, houtrot en zwam. Het probleem is volgens een technisch rapport veroorzaakt door vocht en niet door te zware belasting van de vloer wegens de bestemming van het gehuurde als supermarkt. De vochtvorming werd veroorzaakt door slechte ventilatie van de kruipruimte.

De problematiek ten aanzien van de houten balkenvloer was volgens het rapport eigenlijk altijd latent aanwezig geweest. Edoch door de modificaties aan de vloer, folies (onder zandcementlaag) en PVC vloerafwerking erop, in combinatie met het veranderde gebruik (waaronder de vele vries- en koelvitrines op de vloer) maakten dat condens in en tegen de vloer ontstaat en het vloerhout aantast. Bij zwamvorming wordt dit aantastingsproces nog eens versterkt. De zware belasting van de vloer door de gevulde stellages in combinatie met de minder draagkrachtige vloer (vloerdelen) door de aantasting maakt dat herstel noodzakelijk is. Enerzijds was dus het probleem gelegen in de karakteristieken van het pand zelf (vloer, kruipruimte etc.), anderzijds waren de uitgevoerde modificaties op de vloer (folies en PVC vloerafwerking) en het gebruik van de ruimte als supermarkt met onder koel- en vriesvitrines het probleem.

Aangezien partijen niet zijn overeengekomen dat de huurder verantwoordelijk is voor de constructie van de vloer, was de huurder niet aansprakelijk voor de schade aan de  vloer. Van belang hierbij was dat de verhuurder in eerste instantie een uit te voeren onderzoek naar de constructie van de vloer weliswaar als voorwaarde had gesteld, maar dat die voorwaarde niet (expliciet) is aanvaard. Er was een tegenvoorstel gedaan waarbij het onderzoek is geschrapt. Op basis daarvan is de huurovereenkomst tot stand gekomen. Voor zover al sprake was van enig onderzoek naar de vloer, is dat beperkt gebleven tot het langskomen van een klusjesman die een inschatting heeft gemaakt van de kosten voor het geschikt maken van het gehuurde voor de bedrijfsvoering van de huurder. Dat “onderzoek” zag op de inrichting van het gehuurde. Hieruit leidde d rechter af dat de huurder het risico van de constructie van de vloer niet op zich had genomen.

Daarnaast was er naar het oordeel van de rechter een onduidelijkheid in het contract vermeld over de maximale  belasting. Verwezen werd immers naar hetgeen voor een dergelijke ruimte gebruikelijk is. Wat met een “dergelijke ruimte” bedoeld werd, is, mede in het licht van de verdere bepalingen in de huurovereenkomst, niet eenduidig. Gaat het hier om het gehuurde zelf (een vooroorlogs pand met een deels houten vloerconstructie) of om de winkelruimte ten dienste van het bedrijf van huurder (zie artikel 1.3. van de huurovereenkomst)? Die onduidelijkheid moest voor rekening van de verhuurder komen. In diens opdracht is het contract immers opgesteld, terwijl het ook op diens weg als eigenaar van het pand ligt om aan te geven welke belasting de vloer maximaal kan hebben.

Dat de ruimte onder de vloer zeer slecht geventileerd is kan niet aan de huurder worden toegerekend. Evenmin kan naar het oordeel van de rechter aan de huurder worden toegerekend dat de reeds latent aanwezig vochtproblemen tot uiting zijn gekomen door handelingen van de huurder, te weten het aanbrengen van folie en pvc en het gebruik als supermarkt (dat laatste werd door de huurder betwist). De Hoge Raad in cassatie op 3 september 2010 ( ECLI:NL:HR:BM3980) al eerder dat de aanwezigheid van dit asbest in het plafond niet als een gebrek valt aan te merken doch van een gebrek pas sprake is wanneer het asbest door enigerlei oorzaak vrijkomt, niet voldoende had gemotiveerd. Dus een latent aanwezig gebrek leidt niet direct tot een gebrek, op grond waarvan huurvermindering of schadevergoeding kan worden gevorderd.

Naar het oordeel van de rechter was de huurder ook niet aansprakelijk  voor de schade aan de vloer, indien en voor zover de folie onder de pvc-vloer eveneens door de huurder is aangebracht.  Die folie beschermt de pvc-vloer immers tegen opstijgend vocht, waardoor de levensduur van de pvc vloer wordt verlengd. De huurder kon niet weten (en hoefde dat ook niet) dat de ventilatiemogelijkheden van de kruipruimte zodanig slecht waren dat een dampdichte toplaag voor problemen zou zorgen. Het had op de weg van de verhuurder gelegen om de huurder  daarop te wijzen, maar partijen hebben het alleen over de belastbaarheid van de vloer gehad. Het plaatsen van koel- en vriesvitrines en het nat schoonmaken van de vloer behoort eveneens tot de normale exploitatie van een supermarkt. De huurder mocht er gelet op de overeengekomen bestemming van het gehuurde vanuit gaan dat het gehuurde ook voor die handelingen geschikt was. De huurder werd niet aansprakelijk geacht voor de schade aan de vloer.

De huurder werd ook niet aansprakelijk gesteld voor de schade aan de vloer. De huurder had naar het oordeel van de rechter niet geweten en niet hoeven te weten dat de ventilatiemogelijkheden van de kruipruimte zodanig slecht waren dat een damplichte topvloer op de vloer voor problemen zou zorgen. Die dampdichte toplaag was door de huurder aangebracht als normale ondervloer in een  supermarkt. Naar het oordeel van de rechter was van een door de huurder veroorzaakt gebrek geen sprake.

De huurder had ook geen recht op huurvermindering gedurende de periode dat dit gebrek zich voordeed. Er moet dus sprake zijn van vermindering van huurgenot. Aangezien de huurder haar supermarkt ongestoord heeft kunnen exploiteren vanuit het gehuurde, is er geen sprake van derving van het huurgenot. De rechter was daarom deze vordering af.

De rechtbank was met de huurder van oordeel dat er van uit moet worden gegaan dat het gebrek al bij het aangaan van de huurovereenkomst aanwezig was. Enerzijds omdat de slechte ventilatie van de kruipruimte inherent is aan de bouw van het gehuurde.

Volgens  de huurder had de verhuurder van de gebrekkige vloer moeten weten omdat zij daar gelet op de ouderdom van het pand onderzoek naar had moeten (laten) doen. De rechtbank verwierp dat betoog. De enkele omstandigheid dat een gebouw een zekere leeftijd heeft, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de verhuurder daarvan nader onderzoek moet doen naar de staat van de vloer. Daarvoor was alleen aanleiding als er ook andere omstandigheden waren. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. Integendeel: voordat de huurder in het gehuurde kwam, heeft er een hengelsportwinkel en, gedurende lange tijd, een tapijthandelaar gezeten en niet gebleken was dat dit problemen met de vloer heeft opgeleverd. Om deze redenen werd een vordering door de huurder op grond van gevolgschade afgewezen.

De huurder had nog renovatie van de vloer gevorderd. Ook deze vordering werd afgewezen. De huurder had niet nader toegelicht waaruit die renovatie zou moeten bestaan. Indien en voor zover zij daarmee bedoelt dat de houten vloer wordt vervangen door een betonvloer, verlangt zij naar het oordeel van de kantonrechter  méér dan (vermoedelijk) nodig is om het gebrek te verhelpen, nog daargelaten dat zij dan een betere vloer krijgt dan zij heeft gehuurd. De vordering tot renovatie werd afgewezen en er werd geen vordering tot herstel toegewezen, omdat de huurder geen vordering tot herstel had ingesteld.

Deze kwestie had anders voor de huurder kunnen aflopen als het onderzoek naar de vloer duidelijk bij de huurder was neergelegd. Wat ik wel in het vonnis had willen zien is de verantwoordelijk van de vloerenlegger. Deze vloerenlegger had toch kunnen constateren dat deze topvloer  niet geschikt was voor deze vloer gezien de constructie van de  vloer (vocht, etc.). Als de vloerenlegger dit vanuit zijn deskundigheid had moeten zien, dan zou dit wellicht toch enige aansprakelijkheid op grond medeschuld (artikel 6:101 BW) bij de huurder neer kunnen leggen vanuit artikel 6:76 BW.

Als de huurder zich in de BRP niet in kan schrijven op een adres omdat dit adres volgens de BAG niet bestaat, dan is dit een gebrek van het gehuurde als bedoeld in artikel 7:204 lid 2 BW. Dit gebrek heeft ook betrekking op het hiervoor genoemde gebrek dat er geen vergunning aanwezig is ten aanzien van een verhuurde woning (rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, 10 juni 2016 ( ECLI:NL:RBROT:2016:3984). De verhuurder is tot vergoeding van de door een gebrek veroorzaakte schade verplicht als het gebrek bij het aangaan van de huurovereenkomst aanwezig was en de verhuurder het toen kende of had behoren te kennen. De verhuurder had het gebrek waarover hier wordt gesproken volgens de rechter inderdaad moeten kennen. Volgens de rechter moet de verhuurder bij de gemeente nagaan of de woningen die hij verhuurt bij de gemeente wel als adressen bekend zijn en, zo nee, daar iets aan doen. Ook als de verhuurder bij aanvang van de overeenkomst tegen de huurder zou hebben gezegd dat er geen toeslagen mogelijk waren op dit adres, ontslaat dit de verhuurder niet van de verplichting ervoor te zorgen dat de woningen die hij verhuurt wél als adres bij de gemeente bekend zijn.

De rechtbank Oost-Brabant kwam in haar vonnis van 12 december 2013 (ECLI:NL:RBOBR:2013:7298) tot oordeel dat de asbestbesmetting door lijmresten van de vloerbedekking van de vorige huurders een gebrek aan het gehuurde opleverde. De rechter was van oordeel dat de verhuurder bij aanvang van de huur de asbestbesmetting van de woning had kunnen kennen als hij onderzoek had laten doen. De verhuurder was daarom aansprakelijk voor gevolgschade.

In het Handboek Asbest van Aedes van december 2011 dat bij de dagvaarding was gevoegd stond:
(Inleiding tweede bladzijde): ‘Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is op 1 maart 2006 in werking getreden. Het (..) is bedoeld om emissies van asbestvezels te voorkomen bij: (..) – het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit een bouwwerk of object’.
Wat er verder zij van de gebondenheid van de woningstichting aan Aedes en haar richtlijnen en de datering daarvan: het gevaar van asbestemissie bij verwijdering van asbesthoudende producten heeft in 2005 erkenning van de wetgever gekregen.

Het infoblad van de verhuurder van april 2010 dat ook bij de dagvaarding was gevoegd vermeldde op bladzijde 1: ‘Als een woning vrij komt door een verhuizing kijken wij ook kritisch naar de vloerbedekking. Sommige oude soorten vinylzeil en vinyltegels zijn mogelijk asbesthoudend’. Die passage werd gevolgd door de volgende passage: ‘Twijfelt u, vraag dan of onze opzichter even kijkt’.

Uit deze passages bleek volgens de rechter:
– dat het gevaar van asbesthoudendheid van oude vloerbedekking bij de verhuurder bekend was;
– dat de verhuurder zich tegenover de huurders afficheert als waakzaam ter zake van asbest.

Het is volgens de rechter een feit van algemene bekendheid, dat huurders die uit een woning vertrekken, zaken verwijderen, ook ongevraagd en onopgemerkt; dus ook vloerbedekking. De vertrekkende huurder heeft de woning vanaf 1971 in huur gehad. De kans dat de vertrekkende huurder oude vloerbedekking had liggen was aanmerkelijk.

De kantonrechter trok de conclusie, dat de verhuurder toen de woning vrijkwam, bedacht had moeten zijn op de kans van asbestbesmetting.  Aangezien de verhuurder met een onderzoek had kunnen laten vaststellen of zich die asbestbesmetting daadwerkelijk voordeed, kan zij niet volhouden dat zij bij aanvang van de huur (30 september 2011) die asbestbesmetting niet kon kennen. Het gevolg daarvan was dat de verhuurder  aansprakelijk was voor de gevolgschade die de huurders als gevolg van deze asbestbesmetting hadden  geleden.

Preventief onderhoud

Laatst bijgewerkt op 2018-06-23 om 15:25:32

Bij de behandeling van artikel 7:204 BW zijn bedenkingen geuit over de vraag of op de verhuurder een verplichting tot het verrichten van preventief onderhoud rust. De conclusie was dat het min of meer academische vraag is: de verhuurder die onderhoud nalaat loopt tegen het gegeven aan dat een gebrek voorzienbaar en dus toerekenbaar wordt.
De verhuurder die:
• een gebrek kent en nalaat voor reparatie zorg te dragen en
• de verhuurder die het gebrek niet kent, maar door inachtneming van de mate van controle die van een goed huurder mag worden verwacht dit gebrek wel had kunnen kennen mag voor schadevergoeding voor de gevolgen van het gebrek aansprakelijk worden gehouden, ook als het een gebrek betreft dat bij het aangaan van de huur nog niet bestond.
Er kan altijd ruimte voor discussie bestaan. Het verwaarlozen van bijvoorbeeld de bedekking van een plat dak kan tot lekkage leiden.
Als deze lekkage zich dan bij een gemiddelde regenbui voordoet kan men deze schade aan de verhuurder wel toerekenen. Het wordt lastiger als bij extreme regenval ook bij goed onderhouden daken lekkage is ontstaan. De oorzaak van een minder goed onderhouden dak hoeft dan niet uitsluitend aan het gebrekkige onderhoud te liggen. Eerder in dit hoofdstuk is de bewijslast in zo’n geval bij de verhuurder neergelegd.Enige uitspraken die onder het “oude recht” zijn gedaan illustreren hoe tegen bepaalde zaken door de rechter werd aangekeken. Deze rechtspraak moet wel met enige restrictie worden bekeken, omdat het oude recht nog risicoaansprakelijkheid van de verhuurder ten aanzien van het gehuurde aannam. De huidige wet heeft hiervan uitdrukkelijk afstand gedaan. Noot 18

Omstandigheden waardoor de verhuurder schadeplichtig wordt

Laatst bijgewerkt op 2025-09-07 om 12:22:10

De verhuurder kan voor de gevolgschade aansprakelijk zijn als de verhuurder voor het gebrek een verwijt kan worden gemaakt. Dit kan aan de orde komen als de verhuurder gebrekkig onderhoud heeft gepleegd, of het onderhoud niet correct uit heeft laten voeren en/of als de controle, zorg, etc. ten aanzien van het gehuurde onvoldoende is geweest.Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch stelde in haar arrest van 15 september 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:3587 ) vast dat de verhuurder aansprakelijk was voor schade die door de huurder werd geleden wegens de woning die ter beschikking was gesteld met asbesthoudende lijmresten van de vloerbedekking die door de vorige huurder in het gehuurde was aangebracht. De vorige huurder had de vloerbedekking weliswaar verwijderd, maar in de foamresten waren asbesthoudende delen blijven zitten. De huurders hadden inmiddels twee weken gebruik van de woning gemaakt voor kluswerkzaamheden, toen de asbesthoudende bestanddelen werden opgemerkt. De woning werd na ontdekking van de asbesthoudende delen gesaneerd.

De kantonrechter oordeelde dat de bij aanvang van de huur aanwezige asbesthoudende lijm- en foamresten als een gebrek waren te kwalificeren. Dit standpunt is te verklaren wegens het feit dat een dergelijke situatie van oplevering niet als objectief goed onderhouden zaak is aan te merken. Het hof was van mening dat dit gebrek de verhuurder was toe te rekenen. Het zeil was immers juist op verzoek van de verhuurder verwijderd en de verhuurder was ook bekend met de uiterlijk waarneembare toestand van de vloer na de verwijdering van het zeil. Ook wist zij dat de vorige huurster het gehuurde al vanaf 1971 bewoonde. Zij kon dus weten, althans vermoeden, dat sprake was van zeil dat lang geleden was gelegd. En juist vroeger werd nog volop asbest gebruikt. Op het infoblad dat door de verhuurder in april 2010 was gehanteerd stond immers vermeld: “Als een woning vrij komt door een verhuizing kijken wij ook kritisch naar de vloerbedekking. Sommige oude soorten vinylzeil en vinyltegels zijn mogelijk asbesthoudend”. Daarnaast hadden medewerkers van de verhuurder een asbestherkenningscursus met betrekking tot vloerbedekking gevolgd.

Het hof nam het de verhuurder ook kwalijk dat zij als professionele verhuurster die bekend verondersteld mag worden met opleveringen, niet ook voorafgaande aan de oplevering aan de huurder bij wege van een ‘normale’ procedure een monster had kunnen (laten) nemen en doen onderzoeken mede op grond van haar eigen kritische kijk, genoemd in haar infoblad. Het moet de Woningstichting toch bekend zijn dat veel mensen angst koesteren voor (de aanwezigheid van) asbest. Het hof is van oordeel dat de verhuurder ten onrechte af is gegaan op indrukken van haar opzichters.
Het hof achtte in deze situatie dat was voldaan aan de toerekenbaarheid voor de schade als genoemd in artikel 7:208 BW, zodat de verhuurder verplicht is de door het gebrek (de asbestbesmetting in de foam- en lijmresten) veroorzaakte schade aan de huurder te vergoeden. Naar het oordeel van het hof kan artikel 7:208 BW leiden tot toekenning van immateriële schade, zij het binnen de grenzen van artikel 6:106 BW. Naar het oordeel van het hof is het blootstellen van een huurder aan asbest een aantasting van diens persoon. De verhuurder kan deze blootstelling worden toegerekend. De vordering was mitsdien in beginsel toewijsbaar. De vordering was enkel gegrond op de vrees en angst voor die klachten. In de omstandigheid dat een van de huurders longpatiënt was, zag het hof aanleiding om deze schade ex aequo et bono te begroten op € 1.000 voor deze huurder en op € 500 voor de andere huurder.

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 15 januari 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:31) een vonnis gewezen waarin werd beslist dat de verhuurder aansprakelijk was een deel van de schade te vergoeden die de huurder heeft geleden als gevolg van een gebrek aan de woning die zij huurden. De huurders zijn vervolgens wegens dit gebrek verhuisd naar een andere woning van dezelfde verhuurder.

De huurders kregen in hun eerste woning te maken met vochtproblemen die het gevolg bleken van een lekkage. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de verhuurder verklaard dat niet ter discussie staat dat sprake is van een gebrek dat aan haar als verhuurder is toe te rekenen. Op grond van artikel 7:208 BW is de verhuurder gehouden de schade te vergoeden die het gevolg is van een dergelijk gebrek. Omdat de eerste woning daardoor niet goed bewoonbaar was, hebben de huurders – met medewerking van de verhuurder – een andere woning betrokken. De verhuurd) er stelde dat de huurders door het accepteren van de nieuwe woning afstand hebben gedaan van hun recht op schadevergoeding. Voor een geldige afstand van recht is echter wilsovereenstemming vereist en daarvan is niet gebleken. Uit de correspondentie volgt juist dat de huurders zich uitdrukkelijk verzet hebben tegen een finale kwijting en hun recht op schadevergoeding hebben voorbehouden. Ook in de nieuwe huurovereenkomst is geen bepaling opgenomen waaruit afstand van recht blijkt. Er zijn dus geen aanknopingspunten dat de huurders afstand hebben gedaan van hun aanspraak.

Vervolgens is beoordeeld welke schade voor vergoeding in aanmerking komt. De kosten die de huurders eerder hebben gemaakt om de eerste woning in te richten kunnen niet worden aangemerkt als schade als gevolg van het gebrek, nu die kosten reeds waren gemaakt bij aanvang van de huur en ook zonder het gebrek verschuldigd zouden zijn geweest. Dat de huurders korter dan verwacht profijt hebben gehad van die investeringen maakt dit niet anders. Subsidiair hebben de huurders vergoeding gevorderd van de kosten die zij moesten maken om de tweede woning bewoonbaar te maken. Deze schade komt wél voor vergoeding in aanmerking, omdat de verhuizing rechtstreeks het gevolg was van het gebrek en het door de verhuurder gedane aanbod om een andere woning te betrekken. De tweede woning werd kaal opgeleverd, zodat de huurders opnieuw kosten hebben moeten maken om vloer- en raamafwerking aan te brengen. Deze uitgaven zouden zonder het gebrek niet zijn gemaakt en vormen dus vermogensschade die in causaal verband staat met het gebrek.

Het verweer van de verhuurder dat sprake zou zijn van een luxe inrichting en dat de huurders aldus hun schadebeperkingsplicht hebben geschonden, is verworpen. Huurders zijn vrij hun woning naar eigen inzicht in te richten. Van een situatie waarin de tweede woning aanzienlijk luxer is ingericht dan de eerste met het oogmerk de schade op de verhuurder af te wentelen is geen sprake. De inrichting was vergelijkbaar met die van de eerste woning. Daarmee staat vast dat de gemaakte kosten redelijk en toewijsbaar zijn. De rechter heeft wel enkele correcties toegepast door bepaalde arbeidskosten en de trapbekleding buiten beschouwing te laten, maar de overige kosten zijn toegewezen als schadevergoeding.

Alles afwegend is geoordeeld dat de huurders recht hebben op een schadevergoeding ter hoogte van de kosten die zij hebben gemaakt om de tweede woning bewoonbaar te maken. De vordering is daarom grotendeels toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. Het lijkt mij dat de huurders ook recht zouden hebben gehad om een deel van de investeringen in de eerste woning vergoed te krijgen voor zover deze investeringen niet zijn afgeschreven. Die huurders konden immers buiten hun schuld niet langer gebruik maken van de eerste woning. Dat de investeringen die zij hebben gedaan verder niet afgeschreven konden worden was te wijten aan het gebrek aan het gehuurde. Uit het vonnis bleek niet dat de huurders aanspraak maakten op het niet verder kunnen afschrijven van de investeringen, maar dat ze een vergoeding van die investeringen wensten. Dat is natuurlijk een andere  vordering dan een aanspraak kunnen maken op het verder niet kunnen afschrijven  van investeringen.

Aansprakelijkheid verhuurder op grond van fouten door hulppersonen

Laatst bijgewerkt op 2024-01-14 om 22:25:31

Als de verhuurder een persoon inschakelt om een gebrek te herstellen, en deze persoon maakt bij het uitvoeren van onderhoud en/of herstel van een gebrek een fout, waardoor er schade bij de huurder ontstaat, dan komt deze schade voor rekening van de verhuurder. Volgens artikel 6:76 BW is de verhuurder aansprakelijk voor de gedragingen van de door hem ingeschakelde hulppersonen alsof hij deze gedragingen zelf had verricht.

Een voorbeeld van aansprakelijkheid voor hulppersonen

Een voorbeeld om deze stelling te verduidelijken luidt als volgt: de verhuurder schakelt een loodgieter in om een leiding te vervangen, of een lekkage op te lossen. De loodgieter maakt een fout, waardoor er waterschade ontstaat. De verhuurder is dan aansprakelijk voor deze schade.

In het arrest van de De Hoge Raad van 2 december 2005 Noot 17 is de aansprakelijkheid van de hulppersoon uitgewerkt. Onderstaand treft u de kern van deze uitspraak voor het huurrecht aan.
De casus luidt als volgt: Lelieteler A bestelt bij leverancier B een bestrijdingsmiddel. A schakelt C (een gecertificeerd spuiter) in om het middel op het gewas te spuiten. Door een fout levert B een middel dat zeer schadelijk voor de lelieteelt is. C heeft het middel op de lelies gespoten (de gebruiksaanwijzing werd niet gelezen waardoor de schade had kunnen worden voorkomen), waardoor de lelieteelt werd vernietigd. Dit leverde aanzienlijke schade op.

De aansprakelijkheid tussen leverancier (B) en afnemer (A)
In de verhouding tussen A en B werden de gedragingen van C als eigen gedragingen van A aangemerkt. Door toerekening van deze gedragingen (niet lezen van gebruiksaanwijzing levert eigen schuld op, waardoor een deel van de schade niet bij B kon worden geclaimd) bleef een gedeelte van de schade voor rekening van A. A kon de andere helft van de schade rechtstreeks claimen bij C. Ter verduidelijking benadrukt de Hoge Raad dat A zich in de relatie A-B niet kan ontrekken aan eigen schuld (het niet lezen van de gebruiksaanwijzing waardoor de schade had kunnen worden voorkomen), omdat C een taak verrichtte die paste binnen de uitoefening van het bedrijf van A (en die dus evengoed door een werknemer van A had kunnen zijn verricht) en omdat dat het in de bedrijfsvoering van A kennelijk beter uitkwam deze taak uit te besteden aan C.

De aansprakelijkheid tussen teler (A) en spuiter (C)
C probeerde nog te betogen dat de fout van B als eigen schuld van A aangemerkt zou moeten worden en in de relatie tussen A en C tot lagere aansprakelijkheid van C zou moeten leiden. Noch het Hof, noch de de Hoge Raad ondersteunden die stelling. De Hoge Raad overwoog onder meer dat de leverancier B niet als hulppersoon van de afnemer A (lelieteler) kon worden gezien. Voorts oordeelde de Hoge raad dat een fout van leverancier B in de verhouding van de afnemer (lelieteler A) tot de spuiter (C) niet in de risicosfeer van de afnemer (A) ligt, op grond waarvan die fout in die verhouding als eigen schuld aan de afnemer (A) zou kunnen worden toegerekend.

Op grond van artikel 6:76 BW is de verhuurder dus in beginsel aansprakelijk voor fouten van de door haar ingeschakelde ondergeschikte personen. Te denken valt hierbij aan onderhoudspersoneel, administratief personeel. Eenzelfde vorm van aansprakelijkheid geldt op grond van artikel 6:171 BW voor de niet ondergeschikte hulppersoon. Hier valt te denken aan de door de verhuurder ingeschakelde aannemer.
Als door de aannemer is gewerkt aan herstel van een gebrek in de woning en er door onjuist herstel schade ontstaat aan de eigendommen van de huurder, dan is de verhuurder voor deze schade aansprakelijk. Dat is niet het geval in het kader van een risicoaansprakelijkheid, maar wordt veroorzaakt door omstandigheden die aan de verhuurder vallen toe te rekenen op grond van de wet (artikel 6:171 BW). Het lijkt mij ook juist om de verhuurder aansprakelijk te houden voor fouten door zijn hulppersonen. De verhuurder heeft immers de keuze tot aanwijzing van zijn hulppersoon bij het verhelpen van een gebrek. Als door de verhuurder bij uitvoering van de werkzaamheden wordt gekozen uit een niet gecertificeerde klusjesman die vervolgens van de opgedragen werkzaamheden een puinhoop maakt, dan is het niet meer dan logisch de verhuurder hiervoor aansprakelijk te houden. De verhuurder heeft immers het recht de persoon uit te zoeken aan wie hij de werkzaamheden overlaat. De huurder heeft hier geen zeggenschap over. Als de verhuurder ervoor kiest om een beunhaas het werk te laten doen, dan ligt het ook in de lijn van de verwachting dat de verhuurder aansprakelijk is voor de schade die de hulppersoon in de uitvoering van zijn werk veroorzaakt. Een analoge redenering met betrekking tot werkzaamheden die aan een aannemer worden opgedragen, die vervolgens onderaannemers inschakelt, lijkt hier op te gaan. Als de onderaannemer fouten in de uitvoering van het werk maakt, dan dient de opdrachtgever de aannemer en niet de onderaannemer aan te spreken.
De Hoge Raad heeft in haar arrest van 18 juni 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL9596 ) een beslissing moeten nemen over de vraag over de aansprakelijkheid voor niet-ondergeschikten. De casus luidde als volgt. In 2003 heeft opdrachtgever aan de vennootschap onder firma A opdracht gegeven een bij haar in gebruik zijnd perceel grond, bestemd voor de bloembollenteelt, te bespuiten met het bestrijdingsmiddel Round-Up. Deze werkzaamheden zijn op 21 augustus 2003 uitgevoerd door een werknemer van A. Als gevolg van deze werkzaamheden was het gewas niet meer geschikt voor consumptie.
In deze zaak was beslist dat A aansprakelijk was op grond van artikel 6:171 BW. In de procedure werd ervan uitgegaan dat de werknemer jegens de gelaedeerde aansprakelijk was. Een van de vennoten van A beschikte over een licentie om dit gif te spuiten, terwijl een andere het gif heeft ingekocht en een andere vennoot de hoeveelheid liters had bepaald dat in het kader van het spuitwerk gebruikt diende te worden.
Het hof overwoog dat – gelet op de verwevenheid van het handelen van een van de vennoten met het handelen van A – de inbreng van een andere vennoot dermate groot is geweest dat de vennoten en A wel degelijk kunnen worden beschouwd als een zekere eenheid, alsmede dat sprake is van het uitoefenen van activiteiten door A die tot de werkzaamheden ter uitoefening van het bedrijf van de vennoten behoren. De Hoge Raad zegt hierover het volgende: weliswaar berust artikel 6:171 BW onder meer op de gedachte dat een buitenstaander veelal niet kan onderkennen of de schade te wijten is aan een fout van een ondergeschikte of van een ander die ter uitoefening van het desbetreffende bedrijf werkzaamheden verricht, maar dat brengt niet mee dat de bepaling toepassing zou missen in een geval waarin het de benadeelde duidelijk is dat de schade is veroorzaakt door een fout van een niet-ondergeschikte.

Als de werknemer van de onderaannemer fouten maakt, dan is de aannemer voor deze werknemer aansprakelijk op grond van artikel 6:76 BW en kan de aannemer door de opdrachtgever op grond van artikel 6:171 BW aansprakelijk worden gehouden. Als het de huurder niet duidelijk is of de werkzaamheden door een ondergeschikte of een niet-ondergeschikte zijn uitgevoerd, dan zal de huurder eerst even na moeten vragen bij de verhuurder wie de werkzaamheden heeft verricht. Als de verhuurder daarover geen duidelijkheid wenst te verschaffen, dan is het verstandig de verhuurder zowel op basis van artikel 6:76 BW en artikel 6:171 BW aansprakelijk te stellen voor de schade.
Als er door verkeerde zaken die bij het herstel zijn gebruikt, of als er door ondeugdelijke apparatuur schade bij de huurder ontstaat, dan kan de aansprakelijkheid van de verhuurder worden herleid uit artikel 6:77 BW. Als er sprake is van een vervangen keukenkastje dat niet in orde is, dan is er geen sprake van een hulpzaak, maar van een gebrekkig keukenkastje, dat een onderdeel van de hoofdzaak vormt dat de verhuurder ter beschikking moet stellen, namelijk een goed onderhouden zaak. In deze situatie moet bedacht worden dat een leverancier geen hulppersoon is. Als de verhuurder een keukenkastje bestelt bij de leverancier en de leverancier levert rechtstreeks aan de persoon die het kastje op moet hangen, dan is de verhuurder aansprakelijk voor schade bij de huurder als de aannemer door het niet juist volgen van de instructies die bij het kastje zijn gevoegd het kastje naar beneden laat kletteren. Als door de leverancier een verkeerd kastje wordt geleverd en dat kastje is gewoon door de aannemer opgehangen, ook als duidelijk was dat er sprake was van een verkeerd kastje, dan zal de verhuurder niet geheel aansprakelijk voor deze fout zijn. De gelaedeerde stelde A aansprakelijk voor de schade. De aansprakelijkheid werd gebaseerd op artikel 6:171 BW.

Het hof te ‘s-Hertogenbosch heeft in haar arrest van 19 december 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:5799 ) een antwoord gegeven op de vraag of een verhuurder aansprakelijk is voor door de huurder gestelde schade op de voet van artikel 6:76 BW en/of artikel 6:171 BW. De huurder had een aantal claims opgevoerd, zoals schade aan inboedel, zoekgeraakt geld en immateriële schade. Een aantal posten maakten natuurlijk in ieder geval al geen kans zoals het zoekgeraakte geld en de immateriële schade. Het zoekgeraakte geld is los van de juridische grondslag al lastig te bewijzen en immateriële schade komt in dit verband doorgaans niet voor vergoeding in aanmerking.
Volgens het hof waren de algemene voorwaarden op deze huurovereenkomst van toepassing. In deze voorwaarden is onder meer opgenomen: ‘Als het huurrecht van de huurder door tussenkomst van de rechter is beëindigd en de ontruiming van de woning bij vonnis is toegewezen, dient huurder minstens een dag voor de aangezegde ontruiming zelf voor verwijdering van de inboedel zorg te dragen. Als huurder hiermee in gebreke blijft, zal de verhuurder op kosten van huurder voor het ontruimen van de woning zorgdragen. Door ondertekening van de huurovereenkomst wordt de verhuurder in het onderhavige geval beschikkingsbevoegd ten aanzien van de inboedel. Door deze beschikkingsbevoegdheid is verhuurder gerechtigd de inboedel bij ontruiming direct te vernietigen, zonder dat huurder enig recht heeft op schadevergoeding of anderszins en verhuurder aansprakelijk kan worden gesteld.’
De huurders hadden niet de stelling van de verhuurder betwist dat uit de tekst van deze bepaling niet alleen volgde dat de verhuurder niet aansprakelijk was voor vernietigde inboedel, maar ook dat de verhuurder niet aansprakelijk was voor vermiste of beschadigde inboedel. Nu beide partijen daarvan uitgingen, nam het hof dit gegeven tot uitgangspunt.
Het hof was verder van oordeel dat de huurder de woning diende te ontruimen wegens het niet opkomen tegen de uitvoerbaar bij voorraadverklaring in eerste aanleg.
Volgens het hof was het – onder meer gezien de algemene voorwaarden – de taak van de huurder om de woning te ontruimen. Door dat achterwege te laten was verhuurder genoodzaakt om tegen haar zin de ontruiming zelf te laten uitvoeren.

De verhuurder had de huurder nog aangezegd door een exploot en aangevoerd dat zij alleen dan roerende zaken op kosten van huurders zou opslaan die geschikt worden geacht voor opslag ter beoordeling aan vertegenwoordiger(s) van de verhuurder en/of de vertegenwoordiger van de onderneming waar de roerende zaken zullen worden opgeslagen – gedurende een periode van maximaal 13 weken, wanneer dat ter voldoening aan de aan haar in de gemeentelijke APV en jurisprudentie opgelegde taken wordt verlangd; dat alle, in het gehuurde aanwezige, overige roerende zaken, die ingevolge het hiervoor gestelde niet worden opgeslagen, direct en op kosten van de huurders, naar de gemeentelijke vuilstort zullen worden afgevoerd.
Het hof overwoog verder dat de verhuurder de aansprakelijkheid niet zou kunnen uitsluiten als het duidelijk was dat zij de ontruiming zou laten doen door een bedrijf waarvan zij op voorhand wist of had moeten begrijpen dat het bij de uitvoering van de ontruiming onzorgvuldig zou optreden, onnodige schade zou toebrengen aan de zaken van de huurders en/of waardevolle zaken van de huurders zou ontvreemden. Dat was echter niet het geval.
Het hof was van oordeel dat het bepaalde in artikel 6:76 BW over de aansprakelijkheid voor hulppersonen in deze kwestie niet van toepassing was. De ontruiming betrof immers niet een contractuele verbintenis die zij op grond van de huurovereenkomst jegens de huurders had. Het betrof hier de uitvoering van een vonnis en het verrichten van handelingen die de huurders zelf hadden dienen te verrichten.

De aansprakelijkheid op grond van artikel 6:171 BW kon hier ook niet worden aangenomen. De in dit wetsartikel neergelegde maatstaf ‘ter uitoefening van diens bedrijf’ moest volgens vaste rechtspraak niet te ruim worden uitgelegd (zie onder meer HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD7395 en hof ’s Hertogenbosch 26 februari 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ2823). Uit hetgeen door huurders is aangevoerd, kan niet worden afgeleid dat de  interne bedrijfsdienst de werkzaamheden heeft uitgevoerd ‘ter uitoefening van’ het bedrijf van de verhuurder. Het gaat om werkzaamheden die in beginsel niet tot de bedrijfsuitoefening van de verhuurder behoren en die de huurders zelf hadden moeten laten uitvoeren.
Het hof achtte gezien het bovenstaande de verhuurder niet aansprakelijk voor de door de huurder geclaimde schade.

De Hoge Raad heeft in haar arrest van 14 juni 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AE0657 ) een beslissing moeten nemen over de vraag of een geldtransportbedrijf op grond van artikel 6:76 BW verantwoordelijk was voor een diefstal door haar werknemer die op het moment van het vervoer van het geldtransport geen dienst had. Deze werknemer die niet bij de uitvoering van het onderhavige transport was ingeschakeld, was niet te beschouwen als hulppersoon. Derhalve was het geldtransportbedrijf niet ex artikel 6:76 BW aansprakelijk tegenover het winkelbedrijf. Het winkelbedrijf kon natuurlijk wel deze werknemer op grond van onrechtmatig handelen aanspreken. Uit deze uitspraak valt a contrario te herleiden dat als de werknemer ten tijde van de diefstal dienst had gehad, het geldtransportbedrijf wél jegens het winkelbedrijf aansprakelijk was geweest voor deze schade. De Hoge Raad is van oordeel dat de kring van personen waarop deze bepaling betrekking heeft, niet ruim moet worden getrokken. Er bestaat volgens de Hoge Raad – overeenkomstig de tekst – alleen aansprakelijkheid op grond van deze bepaling voor personen van wie de hulp wordt gebruikt bij de uitvoering van de verbintenis ten aanzien waarvan de aansprakelijkheid in het geding is.
De Hoge Raad sluit zich aan bij hetgeen mr. A.S. Hartkamp heeft gesteld in zijn conclusie van 14 juni 2002 (ECLI:NL:PHR:2002:AE0657) over de kring van personen waarvoor de opdrachtnemer gebruik maakt.
Hartkamp verwijst allereerst naar de parlementaire geschiedenis. Hieruit blijkt dat de kring van personen voor wier gedragingen krachtens artikel 6:76 BW aansprakelijkheid bestaat, niet ruim moet worden opgevat. Deze aansprakelijkheid bestaat niet “voor gedragingen van derden die door de schuldenaar niet op een of andere wijze bij de uitvoering van de verbintenis zijn betrokken, hetzij rechtstreeks hetzij door middel van een ander die de hulppersoon op zijn beurt bij de uitvoering van de verbintenis heeft ingeschakeld”. De persoon als gevolg van wiens handelen de schade is ontstaan dient derhalve bij de uitvoering van de verbintenis te zijn ingeschakeld.
In deze passage wordt benadrukt dat artikel 6:76 BW slechts aansprakelijkheid in het leven roept voor personen aan wie een taak is opgedragen met het oog op de uitvoering van de verbintenis. Aldus wordt onderscheiden tussen werknemers die door de werkgever zijn ingeschakeld bij de uitvoering van de verbintenis, voor wier gedragingen hij krachtens artikel 6:76 BW aansprakelijk is, en andere werknemers in het bedrijf, voor wie geen aansprakelijkheid bestaat.
Verder moet het gaan om een fout die een tekortkoming in de nakoming van de verbintenis oplevert, of anders gezegd, om een gedraging die met de uitvoering van de verbintenis voldoende verband houdt. Een gewone diefstal door een met de bewaking belaste werknemer kan nog als zodanig gelden. In het onderhavige geval – een gewapende roofoverval door die bewuste werknemer in samenwerking met twee overvallers van buiten het bedrijf – ligt dit anders, omdat deze gedraging op geen enkele manier in het verlengde ligt van het uitvoeren van de verbintenis.

De rechtbank Noord-Holland heeft in haar vonnis van 20 december 2023 (ECLI:NL:RBNHO:2023:13004) beslist dat de verhuurder niet aansprakelijk was voor diefstal van enige spullen uit de woning van een huurder  tijdens renovatiewerkzaamheden.

In de procedure werd van de volgende feiten uitgegaan:

  • Op een mededelingenbord van het complex heeft een overzicht gehangen waarop stond bij welke woningen in welke periode werkzaamheden zouden worden uitgevoerd.
  • De aannemer maakte gebruik van kluizen voor het opbergen van de sleutels, zodat haar werknemers en onderaannemers toegang hadden tot de woning waarin werd gewerkt. Een kluisje werd met de klep open met vier schroeven door de achterwand bevestigd aan een muur of kozijn. De kluizen waren voorzien van een cijfercode. Deze cijfercode was bekend bij de aannemer.
  • In juli 2020 had de aannemer geconstateerd dat de sleutelkluizen van deze huurder van de  bewoner van een ander adres waren verdwenen. De sleutelkluis werd niet meer teruggevonden.
  • De huurder had geconstateerd dat er was gezocht in zijn woning en dat er een wasmachine  en een televisie was weggenomen.
  • De verhuurder heeft camerabeelden aan de politie beschikbaar gesteld.
  • de inboedelverzekering wees de claim af, omdat de woning tijdens een verbouwing niet werd bewoond.

De huurder legde aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat dat de verhuurder geen goed verhuurderschap heeft getoond dan wel dat de verhuurder als zaakwaarnemer onzorgvuldig heeft gehandeld.

De verhuurder betwiste de claim van de huurder en betwiste aansprakelijkheid voor de gestelde schade. De verhuurder meende zich als goed huurder te hebben gedragen. De wijze waarop haar aannemer omging met de sleutels van de woningen, is naar de mening van de verhuurder gebruikelijk en de gestelde schade was niet voorzienbaar. Overigens was de toedracht van de diefstal niet komen vast te staan, zodat het causaal verband tussen de gestelde tekortkoming van de verhuurder en de schade evenmin vast stond. De gestelde schade was verder onvoldoende onderbouwd en ook niet aannemelijk.

De rechter was van oordeel dat dat de grondslag van de vorderingen (slecht verhuurderschap en zaakwaarneming) niet was aangetoond en/of bewezen. De rechter merkt nog op dat voor zaakwaarneming geen bevoegdheid krachtens een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding bestaat (zie artikel 6:198 BW). Zonder enige verdere toelichting die in deze procedure ontbrak, moest er van uit worden gegaan dat alleen al aan die eis van zaakwaarneming niet was voldaan. Tussen partijen bestaat immers een huurovereenkomst en juist op grond daarvan werd de verhuurder aangesproken. Er bestond aldus een rechtsverhouding op basis waarvan de claim van de huurder was gebaseerd.

Het gestelde slechte verhuurderschap bestond naar de mening van de huurder uit de volgende gedragingen van de verhuurder:

  • de sleutel van zijn woning zich dag en nacht bevond in een aan de buitenzijde van de woning bevestigde sleutelkluis;
  • op posters in de hal van het complex werd aangekondigd waar en wanneer de werkzaamheden werden uitgevoerd;
  • de toegangsdeuren van het complex de gehele dag open waren en het complex vrij toegankelijk was voor derden.

De rechter is van oordeel dat het verband tussen het verdwijnen van de sleutelkluis en de verdwijning van de spullen niet vast staat. De aard van de verdwenen goederen (waaronder een wasmachine en een kluis van circa 140 kilogram) riep daarbij vragen op over de diefstal, mede gelet op het feit dat de meerdere appartementen op de galerij ten tijde van de diefstal bewoond waren en de centrale toegangshal in ieder geval ’s nachts voor derden afgesloten is. Verder was gesteld noch gebleken dat goederen uit de woning op het andere adres, waarvan ook de sleutelkluis was verdwenen, waren gestolen.

De aannemer (en dus niet de verhuurder) heeft gekozen voor het gebruiken van een sleutelkluis omdat diverse werknemers en onderaannemers werkzaamheden in de woningen moesten verrichten. De ervaring van de aannemer is dat dit een veilige en gebruikelijke manier is om sleutels beschikbaar te hebben voor verschillende werknemers en onderaannemers. Na afloop van de werkzaamheden werd de woning weer afgesloten en werd de sleutel weer in de sleutelkluis teruggelegd.

Dat het sleutelkluisje zou worden verwijderd en dat met de daarin geplaatste sleutel een diefstal als de onderhavige zou plaatsvinden was voor de aannemer en de verhuurder niet voorzienbaar. Informatie over de werkzaamheden werden in de mededelingenkast opgehangen: die informatie was alleen zichtbaar voor bewoners omdat de hal waarin de mededelingenkast hangt, is afgesloten voor derden.

De hiervoor beschreven gang van zaken en de rol die de verhuurder daarin had, is naar het oordeel van de rechter niet zodanig dat op grond daarvan geconcludeerd kan worden dat de verhuurder en de door haar ingeschakelde aannemer in de gegeven omstandigheden anders hadden moeten handelen.

De huurder heeft zijn stelling niet onderbouwd dat de sleutels zich enkel tussen 7.30 uur en 16.00 uur in de sleutelkluis zouden bevinden en in de nacht in een andere kluis zouden worden opgeborgen.

Verder was de stelling van van de huurder, dat de deuren de hele dag open stonden en de woning de gehele tijd toegankelijk is geweest voor derden, door de verhuurder gemotiveerd betwist. Het was niet vast komen te staan dat de toegangsdeuren van het complex zelf en/of de deur van de woning de gehele tijd open waren en kwaadwillenden zich hierdoor makkelijk toegang tot de woning konden verschaffen.

Tot slot was de stelling van de huurder, dat derden via de opgehangen posters precies wisten welk appartement aan de beurt was en dat de sleutels van de woning in een kluisje aan de muur te vinden was, gemotiveerd betwist door de verhuurder. De informatie over de werkzaamheden hing het mededelingenbord in een ruimte die niet algemeen toegankelijk is voor derden.

Al met al was de rechter van oordeel dat de verhuurder niet in strijd met goed verhuurderschap had gehandeld. De vordering  werd daarom afgewezen.

Geen risicoaansprakelijkheid verhuurder

Laatst bijgewerkt op 2025-10-26 om 11:36:47

Voor aansprakelijkheid van gevolgschade wordt wel aangenomen dat een redelijke termijn moet zijn verstreken, waarin de verhuurder zijn herstelverplichting heeft kunnen verrichten. Het feit dat geen ingebrekestelling gestuurd hoeft te worden ontslaat de huurder niet van de verplichting de verhuurder tijdig van de schade op de hoogte te brengen(zie hierbij ook de link met de verplichting van de huurder om het gebrek binnen bekwame tijd te melden in artikel 6:89 BW om aanspraak op schadevergoeding te kunnen houden). Als er schade is ontstaan voordat de verhuurder gelegenheid heeft gehad om het gebrek volgens artikel 7:206 BW te herstellen, is er immers geen grondslag voor toerekenbaarheid (tenzij het gaat om een pand, waarvan het onderhoud is verwaarloosd). Verhuurders  van bedrijfsruimte kunnen in het nadeel van de huurder van deze regeling afwijken. Deze regeling is immers voor bedrijfsruimte niet semi-dwingend gemaakt. Een wettelijke bepaling zoals voor woonruimte in artikel 7:242 BW staat geformuleerd – en die sommige bepalingen semi-dwingend maken – ontbreekt voor bedrijfsruimte. De wetgever heeft door deze regel duidelijk afstand genomen van de eerder geldende regel van risicoaansprakelijkheid ten laste van de verhuurder. De wetgever heeft de verhuurder voor zich voordoende toevalligheden niet aansprakelijk willen houden.

In de memorie van antwoord bij de opzet van de artikelen 7:204-208 BW (MvA Kamerstukken I 2001/02, 26089, nr. 162 p 8 e.v. onder 16) wordt bevestigd dat het de bedoeling is geweest om plotseling opkomende schade aan het gehuurde te herstellen, maar dat het geen verplichting is om gevolgschade (van bijvoorbeeld een lek in het dak) in de vorm van schade aan bezittingen van de huurder te vergoeden. Er zijn bijkomende omstandigheden nodig om de verhuurder toch aansprakelijk te houden (bijvoorbeeld aantoonbaar gebrekkig onderhoud). Tevens valt een verhuurder die met het verhelpen van de lekkage treuzelt wel aansprakelijk kunnen zijn voor de verdere waterschade die voor de huurder ontstaat. Het voortduren van de lekkage is de verhuurder dan wél toe te rekenen.

Dit ligt uiteraard anders voor gebreken die de verhuurder bij het sluiten van de overeenkomst kende, of behoorde te kennen. De verhuurder is dan zonder meer aansprakelijk voor de schade die de huurder heeft geleden.De verhuurder is dus alleen aansprakelijk voor de gevolgschade als gevolg van het gebrek als de zorg ten aanzien van het gehuurde onvoldoende is geweest. Als de verhuurder niets kan worden aangerekend ten aanzien van de zorg, ook betreffende de door haar ingeschakelde ondergeschikten of hulppersonen, dan is er geen reden voor schadeplichtigheid. Zie ook de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, van 22 maart 2017 ( ECLI:NL:RBROT:2017:2184). De rechter merkte in dit vonnis ten overvloede op (de huurder zich niet op artikel 7:208 BW voor schadevergoeding beroepen), overwoog de kantonrechter dat artikel 7:208 BW in deze zaak geen basis kan vormen voor toewijzing van een schadevergoeding. Nu het gaat om een gebrek dat is ontstaan na het aangaan van de huur zou dat gebrek niet aan de verhuurder toegerekend kan worden.

Hoewel de verhuurder niets valt te verwijten als het zoeken naar een oplossing geruime tijd duurt, vond de kantonrechter te Meppel in haar vonnis van 11 oktober 1990 (Prg. 1991/3531) een herstelperiode van 10 jaar teneinde een probleem (vocht door ondoordringbare leemlaag) op te lossen toch wel erg lang duren. De kantonrechter was het volgende van mening: “hoewel het begrijpelijk is dat de Bouwvereniging eerst heeft geprobeerd om minder vergaande, dus minder dure oplossingen te kiezen, (aan degene die voor de kosten opdraait moet wat dat aangaat een zekere keuzevrijheid in de belangenafweging worden gelaten), had naar mijn mening van de Bouwvereniging in dit opzicht dus meer mogen worden verwacht”.
Als een huurder van mening is dat herstel wat lang duurt waardoor de huurder meer tijd dan gewenst thuis heeft moeten zitten, dan zal het allereerst toch duidelijk dienen te zijn dat herstel eerder plaats had kunnen vinden en de verhuurder, danwel haar hulppersonen, een verkeerde oplossing hebben gekozen. Voorts zal de huurder altijd duidelijk dienen te maken welke schade door welke oorzaak hij heeft geleden (Rechtbank Amsterdam, kantonzaken, locatie Amsterdam 23 november 2004, WR 2005/56).Partijen zijn ook verplicht om schade zo veel mogelijk te beperken. De schadebeperkingsplicht is vervat in artikel 6:101 BW. Dit betekent dat een partij verplicht is voorzorgsmaatregelen te nemen om schade te voorkomen als dit nog mogelijk is. Laat men desondanks het nemen van deze maatregelen achterwege, dan is het mogelijk dat de schade voor rekening van de gelaedeerde blijft. Dit blijkt uit het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht van 25 maart 2014 (Noot 17aa ).
Bij aanvang van de huurovereenkomst geeft de verhuurder opdracht tot reparatie van een vloer. Deze reparatie was noodzakelijk, omdat de vloer ongelijk was. De huurder wenste een laminaatvloer te leggen en daarvoor was een gelijke vloer noodzakelijk. In aanwezigheid van de opzichter werd een afspraak met de huurder gemaakt. De reparateur kwam echter tweemaal binnen het overeengekomen tijdstip bij de huurder langs, doch de huurder was niet thuis. Verder had de reparateur een voicemail achtergelaten, doch de huurder had hier ook niet op gereageerd.
De huurder heeft uiteindelijk besloten de laminaatvloer gewoon te leggen, zonder dat de ondergrond was hersteld. De laminaatvloer bleek uiteindelijk bol te liggen. De laminaatvloer moest dus worden verwijderd en de ondervloer moest alsnog worden hersteld. Verder was de huurder van mening dat de voorbereidende werkzaamheden ook voor rekening van de verhuurder diende te komen. Verder vond de huurder dat kosten van het verblijf elders gedurende de werkzaamheden ook voor rekening van de verhuurder dienden te komen.
De rechter was een andere mening dan de huurder toegedaan.
De vloer diende voor rekening van de verhuurder gerepareerd te worden. Dit was duidelijk een gebrek ex artikel 7:204 BW.
Ten aanzien van de gevolgschade merkt de rechter het volgende op.
Er was met de huurder een afspraak gemaakt voor reparatie van de ondervloer. De huurder was ondanks de gemaakte afspraken niet aanwezig. Verder heeft de huurder niet betwist dat er een mededeling door de reparateur op de voicemail was ingesproken.
De huurder gaf verder gedurende de procedure aan dat hij ervoor heeft gekozen de vloer te leggen, omdat hij geen vertrouwen had in de herstelwerkzaamheden van de reparateur. Hij wilde de vloer snel leggen wegens zijn gezondheidstoestand. Hij heeft astma en wilde de woning snel stofvrij hebben. Gezien de omstandigheden komt het leggen van de laminaatvloer voor rekening en risico van de huurder. Hij had voor het leggen van de vloer volgens de rechter ten minste de verhuurder moeten rappelleren alvorens de vloer te leggen. Ik ga ervan uit dat de huurder geen aanspraak kon maken op het gestelde in artikel 7:209 BW. Het gebrek was immers bekend, doch de huurder had zich bewust in de positie gemanoeuvreerd dat er extra kosten gemaakt moesten worden wegens verwijdering van de vloer. Deze kosten had hij kunnen vermijden door de verhuurder alsnog gelegenheid tot herstel te geven, dan wel van zijn rechten ex artikel 7:206 lid 3 BW gebruik te maken.

De huurder die goederen neerzet op een plek waar lekkage kon worden verwacht, kan daarom niet schade bij de verhuurder verhalen als deze waterschade zich daadwerkelijk voordoet. De verhuurder kan wel gehouden zijn om het gebrek te herstellen, doch de toerekenbaarheid voor de gevolgschade wordt dan niet aanwezig geacht Noot 17a .

Het gaat in deze zaak waarbij het Hof Den Haag op 20 mei 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:936) arrest heeft gewezen om de vraag of de verhuurder als verhuurder aansprakelijk is voor de schade die de huurder heeft geleden als gevolg van een lekkage in de huurwoning. De kernvraag is ook hier of de schade als gevolg van het gebrek de huurder kan worden toegerekend. De kantonrechter kwam tot de conclusie dat de verhuurder een deel van de schade moet vergoeden. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat niet is komen vast te staan dat de lekkage een omstandigheid is die aan de huurder moet worden toegerekend zodat de lekkage een gebrek oplevert in de zin van art. 7:204 lid 2 BW. Het ontstaan/bestaan van een lek in een leiding of afvoerbuis komt naar het oordeel van de kantonechter volgens verkeersopvattingen voor rekening van de verhuurder. Het hof oordeelt anders en wijst de vordering af.

De situatie die tot dit arrest heeft geleid luidde als volgt: op 8 februari 2021 heeft huurder bij verhuurder melding gemaakt van een lekkage in de woning. Diezelfde dag is in opdracht van de verhuurder iemand in de in de woning geweest maar zij heeft de oorzaak toen niet kunnen achterhalen. Op 9 februari 2021 is een ingeschakelde firma in opdracht van de verhuurder in de woning geweest. Deze firma heeft geconstateerd dat de lekkage afkomstig is uit de vloer van de badkamer, waarna zij op 22 februari 2021 herstelwerkzaamheden heeft verricht. Op 9 maart 2021 heeft deze firma na een aanvullende klacht over lekkage een verstopping in een afvoer geconstateerd. Deze verstopping is op 18 maart 2021 verholpen door een riool reinigingsbedrijf.

Het hof komt terecht tot het oordeel dat het enkele intreden van het gebrek niet voldoende om aansprakelijk te zijn op grond van artikel 7:208 BW. Weliswaar schiet de verhuurder tekort in de nakoming van zijn verhuurdersverplichting om de huurder een zaak niet vrij van gebreken te laten gebruiken, maar hij heeft geen verplichting tot vergoeding van schade indien de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Van toerekening zal wél sprake zijn indien hem van het ontstaan van het gebrek enig verwijt kan worden gemaakt of wanneer hij zijn verplichting tot verhelpen van het gebrek niet deugdelijk nakomt.

De huurder had zich op het standpunt gesteld dat de verhuurder nooit onderhoud heeft gepleegd aan het leidingennetwerk en dat het herstel maanden heeft geduurd waardoor de schade aan de muren en de vloer is toegenomen en verergerd. De verhuurder heeft dit betwist. Volgens de verhuurder laat de huurder na aan te geven welke rechtsplicht de verhuurder dan heeft geschonden. De verhuurder voert namelijk geen planmatig onderhoud uit aan de leidingen en dat is ook niet afgesproken tussen partijen. Bovendien is het gebrek volgens de verhuurder binnen twee weken na het ontstaan van de lekkage opgelost.

Het hof is van oordeel dat van een verhuurder niet zonder meer kan worden gevergd dat hij planmatig onderhoud pleegt aan het leidingenwerk. Dat zou anders kunnen zijn als onderhoud of inspectie vereist was omdat al eerder problemen gesignaleerd waren met de leidingen of als er ondeugdelijke reparaties hadden plaatsgevonden maar dat is hier niet gesteld en ook niet gebleken.

De huurder had onvoldoende omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat aan de verhuurder enig verwijt kon worden gemaakt met betrekking tot het intreden van de lekkage. Evenmin kon de schade volgens verkeersopvattingen aan de verhuurder worden toegerekend.

Het is voor de huurder daarom altijd verstandig om een inboedelverzekering te sluiten. De meeste verzekeringen bieden dekking als er sprake is van instromend water. Ook als de verhuurder aansprakelijk is voor de gevolgschade heeft het vaak de voorkeur de schade door de verzekering af te laten wikkelen. De verzekerde zal immers snel schadeloos gesteld kunnen worden als de schade onder dekking van de verzekering valt. Een aansprakelijkstelling van de verhuurder leidt vaak tot discussies die maanden kunnen duren. Daarnaast kan de uitkering door de verzekeraar gunstiger zijn dan de schadeloosstelling door de verhuurder. De verzekering kan een andere vergoedingsmaatstaf hanteren, dan een vergoeding op grond van een concrete schadeberekening.

Het volgen van een klachtenprocedure bij een corporatie 

De huurder kan bij een geschil over gevolgschade met een toegelaten instelling ook een klachtenprocedure volgen bij de geschillencommissie van een woningcorporatie. Volgens artikel 18a van de Woningwet dient een woningcorporatie een regeling voor de behandeling van klachten in te stellen. Het is mogelijk dat de klachtencommissie een coulance uitkering ten behoeve van de huurder adviseert aan de woningcorporatie. Dit is mogelijk als een bepaalde schade wel erg sneu voor de huurder is en de klachtencommissie het niet zonder meer opportuun acht zich voor deze specifieke situatie te verschuilen achter de regeling van artikel 7:208 BW. Op de site van de desbetreffende woningcorporatie hoort een verwijzing naar deze klachtenregeling te staan. Als de klacht wordt afgewezen, dan bestaat de mogelijkheid de zaak alsnog aan de rechter ter beoordeling voor te leggen. Dat heeft echter geen zin als de verhuurder voor wat betreft de gevolgschade een terechte afwijzing maakt op basis van artikel 7:208 BW.

Aansprakelijkheid van schade mogelijk zonder ingebrekestelling

Laatst bijgewerkt op 2020-01-12 om 13:56:23

In artikel 7:206 BW is bepaald dat de verhuurder gebreken op verlangen van de huurder moet verhelpen. Een informele kennisgeving van het gebrek is voldoende om de verhuurder in verzuim te laten komen. Op deze vordering is de verjaringstermijn van artikel 3:310 BW van toepassing.
De aansprakelijkheid voor schade als gevolg van het gebrek is dus mogelijk zonder dat er een ingebrekestelling is verstuurd. Het is verstandig om ten behoeve van het veilig stellen van de aansprakelijkheid wél een ingebrekestelling te sturen na ontdekking van de schade. Er is immers geen ingebrekestelling nodig om de verhuurder te houden aan reparatie van het gehuurde, doch voor een claim op grond van aansprakelijkheid voor gevolgschade kan een ingebrekestelling wel noodzakelijk zijn. Een ingebrekestelling kan op grond van artikel 6:81 BW nodig zijn om de aansprakelijkheid voor de gevolgschade vast te stellen. Als de verhuurder door zijn houding duidelijk heeft gemaakt dat hij zijn verplichtingen niet nakomt, dan is een ingebrekestelling in ieder geval niet nodig. Dit laatste kan worden gebaseerd op grond van artikel 6:83 onder c BW. Vaak zal er in het kader van het hier behandelde vraagstuk sprake zijn van een onwillige verhuurder en kan de aansprakelijkheid voor de gevolgschade zonder ingebrekestelling uit laatstgenoemd artikel worden herleid.

Op grond van artikel 7:208 BW kan aansprakelijkheid zonder ingebrekestelling voor gevolgschade aan de zijde van de verhuurder ook aanwezig zijn als de gevallen zich voordoen zoals in dit artikel beschreven. De toelichting op artikel 7:208 BW (Kamerstukken II, 1999-2000, 26 089, nr. 6, blz. 12 e.v.) vermeldt in welke gevallen aansprakelijkheid voor gevolgschade krachtens de wet voor rekening van de verhuurder komt. Hieronder valt onder meer het geval dat de verhuurder door een informele kennisgeving door de huurder van het gebrek op de hoogte is gesteld, waarna de verhuurder heeft nagelaten zijn verplichting tot herstel na te komen. Voor déze gevallen als gepreciseerd in artikel 7:208 BW kan aansprakelijkheid van de verhuurder dus aanwezig zijn zonder voorafgaande ingebrekestelling.

Een ingebrekestelling voor gevolgschade is wel noodzakelijk als aansprakelijkheid op grond van dit artikel ontbreekt en de huurder voor aansprakelijkheid van gevolgschade terugvalt op de algemene regel van artikel 6:74 BW. Het is immers mogelijk dat een gebrek aan het gehuurde zich voordoet, waarvan de gevolgschade niet onder artikel 7:208 BW kan worden gebracht, maar waarvan de schade op grond van verkeersopvattingen of volgens een andere wettelijke regel toch voor rekening van de verhuurder dient te komen. Denk bijvoorbeeld aan de gevolgschade die ontstaat door fouten door hulppersonen die door de verhuurder zijn ingeschakeld in verband met uitvoering van herstelwerkzaamheden. In een dergelijk geval is het wel degelijk noodzakelijk de verhuurder voor de schade in gebreke te stellen, omdat deze gevolgschade niet wordt afgedekt door artikel 7:208 BW. Deze claim dient immers verder beoordeeld te worden op grond van artikel 6:74 BW e.v. Het is dus mogelijk dat de huurder aan de verhuurder een schriftelijk verzoek (dus geen ingebrekestelling ) heeft ingediend van informele strekking (bijvoorbeeld een briefje met de mededeling: “mijn dak lekt. Wilt u zorg dragen voor zo spoedig mogelijk herstel?”). De verhuurder laat de zaak op zijn beloop. Vervolgens komt er een stevige regenbui, waardoor de inboedel van de huurder door lekkage wordt beschadigd. In dit voorbeeld kan de verhuurder aansprakelijk zijn voor de waterschade. De verhuurder kan aansprakelijkheid voor de gevolgschade van de hand wijzen als deze aantoont dat de schade, los van de niet herstelde gebreken, onder deze omstandigheden ook was ontstaan. Als de verhuurder een goed onderbouwd verweer voert ter afwering van deze aansprakelijk, dan zal de huurder wel feiten aan dienen te dragen die dienen ter onderbouwing van zijn claim.
De huurder moet zich daarom wel realiseren dat een feit dat een gehuurd object onder water komt te staan voor de rechter slechts een aanwijzing kan zijn dat er iets aan de waterdichtheid of de waterafvoer van dat object mankeert; maar de rechter is niet verplicht om aan dit feit deze conclusie te verbinden. “Wanneer er door de verhuurder feiten zijn aangevoerd die een andere plausibele oorzaak (dan gebrekkigheid van het huurobject) voor de wateroverlast kunnen opleveren (zoals: dat er extreme, buiten normale verwachtingen liggende regenval heeft plaatsgehad) kán men de opgetreden wateroverlast beoordelen als een onvoldoende aanwijzing dat er “wel iets aan het gehuurde gemankeerd zal hebben”; en kan men van de partij die schadevergoeding verlangt vergen dat die nader aangeeft waarom toch aannemelijk zou zijn dat de verhuurder in enig opzicht tekort is geschoten”, aldus mr. Huydecoper in zijn conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008 ( LJN: BG3827, Hoge Raad, C07/169HR ).

De Hoge Raad had deze zaak afgedaan met toepassing van artikel 81 RO nu ook de rechters in eerste aanleg en in hoger beroep al hadden geoordeeld dat de stellingen van de kant van de huurder niet als deugdelijke onderbouwing konden gelden voor de aansprakelijkheid van de verhuurder. Onder deze omstandigheden lag het in uitgesproken mate op de weg van de huurder, om nader aan te geven waarom tekortkomingen aan de kant van de verhuurder tóch aannemelijk waren.

Aansprakelijkheid verhuurder in verband met gevolgschade

Laatst bijgewerkt op 2024-03-25 om 23:19:47

Volgens artikel 6:89 BW moet de schuldeiser na ontdekking van een gebrek” binnen bekwame tijd” bij de schuldenaar protesteren.
Onder bekwame tijd wordt verstaan een termijn van twee maanden na ontdekking van het gebrek. Heeft de huurder niet binnen bekwame tijd een gebrek bij de verhuurder gemeld en is door dit gebrek schade bij de huurder ontstaan, dan kan de verhuurder een schadeclaim afwijzen op grond van het ontbreken van toerekenbaarheid. Overigens loopt de huurder dan nog de kans aansprakelijk te zijn voor schade aan het gehuurde door het nalaten van een kennisgeving naar de verhuurder van een gebrek aan het gehuurde. De huurder dient immers bij de verhuurder gebreken te melden (en herstelwerkzaamheden gedurende de huurperiode toe te laten, zie artikel 7:220 BW), als die werkzaamheden noodzakelijk zijn om verdere schade aan het gehuurde te voorkomen. Als de verhuurder niet over gaat tot herstel van het gehuurde na het verzoek daartoe door de huurder, dan leidt dit tot schadeplichtigheid op grond van artikel 6:74 BW. Volgens artikel 6:74 BW is voor de verplichting tot schadevergoeding immers vereist dat de schuldenaar tekortschiet in de verplichtingen die voortvloeien uit een verbintenis. Voorts moet dit tekortschieten de schuldenaar kunnen worden toegerekend. Deze schadeplichtigheid op grond van artikel 6:74 BW moet worden onderscheiden van de verplichting tot vergoeding van de schade aan eigendommen van de huurder, die ontstaat als het gemelde gebrek niet (tijdig) wordt hersteld. Het hof te ‘s-Hertogenbosch was in hoger beroep in haar arrest van 9 december 2014 ( ECLI:NL:GHSHE:2014:5191 ) van mening dat herstel van een kapot raam dat bij dagvaarding in januari 2013 was gemeld en pas in oktober 2013 was hersteld, kon leiden tot een verplichting tot vergoeding van schade wegens extra stookkosten. De huurders gingen echter uit van een absurde eis. Het hof wees slechts een fractie van het gevorderde bedrag toe, terwijl nog niets eens de schadebeperkingsplicht van de huurder ter sprake kwam in deze procedure.

Het komt nogal eens voor dat een verhuurder een aannemer inschakelt om een gebrek te verhelpen en dat de aannemer verschillende pogingen moet ondernemen om een gebrek te verhelpen. Het is mogelijk dat de aannemer niet kundig is en daarom meer tijd voor onderzoek nodig heeft, of dat het gebrek lastig is om op te sporen. Als de huurder dan verschillende keren thuis heeft moeten zitten, rijst de vraag of gederfde vakantie-uren als schadepost zijn op te merken. Volgens een arrest van de Hoge Raad van 28 mei 1999 (ECLI:NL:HR:1999:ZC2912 (Losser/Kruidhof) zijn verloren vakantie-uren als een vorm van vermogensschade aan te merken.  Nu ging dit arrest over onrechtmatig handelen. Daarvan is geen sprake in dit voorbeeld. Dat bij toerekenbaar tekortschieten dergelijke posten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, blijkt uit het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 juni 2013 (ECLI:NL:RBAMS:2013:5274).  In deze zaak zouden opgenomen extra vrije dagen voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Deze dagen komen alleen voor vergoeding in aanmerking wanneer het opnemen van deze dagen, gezien alle omstandigheden, redelijkerwijs noodzakelijk was en de kosten voor deze dagen niet hoger zijn dan de anders ingeschakelde (professionele) hulp gekost zou hebben.

Een persoon die € 150 per uur verdient kan dit bedrag niet claimen als hij via een uitzendbureau iemand voor € 20 per uur in had kunnen huren om werklui te ontvangen.

Ik meen wel dat de huurder dan wel duidelijk dient te maken dat een normaal aantal uren voor uitvoering van deze herstelwerkzaamheden ruim wordt overschreden. De verhuurder zal dan daarop duidelijk dienen te maken wat de reden daarvan is. Als daar dan geen goede reden voor wordt gegeven, zullen die gederfde vakantie-uren voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.  Hier is al sprake van verzuim, omdat het gehuurde vanwege de noodzaak van reparatie gedurende de huurperiode niet in goede staat van onderhoud is gehouden door de verhuurder. De huurder hoeft de verhuurder na een mislukte poging tot herstel niet in gebreke te stellen.

Artikel 7:208 BW geeft een nadere definiëring van de aansprakelijkheid van de verhuurder voor gevolgschade, die ontstaat wegens gebreken aan het gehuurde. De wetgever is hierbij niet uitgegaan van een risicoaansprakelijkheid van de verhuurder (de verhuurder is in het kader van risicoaansprakelijkheid zonder meer aansprakelijk voor schade aan eigendommen van de huurder als deze schade is veroorzaakt door een gebrek aan het gehuurde), maar de wetgever acht de verhuurder op grond van artikel 7:208 BW alleen aansprakelijk als de schade in redelijkheid aan de verhuurder mag worden toegerekend. Dit artikel sluit aan bij de regeling in het algemene verbintenissenrecht. Het algemene verbintenissenrecht is immers op grond van artikel 7:205 BW op het huurrecht van toepassing, tenzij hiervan in de specifieke regeling wordt afgeweken.

In het hoofdstuk gebreken aan de gehuurde (woon/bedrijfs)ruimte is uitgelegd dat voor bedrijfsruimte de wet geen regeling kent zoals die voor woonruimte in artikel 7:242 BW is vastgelegd. Dit heeft tot gevolg dat partijen voor bedrijfsruimte kunnen afwijken van de artikelen die door de werking van artikel 7:242 BW voor woonruimte semi-dwingend zijn gemaakt. Uit artikel 7:209 BW volgt dat voor bedrijfsruimte de aansprakelijkheid voor gevolgschade kan worden uitgesloten, tenzij er sprake is van gebreken die de verhuurder bij het aangaan van de overeenkomst kende of had behoren te kennen. In dit hoofdstuk wordt hier in het onderdeel: “semi-dwingend recht voor woonruimte, regelend recht voor bedrijfsruimte” uitgebreid op ingegaan.

De rechtbank Noord-Holland heeft in haar vonnis van 15 november 2023 (ECLI:NL:RBNHO:2023:11877)  beslist dat de in de algemene voorwaarden opgenomen uitsluiting van de aansprakelijk ook werkt tegen de verzekeraar die de huurder had schadeloosgesteld en was gesubrogeerd in de rechten van de huurder.

In de ROZ-bepalingen versie 2003 is de volgende uitsluiting van de aansprakelijkheid opgenomen: “Verhuurder is niet aansprakelijk voor de gevolgen van gebreken, die hij niet kende of niet behoorde te kennen bij het aangaan van de huurovereenkomst.

Verhuurder is niet aansprakelijk voor schade toegebracht aan de persoon of goederen van huurder en huurder heeft geen recht op huurprijsvermindering, geen recht op verrekening of opschorting van enige betalingsverplichting en geen recht op ontbinding van de huurovereenkomst in geval van vermindering van huurgenot ten gevolge van gebreken, waaronder die ten gevolge van zichtbare en onzichtbare gebreken aan het gehuurde of het gebouw of complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt, weersomstandigheden, stagnatie in de bereikbaarheid van het gehuurde, leegstand elders, stagnatie in de voorziening van gas, water, elektriciteit, warmte, ventilatie of luchtbehandeling, storing van de installaties en apparatuur, in- en uitstroming van gassen of vloeistoffen, brand, ontploffing, tekortkomingen in de leveringen en diensten. (…).”

Door een losgesloten waterleiding in het complex waartoe het gehuurde behoort leed de huurder schade. De verzekeraar vergoedde de schade van de huurder maar had de vordering van de huurder overgenomen. De verzekeraar vorderde vergoeding van schade op basis van risicoaansprakelijkheid voor ondergeschikten ex art. 6:170 BW. Deze schade zou volgens de verzekeraar veroorzaakt zijn door onrechtmatig handelen van een werknemer van de verhuurder, voor wiens handelen de verhuurder op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is. Volgens de verzekeraar moet de verhuurder daarom de schade betalen.

Volgena de  verzekeraar is de uitsluiting van de aansprakelijkheid van de ROZ-voorwaarden enkel bedoeld om de aansprakelijkheid voor schade als gevolg van wanprestatie uit te sluiten. Dit zou volgens de verzekeraar volgen uit het feit dat artikel 11 van de ROZ-voorwaarden in zijn geheel gericht is op schade die verband houdt met gebreken aan het gehuurde.

De verhuurder wees aansprakelijkheid van de hand.

De rechtbank overwoog dat de exoneraties niet beperkt zijn tot schade veroorzaakt door derden of tot gebreken aan het gehuurde. Het eerste deel van artikel 11.6 spreekt immers over schade ten gevolge van gebreken en het tweede deel van het artikellid spreekt over schade als gevolg van enkele andere omschreven (feitelijke) stoornissen van buitenaf. In artikel 11.8 wordt daarnaast alle bedrijfsschade van huurder uitgesloten. In die bepaling staat niet dat dat alleen geldt voor schade door gebreken aan het gehuurde, zoals door de verzekeraar stelt. Dat de lekkage is ontstaan in een ruimte van het complex die niet tot het gehuurde behoort maakt evenmin dat artikel 11.6 en artikel 11.8 toepassing missen. In het eerste deel van artikel 11.6 is expliciet opgenomen ‘of het gebouw of complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt’. Die toevoeging beperkt zich niet tot het eerste deel van artikel 11.6, omdat in artikel 11.9, waarin uitsluiting van aansprakelijkheid op grond van artikel 11.6 en 11.8 beperkt wordt, deze zinsnede ook terugkomt. Deze zinsnede geldt dus voor beide artikelen.

Gesteld noch gebleken is dat van opzet of grove schuld, als bedoeld in artikel 11.9 van de ROZ-voorwaarden sprake is, dus de verhuurder  zich beroepen op genoemde exoneraties.

In deze zaak was de aansprakelijkheid dus uitgesloten. Dat hoeft niet te gelden voor andere overeenkomsten waarop andere voorwaarden van toepassing zijn. Per geval moet naar de tekst van de exoneratie worden gekeken.