Jurisprudentie

Renovatie schadevergoeding

LJN: BV8259, Gerechtshof Leeuwarden, 200.074.462/01

 

Datum uitspraak:21-02-2012

Datum publicatie:08-03-2012

 

Uitspraak Arrest d.d. 21 februari 2012

Zaaknummer 200.074.462/01

 

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

 

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

 

[appellanten],

wonende te [woonplaats],

appellanten in principaal appel, geïntimeerden in incidenteel appel,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk (en in enkelvoud) te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. A. Özmen,

 

 

tegen

 

 

Stichting Lyaemer Wonen,

gevestigd te Lemmer,

geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Lyaemer,

advocaat: mr. W.H.C. Bulthuis.

 

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 23 december 2009 en 30 juni 2010 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton.

 

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 21 september 2009 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van het vonnis van 30 juni 2010 met dagvaarding van Lyaemer tegen de zitting van 5 oktober 2010. Vervolgens is een comparitie gehouden. Bij memorie van grieven heeft [appellanten] drie grieven tegen dit vonnis aangevoerd, welke grieven Lyaemer bij memorie van antwoord heeft bestreden. Tegelijkertijd heeft Lyaemer, onder aanvoering van eveneens drie grieven, tegen het vonnis incidenteel appel ingesteld. [appellanten] heeft deze grieven bij memorie van antwoord in incidenteel appel op zijn beurt bestreden. Daarna hebben partijen nog een akte genomen.Ten slotte hebben zij de stukken aan het hof overgelegd voor arrest.

De beoordeling

 

1.  In deze zaak gaat het, kort gezegd, om het volgende.

(i) [appellanten] huurt van Lyaemer een woonhuis aan [adres]. De “kale” huurprijs beliep bij de aanvang van de huurovereenkomst per 24 december 2003 een bedrag van € 373,27.

(ii) In maart 2008 heeft Lyaemer aan de huurders van een complex woningen, waarvan dit huis deel uitmaakt, schriftelijk te kennen gegeven dat zij bezig was werkzaamheden ter verbetering van de woningen c.q. renovatiewerkzaamheden voor te bereiden. Daarbij ging het onder meer om het isoleren van het dak en het aanbrengen van een mechanische ventilatie met afzuiging in de keuken, de doucheruimte en op zolder. Voorts zou het kozijn van de woonkamer worden vervangen door een schuifpui. In de kennisgeving werd tevens melding gemaakt van een voor de huurders bestaande mogelijkheid om bij dezelfde gelegenheid verdere verbeteringen, waartoe zij niet verplicht waren, te laten aanbrengen. Daarbij ging het om het betegelen van het toilet, het ombouwen van een kleine slaapkamer tot doucheruimte, het aanbrengen van een vaste trap naar de zolder en het maken van een doorgang van de keuken naar de woonkamer. [appellanten] heeft aangegeven al deze verbeteringen te wensen.

(iii) De werkzaamheden zijn in augustus 2008 of september 2008 begonnen; partijen noemen in dit opzicht verschillende tijdvakken. Toen in oktober van dat jaar de werkzaamheden nog niet waren voltooid, heeft een aantal huurders, onder wie [appellanten], de verdere toegang tot hun huizen aan Lyaemer en haar aannemer ontzegd. Daarop heeft Lyaemer een kort geding aangespannen, welke zaak heeft gediend op 25 februari 2009.

[appellanten] heeft ter zitting met Lyaemer een regeling getroffen, die er op neer komt dat Lyaemer met het oog op het voltooien van de werkzaamheden een wisselwoning aan [appellanten] ter beschikking zou stellen, onder de verplichting van Lyaemer de nodige inboedelgoederen van [appellanten] naar die wisselwoning te verplaatsen en naderhand weer naar het adres [adres] terug te brengen. Een en ander is vervolgens geschied.

(iv) [appellanten] vordert in deze zaak met name vergoeding door Lyaemer van zowel materiële als immateriële schade, die hij stelt ten gevolge van de werkzaamheden te hebben geleden. Volgens hem gaat het daarbij onderscheidenlijk om bedragen van € 11.524,- en € 10.000,-. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de vordering van [appellanten] toegewezen tot een bedrag van in totaal € 2.000,-, vermeerderd met rente en proceskosten, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde.

(v) Partijen zijn wederzijds tegen deze beslissingen in hoger beroep gekomen.

 

2.  Het hof zal het incidentele appel, als het verst strekkende, eerst behandelen. In de zich voor een gezamenlijke bespreking lenende grieven

betoogt Lyaemer, kort gezegd, dat [appellanten] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij bij of ten gevolge van de werkzaamheden voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden.

 

3.  Het hof overweegt als volgt. Zoals blijkt uit hetgeen hierboven onder 1(ii) is weergegeven, zijn de uitgevoerde werkzaamheden in twee categorieën te onderscheiden: enerzijds de werkzaamheden waarvan Lyaemer aankondigde dat die in elke woning zouden worden verricht (a) en anderzijds werkzaamheden waarvan een huurder kon kiezen die al af niet te laten uitvoeren (b).

Voor zover de onder (a) bedoelde werkzaamheden niet zouden vallen onder het begrip “renovatie” van artikel 7:220 lid 2 BW, gaan beide partijen er blijkbaar van uit dat deze “dringend” waren in de zin van het eerste lid van dit artikel. Voor zover het daarbij wél gaat om renovatiewerkzaamheden heeft Lyaemer, naar het oordeel van het hof, bij de aankondiging daarvan een redelijk voorstel gedaan. Het ging immers om onmiskenbare verbeteringen aan de woning, zoals de isolatie van het dak, waarvan [appellanten] dadelijk profijt zou hebben zonder dat deze zouden leiden tot huurverhoging. [appellanten] diende de betreffende werkzaamheden dan ook te gedogen.

Hetzelfde geldt uiteraard voor de onder (b) bedoelde werkzaamheden, nu [appellanten] er immers zelf voor gekozen had deze te laten uitvoeren.

 

4.  Artikel 7:203 BW luidt: “De verhuurder is verplicht de zaak ter beschikking van de huurder te stellen en te laten voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is.”

Gelet echter op de hierboven onder 3 beschreven gedoogplicht van [appellanten], brengt het enkele feit dat hij gedurende zekere tijd niet in de mate als voorzien in artikel 7:203 BW de beschikking heeft gehad over zijn woning, nog niet mee dat Lyaemer jegens hem aansprakelijk is voor de gevolgen van elke vorm van hinder die hem door het uitvoeren van de werkzaamheden is toegebracht. Het antwoord op de vraag of de hinder voor [appellanten], die door Lyaemer is veroorzaakt of aan haar is toe te rekenen, als een tekortkoming van Lyaemer in de nakoming van haar in laatstgenoemd wetsartikel omschreven verplichting moet worden beschouwd, hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval (H.R. 7 december 2001, NJ 2002, 26).

 

5.  Te dezer zake overweegt het hof het volgende.

Voor zover het ging om de hierboven onder 1 (ii) alsmede onder 3 (b) bedoelde verdere verbeteringen geldt dat [appellanten] uitdrukkelijk te kennen had gegeven het aanbrengen daarvan te wensen, zodat hij zich er in zoverre niet over kan beklagen dat de werkzaamheden bij hem langer hebben geduurd en meer last hebben veroorzaakt dan het geval zou zijn geweest bij het achterwege laten van bedoelde verdere verbeteringen. Ook overigens beoordeelt het hof de duur van de werkzaamheden – volgens [appellanten] 10 weken -, gelet op de omvang ervan, niet als buitensporig.

De werkzaamheden hielden onder meer in dat er gedeeltelijke sloop van muren en wanden diende plaats te vinden; vanwege de aard daarvan kon stofoverlast worden verwacht. [appellanten] stelt dat een aandoening in zijn luchtwegen hem daarvoor extra gevoelig maakte, maar niet gesteld of gebleken is dat Lyaemer daarvan vóór de aanvang van de werkzaamheden op de hoogte was of moest zijn, zodat niet in te zien valt welk verwijt hier aan Lyaemer zou zijn te maken.

Duidelijk is daarnaast dat [appellanten] gedurende de werkzaamheden slechts in beperkte mate genot van het gehuurde heeft gehad doordat hij niet steeds of ten volle daarover kon beschikken alsmede door de hinder die werd veroorzaakt door stof, lawaai, geuren en de aanwezigheid van werklieden. Het hof ziet daarin echter, gelet op de eerder genoemde gedoogplicht, geen grond voor vermindering van de huurprijs of schadevergoeding. Bij dit oordeel betrekt het hof in de eerste plaats dat onvoldoende gesteld of gebleken is dat de werkzaamheden waren gericht op en noodzakelijk waren door gebreken aan het gehuurde; het ging immers om verbetering. Dit volgt uit de aard van de (hierboven onder 1 (ii)) opgesomde werkzaamheden.

Bovendien valt in aanmerking te nemen dat, zoals reeds overwogen, de werkzaamheden hebben geleid tot een – aanzienlijke – verbetering van de woning van [appellanten], terwijl Lyaemer heeft nagelaten de huurprijs in verband daarmee te verhogen. Voor zover [appellanten] er nog over klaagt dat hij telkenmale zijn meubilair heeft moeten verplaatsen, verliest hij uit het oog dat hij bij de door hem op 1 april 2008 ondertekende verklaring zich ertoe heeft verplicht op aanwijzing van de opzichter/uitvoerder de woning tijdig op die plaatsen te ontruimen, waar dat voor een goede uitvoering van de werkzaamheden noodzakelijk zou zijn. Voorts weegt mee dat Lyaemer voor de laatste weken van de werkzaamheden aan [appellanten] een wisselwoning ter beschikking heeft gesteld en dat zij het transport van zijn inboedel van en naar deze wisselwoning voor haar rekening heeft genomen. Ten slotte neemt het hof in aanmerking dat Lyaemer aan [appellanten] in totaal een bedrag van € 1.000,- ter compensatie van de ongemakken heeft aangeboden, welk bedrag het hof, mede in verhouding tot de omvang van de huurprijs, redelijk en billijk voorkomt. Dat [appellanten] geweigerd heeft dit aanbod te aanvaarden, dient voor zijn rekening te blijven.

 

6.  Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat Lyaemer bij de uitvoering van de werkzaamheden niet is tekort geschoten in haar krachtens artikel 7:203 BW bestaande verplichting (het genot van) de woning aan [appellanten] ter beschikking te stellen, zodat voor enige vergoeding in dit opzicht geen plaats is.

 

7.  Het vorenstaande laat echter onverlet dat Lyaemer verplicht is de schade te vergoeden die zij c.q. haar aannemer, anders dan reeds is besproken, bij het uitvoeren van de werkzaamheden aan de persoon of de goederen van [appellanten] heeft toegebracht en die aan haar moet worden toegerekend.

 

8.  [appellanten] heeft een bedrag van € 10.000,– gevorderd als vergoeding van immateriële schade die hij stelt te hebben geleden. Lyaemer heeft de aanwezigheid van zodanige schade betwist. Tegenover deze betwisting heeft [appellanten] niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat zich in deze zaak een van de in artikel 6:106 BW genoemde gevallen voordoet, waarin recht op vergoeding van immateriële schade bestaat.

 

9.  [appellanten] heeft, tegenover de betwisting van Lyaemer, evenmin voldoende onderbouwd dat Lyaemer c.q. haar aannemer bij het uitvoeren van de werkzaamheden schade heeft toegebracht aan [appellanten] in eigendom toebehorende zaken, zoals vermeld op door laatstgenoemde geproduceerde lijsten. Weliswaar zijn ten aanzien van een aantal van die zaken offertes ter zake van het herstel daarvan overgelegd, maar ook uit die offertes blijkt niet dat er aan bedoelde zaken door toedoen van Lyaemer of haar aannemer schade is ontstaan. Hetzelfde geldt voor de overige producties, zoals de vele door [appellanten] overgelegde foto´s. Voor zover hierop of hierin sprake van schade is aan zaken van [appellanten], blijkt onvoldoende dat die door de werkzaamheden is veroorzaakt. [appellanten] heeft niet aangeboden (verder) bewijs van zodanige veroorzaking te leveren.

Ook de stelling dat de werkzaamheden hebben geleid tot een aanzienlijke verhoging van zijn kosten voor elektra heeft [appellanten], tegenover de betwisting van Lyaemer, onvoldoende onderbouwd.

 

10.   Al het voorgaande leidt ertoe dat het hof het incidentele beroep gegrond acht en tot de conclusie komt dat de door [appellanten] ingestelde vorderingen alsnog behoren te worden afgewezen. Bij deze stand van zaken kunnen de grieven in het principale appel niet slagen. [appellanten] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties worden verwezen.

 

De beslissing

Het hof:

 

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

 

wijst de vorderingen van [appellanten] af,

 

veroordeelt [appellanten] in de kosten van beide instanties, aan de zijde van Lyaemer begroot:

– voor de eerste aanleg, tot aan de uitspraak van het vonnis d.d. 30 juni 2010 op een bedrag van € 450,- voor salaris gemachtigde,

– voor het hoger beroep, tot aan deze uitspraak, op een bedrag van € 263,= voor vast recht en € 632,= voor salaris advocaat,

 

veroordeelt [appellanten] tot terugbetaling aan Lyaemer van hetgeen laatstgenoemde op grond van het vonnis in eerste aanleg aan [appellanten] dan wel de griffier van de rechtbank heeft voldaan,

 

verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, H.Warnink en H.Th. Bouma en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.

14 dagen termijn

ECLI:NL:PHR:2016:938

Permanente link: 

 

Instantie

Parket bij de Hoge Raad

Datum conclusie

23-09-2016

Datum publicatie

25-11-2016

Zaaknummer

16/02885

Formele relaties

Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2704 

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Inhoudsindicatie

Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, veertiendagenbrief (art. 6:96 lid 6 BW). Aanvang veertiendagentermijn. Stelplicht en bewijslast. Gevolgen van onjuiste vermelding van de termijn. Rol van de rechter; verstek en tegenspraak. Gevolgen van gedeeltelijke betaling.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl 

Conclusie

Rolnr. 16/02885

Mr M.H. Wissink

Zitting: 23 september 2016

Conclusie inzake een verzoek om een prejudiciële beslissing, in de zaak waarbij

– als partijen zijn betrokken:

FA-MED B.V., gevestigd te Amersfoort,

(hierna: Fa-Med)

en

[verweerster in eerste aanleg] , wonende te [woonplaats],

(hierna: [verweerster])

– en als indieners van schriftelijke opmerkingen op de voet van artikel 393 lid 2 Rv:

de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders,

gevestigd te Den Haag

(hierna: KBvG)

en

de Consumentenbond,

gevestigd te Den Haag

(hierna: de Consumentenbond)

1Inleiding

1.1

De door de rechtbank Midden-Nederland (kantonrechter Almere) voorgelegde vragen gaan over de zogenaamde “veertiendagenbrief” als bedoeld in art. 6:96 lid 6 BW.1 Deze bepaling luidt:

“De vergoeding volgens de nadere regels (dat wil zeggen: de buitengerechtelijke incassokosten op de voet van in art. 6:96 lid 5 BW bedoelde Besluit buitengerechtelijke incassokosten; AG) kan indien de schuldenaar een natuurlijk persoon is, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, eerst verschuldigd worden nadat de schuldenaar na het intreden van het verzuim, bedoeld in artikel 81, onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling, waaronder de vergoeding die in overeenstemming met de nadere regels wordt gevorderd, vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na aanmaning.”

1.2

Eerder oordeelde de Hoge Raad in zijn arrest van 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405, dat art. 6:96 lid 6 BW aldus moet worden uitgelegd dat, indien de schuldeiser in redelijkheid tot het verrichten van incassohandelingen is overgegaan en de daarin genoemde veertiendagenbrief aan de consument-schuldenaar heeft gestuurd, bij uitblijven van de betaling binnen de termijn van veertien dagen de in het Besluit genormeerde vergoeding voor buitengerechtelijke incassohandelingen door de consument-schuldenaar verschuldigd wordt, zonder dat de schuldeiser gehouden is daartoe nog nadere incassohandelingen te verrichten.2

1.3

De thans voorgelegde vragen gaan in hoofdzaak over de (stelplicht en bewijslast ter zake van de) aanvang van de veertiendagentermijn en de gevolgen van een veertiendagenbrief waarin deze termijn niet correct wordt weergegeven (vragen a-f). De slotvraag (sub g) ziet op de berekening van de buitengerechtelijke incassokosten indien de schuldenaar tijdig een gedeelte van de vordering heeft voldaan.

2Feiten en procesverloop

2.1

De kantonrechter heeft in deze zaak de volgende feiten vastgesteld: 3

(i) Op 25 maart 2014 heeft [verweerster] een tandheelkundige behandeling ondergaan bij Tandprothetische Praktijk [A]. Deze zorgverlener heeft zijn vordering op [verweerster] gecedeerd aan Fa-med.

(ii) Fa-med heeft [verweerster] op 24 juli 2014 een factuur toegezonden ad € 735,54, te voldoen voor 23 augustus 2014. Bij brief van 30 augustus 2014 heeft Fa-med [verweerster] in gebreke gesteld en gesommeerd tot betaling van de factuur voor 6 september 2014, bij gebreke waarvan [verweerster] in verzuim verkeert.

(iii) Gedagtekend 11 september 2014 heeft Fa-med aan [verweerster] een brief gestuurd omdat de nota nog niet is voldaan. In die brief is geschreven: “Het is mogelijk dat u vergeten bent te betalen. Daarom stellen wij u een laatste keer in de gelegenheid om het notabedrag binnen 14 dagen aan ons te voldoen (…). Wanneer wij uw betaling niet voor 25-09-2014 hebben ontvangen, brengen wij incassokosten in rekening. De incassokosten bedragen maximaal 15% van het notabedrag met een minimum van € 40,00 plus de wettelijke rente. In uw geval bedragen de incassokosten € 110,33. Door tijdige betaling voorkomt u deze extra kosten. ”

(iv) Op 7 oktober 2014 heeft [verweerster] een bedrag van € 735,54 aan Fa-med betaald.

2.2

Fa-med vordert in dit geding veroordeling van [verweerster] tot betaling van € 110,81, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 31 december 2014 tot de dag der algehele voldoening, met proceskosten. Het door Fa-med gevorderde bedrag van € 110,81 bestaat uit € 735,54 ter zake van hoofdsom, € 0,48 ter zake van wettelijke rente tot 31 december 2014 en € 110,33 ter zake van buitengerechtelijke kosten, verminderd met de door [verweerster] verrichte betaling van € 735,54. Fa-med legt aan haar vordering ten grondslag dat [verweerster] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichting door de factuur van 24 juli 2014 onbetaald te laten. Zij maakt aanspraak op de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten nu [verweerster] in verzuim is geraakt, respectievelijk Fa-med de vordering uit handen heeft moeten geven.

2.3

Namens [verweerster] is aangevoerd dat de rekening te laat is betaald omdat haar broer, die vanwege haar gezondheid haar zaken behartigt, afwezig was en [verweerster] toen zelf een fout heeft gemaakt bij een poging de rekening te betalen. Na terugkeer uit het buitenland heeft de broer van [verweerster] voor de betaling zorg gedragen, maar de toen tevens gevorderde incassokosten niet betaald. [verweerster] vindt het onrechtvaardig als [verweerster] onder deze omstandigheden zou moeten opdraaien voor de incassokosten die Fa-med vordert.

Dit verweer is door de kantonrechter verworpen, kort gezegd, omdat de brief van Fa-med van 11 september 2014 een incassohandeling is en art. 6:96 lid 6 BW, zoals dat sinds 1 juli 2012 luidt, dan in beginsel recht geeft op vergoeding van de incassokosten volgens het Besluit buitengerechtelijke incassokosten. Daarvoor is wel vereist dat de brief van Fa-med voldoet aan art. 6:96 lid 6 BW. Het maximaal verschuldigde bedrag aan verschuldigde kosten wordt in die brief genoemd evenals een termijn van veertiendagen.

2.4

Naar het oordeel van de kantonrechter resteert echter de vraag of is voldaan aan de in art. 6:96 lid 6 BW opgenomen zinsnede dat de termijn de dag na aanmaning aanvangt. Als dat niet op de juiste wijze in de veertiendagenbrief is verwerkt, rijst de vraag wat daarvan de consequenties moeten zijn. De kantonrechter overweegt voorts dat hij voornemens is prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen en nodigt partijen uit zich hierover uit te laten.

2.5

In het vonnis van 1 juni 2016 heeft de kantonrechter naar aanleiding van de uitlatingen van partijen de formulering op enkele punten aangepast en zijn de – hierna te bespreken – vragen gesteld.

2.6

In de prejudiciële procedure bij de Hoge Raad hebben de KBvG en de Consumentenbond op 30 juni 2016 respectievelijk 15 augustus 2016 op voet van art. 392 lid 2 Rv schriftelijke opmerkingen (hierna: s.o.) ingediend.

3Bespreking van de gestelde vragen

3.1

De door de kantonrechter voorgelegde prejudiciële vragen luiden als volgt:

a. Vangt de termijn van veertien dagen als bedoeld in artikel 6:96, zesde lid, van het BW aan de dag na de ontvangst door de schuldenaar van de veertiendagenbrief?

b. Indien voormelde vraag bevestigend beantwoord wordt, kan bij de beoordeling over de toewijsbaarheid van de buitengerechtelijke incassokosten er dan in beginsel, behoudens tegenbewijs (door de schuldenaar), vanuit worden gegaan dat een per gewone post verzonden veertiendagenbrief één dag na de dagtekening bezorgd wordt? Ook als we weten dat er in de regel geen brievenpost op zondag bezorgd wordt en bijvoorbeeld Post.nl ook op maandag geen briefpost bij particulieren bezorgt? Als hier niet van uit kan worden gegaan, met welke omstandigheden moet dan rekening worden gehouden ter zake de toewijsbaarheid van de buitengerechtelijke incassokosten en wat betekent dit dan voor de hierna nog te noemen stel- en bewijsplicht?

c. Voldoet een brief aan de eisen van artikel 6:96, zesde lid, van het BW indien daarin melding is gemaakt van een betaaltermijn van veertien dagen en het toepasselijke incassobedrag volgens het Besluit is genoemd, maar geen of een onjuiste termijn van aanvang of einde van die veertiendagentermijn is genoemd? Hoe strikt moet de rechter dit toetsen?

d. Wat is het rechtsgevolg als in een veertiendagenbrief geen of een onjuiste formulering van aanvang en/of einde van de veertiendagentermijn is vermeld? Maakt het in dat geval nog iets uit of de termijn een enkele dag te laat is en/of de schuldenaar heeft laten weten toch niet te kunnen betalen? Kan een onjuiste termijn gerepareerd worden geacht indien de schuldenaar (na enkele weken) nog een periode van tien dagen heeft gekregen en daarna (opnieuw enkele weken nadien) nog een laatste periode van zeven dagen heeft gekregen om de vordering te betalen, zonder dat incassokosten verschuldigd worden?

e. Moet de schuldeiser stellen en zo nodig bewijzen wanneer de termijn van veertien dagen is aangevangen en geëindigd, of moet de schuldenaar stellen en zo nodig bewijzen dat hij binnen veertien dagen na ontvangst van de veertiendagenbrief heeft betaald?

f. Maakt het voor de beantwoording van deze vragen verschil of het een verstekzaak of een zaak op tegenspraak betreft? Maakt het bij een zaak op tegenspraak nog uit of er wel of geen verweer gevoerd is ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten?

g. Indien er binnen de termijn van veertien dagen een deel van de vordering wordt voldaan, dienen de buitengerechtelijke kosten dan te worden (her)berekend over het onbetaald gebleven gedeelte van de vordering of is de schuldenaar ook dan het in de veertiendagenbrief aangezegde bedrag van de buitengerechtelijke kosten verschuldigd?4

3.2

Voor enige recente ontwikkelingen ter zake van de incasso van geldschulden verwijs ik naar de in de voetnoot genoemde bronnen.5 Voor de achtergrond en totstandkoming van de per 1 juli 2012 ingevoerde regeling van de buitengerechtelijke incassokosten als bedoeld in art. 6:96, leden 2 onder c, 5 ,6 en 7 BW (de Wet incassokosten, WIK) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, Stb. 2012, 141 (hierna: het Besluit, BIK) verwijs ik naar het arrest van 13 juni 2014 en de conclusie in die zaak.6 Kort samengevat, gaat het om het volgende.

(i) De wet regelt wanneer en tot welk bedrag buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn in de in het Besluit bedoelde gevallen (kort gezegd: van contractuele geldschulden; AG) indien de schuldenaar een natuurlijk persoon is, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (art. 6:96 lid 5 BW). Het vorderen van hogere incassokosten is niet mogelijk, van een lager bedrag wel.7 Deze kosten blijven verschuldigd indien het tot een procedure komt (‘zij verschieten niet van kleur’) en kunnen, indien bedongen, niet door de rechter worden gematigd (art. 6:96 lid 5 BW, art. 241 en art. 242 lid 2 Rv).

(ii) De wetgever heeft met name de ‘tweede redelijkheidstoets’ (de hoogte van de kosten) willen normeren. Deze normering geschiedt aan de hand van een forfaitair percentage dat uitsluitend is gerelateerd aan de hoogte van de verschuldigde hoofdsom. Hiermee is beoogd voor beide partijen duidelijkheid en rechtszekerheid te scheppen over de hoogte van de verschuldigde kosten, zodat daarover conflicten en een eventuele gang naar de rechter worden voorkomen (arrest van 13 juni 2014, rov. 3.4).

(iii) Voor de verschuldigdheid van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is vereist dat incassohandelingen zijn verricht,8 maar niet relevant is welke incassohandelingen de schuldeiser heeft verricht. De veertiendagenbrief is naar zijn aard ook zelf een incassohandeling. Dit stelsel brengt mee dat, indien de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser incassohandelingen heeft verricht waartoe hij in redelijkheid kon overgaan, de volgens het Besluit genormeerde vergoeding door de schuldenaar verschuldigd is ongeacht de aard en omvang van de verrichte incassohandelingen (arrest van 13 juni 2014, rov. 3.5, 3.6 en 3.7.1).

(iv) Alleen ten aanzien van een consument-schuldenaar is voorgeschreven dat de schuldeiser hem eerst nog een veertiendagenbrief moet sturen (art. 6:96 lid 6 BW). Daarmee is beoogd dat de consument niet wordt overvallen door het verschuldigd worden van incassokosten: hij krijgt na de waarschuwing in de veertiendagenbrief nog veertien dagen de gelegenheid het verschuldigde bedrag te betalen zonder dat incassokosten verschuldigd worden. In de woorden van de minister:

“Op basis van de voorgestelde regeling geldt bovendien dat een consument die niet op tijd heeft betaald, dient te worden aangemaand voordat incassokosten in rekening mogen worden gebracht. Deze schuldenaar kan dus niet worden overvallen door € 40,– aan incassokosten. Als hij binnen 14 dagen na de aanmaning de vordering alsnog voldoet, laat de wet niet toe dat er incassokosten in rekening worden gebracht.” (Kamerstukken II 2010-2011, 32 418, nr. 5, p. 6).

Aldus rov. 3.6 van het arrest van 13 juni 2014.

Vragen a, b en e: de aanvang van de veertiendagentermijn en het bewijs daarvan

3.3

Volgens de tekst van art. 6:96 lid 6 BW vangt de veertiendagentermijn aan “de dag na aanmaning”. Om deze dag te kunnen bepalen, moet eerst worden vastgesteld wat de dag van de aanmaning is, dus op welke dag is aangemaand. Vraag a strekt ertoe te vernemen of de dag van de aanmaning moet worden opgevat als de dag van ontvangst van de aanmaning door de schuldenaar. Mocht dat niet het geval zijn, dan zou, zo begrijp ik, als alternatief kunnen worden gedacht aan de dag van het verzenden van de aanmaning.

3.4.1

Volgens art. 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Nochtans heeft ook een verklaring die hem tot wie zij was gericht, niet of niet tijdig heeft bereikt, haar werking, indien dit niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt.

3.4.2

HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104 (Centavos/[C]) overwoog over deze bepaling:9

“Art. 3:37 lid 3 BW houdt, voor zover thans van belang, in dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Het antwoord op de vraag wanneer kan worden gezegd dat een verklaring door de geadresseerde is ontvangen, wordt noch in de wettekst noch in de daarbij behorende toelichting gegeven. Indien de ontvangst van de verklaring wordt betwist, brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg mee dat de afzender in beginsel feiten of omstandigheden dient te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring aldaar is aangekomen. Als adres in vorenbedoelde zin kan in beginsel – behoudens andersluidend beding – worden aangemerkt de woonplaats van de geadresseerde in de zin van art. 1:10 BW, dan wel, indien de mededeling een zakelijke kwestie betreft, het zakelijke adres van de geadresseerde, en voorts het adres waarvan de afzender op grond van verklaringen of gedragingen van de geadresseerde mocht aannemen dat deze aldaar door hem kon worden bereikt, bijvoorbeeld diens postbus, e-mailadres of ander adres dat bij recente contacten tussen partijen door de geadresseerde is gebruikt.”

3.5

Nu de in art. 6:96 lid 6 BW bedoelde aanmaning een rechtshandeling is, dient de vraag wanneer zij heeft plaatsgevonden te worden beoordeeld aan de hand van art. 3:37 lid 3 BW. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Als uitgangspunt geldt dan ook, dat de in art. 6:96 lid 6 BW bedoelde veertiendagentermijn aanvangt op de dag na de dag waarop de aanmaning door de schuldenaar is ontvangen.

3.6.1

In het systeem van de wet ligt besloten dat art. 3:37 lid 3 BW, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, hier gewoon van toepassing is. Toepassing van de verzendtheorie is in het privaatrecht geen regel, maar uitzondering (vgl. bijvoorbeeld art. 6:230o lid 3 BW). Ik lees in art. 6:96 lid 6 BW niet zo’n uitzondering.10

3.6.2

Hierop wijst ook de wetgeschiedenis van art. 6:96 lid 6 BW, waarin wordt opgemerkt:

“Om er zeker van te zijn dat de aanmaning is ontvangen en vervolgens de termijn van 14 dagen gaat lopen, kan de schuldeiser kiezen voor aangetekende verzending van de aanmaning.” 11

en

“Wanneer de schuldenaar een consument is, zal deze bovendien eerst nog een schriftelijke aanmaning moeten ontvangen met een nakomingstermijn van 14 dagen. Dat biedt hem de mogelijkheid de vordering alsnog, zonder verhoging met incassokosten, te voldoen.”12

3.6.3

Dat de veertiendagentermijn pas gaat lopen na, kort gezegd, ontvangst van de aanmaning is ook in lijn met de consumentenbeschermende gedachte achter art. 6:96 lid 6 BW. Om te kunnen profiteren van de extra termijn van veertien dagen en om ondubbelzinnig duidelijkheid te verkrijgen over de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke incassokosten dient de consument de veertiendagenbrief te hebben ontvangen. In overeenstemming hiermee overwoog HR 13 juni 2014 (rov. 3.6) dat de consument “na de waarschuwing in de veertiendagenbrief nog veertien dagen de gelegenheid [krijgt] het verschuldigde bedrag te betalen zonder dat incassokosten verschuldigd worden”. Een waarschuwing veronderstelt dat het bericht in de veertiendagenbrief de schuldenaar heeft bereikt.

Hieraan doet niet af dat in rov. 3.7.2 van dit arrest wordt overwogen dat “de consument-schuldenaar de in het Besluit genormeerde incassokosten verschuldigd wordt indien hij, nadat de schuldeiser hem de veertiendagenbrief heeft gestuurd, zijn schuld niet binnen veertien dagen voldoet”, nu uit rov. 3.7.1 reeds blijkt dat het enkele versturen niet voldoende is: “3.7.1 De veertiendagenbrief is naar zijn aard ook zelf een incassohandeling. Daarmee rijst de (door de kantonrechter gestelde) vraag of de volgens het Besluit genormeerde kosten reeds zijn verschuldigd indien de schuldeiser die brief heeft gestuurd (en deze is ontvangen), dan wel of hij daartoe na het sturen van de veertiendagenbrief nog nadere incassohandelingen dient te verrichten.” (onderstreping toegevoegd, AG).

3.6.4

De beschikbare uitspraken van de feitenrechters gaan eveneens uit van de aanvang van de veertiendagentermijn daags na ontvangst van de veertiendagenbrief. Dit is bijvoorbeeld overtuigend gemotiveerd door Hof Den Haag 7 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1896, rov. 9-12.13 Dezelfde benadering wordt voorgestaan in het Rapport BGK-integraal 2013:

“5.4 Vormvoorschrift aanmaning en ontvangst In de parlementaire geschiedenis is naar voren gekomen dat de schuldeiser kan kiezen voor aangetekende verzending van de aanmaning teneinde er zeker van te zijn dat de aanmaning is ontvangen en vervolgens de termijn van 14 dagen gaat lopen. Hieruit volgt als uitgangspunt dat de aanmaning schriftelijk gedaan wordt. Dit roept de vraag op of ook een digitaal verzonden aanmaning, die overigens voldoet aan het bepaalde van art. 6:96 lid 6 BW, een toereikende basis voor gevorderde incassokosten oplevert. De werkgroep is van mening dat volstaan kan worden met een schriftelijke of digitale aanmaning zolang de schuldeiser kan aantonen dat de aanmaning de schuldenaar heeft bereikt (…).”14

3.7

KBvG (s.o. nr. 5.2.3) en de Consumentenbond (s.o. p. 7) stellen voor om de eerste vraag bevestigend te beantwoorden.

3.8.1

Ik merk nog op dat KBvG (s.o. nrs. 5.3.24-5.3.25) aan het slot van haar bespreking van de vragen c en d een lans lijkt te breken voor toepassing van de verzendtheorie. KBvG wijst op de parallel met de regeling van de bestuursrechtelijke geldschulden in de Awb en oppert de mogelijkheid om, in overeenstemming met de Awb, de woorden “aanvangende de dag na aanmaning” in art. 6:96 lid 6 BW te lezen als “na die waarop de aanmaning is toegezonden”.

3.8.2

De regeling van de Awb houdt, kort gezegd, in dat (i) nadat het verzuim is ingetreden op de voet van art. 4:97-98 Awb, (ii) het bestuurorgaan de schuldenaar “schriftelijk aanmaant tot betaling binnen twee weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanmaning is toegezonden” (art. 4:112 lid 1 Awb), waarna (iii) de mogelijkheid ontstaat om over te gaan tot invordering (art. 4:114 e.v. Awb).15Voorts stuit de aanmaning de verjaring (art. 4:106 Awb).16

3.8.3

De bepaling van art. 4:112 lid 1 Awb sluit aan bij art. 6:8 Awb, dat bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Voor de formulering is aansluiting gezocht bij art. 11 Invorderingswet 1990, met dien verstande dat in die bepaling de termijn wordt berekend vanaf de dagtekening van de aanmaning.17 Nu art. 4:112 lid 1 Awb aansluit bij een andere systematiek dan die van art. 3:37 lid 3 BW, is er geen reden om voor de toepassing van art. 6:96 lid 6 BW aansluiting te zoeken bij art. 4:112 lid 1 Awb.18

Een ander verschil met art. 6:96, leden 5 en 6, BW is dat aan de aanmaning van art. 4:112 Awb zelf reeds kosten zijn verbonden: € 7 indien de schuld minder dan € 500 bedraagt en € 15 indien de schuld € 500 of meer bedraagt (art. 4:113 Awb).

KBvG (s.o. nr. 5.3.24) wijst ook op het op art. 4:120 lid 2 Awb gebaseerde Besluit buitengerechtelijke kosten (Bgk, Stb. 2009/268). In een op 1 juni 2016 gesloten internetconsultatie is voorgesteld om in het Bgk een degressieve staffel op te nemen zoals in het privaatrechtelijke Besluit om te voorkomen dat bestuursorganen standaard 15% van het verschuldigde bedrag in rekening brengen.19 Nu dit slechts de hoogte van de kosten betreft, levert het geen argument op voor de stelling dat in art. 6:96 lid 6 BW de verzendthorie gelezen zou moeten worden.

3.9

Vraag a kan als volgt worden beantwoord. Onder de ‘dag na aanmaning’ als bedoeld in artikel 6:96, zesde lid, BW moet worden verstaan de dag na de dag waarop de veertiendagenbrief de schuldenaar heeft bereikt in de zin van art. 3:37 lid 3 BW. Als uitgangspunt geldt daarbij, dat de veertiendagentermijn aanvangt op de dag na de dag waarop de aanmaning door de schuldenaar is ontvangen.

3.10.1

Uit de behandeling van vraag a volgt reeds het antwoord op vraag e.20 Conform de hoofdregel van art. 150 Rv, dient de schuldeiser die aanspraak maakt op betaling van de buitengerechtelijke incassokosten op de voet van het Besluit voldoende feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid wanneer de veertiendagentermijn is aangevangen (waaruit dan vanzelf volgt wanneer deze is geëindigd).

3.10.2

Op de schuldenaar rust dan vervolgens de stelplicht en zo nodig de bewijslast dat hij de vordering binnen de veertiendagentermijn heeft voldaan. Dat is immers een bevrijdend verweer.21

3.11

Wat betreft de stelplicht van de schuldeiser bevat het Rapport BGK-integraal 2013 de volgende aanbeveling:

“6. Stelplicht

De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten draagt in beginsel de bewijslast van die feiten of rechten. Aan de bewijslast gaat de stelplicht vooraf. Dit betekent dat de schuldeiser zo concreet en precies mogelijk alle feiten en omstandigheden moet stellen die het intreden van het door hem beoogde rechtsgevolg kunnen dragen. Deze stelplicht geldt ook in verstekzaken.

De schuldeiser, die toewijzing van door hem gevorderde buitengerechtelijke kosten wil verkrijgen, zal onder meer het navolgende moeten stellen en feitelijk onderbouwen. De schuldeiser zal bij zijn processtukken afschrift moeten voegen van de stukken waarop hij zich in die processtukken beroept. Indien de schuldeiser uitsluitend aanspraak maakt op het forfaitaire tarief behoeft hij niet de omvang van de gemaakte kosten aan te tonen.

A. Schuldenaar-consument:

a. De schuldenaar is een consument (art. 6:96 lid 5 BW).

b. De buitengerechtelijke kosten worden gevorderd op basis van een incassobeding of als wettelijke verplichting tot schadevergoeding.

c. De datum waarop de schuldenaar in verzuim is geraakt (art. 6:74 e.v. BW).

d. De hoofdverbintenis betreft een uit overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling van een geldsom of een verbintenis die strekt tot vergoeding van schade voor zover deze verbintenis is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst of voor zover de in de eerste zin bedoelde verbintenis tot betaling van een geldsom is omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding in de zin van art. 6:87 BW.

e. Inhoud en datum van de verzonden aanmaning ingevolge art. 6:96 lid 6 BW.

f. Indien een daarop gericht verweer is gevoerd, de ontvangst van de aanmaning door de schuldenaar.

g. Welke andere buitengerechtelijke incassohandelingen, dan wel handelingen ter verlening van buitengerechtelijke rechtsbijstand door of in opdracht van de schuldeiser zijn verricht.

h. De nadrukkelijke verklaring van de schuldeiser dat hij voor de verkrijging van voldoening buiten rechte gebruik heeft gemaakt van een dienst als bedoeld in de Wet op de omzetbelasting 1968 ter zake waarvan op grond van die wet omzetbelasting is verschuldigd en de schuldeiser de hem in rekening gebrachte omzetbelasting niet op grond van genoemde wet kan verrekenen en dat de kosten in verband daarmee zijn verhoogd.

i. Bij een niet onder de WIK/Besluit BIK vallende vordering: de mededeling of met de in eigen beheer uitgevoerde buitengerechtelijke handelingen kosten samenhangen.

j. Bij een niet onder de WIK/Besluit BIK vallende vordering: de exacte omschrijving van de buitengerechtelijke handelingen, de daarmee samenhangende tijdsduur en kosten indien de schuldeiser een hoger bedrag aan BIK of BGK dan de staffel Besluit BIK vordert.

k. De datum en het bedrag van gedeeltelijke betalingen voorafgaande aan de inleidende dagvaarding.”

3.12

Voor het bewijs van de aanvang van de veertiendagentermijn volstaat normaliter, zo volgt uit de bespreking van vraag a, het bewijs dat de veertiendagenbrief door de schuldenaar is ontvangen, zulks op de voet van het bij 3.4.2 genoemde arrest Centavos/[C].22

Volgens dit arrest dient, indien de ontvangst van een verklaring wordt betwist, de afzender in beginsel feiten of omstandigheden te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring aldaar is aangekomen.

Hierbij moet worden gepreciseerd dat bij betwisting van de ontvangst van de veertiendagenbrief, de schuldeiser niet zal kunnen volstaan met het bewijs dat de veertiendagenbrief is (verzonden en) ontvangen. Wil voldaan zijn aan de eisen van art. 6:96 lid 6 BW, dan zal immers ook voldoende duidelijk moeten zijn wanneer deze is ontvangen. De ontvangstdatum is immers relevant voor de berekening van de aanvang ? op de daarop volgende dag ? van de veertiendagentermijn en daarmee voor de periode waarin de schuldenaar de vordering nog kan voldoen zonder incassokosten conform het Besluit verschuldigd te worden.

3.13

Tegen deze achtergrond stelt vraag b de bezorging van een per gewone post verzonden veertiendagenbrief aan de orde. De vraag sterkt ertoe te vernemen of algemene uitgangspunten kunnen worden gehanteerd aan de hand waarvan kan worden aangenomen dat respectievelijk wanneer de veertiendagenbrief de consument heeft bereikt.

3.14.1

KBvG (s.o. nr. 5.2.7) stelt voor om ervan uit te gaan dat een per gewone post verzonden veertiendagenbrief in beginsel, behoudens tegenbewijs door de schuldenaar, één dag na verzending wordt bezorgd. Daarbij zou dan wel rekening moeten worden gehouden met het feit dat op zondag geen post wordt bezorgd en dat bijvoorbeeld PostNL op maandag geen briefpost bezorgt bij particuleren.

3.14.2

KBvG (s.o. nr. 5.3.8) vermeldt dat in de rechtspraak wordt soms gewerkt met een termijn van twee dagen.23 Kennelijk wordt daarbij uitgegaan van een verzendtermijn van (in beginsel) één dag. Na toepassing van de hoofdregel van art. 3:37 lid 3 BW betekent dit dan dat de veertiendagentermijn als regel afloopt zestien dagen na de dag van verzending van de veertiendagenbrief.

Zie hiervoor het beleid voor de beoordeling van verstekken, uiteengezet in de brief gedateerd 28 augustus 2014 van de voorzitter van Team Kanton van de rechtbank Den Haag: “Nu in de verstekkenpraktijk niet valt vast te stellen wanneer de schuldenaar de aanmaning heeft ontvangen, wordt er bij de beoordeling uitgegaan van de veronderstelling dat de schuldenaar de aanmaning de dag na dagtekening ervan heeft ontvangen en dat de termijn van 14 dagen aldus twee dagen na de dagtekening van de aanmaning begint. Onjuiste aanzegging van de termijn leidt tot afwijzing van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.”24

Volgens het hof Den Haag volgt uit de wet “dat de termijn van veertien dagen gaat lopen de dag na aanmaning en niet, zoals in de brief van de voorzitter van het Team Kanton is neergelegd, twee dagen na dagtekening van de aanmaning.” Uit het vervolg van de overweging blijkt dat het hof daarmee slechts wijst op de wettelijke maatstaf, dat wil zeggen ‘de dag na aanmaning’, waarbij de dag van aanmaning aan de hand van art. 3:37 lid 3 BW wordt bepaald. Volgens het hof is een veertiendagentermijn die begint één dag na verzending van de brief namelijk een dag te kort.25

3.14.3

De Consumentenbond (s.o. p. 8-9) wijst erop dat PostNL niet garandeert dat een poststuk daags na verzending wordt bezorgd en dat volgens opgave van PostNL 96% van de consumentenpost en 98% van de zakelijke post daags na aanbieding wordt bezorgd.26 Zij stelt voor om er zekerheidshalve van uit te gaan dat de veertiendagenbrief de consument drie dagen na verzending bereikt.

3.15

HR 4 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2694, ging (in een zaak over beroepsaansprakelijkheid) uit van de algemene ervaringsregels (i) dat een niet geheel te verwaarlozen kans bestaat dat een per gewone post verzonden stuk te laat aankomt of wegraakt, en (ii) dat er methoden van verzending bestaan die meer zekerheid bieden dat een stuk de geadresseerde (tijdig) bereikt.27

3.16

Voor wat betreft post als veertiendagenbrieven dient PostNL, als verlener van de universele postdienst in de zin van art. 14 e.v. Postwet 2009, ten minste vijf dagen per week overal in Nederland een bestelling uit te voeren. Volgens art. 4a van het Postbesluit 2009, zoals dit luidt per 29 oktober 2015 (Stb. 2015/404 en 463), zorgt een verlener van de universele postdienst ervoor dat de brieven, die overeenkomstig de daartoe gestelde voorwaarden aan hem worden aangeboden voor postvervoer binnen Nederland met de standaard overnight service, per kalenderjaar in ten minste gemiddeld 95% van de gevallen worden besteld op de dag, niet zijnde een zon- of maandag of officiële feestdag, volgend op de dag van aanbieding.

3.17

Ik bespreek eerst de situatie dat de schuldenaar het feit van de ontvangst (en daarmee impliciet het ontvangstmoment) van de veertiendagenbrief betwist.

3.18

Zoals in de parlementaire geschiedenis al is vermeld, kunnen eventuele bewijsmoeilijkheden worden beperkt door te kiezen voor een aangetekende verzending van de veertiendagenbrief. De verzender van een aangetekende brief dient te bewijzen dat de brief is verzonden en aannemelijk te maken dat aanbieding van die brief heeft plaatsgevonden.28

Aan aangetekende verzending zijn naar verhouding aanzienlijk hogere kosten verbonden dan aan een verzending per normale post.29 Partijen die zich professioneel bezighouden met de incasso van vorderingen in de zin van het Besluit zullen zich realiseren dat dergelijke uitgaven (die worden gedaan voordat duidelijk is of de schuldenaar alsnog na ontvangst van de veertiendagenbrief binnen de termijn betaalt) moeten worden ‘terugverdiend’ uit de forfaitaire vergoedingen conform het Besluit. Denkbaar is dat dit aspect zwaarder weegt naarmate de vordering en daarmee de vergoeding (die overigens steeds minimaal € 40 bedraagt)30 geringer is. De extra kosten van aangetekende verzending mogen immers niet worden doorberekend aan de schuldenaar.

De forfaitaire vergoeding wordt geacht te volstaan, los van de omvang en aard van de feitelijk verrichte incassowerkzaamheden in een concreet geval (zie bij 3.2 onder iii), zodat zij in een individueel geval ‘te hoog‘ of ‘te laag’ kan zijn. Tegen die achtergrond is het de verantwoordelijkheid van de schuldeiser om te bepalen of voor hem het bewijsvoordeel van aangetekende verzending opweegt tegen de daarmee gemoeide kosten.

3.19

Uit het voorgaande volgt dat, indien de schuldenaar het feit van de ontvangst (en daarmee impliciet ook het ontvangstmoment) van een per gewone post verzonden veertiendagenbrief betwist, de schuldeiser die ontvangst (en het ontvangstmoment) dient te bewijzen. Voor de beoordeling van dat bewijs gelden geen bijzondere vuistregels of gezichtpunten.

Er is naar mijn mening geen reden om de veertiendagenbrief in dit opzicht anders te behandelen dan andere verklaringen (waarbij ook het nodige op het spel kan staan31). Het gegeven dat post nagenoeg steeds wordt bezorgd, betekent in het algemeen immers niet dat de afzender van het bewijs van ontvangst wordt ontslagen of geacht kan worden dit bewijs in beginsel geleverd te hebben.

In het licht van de consumentenbeschermende strekking van de veertiendagenbrief is er nog minder aanleiding om eventuele bewijsproblemen ter zake van de ontvangst ervan te verplaatsen naar de consument-schuldenaar, hetgeen het geval zou zijn indien bij wijze van uitgangspunt zou moeten worden aangenomen dat bezorging (één, twee of drie dagen na verzending) hééft plaatsgevonden.

De duidelijkheid en rechtszekerheid die met de regeling van de buitengerechtelijke incassokosten conform het Besluit zijn beoogd over de hoogte van de verschuldigde kosten (zie het bij 3.2 genoemde arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2014, rov. 3.4), dwingen evenmin tot een afwijkende behandeling van het bewijs van de ontvangst van de veertiendagenbrief.

3.20

Ook indien de ontvangst van de veertiendagenbrief als zodanig niet wordt betwist, kan de vraag wanneer deze is ontvangen nog afzonderlijk aandacht vergen. Ik licht dat hieronder toe.

3.21

In de eerste plaats kan gedacht worden aan de situatie dat de schuldenaar in de procedure is verschenen en (niet het feit van ontvangst, maar wel) het moment van de ontvangst van de veertiendagenbrief specifiek betwist. In dat geval zal de schuldeiser het ontvangstmoment moeten bewijzen (zie bij 3.12). Daarvoor geldt mutatis mutandis hetgeen hierboven werd opgemerkt.

3.22.1

In de tweede plaats kan gedacht worden aan situaties waarin de rechter ambtshalve dient te beoordelen of voldoende is gesteld om aan te nemen dat aan de eisen van art. 6:96 BW is voldaan (zie verder bij vraag f). Met name bij de beoordeling van verstekken is voorstelbaar dat met het oog op de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen en de rechtseenheid een zekere uniformiteit aan de beoordeling te grondslag wordt gelegd, in die zin dat na verloop van zekere tijd ervan kan worden uitgegaan dat is voldaan aan het vereiste dat de veertiendagentermijn is verstreken.

Daaraan staat het bij 3.15 genoemde arrest van HR 4 september 1998 mijns inziens niet in de weg. De daar sub (i) genoemde ervaringsregel brengt mee, dat een betwisting van de ontvangst van een per gewone post verzonden stuk in een individueel geval niet als ongeloofwaardig ter zijde kan worden geschoven. Er is immers een niet geheel te verwaarlozen kans dat een per gewone post verzonden stuk te laat aankomt of wegraakt. Behoudens een dergelijke concrete betwisting, kan m.i. in beginsel worden uitgegaan van de ‘complementaire’ ervaringsregel, dat gewone post in de meeste gevallen wel na een of meer dagen wordt bezorgd. Daarop kan de feitenechter een beleid ter zake van de te hanteren termijn baseren.

3.22.2

Hoe lang deze termijn dient te zijn, kan m.i. aan het beleid van de feitenrechter worden overgelaten. Deze heeft immers het beste zicht op de mogelijke complicaties die zich in de praktijk zouden kunnen voordoen. Dat gezegd hebbende, zou ik in dit verband nog op het volgende willen wijzen. Voor de verschuldigdheid van de incassokosten conform het Besluit kan beslissend zijn of de veertiendagenbrief is ontvangen op een bepaalde dag dan wel, bijvoorbeeld, één of twee dagen later. Een vuistregel voor de bepaling van de vermoedelijke aanvang en duur van de veertiendagentermijn aan de hand van het vermoedelijke moment van ontvangst van de veertiendagenbrief, voor gevallen waarin het feit of het moment van de ontvangst van de brief niet door de schuldenaar wordt betwist, dient in ieder geval rekening te houden met:

(i) Het moment van verzending. Een vuistregel die ervan uitgaat dat een stuk op de daarop aangegeven verzenddatum inderdaad, en tijdig, ter verzending is aangeboden, kan niet schuldeisersonvriendelijk worden genoemd.

(ii) De duur van verzending. Het werken met een termijn van één dag na verzending is gezien het eerder genoemde percentage van brieven dat na één dag wordt bezorgd (96%) niet onbegrijpelijk. Daarbij is echter noodzakelijk dat wordt verdisconteerd wanneer de brief is verzonden teneinde vast te stellen of er een tussenliggende zondag, maandag of officiële feestdag is. Anders zou de vuistregel evident in een aantal gevallen tekortschieten om de vermoedelijke aanvang en duur van de veertiendagentermijn (bij benadering) te bepalen.

Wat betreft de rechtszekerheid maakt het verder niet uit of de termijn wat korter of wat langer is, maar gaat het erom dat zij zoveel als mogelijk voorspelbaar is. Voorspelbaarheid ondersteunt de mogelijkheid van buitengerechtelijke afwikkeling; daarop wijst KBvG (onder meer in s.o. nr. 4.1.8) terecht.

3.23

De vragen b en e kunnen als volgt beantwoord worden. De schuldeiser die aanspraak maakt op betaling van de buitengerechtelijke incassokosten op de voet van het Besluit dient voldoende feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen, waaruit volgt wanneer de veertiendagentermijn is aangevangen.

Indien de ontvangst van de veertiendagenbrief door de schuldenaar wordt betwist, dient de schuldeiser in beginsel feiten of omstandigheden te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat en wanneer de verklaring aldaar is aangekomen (vgl. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104 (Centavos/[C])). Indien alleen de dag van ontvangst van de veertiendagenbrief door de schuldenaar wordt betwist, dient de schuldeiser te bewijzen wanneer de verklaring door de schuldenaar is ontvangen.

De rechter die ambtshalve beoordeelt of voldoende is gesteld om aan te nemen dat aan de eisen van art. 6:96 BW is voldaan (zie bij vraag f), kan, indien een veertiendagenbrief is verzonden, bij die beoordeling in beginsel uitgangspunten hanteren omtrent de termijn waarop een per gewone post verzonden brief normaliter geacht mag worden door de schuldenaar te zijn ontvangen.

Vragen c en d: de vermelding van de termijn in de veertiendagenbrief en de gevolgen van een onjuiste vermelding

3.24

Vraag c stelt de inhoud van de veertiendagenbrief aan de orde. De vraag gaat uit van het geval dat een veertiendagenbrief weliswaar melding maakt van (het correcte bedrag aan incassokosten en) een betaaltermijn van veertien dagen, maar hetzij geen termijn van aanvang van de veertiendagen termijn vermeldt, hetzij een onjuiste termijn van aanvang van de veertiendagen termijn vermeldt, hetzij een onjuiste einddatum vermeldt. Vraag d ziet op het gevolg van een onjuiste vermelding van de termijn, in het bijzonder indien later blijkt dat de consument niet heeft betaald.

3.25

Volgens de Consumentenbond (s.o. p. 9 en 11) dient de rechter strikt te toetsen of is voldaan aan de wettelijke eisen. Volgens KBvG (s.o. nrs. 5.3.14-5.3.17 en 5.5.9) moet de eis van de veertiendagenbrief niet formeel, maar materieel worden uitgelegd. Als een termijn van veertien dagen is genoemd, ook als zij “mogelijk formeel niet correct is geformuleerd”, dan gaat het er volgens KBvG om of de consument-schuldenaar materieel veertien dagen voor betaling heeft gehad, terwijl hij zich er van bewust was of althans zou moeten zijn dat hij na die termijn buitengerechtelijke kosten verschuldigd zou zijn.

3.26

Volgens art. 6:96 lid 6 BW zijn de incassokosten conform het Besluit eerst verschuldigd indien de de consument-schuldenaar “onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling, waaronder de vergoeding die in overeenstemming met de nadere regels wordt gevorderd, vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na aanmaning.”

3.27

Met deze bepaling is beoogd dat de consument niet wordt overvallen door het verschuldigd worden van incassokosten, zo overwoog HR 13 juni 2014 ECLI:NL:HR:2014:1405, rov. 3.6. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer zijn banktegoed te laag was voor een automatische incasso.32

Voor de verschuldigheid van de incassokosten is, aangenomen dat aan de overige eisen is voldaan, de veertienddagentermijn beslissend. De minister merkt daarover in de Nota naar aanleiding van het Verslag onder meer op: “Het nieuwe systeem biedt de schuldenaar een kans zijn vordering alsnog binnen 14 dagen te voldoen, maar doet hij dat niet, dan zal de schuldenaar veel te verliezen hebben.” 33

Voorts blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat het niet voldoen aan de voorwaarden van art. 6:96 lid 6 BW ertoe leidt dat de consument-schuldenaar geen incassokosten behoeft te betalen.34

Het stelsel van art. 6:96, leden 5-7, BW en het Besluit is van dwingend recht indien de schuldenaar een consument is.35

3.28

Hieruit volgt (i) dat uit de veertiendagenbrief moet blijken dat de consument-schuldenaar nog beschikt over een volledige termijn van veertien dagen om betaling te verrichten en (ii) dat een veertiendagenbrief die een onjuiste termijn bevat niet het rechtsgevolg heeft, dat incassokosten conform het Besluit verschuldigd worden.

3.29

Vraag c ziet op de vermelding van de termijn in de veertiendagenbrief. Volgens de wet moet worden “aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na aanmaning.” Ik lees hierin dat uit de veertienddagenbrief niet alleen moet blijken dat er nog een betalingstermijn van veertien dagen is, maar ook dat deze termijn aanvangt de dag na aanmaning.

Of een en ander voldoende uit een brief blijkt, moet zo nodig worden vastgesteld door uitleg van de betreffende brief aan de hand van de Haviltexmaatstaf en met inachtneming van de omstandigheden van het geval. Het enkele vermelden van een termijn van veertien dagen in de brief zonder verdere informatie over de aanvang van de termijn, onthoudt de consument-schuldenaar in beginsel echter relevante informatie over (aanvang en einde van) de termijn waarbinnen hij nog kan betalen zonder incassokosten conform het Besluit verschuldigd te worden.

3.30

Aan de strekking van de wet wordt in het bijzonder voldaan (gezien het antwoord op vraag a) indien de veertiendagenbrief verwijst naar de dag die volgt op de dag van ontvangst van de aanmaning. Het gaat mijns inziens echter te ver om te vereisen dat een veertiendagenbrief verwijst naar de dag na de dag van ontvangst van de aanmaning.

Voor het aannemen van een dergelijk vereiste pleit dat veel consument-schuldenaren niet op de hoogte zullen zijn van de werking van art. 3:37 lid 3 BW, zodat de kans bestaat dat zij de vermelding van de ‘dag van aanmaning’ abusievelijk betrekken op de dagtekening van de veertiendagenbrief. Professionele incassanten zouden daarmee rekening kunnen houden. Daartegen pleit dat de wettekst deze specificatie niet met zoveel woorden vereist, de wet ook ziet op niet-professionele incassanten36 en dat art. 3:37 lid 3 BW niet in alle gevallen uitgaat van het ontvangstmoment.37

3.31

Evenmin kan naar mijn mening worden vereist dat aan de hand van concrete data nog nader wordt gespecificeerd wanneer de veertiendagentermijn aanvangt of eindigt.38

Op zichzelf is wenselijk dat concrete data worden genoemd, omdat daarmee de duidelijkheid voor de consument-schuldenaar wordt bevorderd. Wordt echter een onjuiste (te vroeg gelegen) datum genoemd, dan heeft de brief mijns inziens geen rechtsgevolg (zie bij vraag d). De verzender weet echter niet zeker wanneer de brief wordt ontvangen, zodat hij het risico loopt abusievelijk een onjuiste datum te noemen.

Dit staat er niet aan in de weg dat de schuldeiser de consument op dit punt nader en correct informeert (“Mocht deze brief u bereiken op [dag] dan heeft u tot [dag] de tijd om te betalen.”).

3.32

Een veertiendagen brief die onjuiste, verwarrende of misleidende informatie bevat over de aanvang of het einde van de termijn voldoet niet aan de wettelijke eisen. Een brief die de wettelijke formulering van de veertienddagentermijn bevat maar daaraan een verkeerde aanvangs- of einddatum toevoegt, voldoet in beginsel ook niet aan de wettelijke eisen. Zo is onjuist een brief waarin wordt vermeld of gesuggereerd dat de veertiendagentermijn aanvangt op de dag van dagtekening of verzending van de brief.39 Een brief waarin wordt gesproken van “een termijn van veertien dagen na heden” is dan ook onvoldoende geacht, in een geval waarin werd geoordeeld dat daarmee werd gesuggereerd dat de termijn aanving op de dag van dagtekening van de brief.40

Het moet de consument immers duidelijk zijn dat hij nog een volle veertien dagen de tijd heeft om te betalen.41 Ontbreekt die duidelijkheid, dan kan (onder meer in bepaalde gevallen van buitengerechtelijke afwikkeling van de vordering) de consument ten onrechte menen te laat te zijn (geweest) met zijn betaling, en daarom ten onrechte menen incassokosten verschuldigd te zijn geworden.

3.33

Volledigheidshalve (vgl. vraag d) merk ik nog op dat art. 6:96 lid 6 BW zich er mijns inziens niet tegen verzet dat de consument-schuldenaar een langere termijn dan veertien dagen wordt geboden, mits daaruit voor de consument duidelijk volgt dat hij in ieder geval veertien dagen na aanmaning de tijd heeft om te betalen (bijvoorbeeld “aangemaand tot betaling binnen een termijn drie weken, aanvangende de dag na aanmaning.”). Het staat de schuldeiser vrij om de schuldenaar meer tijd te gunnen alvorens deze de incassokosten conform het Besluit verschuldigd wordt, terwijl tekst noch ratio van art. 6:96 lid 6 BW vereisen dat ook in dat geval de brief tevens de wettelijke (minimum)termijn van veertien dagen vermeldt.42

3.34

Het antwoord op vraag c luidt naar mijn mening, dat uit de veertiendagenbrief voor de consument-schuldenaar duidelijk moet blijken dat hij beschikt over een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na aanmaning, om betaling te verrichten zonder de incassokosten conform het Besluit verschuldigd te worden. Een veertiendagenbrief die onjuiste, verwarrende of misleidende informatie bevat over de aanvang of het einde van de termijn voldoet niet aan de wettelijke eisen.

3.35

De subvraag van vraag c, hoe strikt de rechter een en ander moet toetsen, behoeft geen afzonderlijke bespreking meer. De rechter moet toetsen of de brief voldoet aan de wettelijke eisen.

Voorts bestaat in uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid dat een beroep van de consument-schuldenaar op het niet volledig voldaan zijn aan de eisen van art. 6:96 lid 6 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. Een dergelijk oordeel ligt echter niet voor de hand indien de brief wordt verzonden door een professionele partij die geacht kan worden van de wettelijke eisen op de hoogte te zijn.

3.36

Vraag d ziet op de gevolgen van een onjuiste vermelding van de termijn in de veertienddagenbrief. Zoals gezegd, meen ik dat het vermelden van een onjuiste termijn ertoe leidt dat de veertiendagenbrief niet aan de wettelijke eisen voldoet en dus niet tot gevolg heeft dat incassokosten conform het Besluit verschuldigd worden.

3.37

Deze benadering is naar mijn mening gerechtvaardigd nu de wettelijke regeling van art. 6:96, leden 5-7, BW en het Besluit berust op een bepaald evenwicht: als aan bepaalde voorwaarden is voldaan, dan is ? ongeacht de werkelijke incassowerkzaamheden ? een forfaitaire vergoeding verschuldigd.

In dit stelsel ontslaat één dag te laat betalen de consument-schuldenaar niet van de verplichting om de incassokosten te voldoen. Het valt dan niet in te zien waarom de schuldeiser wel recht heeft op incassokosten indien hij zijnerzijds niet voldoet aan de wettelijk eis om een (correcte) veertiendagenbrief te sturen. Bovendien kan, zoals gezegd, een onjuiste vermelding van de veertiendagentermijn de consument-schuldenaar op het verkeerde been zetten: hij kan ten onrechte menen incassokosten verschuldigd te zijn geworden.

3.38.1

In dit stelsel doet niet ter zake dat de consument-schuldenaar heeft laten weten niet in staat te zijn tot betaling van de vordering. De vraag is niet of de schuldenaar kón betalen, maar of hij tijdig hééft betaald.43 De consument-schuldenaar dient een laatste kans te krijgen om te betalen gedurende een volledige periode van veertien dagen.

3.38.2

In de parlementaire geschiedenis zijn enige opmerkingen gemaakt over het onderscheid tussen betalingsonwil en betalingsonmacht, waarbij door de Minister werd opgemerkt dat bij aantoonbare betalingsonmacht het niet voor de hand ligt dat het incassotraject wordt doorgezet met de bijbehorende kosten.44 Door Frenk is nog opgemerkt dat de veertiendagenbrief vooral beoogt bescherming te bieden aan schuldenaren die niet uit onwil maar uit vergeetachtigheid of nonchalance de vordering niet hebben voldaan.45 In de toelichting op het Besluit is ook gewezen op het geval dat een banktegoed te laag was voor een automatische incasso.46 In het arrest van het 13 juni 2014 is in rov. 3.4-3.5 overwogen dat de wetgever met name de tweede redelijkheidstoets (de hoogte van de kosten) heeft willen normeren en niet de eerste redelijkheidstoets (de vraag of het redelijk is dat kosten zijn gemaakt).

Hoewel een veertiendagenbrief vooral nuttig effect kan sorteren om te voorkómen dat vergeetachtige of nochalante schuldenaren buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd worden, betekent dat m.i. niet dat het vereiste van een veertiendagenbrief versoepeld zou kunnen worden indien de schuldenaar niet bereid of (tijdelijk of blijvend) niet in staat is tot betaling. In dergelijke gevallen kan, afhankelijk van wat de schuldeiser reeds bekend is of behoort te zijn over de positie van de schuldenaar, soms eerder de vraag rijzen of in redelijkheid tot het verzenden van de veertiendagenbrief kon worden overgegaan (de eerste redelijkheidstoets). In ieder geval kan dit niet rechtvaardigen dat de eis van een veertiendagenbrief niet wordt gehandhaafd.

3.38.3

Het volstaat naar mijn mening niet dat de consument-schuldenaar al met al heeft kunnen beschikken over een periode van veertien dagen, bijvoorbeeld omdat de schuldeiser verschillende te korte betalingsperioden heeft geboden of omdat meer dan veertien dagen na het verstrijken van een te korte betalingsperiode de vordering nog niet is voldaan. De parallel met de ingebrekestelling (KBvG s.o. nr. 5.3.23) gaat niet op. De regel dat een ingebrekestelling met een te korte termijn wordt geconverteerd in een ingebrekestelling op een wel redelijke termijn veronderstelt dat de schuldenaar in ieder geval binnen een wel redelijke termijn moet nakomen. Doet hij dat niet, dan is hij kennelijk niet bereid of niet in staat tot nakoming, zodat zijn verzuim om die reden intreedt.47 Art. 6:96 lid 6 BW daarentegen schrijft specifiek een termijn van veertien dagen voor (zodat er, anders dan bij een ingebrekestelling, geen discussie mogelijk is over de redelijkheid van de gestelde termijn) en maakt voorts uit van een stelsel dat op het eerder genoemde evenwicht berust.

3.39

Het antwoord op vraag d luidt naar mijn mening dat wanneer een brief niet voldoet aan de eisen van art. 6:96 lid 6 BW daaraan niet het rechtsgevolg toekomt dat de consument-schuldenaar de incassokosten conform het Besluit verschuldigd wordt. De consument-schuldenaar dient een laatste kans te krijgen om te betalen gedurende een volledige periode van veertien dagen. Dit wordt niet anders indien de schuldenaar heeft aangegeven niet te kunnen betalen.

Vraag f: processuele aspecten

3.40

Met vraag f wordt aan de orde gesteld of het voor de beantwoording van de eerder behandelde vragen verschil maakt of het een verstekzaak of een zaak op tegenspraak betreft en of het bij een zaak op tegenspraak nog uitmaakt of er wel of geen verweer gevoerd is ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten.

3.41.1

De Consumentenbond (s.o. p. 12-13) merkt op dat de rechter ambtshalve moet toetsen of de eiser voldoende heeft gesteld en wijst op de uitwerking die daaraan is gegeven in het rapport BGK-Integraal.

3.41.2

De KBvG (s.o. nrs. 5.5.4-5.5.8) acht relevant of het gaat om dwingend recht en/of regels van openbare orde. In verstekzaken moeten beide soorten regels ambtshalve worden getoetst, in zaken op tegenspraak alleen regels van openbare orde. Van dwingend recht noch van openbare orde is volgens KBvG sprake bij de kwesties die aan de orde komen bij de vragen a, b en e, voor zover die betrekking hebben op de ontvangsttheorie en de daarmee verband houdende stelplicht en bewijslast alsmede het moment van betaling. Van dwingend recht is wel dat de veertiendagenbrief moet vermelden de hoogte van de incassokosten en de verschuldigdheid ervan na een termijn van veertien dagen. (KBvG, s.o. nr. 5.5.9, meent overigens primair dat wat betreft de termijn zou kunnen worden volstaan met een toets of de debiteur feitelijk veertien dagen heeft gehad om te betalen. Ik verwijs daarvoor naar de bespreking van de vragen c-d.)

3.42

De wet formuleert dwingend een aantal eisen waaraan moet zijn voldaan alvorens de consument-schuldenaar incassokosten conform het Besluit verschuldigd is. De rechter dient daarom te toetsen of de schuldeiser voldoende heeft gesteld om aan te nemen dat aan deze eisen is voldaan.

De rechter dient daartoe onder meer te beschikken over gegevens met betrekking tot de (verzend)datum van de veertiendagenbrief (om aan de hand daarvan, behoudens betwisting van (het moment van) ontvangst, een ontvangstdatum en de daaropvolgende aanvang van de veertiendagentermijn te kunnen bepalen) en de inhoud van de veertiendagenbrief (om de aanzegging van de verschuldigde kosten en de aan de consument-schuldenaar verstrekte informatie over de veertiendagentermijn te kunnen beoordelen).

3.43

In verstekzaken volgt uit art. 139 Rv dat de rechter deze controle uitoefent.48 Bij verstekken is de rechter immers verplicht om in het kader van de onrechtmatigheids- en ongegrondheidstoets bepalingen van dwingend recht toe te passen zonder dat de schuldenaar daarop een beroep doet (hij is immers niet in rechte verschenen).

3.44

Bij zaken op tegenspraak bestaat de plicht tot toepassing van bepalingen van dwingend recht als daar binnen de grenzen van de rechtsstrijd aanleiding toe bestaat.49

Het standpunt van KBvG lijkt te impliceren dat in zaken op tegenspraak daartoe nodig is dat de consument specifiek verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde incassokosten.

In een aantal gepubliceerde zaken op tegenspraak is de vergoeding van buitengerechtelijk incassokosten afgewezen omdat niet was voldaan aan de stelplicht dan wel de eisen van art. 6:96, leden 5-7, BW, terwijl uit die uitspraken niet blijkt of door de gedaagde een daarop gericht verweer was gevoerd.50 Kennelijk werd daartoe in verband met art. 24 Rv voldoende geacht dat de consument-schuldenaar zich verweerde tegen de (hoofd)vordering.

3.45

Het gewicht dat wordt toegekend aan een effectieve bescherming van het belang van de consument legitimeert dat de rechter zich actiever opstelt en er niet voetstoots van uitgaat dat het niet inroepen van een bepaald verweer steeds berust op een geïnfomeerd besluit (dus op de autonomie, opgevat in materiële zin) van de in de procedure verschenen consument. Dit kan bijvoorbeeld meebrengen de rechter ter comparitie hierop gerichte vragen stelt.

In de sleutel van een effectieve rechtsbescherming kan ook worden geplaatst de (vérstrekkender) plicht tot ambtshalve toetsing van, kort gezegd, bepaalde voorschriften van dwingend consumentenrecht van Europese origine of, in voorkomend geval, van nationale origine.51 In de Nota naar aanleiding van het Verslag is over contractuele afwijkingen van het stelsel van forfaitaire vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten opgemerkt: 52

“Een beding dat in strijd is met de nieuwe wettelijke regels is vernietigbaar (vgl. art. 3:40 lid 2 BW). De consument kan het beding zelf vernietigen (…) In beginsel zal de consument zich voor de rechter moeten beroepen op de vernietigingsgrond, maar het is ook mogelijk dat de rechter het beding ambtshalve terzijde stelt.”

Deze opmerking sluit aan bij de op dat moment reeds bestaande praktijk, waarin de toewijsbaarheid van buitengerechtelijke incassokosten door de rechter veelal ambtshalve werd beoordeeld en waarbij eisen werden gesteld aan de stelplicht van de eiser en waarbij zowel bedongen als niet-bedongen incassokosten ambtshalve werden getoetst (vgl. de aanbevelingen in de rapporten Voor-werk II en thans nog BGK-Integraal). Weliswaar brengt het stelsel van forfaitaire vergoeding conform het Besluit mee dat de omvang van de verrichte werkzaamheden noch de hoogte van de incassokosten aan een nadere beoordeling is onderworpen, maar dit stelsel strekt er niet toe de bescherming van de consument-schuldenaar in ‘processueel’ opzicht te verminderen.53

3.46

Het is aan de rechter om te beoordelen of de consument-schuldenaar die in de procedure is verschenen een verweer heeft gevoerd dat (ook) ziet op de verschuldigdheid van de forfaitaire incassokosten dan wel dat ter zake van die verschuldigdheid tussen partijen geen verschil van mening bestaat. Het strookt met het consumentenbeschermende karakter van de veertiendagenbrief en het stelsel van forfaitaire vergoeding van art. 6:96, leden 5-7, BW en het Besluit dat de rechter, ook bij ontbreken van een specifiek daarop gericht verweer van de in de procedure verschenen consument-schuldenaar, toetst of de eiser voldoende stellingen heeft aangevoerd waaruit de verschuldigdheid van die kosten blijkt.

3.47

Het antwoord op vraag f zou mijns inziens als volgt dienen te luiden. De wet formuleert dwingend een aantal eisen waaraan moet zijn voldaan alvorens de consument-schuldenaar incassokosten conform het Besluit verschuldigd is. De rechter dient daarom te toetsen of de schuldeiser voldoende heeft gesteld om aan te nemen dat aan deze eisen is voldaan, zowel in verstekzaken als bij ontbreken van een specifiek daarop gericht verweer van de in de procedure verschenen consument-schuldenaar. De rechter dient daartoe onder meer te beschikken over gegevens met betrekking tot de (verzend)datum van de veertiendagenbrief (om aan de hand daarvan, behoudens betwisting van (het moment van) ontvangst, een ontvangstdatum en de daaropvolgende aanvang van de veertiendagentermijn te kunnen bepalen) en de inhoud van de veertiendagenbrief (om de aanzegging van de verschuldigde kosten en de aan de consument-schuldenaar verstrekte informatie over de veertiendagentermijn te kunnen beoordelen).

Vraag g: gevolgen van een deelbetaling

3.48

Vraag g ziet op een ander probleem, dan tot nu tot aan de orde was.

3.49

Met de WIK is gekozen voor een forfaitaire vergoeding voor (daadwerkelijk) verrichte incassohandelingen. De forfaitaire vergoeding wordt uitgewerkt in het Besluit en is gerelateerd aan de hoogte van de hoofdvordering. Door het verrichten van deelbetalingen verkleint de consument-schuldenaar zijn schuld (of, vanuit het perspectief van de schuldeiser: de hoofdvordering).

3.50

Indien de consument-schuldenaar, na ontvangst van de veertiendagenbrief, de vordering niet alsnog voldoet, dan is hij de forfaitaire vergoeding verschuldigd. Betaalt de consument wel, dan is hij geen vergoeding voor de incassokosten verschuldigd.

3.51

Indien een deel van de vordering wordt voldaan, dan is een forfaitaire vergoeding van de incassohandelingen op zijn plaats. Het valt echter niet in te zien dat de hoogte van die vergoeding ook dan nog zou moeten worden bepaald aan de hand van de hoogte van de oorspronkelijke vordering, nu de hoogte van de forfaitaire vergoeding afhangt van de hoogte van vordering en de oorsponkelijk vordering in die omvang niet meer bestaat. Het is daarom het meest in overeenstemming met het consumentenbeschermende karakter van de veertiendagenbrief en met het stelsel van art. 6:96, leden 5-7 BW, en het Besluit dat na een deelbetaling de verschuldigde incassokosten worden herberekend. Dit wordt onderschreven door KBvG (s.o. nr. 5.6.3) en de Consumentenbond (s.o. p. 13). Daarbij zij overigens opgemerkt dat dit niet steeds tot een ander bedrag zal leiden, nu het Besluit werkt met categorieën en met een minimumvergoeding van €40,-.

3.52

Indien binnen de termijn van veertien dagen een deel van de vordering wordt voldaan, dienen volgens het Besluit verschuldigde incassokosten te worden herberekend over het onbetaald gebleven gedeelte van de vordering.

Slotsom

3.53

Recapitulerend stel ik voor om de vragen als volgt te beantwoorden (zie bij 3.9, 3.23, 3.34, 3.39, 3.47 en 3.52):

Vraag a. Onder de ‘dag na aanmaning’ als bedoeld in artikel 6:96, zesde lid, BW moet worden verstaan de dag na de dag waarop de veertiendagenbrief de schuldenaar heeft bereikt in de zin van art. 3:37 lid 3 BW. Als uitgangspunt geldt daarbij, dat de veertiendagentermijn aanvangt op de dag na de dag waarop de aanmaning door de schuldenaar is ontvangen.

Vragen b en e. De schuldeiser die aanspraak maakt op betaling van de buitengerechtelijke incassokosten op de voet van het Besluit dient voldoende feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen, waaruit volgt wanneer de veertiendagentermijn is aangevangen.

Indien de ontvangst van de veertiendagenbrief door de schuldenaar wordt betwist, dient de schuldeiser in beginsel feiten of omstandigheden te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat en wanneer de verklaring aldaar is aangekomen (vgl. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104 (Centavos/[C])). Indien alleen de dag van ontvangst van de veertiendagenbrief door de schuldenaar wordt betwist, dient de schuldeiser te bewijzen wanneer de verklaring door de schuldenaar is ontvangen.

De rechter die ambtshalve beoordeelt of voldoende is gesteld om aan te nemen dat aan de eisen van art. 6:96 BW is voldaan, kan, indien een veertiendagenbrief is verzonden, bij die beoordeling in beginsel uitgangspunten hanteren omtrent de termijn waarop een per gewone post verzonden brief normaliter geacht mag worden door de schuldenaar te zijn ontvangen.

Vraag c. Uit de veertiendagenbrief moet voor de consument-schuldenaar duidelijk blijken dat hij beschikt over een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na aanmaning, om betaling te verrichten zonder de incassokosten conform het Besluit verschuldigd te worden. Een veertiendagen brief die onjuiste, verwarrende of misleidende informatie bevat over de aanvang of het einde van de termijn voldoet niet aan de wettelijke eisen.

Vraag d. Wanneer een brief niet voldoet aan de eisen van art. 6:96 lid 6 BW komt daaraan niet het rechtsgevolg toe dat de consument-schuldenaar de incassokosten conform het Besluit verschuldigd wordt. De consument-schuldenaar dient een laatste kans te krijgen om te betalen gedurende een volledige periode van veertien dagen. Dit wordt niet anders indien de schuldenaar heeft aangegeven niet te kunnen betalen.

Vraag f. De wet formuleert dwingend een aantal eisen waaraan moet zijn voldaan alvorens de consument-schuldenaar incassokosten conform het Besluit verschuldigd is. De rechter dient daarom te toetsen of de schuldeiser voldoende heeft gesteld om aan te nemen dat aan deze eisen is voldaan, zowel in verstekzaken als bij ontbreken van een specifiek daarop gericht verweer van de in de procedure verschenen consument-schuldenaar. De rechter dient daartoe onder meer te beschikken over gegevens met betrekking tot de (verzend)datum van de veertiendagenbrief (om aan de hand daarvan, behoudens betwisting van (het moment van) ontvangst, een ontvangstdatum en de daaropvolgende aanvang van de veertiendagentermijn te kunnen bepalen) en de inhoud van de veertiendagenbrief (om de aanzegging van de verschuldigde kosten en de aan de consument-schuldenaar verstrekte informatie over de veertiendagentermijn te kunnen beoordelen).

Vraag g. Indien binnen de veertiendagentermijn een deelbetaling wordt verricht, dienen de volgens het Besluit verschuldigde incassokosten te worden herberekend over het alsdan resterende verschuldigde bedrag.

Conclusie

De conclusie strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen als voorgesteld onder 3.53.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1Rechtbank Midden-Nederland 1 juni 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:3054, rov. 3.1.

2HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405, NJ 2014/406 m.nt. S.D. Lindenbergh, JOR 2015/27 m.nt. M.R. Ruygvoorn, JIN 2014/157 m.nt. J. Blom & N.J. Meuwese, Prg. 2014/192 m.nt. P.J.M. Ros, JBPR 2014/51 m.nt. A.W. Jongbloed, TvC 2014/6, p. 311 m.nt. H.J.S.M. Langbroek.

3Zie het tussenvonnis van de Rb. Midden Nederland (kantonrechter Almere) van 23 maart 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:1575, rov. 2.1-2.4.

4Rechtbank Midden-Nederland 1 juni 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:3054, rov. 3.1. In de weergave op rechtspraak.nl is de g voor de laatste vraag weggevallen.

5Zie de schriftelijke opmerkingen van de Consumentenbond p. 2 e.v. Vgl. voorts G.H. Lankhorst, ‘Wanneer zijn buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd?’, NTBR 2015/41, p. 277 (sub 8); M. Leliveld, ‘Kroniek buitengerechtelijke incassokosten’, AV&S 2016/6.

6De problematiek van de WIK/BIK kwam ook ter sprake in HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1868, NJ 2016/126 m.nt. S.D. Lindenbergh, JIN 2015/160 m.nt. P.H. Bossema-de Greef, JBPR 2015/66 m.nt. B.J. Engberts. Daarin ging het, kort gezegd, om de toepassing van de matigingsbevoegdheid van art. 242 Rv ten aanzien van overeengekomen buitengerechtelijke incassokosten in zakelijke (B2B) relaties.

7Nota n.a.v. het Verslag, Kamerstukken II, 2009/10, 32 418, nr. 5, p. 5-6.

8En, uiteraard, dat het redelijk was om dat te doen (de zogenaamde ‘eerste redelijkheidstoets’). Zie daarover rov. 3.5, slot (“Niet beoogd is recht te geven op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, wanneer in redelijkheid onvoldoende aanleiding bestond incassohandelingen te verrichten.”) en 3.7.2 (“ervan uitgaande dat de schuldeiser in redelijkheid tot het nemen van incassomaatregelen kon overgaan, hetgeen in de regel het geval is indien de schuldenaar in verzuim verkeert”) van het arrest van 13 juni 2014.

9HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104, NJ 2013/391 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JIN 2013/138 m.nt. R.A. Wolf. Vgl. voorts Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/181-184.

10Anders G.H. Lankhorst, ‘Wanneer zijn buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd?’, NTBR 2015/41, p. 276, die in art. 6:96 lid 6 BW leest dat de termijn begint te lopen de dag na het versturen van de aanmaning. Vgl. ook http://www.debloggendedeurwaarder.nl/artikel-696-lid-5-bw-de-linkerhand-weet-bij-het-hof-den-haag-niet-wat-de-rechterhand-doet-welke-rechter-pakt-deze-handschoen-op/.

11MvT, Kamerstukken II 2009-2010, 32 418, nr. 5, p. 4.

12Nadere MvA, Kamerstukken I, 2011-2012, 32 418, E, p. 5.

13Zie voorts Hof Den Haag 21 april 2015, ECLI:N:GHDHA:2015:813, rov. 7; Hof ’s-Hertogenbosch 22 september 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3677, rov. 3.8.4. De kantonrechter verwijst in het tussenvonnis in de onderhavige zaak van 23 maart 2016, rov. 2.3, voorts naar de uitspraken van de rechtbank Den Haag en de rechtbank Midden-Nederland, die te kennen zijn uit beide hiervoor genoemde arresten van het hof Den Haag. Zie ook Rb. Rotterdam 19 december 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:10822, rov. 5.9. In een reeks zaken oordeelde de rechtbank Limburg in lijn met de arresten van het hof Den Haag. Zie Rb. Limburg 2 april 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:3460; Rb. Limburg 9 april 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:3492; Rb. Limburg 29 april 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:3418; Rb. Limburg 7 mei 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:4746; Rb. Limburg 7 januari 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:2; Rb. Limburg 11 februari 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:925; Rb. Limburg 15 april 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:2898; Rb. Limburg 5 augustus 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:7074; Rb. Limburg 26 augustus 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:7211; Rb. Limburg 30 september 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:8177.

14Versie van november 2013, zoals aangepast in augustus 2014. Zie https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Rapport-BGK-integraal.pdf.

15Uiit het oogpunt van rechtszekerheid voor de aangeschrevene dient uit een aanmaning onmiskenbaar te blijken dat ingeval niet wordt betaald na afloop van de daarin vermelde betalingstermijn dwanginvordering zal volgen. Zie ABRvS 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2301, en ABRvS 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1142.

16De stuitende werking bestaat ook indien niet een termijn van 14 (maar van 8) dagen wordt genoemd. Zie ABRvS 8 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3603, rov. 7.2.

17MvT, Kamerstukken II, 2003-2004, 29702, nr. 3, p. 59; R. Jacobs, T&C Awb art. 4:112, aant. 2.d.

18Hier ligt een verschil met de situatie in HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1868, rov. 3.4.5.

19Raadpleegbaar via overheid.nl of https://www.internetconsultatie.nl/besluit_wijziging_bgk.

20Zo ook KBvG (s.o. nr. 5.4.3) en de Consumentenbond (s.o. p. 12).

21Zie bijvoorbeeld HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8725, NJ 2009/599, rov. 3.4.2.

22Zie voorts HR 16 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2742, NJ 1998/897 (Van Rhee/ING), rov. 3.4.

23KBvG kwalificeert deze termijn t.a.p. voorts als tamelijk willekeurig gekozen.

24Te kennen uit Hof Den Haag 21 april 2015, ELI:NL:GHDHA:2015:813, rov. 4; Hof Den Haag 7 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1896, rov. 4. Vgl. voorts E.N.A. van Kuijeren, ‘De WIK: een kwestie van wikken en wegen?”, De Gerechtsdeurwaarder, 2014, p. 37; G.H. Lankhorst, NTBR 2015/41, p. 276/277.

25Hof Den Haag 21 april 2015, ELI:NL:GHDHA:2015:813, rov. 4. Tot een zelfde conclusie komt Hof Den Haag 7 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1896, rov. 14.

26De gegevens zijn ontleend aan de webstie van PostNL (http://www.postnl.nl/klantenservice/bezorging-en-ontvangst/kwaliteit-postbezorging/).

27HR 4 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2694, NJ 1998/828.

28HR 16 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2742, NJ 1998/897 (Van Rhee/ING); HR 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5122, NJ 2004/411, JBPR 2004/50 m.nt J. Dammingh (Visser/IDM). Zie voorts HR 10 augustus 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1565, NJ 1991/229 m.nt. P.A. Stein; A.E.B. ter Heide, Stelplicht en bewijslast, commentaar op art. 3:37 BW; F.M. van Cassel-van Zeeland, GS Vermogensrecht, art. 3:37, aant. 4.9.

29Dat geldt alleen al de kosten van de verzending zelf, dus nog afgezien van eventuele interne kosten voor de met aangetekende verzending benodigde handelingen. Op http://www.postnl.nl/tarieven/tarieven-post-en-postzegels/ lees ik dat het tarief voor een brief tot 20 gram bij normale verzending 1 postzegel (van thans € 0,73) is. Aangetekende verzending kost € 8,15.

30Volgens de Consumentenbond (s.o. p. 8) biedt de forfaitaire vergoeding voldoende ruimte voor aangetekende verzending.

31Zie bijvoorbeeld over een betwiste ontvangst van een ingebrekestelling hof Arnhem 8 mei 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BW5311.

32De Nota van toelichting bij het Besluit, Stb. 2012/141, p. 7.

33Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II, 2009/10, 32 418, nr. 5, p. 9.

34Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II, 2010/11, 32 418, nr. 5, p. 17: “Bovendien is van belang dat incassokosten bij een consument alleen in rekening kunnen worden gebracht als de schuldenaar is aangemaand en hij niet binnen 14 dagen is overgegaan tot betaling van de vordering. Indien aan deze voorwaarden niet is voldaan, behoeft de schuldenaar de incassokosten niet te betalen.”

35Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II, 2010/11, 32 418, nr. 5, p. 16 (“Een beding dat in strijd is met de nieuwe wettelijke regels is vernietigbaar (vgl. art. 3:40 lid 2 BW).”). Het Rapport BGK-Integraal, par. V.1 (op p. 57), vermeldt dat verdedigbaar is dat art. 6:96 lid 6 BW niet van dwingend recht is.

36Art. 6:96, leden 5-7, BW specificeren alleen dat de schuldenaar de hoedanigheid van consument moet hebben.

37Daarop wijst ook KBvG s.o. nr. 5.3.7.

38De Consumentenbond (s.o. p. 9) bepleit dat steeds expliciet de einddatum van de gestelde termijn dient te worden vermeld.

39Hof Den Haag 7 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1896, rov. 14; Hof ’s-Hertogenbosch 22 september 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3677, rov. 3.8.4; Rb. Limburg 26 augustus 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:7211

40Hof Den Haag 21 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:813, Prg. 2015/140, NJF 2015/279 WR 2015/110 met red. aant., rov. 7. Vgl. voorts Hof Amsterdam 22 september 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3936, rov. 3.7.4; Rb. Noord-Holland 24 februari 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:1762, rov. 5.9.

41Waarbij zij bedacht dat met de betaling – afhankelijk van de wijze van betaling ? ook enige tijd gemoeid kan zijn. De gedachte dat veertien dagen al ruim genoeg is en dat de wetgever mogelijk een feitelijke termijn van tien tot twaalf dagen voldoende achtte (zie daarvoor KBvG s.o. nr. 5.3.8) spreekt mij in dat licht minder aan.

42Vgl. ten aanzien van de vraag of de schuldeiser die aanspraak maakt op een lager bedrag aan incassokosten dan uit het Belsuit voorvloeit, ook dat maximale bedrag moet vermelden, de informatie en het standpunt in het Rapport BGK-Integraal 2013, par. 5.3.

43Zo ook Hof Den Haag 7 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1896, rov. 16. Hof Amsterdam 22 september 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3936, rov. 3.7.4; Hof ’s-Hertogenbosch 22 september 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3677, rov. 3.8.4; Rb. Noord-Holland 24 februari 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:1762, rov. 5.9. Anders Hof Den Haag 21 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:813, rov. 8.

44Verslag, Kamerstukken II, 2009-2010, 32 418, nr. 4, p. 9; Nota n.a.v. het Verslag, Kamerstukken II, 2009-2010, 32 418, nr. 5, p. 18.

45N. Frenk, ‘Normering van incassokosten’, VR artikelen 2013/15.

46De Nota van toelichting bij het Besluit, Stb. 2012/141, p. 7.

47Vgl. B.M. Katan, GS Verbintenissenrecht, art. 6:82, aant. 35.

48Zie voor toepassing van art. 139 Rv ten aanzien van dwingend recht onder meer C.J.A. Seinen & A.G.F. Ancery, ‘Vorderingen in b2c-verstekken: toetsen of toewijzen?’, TCR 2015/3, p. 83; de conclusie sub 5.21 voor HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:236, Ars Aequi 2016, p. 363 m.nt W.H. van Boom, JOR 2016/127 m.nt. J.W.A. Biemans en J.M. van Poelgeest, JIN 2016/85 m.nt. N. de Boer ([…/…]), met verdere verwijzingen. Daarvan gaan overigens ook KBvG (s.o. nrs. 5.5.2 en 5.5.5) en de Consumentenbond (s.o. p. 12 ad vraag e) uit.

49Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, nr. 120; Snijders, Klaassen & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Kluwer 2011, nr. 47c.

50Zie Rb. Noord-Holland 24 februari 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:1762, rov. 5.9; Rb. Rotterdam 18 november 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:8711, rov. 4.8; Rb. Limburg 29 april 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:3418.

51Zie over het voorschrift van art. 7A:1576 lid 2 BW in de context van ‘telefoonabonnementen inclusief toestel’ HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:236, Ars Aequi AA20160363 m.nt W.H. van Boom, JOR 2016/127 m.nt. J.W.A. Biemans en J.M. van Poelgeest, JIN 2016/85 m.nt. N. de Boer ([…/…]), rov. 3.11.1. Vgl. ook HR 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1970, NJ 2013/463 inzake art. 1:159 lid 2 BW.

52Kamerstukken II, 2010/11, 32 418, nr. 5, p. 16.

53Ik verwijs kortheidshalve naar de conclusie sub 3.4-3.5, 3.16 en 3.25 voor HR 13 juni 2104, ECLI:NL:HR:2014:1405.

 

14 dagen termijn HR

ECLI:NL:HR:2016:2704

 

Instantie Hoge Raad

Datum uitspraak 25-11-2016

Datum publicatie 25-11-2016

Zaaknummer 16/02885

Formele relaties

Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:938 

Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:RBMNE:2016:3054 

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Prejudiciële beslissing

Inhoudsindicatie

Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, veertiendagenbrief (art. 6:96 lid 6 BW). Aanvang veertiendagentermijn. Stelplicht en bewijslast. Gevolgen van onjuiste vermelding van de termijn. Rol van de rechter; verstek en tegenspraak. Gevolgen van gedeeltelijke betaling.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl 

Uitspraak

25 november 2016

Eerste Kamer

16/02885

EE

Hoge Raad der Nederlanden

Prejudiciële beslissing

in de zaak van:

FA-MED B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

EISERES in eerste aanleg,

t e g e n

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in eerste aanleg.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Fa-Med en [verweerster].

1Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak 3961315/MC EXPL 15-2675 van de kantonrechter te Almere van 23 maart 2016 en 1 juni 2016.

De vonnissen van de kantonrechter zijn aan deze beslissing gehecht.

2De prejudiciële procedure

Bij laatstgenoemd vonnis heeft de kantonrechter op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:

“a. Vangt de termijn van veertien dagen als bedoeld in artikel 6:96, zesde lid, van het BW aan de dag na de ontvangst door de schuldenaar van de veertiendagenbrief?

b. Indien voormelde vraag bevestigend beantwoord wordt, kan bij de beoordeling over de toewijsbaarheid van de buitengerechtelijke incassokosten er dan in beginsel, behoudens tegenbewijs (door de schuldenaar), vanuit worden gegaan dat een per gewone post verzonden veertiendagenbrief één dag na de dagtekening bezorgd wordt? Ook als we weten dat er in de regel geen brievenpost op zondag bezorgd wordt en bijvoorbeeld Post.nl ook op maandag geen briefpost bij particulieren bezorgt? Als hier niet van uit kan worden gegaan, met welke omstandigheden moet dan rekening worden gehouden ter zake de toewijsbaarheid van de buitengerechtelijke incassokosten en wat betekent dit dan voor de hierna nog te noemen stel- en bewijsplicht?

c. Voldoet een brief aan de eisen van artikel 6:96, zesde lid, van het BW indien daarin melding is gemaakt van een betaaltermijn van veertien dagen en het toepasselijke incassobedrag volgens het Besluit is genoemd, maar geen of een onjuiste termijn van aanvang of einde van die veertiendagentermijn is genoemd? Hoe strikt moet de rechter dit toetsen?

d. Wat is het rechtsgevolg als in een veertiendagenbrief geen of een onjuiste formulering van aanvang en/of einde van de veertiendagentermijn is vermeld? Maakt het in dat geval nog iets uit of de termijn een enkele dag te laat is en/of de schuldenaar heeft laten weten toch niet te kunnen betalen? Kan een onjuiste termijn gerepareerd worden geacht indien de schuldenaar (na enkele weken) nog een periode van tien dagen heeft gekregen en daarna (opnieuw enkele weken nadien) nog een laatste periode van zeven dagen heeft gekregen om de vordering te betalen, zonder dat incassokosten verschuldigd worden?

e. Moet de schuldeiser stellen en zo nodig bewijzen wanneer de termijn van veertien dagen is aangevangen en geëindigd, of moet de schuldenaar stellen en zo nodig bewijzen dat hij binnen veertien dagen na ontvangst van de veertiendagenbrief heeft betaald?

f. Maakt het voor de beantwoording van deze vragen verschil of het een verstekzaak of een zaak op tegenspraak betreft? Maakt het bij een zaak op tegenspraak nog uit of er wel of geen verweer gevoerd is ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten?

g. Indien er binnen de termijn van veertien dagen een deel van de vordering wordt voldaan, dienen de buitengerechtelijke kosten dan te worden (her)berekend over het onbetaald gebleven gedeelte van de vordering of is de schuldenaar ook dan het in de veertiendagenbrief aangezegde bedrag van de buitengerechtelijke kosten verschuldigd?”

Geen van partijen heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Na daartoe desgevraagd in de gelegenheid te zijn gesteld, hebben mr. M.A.J.G. Janssen namens de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, en mr. C.S.G. Janssens namens de Consumentenbond, op de voet van art. 393 lid 2 Rv schriftelijke opmerkingen ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen als voorgesteld onder 3.53 van die conclusie.

3Beantwoording van de prejudiciële vragen

3.1

Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.

(i) Op 25 maart 2014 heeft [verweerster] een tandheelkundige behandeling ondergaan bij Tandprothetische Praktijk [A]. Deze zorgverlener heeft zijn vordering op [verweerster] gecedeerd aan Fa-Med.

(ii) Fa-Med heeft [verweerster] op 24 juli 2014 een factuur toegezonden ten bedrage van € 735,54, te voldoen voor 23 augustus 2014. Bij brief van 30 augustus 2014 heeft Fa-Med [verweerster] in gebreke gesteld en gesommeerd tot betaling van de factuur voor 6 september 2014, bij gebreke waarvan [verweerster] in verzuim verkeert.

(iii) Omdat de nota nog niet was voldaan, heeft Fa-Med aan [verweerster] een brief gestuurd, gedagtekend 11 september 2014. In die brief is geschreven:

“Het is mogelijk dat u vergeten bent te betalen. Daarom stellen wij u een laatste keer in de gelegenheid om het nota bedrag binnen 14 dagen aan ons te voldoen (…). Wanneer wij uw betaling niet voor 25-09-2014 hebben ontvangen, brengen wij incassokosten in rekening. De incassokosten bedragen maximaal 15% van het notabedrag met een minimum van € 40,00 plus de wettelijke rente. In uw geval bedragen de incassokosten € 110,33. Door tijdige betaling voorkomt u deze extra kosten.”

(iv) Op 7 oktober 2014 heeft [verweerster] een bedrag van € 735,54 aan Fa-Med betaald.

3.2.1

Fa-Med vordert in dit geding veroordeling van [verweerster] tot betaling van € 110,81, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2014. Dat bedrag bestaat uit € 0,48 ter zake van wettelijke rente over het bedrag van de factuur tot 31 december 2014 en € 110,33 ter zake van buitengerechtelijke kosten. Fa-Med legt aan haar vordering ten grondslag dat [verweerster] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichting door de factuur van 24 juli 2014 niet tijdig te betalen.

[verweerster] betwist de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke kosten.

3.2.2

Voor zover thans van belang, heeft de kantonrechter in het eerste tussenvonnis als volgt geoordeeld.

[verweerster] is op 6 september 2014 in verzuim komen te verkeren met de betaling van de factuur. Nu [verweerster] een consument is, is zij pas buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd indien zij op de voet van art. 6:96 lid 6 BW vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen. In de brief van Fa-Med van 11 september 2014 wordt een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeld van € 110,33, welk bedrag overeenstemt met het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (Stb. 2012, 141; hierna: het Besluit). Ook wordt een termijn van veertien dagen gesteld. De vraag is echter of is voldaan aan de in art. 6:96 lid 6 BW opgenomen zinsnede dat de termijn de dag na aanmaning aanvangt. Als dat niet op de juiste wijze in de brief is verwerkt, rijst de vraag wat daarvan de consequenties moeten zijn.

In verband hiermee heeft de kantonrechter, nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich daarover uit te laten, in het tweede tussenvonnis de hiervoor in 2 vermelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.

De in art. 6:96 lid 6 BW bedoelde aanmaning zal, in navolging van het vonnis van de kantonrechter en de literatuur, hierna ook wel aangeduid worden als de veertiendagenbrief.

3.3

Zoals in rov. 3.6 van HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405, NJ 2014/406 (Fa-Med/[B]) is overwogen, is met het in art. 6:96 lid 6 BW opgenomen vereiste dat de schuldeiser eerst nog een veertiendagenbrief aan de consument-schuldenaar moet sturen, beoogd dat de consument niet wordt overvallen door het verschuldigd worden van incassokosten: hij krijgt na de waarschuwing in de veertiendagenbrief nog veertien dagen de gelegenheid het verschuldigde bedrag te betalen zonder dat incassokosten verschuldigd worden.

Vraag a: het begin van de veertiendagentermijn

3.4

Volgens art. 6:96 lid 6 BW vangt de termijn van veertien dagen “de dag na aanmaning” aan. Nu de tot de schuldenaar gerichte aanmaning een verklaring is als bedoeld in art. 3:37 lid 3 BW, heeft zij – afgezien van de in dat derde lid genoemde uitzonderingen – pas haar werking indien zij de schuldenaar heeft bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen (vgl. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104, NJ 2013/391 (Centavos/[C])). De in art. 6:96 lid 6 BW bedoelde veertiendagentermijn vangt derhalve (pas) aan daags na die waarop de aanmaning door de schuldenaar is ontvangen. Dat strookt met de bedoeling van de wetgever dat de schuldenaar in ieder geval (de volle) veertien dagen de gelegenheid heeft het verschuldigde bedrag te betalen zonder dat incassokosten verschuldigd worden.

Vragen b en e: stelplicht en bewijslast

3.5.1

Wanneer de schuldeiser jegens een consument-schuldenaar aanspraak maakt op betaling van buitengerechtelijke incassokosten op de voet van art. 6:96 BW, rusten op de schuldeiser de stelplicht en de bewijslast dat aan de eisen van art. 6:96 lid 6 BW is voldaan. Die stelplicht omvat, gelet op het antwoord op vraag (a), dat en op welke dag de schuldenaar de veertiendagenbrief (op zijn laatst) heeft ontvangen.

3.5.2

Indien de ontvangst van de veertiendagenbrief door de schuldenaar wordt betwist, brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg mee dat de schuldeiser in beginsel feiten en omstandigheden dient te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat de brief door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de schuldenaar aldaar door hem kon worden bereikt, en dat en op welke dag de brief aldaar (op zijn laatst) is aangekomen (vgl. het hiervoor in 3.4 genoemde arrest Centavos/[C]).

Indien de schuldenaar slechts de door de schuldeiser gestelde datum van ontvangst van de veertiendagenbrief betwist, dient de schuldeiser in beginsel feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt op welke dag de schuldenaar de veertiendagenbrief (op zijn laatst) heeft ontvangen.

3.5.3

In verstekzaken zal de schuldeiser voldoende concrete feiten en omstandigheden moeten stellen waaruit de rechter kan afleiden dat de veertiendagenbrief (uiterlijk) op de door de schuldeiser gestelde datum door de schuldenaar is ontvangen. Daartoe kan de schuldeiser in beginsel (ook) de dag van verzending stellen en aannemelijk maken. In dat geval kan de rechter vervolgens – nu er geen sprake is van een betwisting – uitgaan van de ervaringsregel dat gewone post in veruit de meeste gevallen na een of meer dagen bij de geadresseerde wordt bezorgd. Gelet op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.16 vermelde gegevens, dient immers gewone post door PostNL in ten minste 95% van de gevallen bezorgd te worden op de dag, niet zijnde een zondag, maandag of officiële feestdag, volgend op de dag van aanbieding aan PostNL. In de overige gevallen kan het (iets) langer duren, en voorts bestaat de mogelijkheid dat een per post verzonden stuk wegraakt (vgl. HR 4 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2694, NJ 1998/828).

Het is aan de feitenrechter overgelaten welke duur van postbezorging, vanaf de dag van verzending door de schuldeiser, in het algemeen redelijkerwijs tot uitgangspunt valt te nemen. Het beleid dat hij op dit punt voert, dient in de omstandigheden van het geval niet tot een onbegrijpelijke uitkomst te leiden.

Met inachtneming van het voorgaande en mede gelet op de strekking van de veertiendagenbrief om consumenten te beschermen, zal in de regel niet onbegrijpelijk zijn dat in verstekzaken tot uitgangspunt wordt genomen dat de brief op de tweede dag na verzending is bezorgd, waarbij een zondag, maandag of officiële feestdag niet meetellen als tussenliggende dag of dag van bezorging.

Vragen c en d: gevolgen van onjuiste vermelding van de termijn

3.6.1

De door de schuldeiser verzonden veertiendagenbrief moet voldoen aan de eisen die art. 6:96 lid 6 BW daaraan stelt. Indien wel de betalingstermijn van veertien dagen is vermeld, maar een te vroege dag van aanvang of van einde van die termijn is aangewezen, dan wel daaromtrent verwarrende of misleidende informatie wordt gegeven, voldoet de brief niet aan de eisen van art. 6:96 lid 6 BW. Zo is de vermelding dat betaald moet worden “binnen veertien dagen na heden” of “binnen veertien dagen na verzending van deze brief” in strijd met de eis dat de schuldenaar in ieder geval een betalingstermijn van veertien dagen, aanvangende de dag na ontvangst van de aanmaning, gegeven moet worden (zie hiervoor in 3.4). Het moet de schuldenaar dus duidelijk zijn dat hem die volle wettelijke termijn van veertien dagen ter beschikking staat. De inhoud van de veertiendagenbrief mag bij de schuldenaar niet de onjuiste indruk wekken dat hij de incassokosten al verschuldigd wordt op een datum waarop in werkelijkheid de wettelijke termijn van veertien dagen nog niet is verstreken.

De formulering dat incassokosten verschuldigd worden indien niet betaald is “binnen veertien dagen vanaf de dag nadat deze brief bij u is bezorgd” of “binnen vijftien dagen nadat deze brief bij u is bezorgd” voldoet dus wel aan de wettelijke eisen. Opmerking verdient overigens dat het schuldeisers vanzelfsprekend vrijstaat, mede ter voorkoming van het risico dat de aanmaning vanwege een onzuivere formulering zonder gevolg blijft (zie hierna in 3.6.2), een langere termijn dan de wettelijke termijn van veertien dagen te geven, bijvoorbeeld betaling “binnen drie weken nadat u deze brief heeft ontvangen”.

3.6.2

Zoals hiervoor in 3.3 is vermeld, is met de regeling van art. 6:96 lid 6 BW beoogd dat de consument niet wordt overvallen door het verschuldigd worden van incassokosten. Daartoe is een betalingstermijn van (minimaal) veertien dagen in de wet opgenomen. Daartegenover staat dat de consument-schuldenaar bij overschrijding van de veertiendagentermijn, ook al is dat slechts met één dag, de incassokosten verschuldigd wordt, waarvan de (maximale) hoogte berekend wordt overeenkomstig de in het Besluit neergelegde forfaitaire methodiek die losstaat van daadwerkelijk door de schuldeiser verrichte (verdere) incassohandelingen. In de woorden van de minister: “Het nieuwe systeem biedt de schuldenaar een kans zijn vordering alsnog binnen 14 dagen te voldoen, maar doet hij dat niet, dan zal de schuldenaar veel te verliezen hebben.” (Kamerstukken II 2010-2011, 32 418, nr. 5, p. 9)

Gelet op het met dit stelsel beoogde evenwicht, heeft een veertiendagenbrief die niet voldoet aan de eisen van art. 6:96 lid 6 BW, niet het daaraan door de wet verbonden rechtsgevolg dat de consument-schuldenaar bij uitblijven van tijdige betaling incassokosten verschuldigd wordt.

Wil de schuldeiser recht hebben op betaling van incassokosten, dan dient hij (zo nodig alsnog) een aan de wettelijke eisen beantwoordende veertiendagenbrief aan de schuldenaar te verzenden. Een onjuist vermelde termijn, die bijvoorbeeld een dag te kort was, kan dus niet ‘gerepareerd’ worden door nog een korte extra betalingstermijn van bijvoorbeeld een week of tien dagen te geven.

Vraag f: de rol van de rechter in verstekzaken en in zaken op tegenspraak

3.7

Van de in art. 6:96 leden 5-7 BW en de in het Besluit gegeven regels kan niet ten nadele van de consument-schuldenaar worden afgeweken. In verstekzaken zal de rechter, gelet op art. 139 Rv, moeten beoordelen of de schuldeiser voldoende gesteld heeft voor toewijzing van de gevorderde incassokosten en of de schuldeiser overeenkomstig die regels heeft gehandeld.

Ook in zaken op tegenspraak bestaat daarvoor ruimte. De minister heeft over de rol van de rechter het volgende opgemerkt:

“Een beding dat in strijd is met de nieuwe wettelijke regels, is vernietigbaar (vgl. art. 3:40 lid 2 BW). De consument kan het beding zelf vernietigen (…). In beginsel zal de consument zich voor de rechter moeten beroepen op de vernietigingsgrond, maar het is ook mogelijk dat de rechter het beding ambtshalve terzijde stelt.” (Kamerstukken II 2010-2011, 32 418, nr. 5, p. 16)

Het strookt dan ook met de bedoeling van de wetgever de consument-schuldenaar te beschermen – door middel van het stelsel van forfaitaire vergoeding van incassokosten van art. 6:96 leden 5-7 BW en het Besluit, alsmede met de in art. 242 Rv omschreven bevoegdheid van de rechter tot ambtshalve matiging van bedongen incassokosten – dat de rechter ook in zaken op tegenspraak bevoegd is eigener beweging te onderzoeken of de schuldeiser met betrekking tot zijn aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten overeenkomstig de eisen van art. 6:96 leden 5-7 en het Besluit heeft gehandeld.

Vraag g: gevolgen van een deelbetaling

3.8

Indien de consument-schuldenaar het door hem verschuldigde heeft voldaan voor het verstrijken van de termijn van veertien dagen, is hij geen vergoeding voor incassokosten verschuldigd. Indien hij voor het verstrijken van die termijn niet heeft betaald, dan wordt hij de in het Besluit genormeerde forfaitaire vergoeding voor incassokosten verschuldigd.

Ook indien de consument-schuldenaar weliswaar voor het verstrijken van de termijn betaalt, maar slechts een deel van het door hem verschuldigde, is hij een forfaitaire vergoeding voor incassokosten verschuldigd. Het strookt echter met het consumentenbeschermende karakter van de wettelijke regeling om in dat geval de hoogte van de verschuldigde incassovergoeding, met inachtneming van de regels van het Besluit, te bepalen op basis van de hoogte van het niet (tijdig) betaalde gedeelte van het in hoofdsom verschuldigde. De hoogte van de forfaitaire vergoeding is immers afhankelijk van de hoogte van de vordering, en door de deelbetaling bestaat de vordering niet meer in de omvang waarop de in de veertiendagenbrief vermelde incassovergoeding was gebaseerd.

4Beslissing

De Hoge Raad:

beantwoordt de prejudiciële vragen op de hiervoor in 3.4–3.8 weergegeven wijze.

Deze beslissing is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. Snijders, M.V. Polak en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 25 november 2016.