Zelf procederen

Digitaal procederen – De mondelinge behandeling

Het digitaal procederen is nog niet ingevoerd. Het project  digitaliseringsproject Kwaliteit en Innovatie (KEI) wordt als mislukt beschouwd (april 2018). Zie hierover de inleiding bij dit hoofdstuk. Ik vond het toch zinvol om over dit onderwerp de informatie te zetten die ik in de loop van 2017 heb verzameld. Misschien wordt een variant van deze artikelen toch na een korte stop ingevoerd.

Hierbij treft u de versie van het Burgerlijke Boek van Rechtsvordering met betrekking tot het digitale procederen aan. In dit hoofdstuk verwijs ik naar de artikelen in dit wetboek. Er is een versie van Rechtsvordering  gepubliceerd met en zonder artikelen over het digitale procederen. Voor het procederen voor de rechtbank, kantonzaken, is de versie zonder de artikelen over het digitaal procederen van toepassing.

De kern van het digitaal procederen ligt bij de mondelinge behandeling. Gezien de kortere termijnen van het digitaal procederen kan deze mondelinge behandeling al een kleine drie maanden na het versturen op de oproeping plaatsvinden. Dat is ongeveer dubbel zo snel als volgens het huidige systeem (maart 2018). Vervolgens is het uitgangspunt dat de rechter uitspraak doet binnen zes weken na de mondelinge behandeling. De rechter kan met instemming of op verlangen van partijen de mondelinge behandeling achterwege laten en uitspraak doen. In kantonzaken kan de rechter bepalen dat de mondelinge behandeling achterwege blijft indien geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht te worden gehoord, binnen een door hem gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht (artikel 30j lid 6 RV).

Tijdens de mondelinge behandeling kunnen partijen onder andere (artikel 30k lid 1 RV):

  • hun standpunten toelichten;
  • partijen verzoeken de rechter inlichtingen te geven;
  • partijen gelegenheid geven hun stellingen nader te onderbouwen;
  • getuigen en deskundigen laten horen door de rechter;
  • met partijen overleggen hoe het vervolg van de procedure zal verlopen, en
  • die aanwijzingen geven of die proceshandelingen bevelen die hij geraden acht;
  • proberen tot een schikking te komen (artikel 30m RV).

De rechter kan de dag en het uur van de mondelinge behandeling met of zonder inachtneming van door partijen opgegeven verhinderdata bepalen. Tijdens de mondelinge behandeling stelt de rechter partijen in de gelegenheid hun stellingen toe te lichten en kan de rechter partijen verzoeken inlichtingen te geven, partijen gelegenheid geven hun stellingen nader te onderbouwen, een schikking beproeven, met partijen overleggen hoe het vervolg van de procedure zal verlopen en aanwijzingen geven, of die proceshandelingen bevelen die hij geraden acht (artikel 30k lid 1 RV).

Opgave verhinderdata
De datum van de mondelinge behandeling wordt vroeg in de procedure vastgesteld; de verhinderdata van partijen worden al zo spoedig mogelijk geïnventariseerd nadat de verweerder is verschenen. Dat betekent dat de rechter in beginsel standaard en vrij vroeg in de procedure een zitting heeft met partijen. Ook is van belang dat de rechter de invulling van de mondelinge behandeling in samenspraak met partijen kan afstemmen op de aard en complexiteit van de voorliggende zaak. Bij bepaling aan de hand van door partijen op te geven verhinderdata stelt de rechter partijen in de gelegenheid binnen een termijn van twee weken opgave te doen van hun verhinderdata over een door de rechter te bepalen periode (artikel 4.1.2 Landelijke procesreglement KEI). Indien partijen hun opgave niet binnen deze termijn aan het gerecht hebben doen toekomen, wordt ervan uitgegaan dat zij geen verhinderdata hebben. De rechter kan echter op grond van artikel 30o lid 1 RV beslissen dat partijen alsnog een uitstel kunnen krijgen om een verweer in te dienen. Dit staat echter niet vast.

Indien datum en uur van de zitting zonder verhinderdata zijn bepaald, kunnen partijen zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen twee weken na de datum waarop de dag en het uur van de mondelinge behandeling is bepaald, bij schriftelijk bericht een andere dag voor de mondelinge behandeling verzoeken. Bij het verzoek wordt een opgave van de verhinderdata van alle betrokkenen voor de door het gerecht bepaalde periode gevoegd. Indien deze opgave ontbreekt, wordt aan partijen medegedeeld dat de eerdere dagbepaling van kracht blijft. Behoudens in geval van klemmende redenen wordt na het verstrijken van de termijn van twee weken geen uitstel van de desbetreffende zitting meer verleend (artikel 4.1.13 Landelijke procesreglement KEI). Indien bij het bepalen van de dag en het uur van de mondelinge behandeling rekening is gehouden met de opgegeven verhinderdata van partijen, wordt alleen nog uitstel verleend in een van de volgende gevallen: (artikel 4.1.14 Landelijke procesreglement KEI)
a. indien tussen het tijdstip waarop verhinderdata uiterlijk moesten zijn opgegeven en de datum waarop de dagbepaling heeft plaatsgevonden, meer dan twee weken is verstreken, of
b. indien sprake is van klemmende redenen.
Uitstelverzoeken zoals hiervoor onder a. bedoeld worden gedaan binnen twee weken na de datum waarop de dagbepaling heeft plaatsgevonden onder opgave van nieuwe verhinderdagen. Uitstelverzoeken zoals hiervoor onder b. bedoeld, worden zo spoedig mogelijk gedaan.

Gegevens over de mondelinge behandeling
De rechter kan met instemming of op verlangen van partijen op een vordering zonder mondelinge behandeling beslissen. De rechter kan verschijning in persoon bevelen (artikel 30k lid 4 RV). Verzoeken aan de rechter om zonder mondelinge behandeling te beslissen, worden bij schriftelijk bericht en gemotiveerd gedaan. De rechter beslist niet dan na de andere partij(en) in de gelegenheid te hebben gesteld om binnen de door hem gestelde termijn op het verzoek te reageren (artikel 4.1.3 Landelijke procesreglement KEI).

De uitnodiging voor de mondelinge behandeling vermeldt in ieder geval (artikel 4.1.4 Landelijke procesreglement KEI):

  • de dag en het uur van de mondelinge behandeling;
  • de tijd die voor de mondelinge behandeling is uitgetrokken;
  • de naam of de namen van de behandelend rechter(s);
  • de mogelijkheid om stukken voor de mondelinge behandeling in te dienen,
  • met vermelding van de daarvoor geldende termijn als bedoeld in artikel 4.1.10 en, indien van toepassing, met inachtneming van artikel 3.1.2, laatste zin;
  • de spreektijd die aan partijen wordt toegekend om hun standpunten toe te lichten en of daarbij spreekaantekeningen mogen worden overgelegd.

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling wordt, voor zover mogelijk, het doel van de mondelinge behandeling aan partijen medegedeeld en kunnen nadere aanwijzingen of bevelen worden gegeven over (artikel 4.1.5 Landelijke procesreglement KEI):

  • de vraagpunten of onderwerpen die de rechter tijdens de mondeling behandeling wil bespreken;
  • door partijen nader over te leggen stukken, waaronder
  • eventuele vertalingen van bewijsstukken als bedoeld in artikel 1.11;
  • door partijen mee te brengen getuigen of partijdeskundigen.
  • de beslissing van de rechter op een eventueel verzoek van (een van) partijen om tijdens de mondelinge behandeling getuigen en partijdeskundigen mee te nemen en te doen horen.

In kantonzaken verschijnen partijen in persoon of bij gemachtigde (artikel 4.1.7 Landelijke procesreglement KEI). In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen (niet-kantonzaken) verschijnen partijen in persoon of bij advocaat. De rechter kan bevelen dat een partij in persoon op de mondelinge behandeling verschijnt. De gerechten kunnen ten behoeve van het mondelinge verweer zittingen organiseren onmiddellijk nadat de procedure is gestart op de voet van artikel 30o, eerste lid, onderdeel c RV. De rechter kan die zitting desgewenst ook gebruiken als een inhoudelijke of een regiezitting, als bijvoorbeeld (de gemachtigde van) de wederpartij aanwezig is. De gemachtigde zal hier rekening mee moeten houden. Nu wordt de gemachtigde niet geacht gedurende de eerste rolzitting bij een antwoord aanwezig te zijn. Dat kan in het nieuwe systeem dus anders worden. De rechtbank zal hier duidelijk over moeten communiceren.

Ten aanzien van de rechtspersoon die partij is geldt het hiernavolgende. Het gerecht kan bepalen dat uiterlijk op de mondelinge behandeling een uittreksel uit het handelsregister wordt overgelegd, dat niet ouder is dan een maand. Indien de rechtspersoon wordt vertegenwoordigd door een andere daartoe in de statuten of bij daartoe strekkende volmacht aangewezen persoon dan de bestuurder(s), kan het gerecht bepalen dat tijdens de mondelinge behandeling tevens een afschrift van de statuten of de volmacht wordt overgelegd.

De rechter bepaalt de gang van zaken tijdens de comparitie van partijen
De rechter kan meer sturing geven aan het verloop van de procedure, onder meer door vroegtijdig te overleggen met partijen. Met voorafgaande toestemming van de rechter kunnen tijdens de mondelinge behandeling getuigen en partijdeskundigen worden gehoord (artikel 30k lid 2 RV). Deze toestemming is nodig om te voorkomen dat het verloop van de mondelinge behandeling kan worden verstoord doordat een zeer groot aantal getuigen of deskundigen wordt meegenomen om te worden gehoord. Dit kan dus plaatsvinden zonder voorafgaande uitspraak met bewijsopdracht en/of bevel tot het horen van deskundigen. Een dergelijke zitting kan langer gaan duren dan de comparitie partijen conform de huidige regeling (maart 2018). Verder is het de vraag of dit dan altijd tot verduidelijking van het standpunt van een partij leidt. De comparities zal de inzet van ervaren rechters vergen.
Als een partij allerlei getuigen oproept die weinig te melden hebben, dan zal dit wel meer tijd in beslag nemen, zonder dat het standpunt van een partij hiermee wordt verduidelijkt. Partijen zullen zich dus eerder dan in de huidige procedure (december 2017) moeten voorbereiden welke deskundigen en/of getuigen zij willen laten horen. Partijen krijgen mogelijk geen kans meer in een later stadium in de procedure getuigen en/of deskundigen te horen.

De invulling van de mondelinge behandeling wordt dus aan de rechter overgelaten (artikel 30k RV), met dien verstande dat partijen altijd gelegenheid moet worden geboden om een mondelinge toelichting op de zaak te geven. Flexibiliteit en maatwerk worden bereikt doordat de rechter in overleg met partijen van de basisprocedure kan afwijken. Zo kan de mondelinge behandeling in bepaalde gevallen achterwege blijven, terwijl in andere gevallen een extra mondelinge behandeling of andere zitting kan worden gehouden of een extra schriftelijke ronde kan worden ingelast. Partijen kunnen toelichting van een stelling weigeren als daartoe gewichtige reden bestaan (artikel 22 lid 2 RV). De rechter kan dan van oordeel zijn dat een bepaald standpunt niet voldoende is onderbouwd en/of bewezen. De bewijsmiddelen dienen immers in de procesinleiding en in de conclusie van antwoord te staan (artikel 30i lid 6 RV). Verder kan de rechter ook beslissen dat de kennisname van bepaalde stukken alleen door de gemachtigde gelezen kunnen worden als kennisname van deze stukken de lichamelijke of geestelijke gezondheid zou schaden. Ik zie dit voor huurzaken meer een theoretisch gegeven. Het zal voor huurzaken in de praktijk niet gebeuren dat de processtukken de lichamelijke of geestelijke gezondheid van een partij zou kunnen schaden.
De basisprocedure kent geen tweede schriftelijke ronde, zoals re- en dupliek. De rechter kan dus wel beslissen een extra schriftelijke ronde zoals re- en dupliek te houden.

De verwerende partij mag nog wel een papieren pleitnota ter zitting overleggen zonder dat deze voordat de zitting plaatsvindt op “mijn rechtspraak” gepubliceerd dient te worden.

Wisselen van stukken na de mondelinge behandeling
De conclusie van repliek komt te vervallen in het nieuwe procesrecht. Als er behoefte is aan uitwisseling van meer stukken dan zullen in overleg met de rechter nadere stukken ingediend kunnen worden Herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg, Memorie van Toelichting, 26 855, nr 3, pagina 8 . De rechter kan dit bij complexe zaken na de mondelinge behandeling beslissen. In dergelijke complexe zaken zal na de mondelinge behandeling dan ook geen vonnis worden gewezen, maar zal verder geprocedeerd worden conform de de proceshandeling die de rechter met partijen heeft afgesproken. Dit kan bijvoorbeeld een nadere schriftelijke ronde zijn, maar ook een getuigenverhoor, een zitting ter plaatse of een deskundigenbericht. De rechter stelt tevens de termijnen vast, waarbij wel overeind blijft dat er zo snel als mogelijk geprocedeerd moet gaan worden.

De conclusie van dupliek komt te vervallen in het nieuwe procesrecht. Als er behoefte is aan uitwisseling van meer stukken dan zullen in overleg met de rechter nadere stukken ingediend kunnen worden. Hetgeen ik hierover bij de conclusie van repliek heb gezegd geldt hier hetzelfde.

Overleg met de griffie over het vervolg van de procedure
Een deel van de rechters neemt nu (maart 2017) aan dat aan dat tijdens een comparitie gelegenheid kan worden gegeven voor een pleidooi, terwijl een ander deel aanneemt dat de bestaande wetgeving daaraan in de weg staat. In de instructie na de conclusie van antwoord is dan ook vermeld dat er geen plaats is voor een pleidooi, omdat een juridisch betoog de poging tot schikking in de weg kan staan. Daarnaast wordt het pleidooi in beginsel door KEI afgeschaft.
Met dit wetsvoorstel wordt verduidelijkt dat de rechter bewegingsruimte heeft bij de invulling van de mondelinge behandeling (artikel 30k lid 1 sub b RV). Dit wordt met de nieuwe regeling anders. In de memorie van Toelichting bij deze wet staat: “Het is aan de rechter om, met oog voor de behoeften van partijen, te bepalen hoe een specifieke mondelinge behandeling verloopt. Op deze manier biedt hij partijen maatwerk. De tijdige planning van de mondelinge behandeling en de invulling daarvan hebben tot gevolg dat de rechter meer regie kan voeren in de zaken die aan hem zijn voorgelegd”. Het lijkt mij dat de griffie ook anders ingericht dient te worden. Als nu contact met de griffie wordt gezocht is er zelden overleg mogelijk. Je wordt doorgaans verzocht schriftelijk de mededeling aan de griffie te doen. Dat moet in het kader van deze nieuwe berichtgeving dus anders. Het lijkt mij dat je als gemachtigde eenvoudig telefonisch overleg over deze zaak dient te kunnen voeren met de griffie gevolgd met daarna een korte schriftelijke bevestiging van het gesprek, zodat er geen onduidelijk kan bestaan over de partij met wie het overleg is gevoerd en wat de bedoeling van dit gesprek is geweest. De griffie zal er ook op bedacht moeten zijn zich niet door een partij te laten beïnvloeden.

Overleg is ook noodzakelijk als de rechter in afwijking van het basisstramien beslist dat partijen additionele proceshandeling mogen doen of dat het noodzakelijk is om deze proceshandelingen te doen. (artikel 30o RV). In complexe zaken ligt het ook voor de hand dat extra proceshandelingen in de zin van artikel 30o RV nodig blijven. Ook hier zijn korte lijntjes tussen de griffie en partijen noodzakelijk. In dit geval zal in het kader van het genoemde overleg rechtstreeks contact met de beslissingsbevoegde persoon bij de griffie onontbeerlijk zijn. Nu (maart 2017) is het eigenlijk standaard dat er na een aan de griffie geadresseerd verzoek pas een antwoord komt na de rolzitting. Er wordt ook nooit een ontvangstbevestiging van een stuk gestuurd. Ook vanuit de griffie zal de communicatie meer de vorm van tweerichting verkeer dienen te krijgen dan nu (maart 2017) het geval is. De Memorie van toelichting zegt over de wijze waarop de communicatie plaats dient te vinden het volgende: “Het is niet bij iedere beslissing over een proceshandeling nodig om hierover van te voren met partijen te overleggen. Waar dat belangrijke procedurele beslissingen betreft, ligt het evenwel voor de hand dat de rechter hierover met partijen spreekt. Bij deze besluitvorming weegt de rechter de belangen van partijen af tegen het belang van een snelle en doelmatige procesvoering” Memorie van toelichting – Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht . Ik vrees echter er bij partijen en de rechter wel een verschil van mening kan ontstaan of er wel of niet extra proceshandelingen noodzakelijk zijn. Ik pleit ervoor om door een handleiding ten behoeve van kantonrechters te zorgen dat de regels eenvormig worden toegepast.

Een partij verschijnt niet ter zitting
Als een partij niet gedurende een zitting verschijnt, ondanks dat de partij goed is opgeroepen, dan geeft artikel 30i lid 2 RV de rechter de bevoegdheid uit een niet-verschijnen ter mondelinge behandeling de gevolgtrekking te maken die hij geraden acht. De rechter is niet verplicht een zitting te verplaatsen als een partij en/of de gemachtigde van die partij één dag voor de zitting te kennen geeft de zitting niet bij te kunnen wonen. Het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch stelde in haar arrest van 21 juni 2005 in rechtsoverweging 4.2.5. ( LJN: AU4078, gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, C0400857/BR ) vast dat: “toereikend is geweest dat huurster en haar gemachtigde in de gelegenheid zijn gesteld ter zitting te verschijnen en het woord te voeren. Dat huurster van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, komt voor haar risico”.
Het feit dat een partij op een zo korte termijn meldde niet bij een zitting aanwezig te kunnen zijn en het niet kunnen bereiken van de andere partij speelde hier ook mee. Als een partij ruim van te voren met overleggen van verhinderdata van de andere partij te kennen geeft niet te kunnen verschijnen, dan wordt doorgaans de zitting verplaatst naar een andere datum.
Dit betekent echter niet dat zonder meer dat de rechter bij het niet verschijnen van partijen de conclusie mag trekken dat deze partij die eerder schriftelijk verweer heeft gevoerd dit verweer heeft prijsgegeven. Het uitgangspunt dient te zijn dat de rechter slechts ervan kan uitgaan dat een partij een verweer heeft prijsgegeven, indien dat, uitdrukkelijk of stilzwijgend, op ondubbelzinnige wijze is geschied. Zie de overweging 3.3.2. van de Hoge Raad in haar arrest van 9 juni 2006 ( LJN: AW2089, Hoge Raad, C05/082HR ).

Als een partij gedurende een mondelinge behandeling iemand mee wenst te nemen als toehoorder is dat mogelijk. Een toehoorder dient dan vaak op een rij stoelen achterin de zaal plaats te nemen. Mocht een partij deze toehoorder in de procedure later als getuige wensen te horen, dan kan de aanwezigheid van deze persoon tijdens een mondelinge behandeling later een probleem opleveren. De verklaring van de getuige kan dan immers zijn gekleurd door de bevindingen die deze persoon tijdens de zitting heeft opgedaan. Mocht een partij graag later een persoon als getuige te horen, dan wordt u geadviseerd deze persoon niet bij een mondelinge behandeling aanwezig te laten zijn.

Reageren op ingezonden stukken

Stel dat een partij voor de zitting nog snel wat stukken heeft ingediend. Als u van mening bent dat u door indiening van deze stukken bent benadeeld, bijvoorbeeld omdat u te weinig tijd heeft om op deze stukken te reageren, dan doet u er goed aan om protest aan te tekenen. Doet u dat vooral tijdig. De rechter zal na het openen van de comparitie inventariseren welke stukken door partijen zijn ingediend. U kunt ervoor kiezen om schriftelijk vooraf aan de zitting bezwaar te maken tegen de op het laatste moment ingediende stukken. De rechter zal dan bij het openen van de comparitie uw bezwaar behandelen. Als u niet schriftelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de stukken die op het laatste moment zijn ingediend, dan dient u bij het openen van de comparitie van partijen aan te geven dat u bezwaar maakt tegen het (late) indienen van de stukken door de wederpartij.

Hoe verloopt een zitting?

Kijk voor de gang van zaken tijdens een zitting onder het kopje: “De zitting” verderop in dit hoofdstuk.

Wat kunt u gedurende een mondelinge behandeling verwachten ?

De parketwacht controleer of partijen en/of hun gemachtigden aanwezig zijn. Na het afroepen van de zitting door de griffier/parketwacht kunnen partijen de zittingskamer betreden. De zittingskamer bij kantongerechten is vaak niet zo groot. De zittingskamer komt meestal overeen met een grote huiskamer, waarin zich een grote tafel bevindt waarachter zich de rechter en griffier (meestal in toga!) bevinden. Voorts bevinden zich in de ruimte twee kleine tafels voor partijen en een rij stoelen achter deze tafel voor het publiek. Rechtszittingen zijn openbaar, zodat hier ook publiek aanwezig kan zijn (in de praktijk wordt zelden van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en worden de stoelen alleen gebruikt door bekenden van de partijen). Het kan echter gebeuren dat zich een onbekende “belangstellende” in de rechtszaal bevindt. U kunt denken aan geïnteresseerden zoals studenten of scholieren. Civiele zaken zijn overigens niet erg interessant zonder enige voorkennis.

Bij binnenkomst wijst de rechter vaak aan waar partijen dienen te gaan zitten. Er is een vaste plaats voor partijen, zodat de rechter de eisende en verweerder partij niet door elkaar haalt. Het is handig om de rechter bij binnenkomst te vragen waar u moet plaatsnemen. U zegt dan tegen de rechter dat u de eisende of verweerder partij bent, en de rechter zal dan uw plaats aanwijzen. In de regel zit eiser links en verweerder rechts, gezien vanuit het gezichtspunt van de rechter.

De rechter opent vervolgens de zitting met de vraag wie allemaal aanwezig zijn. De personalia worden dan nauwkeurig vermeld.

Vervolgens zijn twee verschillende soorten aanpak mogelijk, al dan niet gecombineerd:

  1. De rechter heeft naar aanleiding van de processtukken aan aantal concrete vragen aan partijen. Naar aanleiding van deze vragen mogen partijen hun standpunt uiteenzetten. Deze gang van zaken lijkt aan weinig formele regels gebonden. De rechter laat zich op deze wijze door partijen informeren en vormt zich aan de hand van dit gesprek een standpunt. Dit standpunt spreekt hij meestal niet duidelijk uit, omdat hij onpartijdig is en moet zijn. De rechter moet er immers voor hoeden om partijen te beïnvloeden. De rechter hoort ook vrij passief (lijdelijk) te zijn. De rechter geeft partijen soms wel een voorlopig oordeel over hoe hij de zaak ziet op basis van de hem bekende gegevens. De rechter geeft partijen dan vervolgens, op basis van dat voorlopige oordeel, nog al eens de mogelijkheid om te proberen de zaak te schikken.
  2. De andere route is dat de rechter niet begint met het stellen van vragen. In plaats daarvan stelt hij partijen in de gelegenheid om hun standpunt nog eens uiteen te zetten. Vaak mag de eiser eerst zijn standpunt toelichten, waarop verweerder dan kan reageren.

Tijdelijke schorsing van de zitting
Als men op basis van deze gegevens van mening is dat het goed zou zijn om nog eens met de wederpartij van gedachten te wisselen en/of om alsnog tot een schikking te komen dan kan men schorsing van de zitting verlangen. Vaak gebeurt dit op instigatie van de kantonrechter. Gedurende de schorsing van de zitting kan men op de gang met elkaar van gedachten wisselen. De kantonrechter kan soms erg overtuigend zijn in zijn verzoek aan partijen om toch vooral te proberen er gezamenlijk uit te komen. Soms geeft hij de schikking zelfs bijna op een presenteerblaadje aan. Op zo’n moment is het erg oppassen. Natuurlijk mag uiteindelijk geen sprake zijn van een “dwangschikking”. Een minnelijke regeling moet door partijen uit vrije wil worden aangegaan. Daarom raden wij u aan om de druk van de kantonrechter te weerstaan indien u het aangaan van de gesuggereerde schikking niet in uw belang acht. De kantonrechter dient uw visie te respecteren! Het proces-verbaal naar aanleiding van de zitting
De rechter maakt ambtshalve een proces-verbaal op, of op verzoek van een partij die daarbij belang heeft (artikel 30n lid 1 onder a RV). Dit laatste kan zich voordoen als partijen bepaalde erkenningen hebben gedaan of vorderingen hebben ingetrokken. Geen proces-verbaal wordt opgemaakt van informatie die al uit de ingediende stukken blijkt. Het proces-verbaal in de hiervoor bedoelde zin is geen woordelijk verslag van al hetgeen tijdens de zitting is gebeurd, maar geeft daarvan een zakelijke samenvatting (derde lid). Het vierde lid geeft de mogelijkheid om daar waar een volledige weergave van een onderdeel van een zitting gewenst is, deze op te stellen. Bij een verschil van mening over het verhandelde ter zitting kan worden terug gegrepen op beeld- of geluidsopname van de hele zitting dat staat opgenomen in het dossier op mijn pagina. Dit is dus anders de bij de huidige regeling (maart 2018). De partij die zich op die integrale opname beroept zal ex artikel 22 RV moeten aangeven welk deel van de opname wordt bedoeld. Bij een digitale opname moet de rechter er op toezien dat dat de namen worden genoemd van de rechter die de zaak behandelt, die van partijen en van hun vertegenwoordigers of gemachtigden die op de mondelinge behandeling zijn verschenen, en die van de getuigen, deskundigen en tolken die op de mondelinge behandeling zijn verschenen.

De rechter kan met instemming of op verlangen van partijen de mondelinge behandeling achterwege laten en uitspraak doen. De mondelinge behandeling kan ook worden aangehouden (artikel 30h RV). In kantonzaken kan de rechter bepalen dat de mondelinge behandeling achterwege blijft indien geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht te worden gehoord, binnen een door hem gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht (artikel 30j RV). Het is de vraag of dit bericht tussen een mededeling kan komen te staan over het volgen van procedures. Het lijkt mij niet de bedoeling dat deze mededeling als een verborgen zinnetje in een algemeen bericht gestopt kan worden. Ik meen dat een dergelijk bericht uitdrukkelijk aan partijen vermeld dient te worden. Partijen moeten er dus op bedacht zijn dat zij de rechter ervan op de hoogte brengen een mondelinge behandeling te wensen als zij daar behoefte aan hebben. Als partijen geen termijn wordt gegeven een beroep op een mondelinge behandeling te doen, dan lijkt de rechtbank een misslag te hebben gemaakt.

De rechter kan bepalen dat het proces-verbaal, bedoeld in het eerste en derde lid en in de artikelen 180, eerste lid, 198, vijfde lid, en 201, vierde lid RV, wordt vervangen door een door of namens hem gemaakte beeld- of geluidsopname. Het gaat hier niet op de gehele (integrale) opname, maar om de samenvatting van de zitting zoals ook in het schriftelijk stuk wordt opgenomen als dit zou zijn geformuleerd. In dat geval kan de rechter in hoger beroep of de Hoge Raad alsnog verzoeken om een schriftelijke weergave van het proces-verbaal (artikel 30n lid 7 RV).

Gedragsregels ten behoeve van de zitting
Het is van groot belang, ook voor uw zaak, dat u zich bij de rechter fatsoenlijk gedraagt. Neemt u dus alle elementaire fatsoensnormen in acht, óók richting de wederpartij. Ik adviseer u om uw emoties zoveel mogelijk buiten de rechtszaal te laten, en dat u zich dus vooral zakelijk opstelt, óók (zelfs vooral) als de wederpartij dat niet doet.

U spreekt de kantonrechter aan met “meneer/mevrouw de kantonrechter” en (natuurlijk) “u”. Bij het binnenkomen en verlaten van de rechtszaal dient u de rechter niet de hand te schudden. U begroet de rechter simpelweg met “goedemorgen of goedemiddag”; bij het verlaten van de rechtszaal na de zitting geldt hetzelfde. Eventueel bedankt u de kantonrechter voor de door hem of haar genomen tijd.

In het bijzonder wijs ik er nog op dat u in de zittingszaal uw mobiele telefoon dient uit te schakelen. Vergeet u dat niet! De kantonrechter stelt het doorgaans niet erg op prijs als tijdens een zitting een telefoon afgaat.

Digitaal procederen – Het verweerschrift

Het digitaal procederen is nog niet ingevoerd. Het project  digitaliseringsproject Kwaliteit en Innovatie (KEI) wordt als mislukt beschouwd (april 2018). Zie hierover de inleiding bij dit hoofdstuk. Ik vond het toch zinvol om over dit onderwerp de informatie te zetten die ik in de loop van 2017 heb verzameld. Misschien wordt een variant van deze artikelen toch na een korte stop ingevoerd.

Hierbij treft u de versie van het Burgerlijke Boek van Rechtsvordering met betrekking tot het digitale procederen aan. In dit hoofdstuk verwijs ik naar de artikelen in dit wetboek. Er is een versie van Rechtsvordering  gepubliceerd met en zonder artikelen over het digitale procederen. Voor het procederen voor de rechtbank, kantonzaken, is de versie zonder de artikelen over het digitaal procederen van toepassing.

Een reactie op de procesinleiding dient het beste schriftelijk te worden gegeven. Dit geldt niet voor natuurlijke personen en voor verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte, tenzij zij worden vertegenwoordigd door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent artikel 30c lid 4 RV. Een verweerder die van plan is om tijdens een (rol)zitting bij de kantonrechter uitvoerig mondeling zijn zaak te bepleiten, loopt het risico dat zijn zaak niet voldoende onderbouwd zal zijn. Gezien de nieuwe benadering van termijnbewaking zal de verweerder zijn verweer alleen nog nader kunnen onderbouwen in de mondelinge behandeling. In tegenstelling tot de huidige regeling (april 2018) wordt er bij de mondelinge behandeling wel mogelijkheid geboden tot het houden van nadere onderbouwing van zijn verweer. Met dit wetsvoorstel wordt immers verduidelijkt dat de rechter bewegingsruimte heeft bij de invulling van de mondelinge behandeling (artikel 30k lid 1 sub b RV). In de memorie van Toelichting bij deze wet staat immers: “Het is aan de rechter om, met oog voor de behoeften van partijen, te bepalen hoe een specifieke mondelinge behandeling verloopt. Op deze manier biedt hij partijen maatwerk. De tijdige planning van de mondelinge behandeling en de invulling daarvan hebben tot gevolg dat de rechter meer regie kan voeren in de zaken die aan hem zijn voorgelegd”. De rechter kan echter op grond van artikel 30o lid 1 RV beslissen dat partijen alsnog kunnen reageren op elkaars standpunten. Dit staat echter niet vast. Wellicht zal een notitie ten behoeve van de kantonrechter duidelijk kunnen maken hoe hiermee om wordt gegaan. Er lijkt mij anders toch een vorm van willekeur kunnen ontstaan.

De verweerder brengt alle excepties en zijn verweer ten principale tegelijk naar voren, op straffe van verval van niet aangevoerde excepties en, indien niet ten principale verweer is gevoerd, van het recht om dat alsnog te doen (artikel 30i lid 4 RV). Dit is hetzelfde als in de oude regeling als genoemd in artikel 128 RV (oud). De verweerder kan op grond van artikel 30k lid 8 RV een tegenvordering of tegenverzoek (een reconventionele vordering) bevatten.

Het verweerschrift vermeldt de bewijsmiddelen waarover verweerder of belanghebbende kan beschikken tot staving van de gronden van zijn verweer, en de getuigen die hij daartoe kan doen horen. (artikel 30i RV). Als dit niet wordt gedaan, dan is het mogelijk dat het verweer wegens onvoldoende onderbouwing wordt afgewezen. Als er niet voldoende concreet bewijs wordt aangedragen, dan is het mogelijk dat de rechter de verweerder geen kans geeft om aanvullend bewijs aan te dragen. Het nadeel van deze nieuwe methode is dat partijen pro-actief moeten handelen. Waar voorheen door de rechter bewijsopdrachten uitgedeeld werden, zal de partij die bewijs aan wenst te dragen daarmee nu zelf moeten komen. Dit is nu eigenlijk ook al min of meer gangbaar door in ieder geval het bewijs aan te bieden en het bewijs meteen te tonen dat je in handen hebt. in de praktijk merk ik dat de rechter de niet professionele partij nog eens een duwtje in de goede richting zal geven als er niet bewust een bewijsaanbod is gedaan. De schriftelijke getuigenverklaringen lijken daarom in toenemende mate van belang te zijn.

Verder is in artikel 30i lid 4 RV nog bepaald dat, als verweerder in de conclusie van antwoord in het geheel niet inhoudelijk op de zaak is ingegaan (dit noemt men “principaal” verweer), hij dat in het vervolg van de procedure niet alsnog mag doen. Het is dus van groot belang om in de conclusie van antwoord inhoudelijk op de zaak in te gaan. Als verweerder dat nalaat, kan hij dus niet meer inhoudelijk reageren! Daarvoor bestaat dan pas weer de mogelijkheid in hoger beroep.

Het verweerschrift is een belangrijk document. Het is immers goed mogelijk dat dit verweerschrift uiteindelijk het enige schriftelijke stuk is dat door de verweerder kan worden ingediend. Het verweerschrift dient het verhaal van eiser, zoals gepresenteerd in de procesinleiding, zoveel mogelijk te worden weerlegd. Daarbij is het van belang om te beseffen dat stellingen van eiser die door verweerder onvoldoende gemotiveerd worden betwist door de rechter als vaststaand moeten worden beschouwd (artikel 149 lid 1 RV). Het is dus zaak om feiten die door de eisende partij zijn gesteld zoveel mogelijk te controleren en te weerleggen! Verweerder doet er goed aan om dit in de conclusie van antwoord te doen, aangezien dit – afgezien van de mondelinge behandeling – mogelijk zijn enige kans is!

Verschijnt de verweerder na de informele bezorging van de procesinleiding als bedoeld in artikel 111 RV niet in de procedure? Dan is de tussenkomst van de deurwaarder alsnog verplicht. Anders verleent de rechter geen verstek tegen de verweerder (artikel 112 lid 2 RV). Het oproepingsbericht moet dan alsnog door de eiser formeel worden betekend. Laat eiser de formele betekening achterwege nadat verweerder niet is verschenen naar aanleiding van de informele betekening, dan wordt eiser niet-ontvankelijk verklaard (artikel 112 lid 3 RV). De deurwaarder vermeldt vervolgens de nieuwe datum waarvoor de verweerder kan verschijnen in het oproepingsbericht dat hij daartoe wijzigt (artikel 112 lid 5 RV). Zowel de gegevens die de eiser in de procesinleiding vermeldt als de gegevens die door het gerecht in het oproepingsbericht zijn vermeld, kunnen door de deurwaarder worden verbeterd of aangevuld op grond van het vijfde lid, bijvoorbeeld na nader onderzoek of op advies van de deurwaarder. Het gewijzigde oproepingsbericht moet bij de verweerder worden betekend binnen dezelfde termijn als geldt voor het betekenen van het (oorspronkelijke) oproepingsbericht, zijnde twee weken na de uiterlijke verschijningstermijn zoals opgenomen in het oorspronkelijke oproepingsbericht. Het gewijzigde oproepingsbericht vervangt het eerdere oproepingsbericht (artikel 112 lid 5 RV). De professionele belangenbehartiger die wordt geconfronteerd met een cliënte die zich meldt binnen een paar dagen voor de dag van indiening van de procesinleiding, zal er vermoedelijk voor kiezen zijn cliënte te adviseren niets te laten horen. Volgens artikel 112 lid 2 RV kan eiser dan binnen twee weken na de dag waarop verweerder uiterlijk diende te verschijnen, het oproepingsbericht doen betekenen bij de verweerder. De termijn om te verschijnen als bedoeld in artikel 30a, derde lid, onder c, wordt in dat geval verlengd met vier weken na de laatste dag waarop de verweerder diende te verschijnen, bedoeld in de eerste volzin van artikel 112 lid 2 RV. De professionele belangenbehartiger wint hier mee tijd. Hij krijgt dan vier weken extra voor een reactie. Men krijgt immers een termijn van vier weken voor een reactie vanaf de verschijningsdag.

Verder geldt de zogenoemde “waarheidsplicht” van artikel 21 RV ook voor de verweerder. Ook verweerder is dus, net zoals eiser in zijn procesinleiding, verplicht om alle voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Daarnaast geldt voor verweerder dat ook hij, in de conclusie van antwoord, alle bewijsmiddelen dient te vermelden, en in het bijzonder de getuigen waarover hij kan beschikken (artikel 30i lid 6 RV). Er wordt net zoals bij het huidig geldende recht (maart 2018) aangeraden om bij alle relevante stellingen tevens aan te geven op welke wijze deze stellingen kunnen worden bewezen.

Als verweerder ook een vordering op eiser meent te hebben kan hij deze vordering bij antwoord instellen (artikel 30i lid 8 RV). Daarvoor is niet vereist dat beide vorderingen inhoudelijk samenhangen, zoals wel eens wordt gedacht. Verweerder doet er verstandig aan om gelijktijdig met zijn verweerschrift een vordering op te nemen. Een tegeneis moet in voorafgaande aan het verweerschrift worden vermeld; later is dit niet meer mogelijk. Zie de uitspraak van de rechtbank te Almelo van 23 januari 2007 LJN: AZ8075, rechtbank Almelo, 227846 CV EXPL 8074-06. De rechter zal over de vordering van eiser (eis in conventie) en de vordering van verweerder (eis in reconventie) bij hetzelfde eindvonnis beslissen (artikel 138 RV). Als de verweerder heeft nagelaten om tijdig een eis in reconventie in te dienen, zal hij een aparte procedure moeten starten om zijn vordering te kunnen innen/af te dwingen.

Als tegenvordering kan onder meer aan de volgende vorderingen worden gedacht:

  • eiser vordert een restant huur na beëindiging van de huurovereenkomst en verweerder vordert de waarborgsom terug en/of vordert verrekening van de waarborgsom als het gehuurde correct is opgeleverd (zie het hoofdstuk: De oplevering);
  • eiser vordert bedragen in het kader van een huurachterstand en verweerder vordert in reconventie herstel van gebreken aan het pand ( met vordering van een dwangsom als het herstel binnen een bepaalde gevorderde periode niet is afgerond);
  • eiser vordert bedragen in het kader van een huurachterstand en verweerder vordert herstel van het gehuurde en verlaging van de huurprijs gedurende de periode dat het gebrek voortduurt.

Een verweerder of belanghebbende die een tegenvordering wenst in te stellen of een tegenverzoek wenst te doen, doet dit uiterlijk in zijn verweerschrift met inachtneming van artikel 30a lid 3 aanhef en onder f en g Rv.
Een partij die een tegenvordering of een tegenverzoek indient, vermeldt dit:

  • Indien langs elektronische weg wordt geprocedeerd: op duidelijk kenbare wijze in het elektronisch in te dienen formulier en in de titel van het elektronisch in te dienen processtuk.

Bij indiening van verweerschriften en akten met de daarbij gevoegde bescheiden is eenvoudiger geworden. Deze stukken moeten immers in beginsel elektronisch worden ingediend. Er hoeven nu niet meer meerdere exemplaren ingediend te worden. De griffie zorgt voor elektronische verspreiding van deze stukken.

Verweerder moet niet vergeten de conclusie van antwoord te ondertekenen (artikel 30a lid 4 RV en artikel 30c lid 3 RV). De rechter kan besluiten niet ondertekende stukken te weigeren, en aan de weigering de consequenties verbinden die hem juist lijken. Wel dient de rechter de partij die heeft vergeten zijn processtuk te ondertekenen nog de gelegenheid te geven om alsnog tot ondertekening over te gaan artikel 30c lid 3 RV. Het zou jammer zijn als uw steekhoudende verweer om deze reden gepasseerd zou worden!

De datum van de mondelinge behandeling wordt bepaald zodra de verweerder is verschenen in een vorderingsprocedure of de verzoeker de procesinleiding in een verzoekprocedure heeft ingediend (artikel 30j RV). In artikel 114 RV staat vermeld wanneer de verweerder wordt geacht in een procedure te zijn verschenen:

  • in zaken voor de kantonrechter, indien hij minste vier weken en uiterlijk zes maanden na de dag van indiening van de procesinleiding bij de rechter (artikel 30a lid 3 onder c RV), de griffie schriftelijk bericht dat hij in de procedure betrokken wenst te worden of zijn verweerschrift indient;
  • Indien hij verschijnt op de mondelinge behandeling in zaken voor de voorzieningenrechter;
  • In alle andere zaken als hij advocaat stelt binnen de termijn als genoemd in artikel 30a lid 3 onder c RV.

Digitaal procederen – De gang van zaken na oproeping

Het digitaal procederen is nog niet ingevoerd. Het project  digitaliseringsproject Kwaliteit en Innovatie (KEI) wordt als mislukt beschouwd (april 2018). Zie hierover de inleiding bij dit hoofdstuk. Ik vond het toch zinvol om over dit onderwerp de informatie te zetten die ik in de loop van 2017 heb verzameld. Misschien wordt een variant van deze artikelen toch na een korte stop ingevoerd.

Hierbij treft u de versie van het Burgerlijke Boek van Rechtsvordering met betrekking tot het digitale procederen aan. In dit hoofdstuk verwijs ik naar de artikelen in dit wetboek. Er is een versie van Rechtsvordering  gepubliceerd met en zonder artikelen over het digitale procederen. Voor het procederen voor de rechtbank, kantonzaken, is de versie zonder de artikelen over het digitaal procederen van toepassing.

De verweerder of belanghebbende heeft na het verschijnen in het geding (de verweerder geeft aan in de procedure betrokken te willen worden of dient zijn verweerschrift in artikel 114 RV) vervolgens vier weken in kantonzaken en zes weken in andere zaken (met uitzondering van kort gedingen) om een verweerschrift in te dienen, te rekenen vanaf het moment waarop zij in de procedure is verschenen (artikel 111 lid 2 onder c RV). Dit is voor de professionele belangenbehartiger duidelijk nadelig. Volgens de huidige regeling (maart 2018)is een na de eerste zitting een uitstel mogelijk. Daarna krijgt de verwerende partij nog standaard een uitstel van nog eens vier weken. Deze tweede periode van uitstel is verdwenen. Dat is jammer. Een gemachtigde heeft door de werklast vaak behoefte aan nog eens een uitstel. Een uitstel is veelal ook nodig in het kader van het voeren van overleg, bewijsgaring en acties tegen derden ten behoeve van een vrijwaringsactie. Als dit niet mogelijk is verwacht ik in ieder geval niet een verbetering van de kwaliteit van de stukken.

De oproeping op langere termijn is mogelijk gezien het gestelde in artikel 30a lid 3 onder c RV. De minimale termijn van oproeping is vier weken en de maximum termijn is zes maanden. Hier kan behoefte aan bestaan als partijen nog met elkaar proberen een schikking te bereiken onder druk van en procedure. Als een partij een bekende woonplaats buiten Nederland, of in het buitenland woont (grofweg een Europees land), is op grond van artikel 115 RV de termijn om te verschijnen in afwijking van artikel 30a lid 3 onder c RV, ten minste zes weken en is de termijn tussen de betekening bij de verweerder en het verstrijken van de termijn om te verschijnen ten minste vier weken. Verder worden in dit artikel andere afwijkende termijn van oproeping genoemd. Na het verschijnen in de procedure heeft de verweerder binnen de bovengenoemde periode de gelegenheid om een verweer in te dienen. De verweerder kan zelf bepalen om eerder te verschijnen in de procedure; hij hoeft niet te wachten tot het eind van de termijn die de eiser hem daarvoor gegeven heeft. Na verschijning van verweerder, gaat de rechtbank echter door met de procedure en zal de mondelinge behandeling gepland worden. Het is dus niet meer nodig om de zitting te vervroegen door anticipatie. Het huidige artikel 126 RV wordt daarom in het toekomende recht geschrapt.

Regiefunctie rechter
De rechter krijgt meer een regierol. De lijdelijkheid van de rechter wordt in verband met het verloop en de instructie van de zaak formeel afgeschaft ( Herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg, Memorie van Toelichting, 26 855, nr 3 ). De rechter blijft lijdelijk ten aanzien van de aanvang van de procedure en de omvang van het geschil. Het algemene uitgangspunt van het materiële burgerlijk recht dat rechtssubjecten vrij zijn zelf hun rechtspositie te bepalen. Zulks vloeit voort uit het algemene uitgangspunt van het materiële burgerlijk recht dat rechtssubjecten vrij zijn zelf hun rechtspositie te bepalen. Bij de verwezenlijking daarvan in een civiele procedure behoren partijen dientengevolge evenzeer autonoom te zijn. Als er geen termijn is voorgeschreven in de wet en er ook in het landelijk procesreglement geen algemene bepalingen voor indiening van stukken of voor andere proceshandelingen zijn voorgeschreven, bepaalt de rechter in de desbetreffende zaak wat de termijn zal zijn voor de eerstvolgende handeling. Met een aanscherping van processuele mededelingsplichten – en daarmee een beperking van de autonomie van partijen –, kan voorkomen worden dat de rechter zich in het proces van feiten- en waarheidsvinding (nog) actiever (en minder lijdelijk) moet gaan gedragen. De vormgeving van de verhouding tussen de rechter en partijen is daarom aangepast aan de eisen van de tijd. Ten behoeve van de feitenvinding zijn voorschriften opgenomen die tot op zekere hoogte beperkingen opleggen aan de autonomie van partijen. De rechter is volgens in het kader van feitenvinden verplicht om steeds te waken tegen onnodige vertraging van de procedure en kan in alle soorten civiele procedures en in elk stadium van die procedures partijen te bevelen stellingen toe te lichten en bescheiden over te leggen artikel 30o RV. De rechterlijke macht kan tot een vlot verloop van de procedure bijdragen door zich zodanig op te stellen dat een snel verloop van de procedure alsmede het op korte termijn verkrijgen van een beslissing mogelijk zijn. Dergelijke mededelingen worden door de rechter aan partijen doorgegeven via “Mijn Zaak” of via system-to-system. Als het nodig is, vraagt de rechter ontbrekende informatie op en hij stuurt op de voortgang van de procedure. Een snelle, definitieve oplossing van het geschil staat voorop. Er is sprake van strakkere termijnbewaking. Het accent ligt duidelijk wel op de verschijning van partijen ter terechtzitting, doordat partijen minder dan thans de gelegenheid zullen krijgen het debat nadien nog in conclusies voort te zetten. Dit alles is ingegeven om de procedures te verkorten. De rechter moet óók op tijd leveren. Deze termijn kan slechts onder bijzondere omstandigheden worden verlengd (artikel 30q RV).

Het wetsvoorstel brengt geen verandering in het uitgangspunt dat partijen de omvang van het geding bepalen (artikel 23 Rv). Hetzelfde geldt voor het uitgangspunt dat de rechter onderzoekt en beslist op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten grondslag hebben gelegd (artikel 24 Rv) en dat de rechter ambtshalve rechtsgronden aanvult (artikel 25 Rv). De rechter krijgt met dit wetsvoorstel wel meer ruimte om regie te voeren ten aanzien van het verloop van de procedure.

De rechter krijgt met dit wetsvoorstel wel meer middelen om regie te voeren ten aanzien van de voortgang van de zaak. De rechter zal voortaan vanaf het begin van de procedure de verantwoordelijkheid voor het verloop van de zaak op zich nemen.
In dit kader is het van belang op te merken dat de rechter, al dan niet op verzoek van partijen, ook kan bepalen dat voorafgaand aan de indiening van het verweerschrift eerst een regiezitting zal plaatsvinden in zaken die inhoudelijk of qua omvang complex zijn, zodat hij met partijen kan overleggen over het vervolg van de procedure. Tijdens de regiezitting kunnen afspraken worden gemaakt over eventuele extra proceshandelingen en de termijnen die daarvoor gelden (artikel 30o lid 1 onderdeel c RV). Er kunnen in de nieuwe situatie dus meer zittingen plaatsvinden dan in de huidige situatie (maart 2018). Als partij moet je dus ook goed kunnen inschatten welke handelingen nodig zullen zijn in de procedure. Goede kennis van de materie is dus nodig om de noodzakelijke stappen te kunnen nemen. Er kunnen bijvoorbeeld extra zittingen worden afgesproken voor bijvoorbeeld getuigenverklaringen of stukkenwisselingen. Ten slotte kan de mondelinge behandeling door de rechter worden gebruikt om aanwijzingen te geven of om te bevelen andere proceshandelingen te verrichten die hij geraden acht (artikel 30k lid 1 onderdeel d RV). Wanneer partijen geen toestemming krijgen voor het horen van getuigen of partijdeskundigen tijdens de mondelinge behandeling, kan daarvoor een afzonderlijke zitting worden gehouden zoals in de huidige procedure gebruikelijk is. De rechter kan dus ook hier maatwerk leveren. Het wetsvoorstel introduceert in verband hiermee een nieuwe bewijsrechtelijke figuur: de niet door de rechter benoemde deskundige (artikel 30k lid 2 RV) de mogelijkheid deze deskundigen ook ter terechtzitting te doen horen.

Daarnaast kan hij afwijken van het stramien van de basisprocedure indien de aard of complexiteit van de zaak dat nodig maakt (artikel 19 lid 2 RV). Ten aanzien van incidentele vorderingen wordt de hoofdregel dat de rechter daarover beslist tegelijkertijd met de hoofdzaak, tenzij hij meent dat de zaak meebrengt dat daarop als eerste moet worden beslist (artikel 209 Rv). Een partij die een incident instelt, vermeldt dit: indien langs elektronische weg wordt geprocedeerd, op duidelijk kenbare wijze in het elektronisch in te dienen formulier en in de titel van het elektronisch in te dienen processtuk. De rechter geeft de wederpartij een termijn van twee weken voor het indienen van een antwoord in het incident. In spoedeisende gevallen kan de rechter hiervoor een kortere termijn bepalen (artikel 1.9 Landelijke procesreglement KEI).

Mogelijkheden van de verweerder
Eiser heeft zijn vordering geformuleerd in de procesinleiding. De zittingsdag is vastgesteld in het oproepingsbericht. Eiser behoeft dan niet naar de zitting te gaan om zijn vordering toe te lichten. Hij heeft zijn vordering immers duidelijk in de procesinleiding vermeld. Bovendien is eiser niet aan de beurt; dit is het moment dat de vererende partij aan zet is. Het bezoeken van deze geplande zitting is derhalve (voor eiser) niet zinvol. Bovendien is de hoofdregel dat partijen langs elektronische weg dienen te reageren (artikel 30c lid 1 RV). In zaken waarbij partijen in persoon kunnen procederen kan er nog altijd mondeling verweer worden gevoerd (artikel 30i lid 3 RV). In huurzaken is het dus nog steeds mogelijk dat de verwerende partij mondeling verweer voert.

De wederpartij of belanghebbende heeft vier weken in kantonzaken en zes weken in de andere zaken om een verweerschrift in te dienen, te rekenen vanaf het moment waarop zij in de procedure is verschenen (artikel 111 lid 1 onder c RV). In het oproepingsbericht zal dus een termijn om te verschijnen van ten minste zes (vier plus twee) weken, respectievelijk vier maanden (minimaal drie maanden plus twee weken) moeten staan om te voldoen aan de eisen van artikel 115 RV (onder meer betekening buiten Nederland en zonder bekende woon- of verblijfplaats, let ook op de regels van de Betekeningsverordening).

De rol van de verweerder op de zittingsdag:
De verweerder heeft vier opties:

  1. er is geen verweer mogelijk, want de eiser heeft gelijk; verweer is weggegooide tijd; verweerder laat dus verstek gaan;
  2. verweerder heeft geen tijd om de zitting schriftelijk voor te bereiden, of om naar de zitting toe te gaan; verweerder vraagt daarom schriftelijke uitstel voor antwoord aan;
  3. verweerder is het niet eens met de vordering, gaat op de zittingsdag naar de zitting, en voert mondeling verweer;
  4. verweerder voert schriftelijk verweer;

ad 1
In het eerste geval verschijnt de verweerder niet. De rechter zal dan direct vonnis wijzen (een “verstekvonnis”), als de oproeping door de deurwaarder is betekend. Als de oproeping niet is betekend, dan zal de oproeping alsnog door een deurwaarder betekend moeten worden. Daarna zullen alle vorderingen van eiser in beginsel worden toegewezen (de rechter acht de vordering dan noch ongegrond noch onrechtmatig). In de overige drie gevallen verschijnt de verweerder wel in de procedure. Onderstaand bespreek ik de zaak “op tegenspraak”.

Als de verweerder het met de vordering (bijvoorbeeld: een huurachterstand) wel eens is (de huurachterstand is door omstandigheden ontstaan) dan is het toch altijd wel zinvol om naar de zitting te gaan als men wel in staat is om binnen korte termijn aan de verplichtingen te voldoen. Te denken valt dat men de huurachterstand met vakantiegeld, of een dertiende maand binnen korte termijn denkt te kunnen voldoen. Ter zitting kan men de hoofdsom erkennen, maar men kan aan de rechter een terme de grâce vragen om alsnog aan de verplichtingen te voldoen. Door alsnog binnen een maand na betekening van het vonnis de verplichtingen na te komen, voorkomt verweerder dat door de rechter de huurovereenkomst wordt ontbonden (als dit door de verhuurder is gevorderd). Verder kunnen ter zitting altijd de incassokosten worden bestreden. Veel incassobureaus vragen belachelijke bedragen aan incassokosten, terwijl de buitengerechtelijke werkzaamheden vaak zijn beperkt tot het schrijven van één of twee brieven. Dit rechtvaardigt niet toewijzing van honderden euro’s incassokosten. De verweerder wordt daarom geadviseerd altijd verweer tegen incassokosten te voeren. De rechter is gerechtigd om deze kosten te matigen. De rechter mag ook ambtshalve (zonder dat u daarom vraagt) deze kosten matigen, doch de rechter is niet verplicht deze kosten te matigen. Klagen over incassokosten kan de verwerende partij honderden euro’s besparen. De deurwaarder mag naast in rekening gebrachte incassokosten niet apart informatiekosten bij de verweerder in rekening brengen, omdat de informatiekosten een onderdeel zijn van de incassokosten. Mocht dit desondanks zijn berekend dan wordt de verweerder geadviseerd hiertegen ook bezwaar tegen maken.

Als er sprake is van een laag bedrag aan incassokosten (€ 50,-) en de verweerder heeft geen belang bij een terme de grâce én de verweerder is het eens met de gevorderde hoofdsom, dan is het wellicht verstandig om geen verweer te voeren. Elke proceshandeling maakt de procedure langer en duurder. Het eventuele voordeel bij verlaging van incassokosten valt dan weg tegen een verhoging van de proceskosten. Dit geldt alleen als er sprake is van een laag bedrag aan incassokosten, maar niet als het bedrag aan incassokosten boven € 150,- uitstijgt.

Indien de verweerder per ongeluk niet op tijd in de procedure is verschenen, is er overigens nog geen man over boord. Tegen een dergelijke verweerder is “verstek” verleend als het oproepingsbericht door een deurwaarder is betekend en aan de andere formaliteiten is voldaan, aangezien hij op de eerst dienende dag niet is verschenen. Maar meestal duurt het dan nog even alvorens de rechter daadwerkelijk zijn vonnis wijst. Zolang dit vonnis niet is gewezen, kan verweerder alsnog in de procedure verschijnen (artikel 142 RV). Het verstek is daarmee “gezuiverd”, en verweerder zal vervolgens alsnog inhoudelijk op de dagvaarding kunnen reageren.

Ad 2
Partijen krijgen te maken met strakkere termijnen. In beginsel zal binnen vijftien weken na de start van een procedure de mondelinge behandeling plaatsvinden. En alle processtukken dienen uiterlijk tien dagen voor de zitting te zijn ingediend. Een verzoek tot uitstel zal dan ook niet meer zo snel worden gehonoreerd.

Ad 3
U kunt tijdens de zitting bij kantonzaken mondeling verweer voeren. Dit is niet aan te bevelen. De zittingen vinden standaard om 10.00 uur plaats. Alle zaken van die dag worden dan behandeld. Uw zaak kan dan op een veel later tijdstip worden behandeld, waardoor u veel tijd kwijt bent met wachten. Verder is het voor veel mensen moeilijk hun gedachten tijdens een dergelijke zitting te ordenen en vergeet men misschien punten aan te voeren door de omstandigheden van het geval. Voorts geldt dat het ook maar de vraag is of de rechter voldoende tijd en aandacht voor uw mondelinge verweer zal hebben. Een mondeling verweer is derhalve alleen aan te bevelen in simpele zaken. Mondeling kunt u de daarin beschreven punten makkelijk aanvoeren. Voor ingewikkelde kwesties in het kader van gebreken, opschorting van huur, onduidelijke servicekostenoverzichten etc., is het verstandig om de gedachten schriftelijk te ordenen.

Ad 4
De verweerder voert schriftelijk verweer. Het verweer wordt verweerschrift genoemd. Als u nog iets van eiser te vorderen heeft, dan kunt u tevens een tegenvordering instellen.

Het verweerschrift bevat in ieder geval de volgende gegevens: (artikel 3.1.3 Landelijke procesreglement KEI
• ten aanzien van de verweerder of van de belanghebbende die verweer voert:

  • indien het een natuurlijk persoon betreft: de voornamen, de achternaam, het woonadres of het feitelijk verblijfadres in Nederland of daarbuiten, als dit er niet is, het werkelijk verblijf van de verweerder of de belanghebbende of de door de verweerder gekozen woonplaats in Nederland, en, indien hij dit heeft, zijn e-mailadres;
  • indien het een rechtspersoon betreft: de statutaire naam, de statutaire woonplaats en het vestigingsadres of kantooradres en, indien dit er is, het e-mailadres.

• indien de verweerder of de belanghebbende(n) bij gemachtigde of advocaat procedeert:

  • de naam, het (kantoor)adres, het telefoonnummer en het emailadres van de gemachtigde of advocaat;
  • het zaaknummer.

 

Na het verweerschrift is de rechter aan zet. In beginsel zal hij een comparitie van partijen (mondelinge behandeling) gelasten, maar hij kan (in uitzonderingsgevallen) ook beslissen dat er schriftelijk doorgeprocedeerd moet worden (artikel 30j lid 2 RV).

Digitaal procederen – Verkorting termijnen

Het digitaal procederen is nog niet ingevoerd. Het project  digitaliseringsproject Kwaliteit en Innovatie (KEI) wordt als mislukt beschouwd (april 2018). Zie hierover de inleiding bij dit hoofdstuk. Ik vond het toch zinvol om over dit onderwerp de informatie te zetten die ik in de loop van 2017 heb verzameld. Misschien wordt een variant van deze artikelen toch na een korte stop ingevoerd.

Hierbij treft u de versie van het Burgerlijke Boek van Rechtsvordering met betrekking tot het digitale procederen aan. In dit hoofdstuk verwijs ik naar de artikelen in dit wetboek. Er is een versie van Rechtsvordering  gepubliceerd met en zonder artikelen over het digitale procederen. Voor het procederen voor de rechtbank, kantonzaken, is de versie zonder de artikelen over het digitaal procederen van toepassing.

Procesinleiding op grond van artikel 112 Rv (indienen procesinleiding via het systeem)
Volgens artikel 117 RV kunnen de in de artikelen 30a, derde lid, onder c (minimaal 4 weken) genoemde termijn, artikel 115 lid 1 RV (1 minimaal 4 weken, lid 2 minimaal 3 maanden) en artikel 116 RV (minimaal 6 weken) genoemde minimale termijnen kunnen op mondeling of schriftelijk verzoek van de eiser door de voorzieningenrechter of, in kantonzaken, de kantonrechter, zo nodig onder het stellen van voorwaarden, worden verkort. De beschikking wordt vermeld in de procesinleiding of het exploot.

In de procesinleiding wordt dan vermeld dat er een verzoek wordt gedaan tot verkorting van de minimale verschijntermijn. Als minimale termijn waarbinnen de verweerder in de procedure kan verschijnen, wordt gekozen de datum zoals opgenomen in het verzoek tot verkorting van de minimale verschijntermijn. Bij het indienen van de procesinleiding in ‘Mijn Rechtspraak’, wordt het verzoek tot verkorten van de minimale verschijntermijn geüpload. Dat verzoek wordt tegelijkertijd bij de voorzieningenrechter ingediend. Er moet dan tevens een afschrift van de procesinleiding als bijlage worden toegevoegd. De rechtbank uploadt vervolgens de op papier afgegeven beschikking op het verzoek.

Als de rechter het verzoek tot verkorting van de minimale verschijntermijn afwijst, moet de deurwaarder het oproepingsbericht wijzigen naar de minimale verschijndatum volgens de wet.

Procesinleiding op grond van artikel 113 Rv (indiening via de deurwaarder)
Als de zaak via de regeling van artikel 113 RV aanhangig wordt gemaakt (eiser laat een oproepingsbericht bij exploot door de deurwaarder betekenen alvorens hij de procesinleiding indient), dan wordt met een papieren verzoekschrift verkorting van de minimale verschijntermijn aan de voorzieningenrechter voorgelegd. Bij dit verzoekschrift wordt het concept oproepingsbericht met procesinleiding gevoegd. De griffie heft vervolgens griffierecht en geeft een papieren beschikking af. Als het verzoek is toegewezen dient de beschikking te worden geüpload in het systeem van Rechtspraak.nl samen met het exploot van betekening van het oproepingsbericht en procesinleiding. De griffie brengt het griffierecht voor de verzoekschriftprocedure in mindering op het griffierecht voor de procesinleiding.

Digitaal procederen – Termijnen

Het digitaal procederen is nog niet ingevoerd. Het project  digitaliseringsproject Kwaliteit en Innovatie (KEI) wordt als mislukt beschouwd (april 2018). Zie hierover de inleiding bij dit hoofdstuk. Ik vond het toch zinvol om over dit onderwerp de informatie te zetten die ik in de loop van 2017 heb verzameld. Misschien wordt een variant van deze artikelen toch na een korte stop ingevoerd.

Hierbij treft u de versie van het Burgerlijke Boek van Rechtsvordering met betrekking tot het digitale procederen aan. In dit hoofdstuk verwijs ik naar de artikelen in dit wetboek. Er is een versie van Rechtsvordering  gepubliceerd met en zonder artikelen over het digitale procederen. Voor het procederen voor de rechtbank, kantonzaken, is de versie zonder de artikelen over het digitaal procederen van toepassing.

De termijn voor dagvaarding wordt in dit wetsvoorstel vervangen door een termijn voor verschijning door de wederpartij. Deze is opgenomen in artikel 30a lid 3 onder c RV, en bedraagt minimaal vier weken en maximaal zes maanden na de dag van de indiening van de procesinleiding bij de rechtbank of minimaal twee weken en uiterlijk zes maanden (let dus op verschil!) na betekening van de procesinleiding bij de verweerder in het geval de eiser de procesinleiding op het laatste tijdstip moment betekent. Volgens artikel 112 lid 1 RV moet het oproepingsbericht immers binnen twee weken na de dag van indiening van de procesinleiding worden betekend en uiterlijk een dag voor de zittingsdag worden geüpload. In theorie is kan dit nog dezelfde dag gebeuren waarop de procesinleiding is ingediend. Betekening van de procesinleiding kan ook de laatste dag van deze termijn van twee weken plaatsvinden.

De termijn die verweerder heeft om in de procedure te verschijnen is gekozen vanaf het moment van indiening van de procesinleiding bij de rechtbank. Dat is het formele moment waarop de procedure wordt gestart, omdat het moment van indiening bij de rechtbank in het oproepingsbericht wordt aangegeven (artikel 111 lid 2 aanhef RV ). De termijnen worden ambtshalve gehandhaafd, tenzij uit dit reglement anders voortvloeit. In vorderingsprocedures bepaalt de rechter dus de dag en het uur van de mondelinge behandeling zo spoedig mogelijk nadat de verweerder is verschenen, tenzij de rechter ambtshalve of op verzoek van een of meer partijen anders bepaalt. Dit is dus anders dan volgens het huidige systeem (2017). Volgens het huidige systeem worden de verdere handelingen in de procedure op de roldatum beslist. De roldatum wordt in beginsel niet naar voren gehaald.
Indien een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en de rechter van die termijn geen uitstel heeft verleend, vervalt het recht de proceshandeling te verrichten (artikel 1.20 Landelijke procesreglement KEI). Behoudens in de elders in dit reglement genoemde gevallen, wordt uitstel alleen verleend op verzoek van een of meer partijen op grond van klemmende redenen. Daarnaast kunnen partijen bij eenstemmig gemotiveerd verzoek om uitstel vragen. De rechter beslist zo spoedig mogelijk op dit verzoek. De termijn van uitstel is niet langer dan de laatst verleende termijn voor het verrichten van de proceshandeling waarvan uitstel wordt verzocht.
In vorderingsprocedures bepaalt de rechter de dag en het uur van de mondelinge behandeling zo spoedig mogelijk nadat de verweerder is verschenen, tenzij de rechter ambtshalve of op verzoek van een of meer partijen anders bepaalt. Een gemotiveerd verzoek van een partij om uitstel wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk vier werkdagen voor de afloop van de voor de proceshandeling geldende termijn of voor de zitting bij schriftelijk bericht ingediend. De wederpartij reageert bij schriftelijk bericht binnen twee werkdagen na indiening van het verzoek. Een eenstemmig verzoek wordt uiterlijk twee dagen voor de afloop van de voor de proceshandeling geldende termijn gemotiveerd gedaan. De rechter beslist op het verzoek zo spoedig mogelijk na het verstrijken van een termijn van twee werkdagen na indiening van het verzoek of, indien voor die tijd een reactie van de wederpartij is ontvangen, zo spoedig mogelijk na ontvangst van deze reactie.

Uiterlijk twee weken na het indienen van de procesinleiding moet het oproepingsbericht worden betekend (door een deurwaarder of op andere wijze. Inschakeling van de deurwaarder is dus niet noodzakelijk) bij de verweerder (artikel 112 lid 1 RV). Indiening van het exploot van betekening vindt plaats uiterlijk één dag vóór de dag dat verweerder kan verschijnen (artikel 112 lid 1 RV) tenzij verweerder eerder is verschenen.

Wat betreft ontvankelijkheidperikelen geldt dat de rechter zich niet ontvankelijk zal moeten verklaren als de kantonrechter die rechtspreekt in de woonplaats van gedaagde is benoemd in plaats van de plaats waar het gehuurde is gelegen.

Wederpartij heeft – zoals boven reeds duidelijk gemaakt – minimaal een termijn van twee weken (artikel 112 lid 2 RV) nadat de eiser de oproeping heeft bezorgd bij de verweerder, om te verschijnen in de digitale omgeving van de rechterlijke macht. Eiser heeft immers volgens artikel 112 lid 1 RV de verplichting om binnen twee weken na de dag van indiening van de procesinleiding het oproepingsbericht bij de verweerder te betekenen. Als de minimum termijn van oproeping van vier weken is toegepast en eiser laat het oproepingsbericht op de laatste dag van deze termijn van twee weken bezorgen, dan heeft de verweerder nog twee weken om in het geding te verschijnen. Hetzelfde geldt voor de belanghebbende bij een civiele zaak over een verzoek. De verweerder zal dan na het verkrijgen van uitstel van een periode van vier weken binnen acht weken na de start van de procedure verweer moeten voeren.

Als de verweerder op een andere wijze het oproepingsbericht betekend heeft gekregen (dus per post, mail, etc.) en verweerder verschijnt niet op de dag waartegen hij is opgeroepen, dan dient eiser binnen twee weken na de dag waarop verweerder uiterlijk diende te verschijnen, het oproepingsbericht door een deurwaarder laten betekenen bij verweerder. De termijn om te verschijnen zal dan worden verlengd met vier weken na de laatste dag waarop de verweerder diende te verschijnen. Daarna moet de verweerder binnen twee weken verweer voeren in de procedure (als het oproepingsbericht op het laatste moment van deze termijn van twee weken is betekend), dan wel om uitstel voor het indienen van een antwoord verzoeken.

De wederpartij of belanghebbende heeft aldus vier weken in kantonzaken (artikel 30a derde lid onder c Rv) en zes weken in de andere zaken om een verweerschrift in te dienen, te rekenen vanaf het moment waarop zij in de procedure is verschenen (artikel 111 lid 1 onder c RV). In het oproepingsbericht zal dus een termijn om te verschijnen van ten minste zes (vier plus twee) weken, respectievelijk vier maanden (minimaal drie maanden plus twee weken) moeten staan om te voldoen aan de eisen van artikel 115 RV (onder meer betekening buiten Nederland en zonder bekende woon- of verblijfplaats, let ook op de regels van de Betekeningsverordening).

De wederpartij heeft dus een bepaalde termijn om in een procedure te verschijnen (vier weken in kantonzaken (artikel 30a derde lid onder c Rv) en zes weken in de andere zaken) en heeft na het verschijnen in de procedure een termijn van vier weken om het verweerschrift in te dienen. De verweerder wordt geacht in een procedure te zijn verschenen na het indienen van een verweerschrift of na indiening van een schriftelijk bericht dat hij in een procedure betrokken wenst te worden (artikel 114 RV). Enkel het inloggen in het digitaal dossier maakt nog niet dat een partij is verschenen. Dat is pas aan de orde als een partij de taak ‘Meld verschijnen verweerder’ heeft uitgevoerd in Mijn Rechtspraak. Conform artikel 111 lid 2 sub c RV moet in het oproepingsbericht staan vermeld dat de verweerder zijn verweer nog in kan dienen in kantonzaken vier weken en in andere zaken zes weken na de dag waarop hij als verweerder in de procedure is verschenen als bedoeld in artikel 114 RV. Als de verweerder al 1 dag na ontvangst van het oproepingsbericht de mededeling als bedoeld in artikel 114 RV doet, dan begint de termijn van vier weken om het verweer in te dienen dus al te lopen. Een partij die meer tijd aan een verweer wenst te besteden zal dus pas tegen het einde van de in artikel 30a derde lid onder c Rv genoemde termijn in het geding dienen te verschijnen. Daarna krijgt de verweerder dus nog een termijn van vier weken om vanaf dat laatste moment om in de procedure te verschijnen.

Als de wederpartij niet binnen vier weken na de start van de procedure is verschenen, kan de eiser alsnog de deurwaarder inschakelen om te betekenen binnen een (extra) termijn van twee weken (artikel 112 lid 2 RV). De termijn om te verschijnen als bedoeld in artikel 30a derde lid onder c Rv, wordt in dat geval verlengd met vier weken na de laatste dag waarop de verweerder diende te verschijnen, bedoeld in de eerste volzin van artikel 112 lid 2 RV. Als de verweerder niet verschijnt in de procedure na betekening ex artikel 112 RV, dan zal de deurwaarder alsnog het oproepingsbericht betekenen binnen twee weken nadat de verweerder in de procedure had hoen te verschijnen. Als de verweerder 31 januari 2018 in een geding had horen te verschijnen, dan heeft de deurwaarder dus tot en met 14 februari 2018 gelegenheid het oproepingsbericht te betekenen. Na betekening heeft de verweerder in dit voorbeeld vier weken de tijd in het geding te verschijn vanaf 31 januari 2018. (dus niet vanaf het moment van betekening). Het verweerschrift moet binnen vier weken na het verschijnen in de procedure worden ingediend.

De eiser kan in eerste aanleg in plaats van betekening middels artikel 112 lid 2 RV, alvorens de procesinleiding bij het gerecht in te dienen, met inachtneming van artikel 113 RV, een oproepingsbericht bij deurwaardersexploot aan de verweerder laten betekenen. Binnen vijf werkdagen na deze betekening dient de eiser het betekeningsexploot en het oproepingsbericht met de procesinleiding in (artikel 2.1.6 Landelijke procesreglement KEI).

Zo spoedig mogelijk nadat verweerder in de procedure is verschenen als bedoeld in artikel 114 RV (verweerder heeft een verweerschrift ingediend), dan wel na ontvangst van de procesinleiding in een verzoekprocedure, bepaalt de rechter de dag en het uur waarop de mondelinge behandeling plaatsvindt. De termijn tussen de uitnodiging van partijen en de mondelinge behandeling is ten minste drie weken, tenzij sprake is van een behandeling in kort geding.(artikel 30j lid 1 RV).

Als eiser wel kiest voor betekening van de procesinleiding door de deurwaarder, dan dient het exploot van betekening van het oproepingsbericht door de eiser te worden ingediend, uiterlijk op de dag, voorafgaande aan de dag waarop de verweerder ten laatste kan verschijnen, tenzij verweerder eerder is verschenen (artikel 112 lid 1 laatste zinsdeel RV). Indien eiser de oproeping bij exploot als bedoeld in artikel 112 lid 2 RV achterwege laat, wordt hij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

De rechter stelt binnen twee weken na de mondelinge uitspraak een afschrift van het proces-verbaal ter beschikking van partijen. Het afschrift dat wordt verstrekt aan een partij die tot tenuitvoerlegging van de uitspraak kan overgaan, is in executoriale vorm opgemaakt. (artikel 30p lid 5 RV).

Na de mondelinge behandeling volgt binnen zes weken een uitspraak, tenzij dit door bijzondere omstandigheden niet van de rechter kan worden verlangd (artikel 30q RV).

In artikel 115 RV staan afwijkende termijnen van artikel 30a RV genoemd, die gehanteerd moeten worden tussen de betekening bij de verweerder en het verstrijken van de termijn om te verschijnen als de verhuurder geen bekende woon- of verplaats heeft in Nederland of in het buitenland. De procesinleiding moet door een deurwaarder worden betekend als verweerder een bekende woonplaats buiten Nederland heeft in een Staat waar de in artikel 56, eerste lid, bedoelde verordening van toepassing is.

Als de eiser voor de minimale verschijningstermijn van twee weken kiest en eerst de informele en daarna de formele betekeningsweg doorloopt, duurt het maximaal acht weken alvorens een verstekvonnis gewezen kan worden en in totaal maximaal veertien weken alvorens de procedure tot en met het verweerschrift is gevorderd. De tijdwinst die door deze regeling wordt beoogd wordt dus voornamelijk verkregen als partijen kunnen volstaan met de informele betekeningsweg. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat de eiser ook tussentijds kan overgaan tot betekening van het oproepingsbericht, in geval hem duidelijk wordt dat de wederpartij niet van plan is om naar aanleiding van de informele oproeping te verschijnen in de procedure. De termijnen voor het geven van een reactie door verweerder worden dan aangepast conform artikel 112 lid 2 RV. Het lijkt mij dat de termijn om te reageren wordt verlengd met 4 weken na de laatste dag waarop de verweerder diende te verschijnen. Ook als eiser in week 2 na het kenbaar maken van de procesinleiding als bedoeld in artikel 30 d lid 1 RV eiser het oproepingsbericht laat betekenen, dan kan niet worden uitgegaan van deze betekening met terugwerkende kracht door de eiser. Ik ga ervan uit dat dan ook nog geen verstek verleend kan worden. Dat zou vreemd zijn. Een eiser zou dan verstek uit kunnen lokken door een paar dagen voor het verstrijken van de termijn alsnog een oproepingsbericht te betekenen. Als het eerdere verstuurde bericht door eiser verweerder niet heeft bereikt, dan zou verweerder wel heel weinig tijd hebben om in het geding te komen. Er is ook niet voldaan aan het vereiste van artikel 113 lid 3 RV. Ik ga er ook niet vanuit dat de termijn van twee weken als genoemd in artikel 30 a lid 3 sub c RV dan begint te lopen. Het oproepingsbericht is dan immers niet onverwijld betekend. Ik ga er wel vanuit dat eiser door betekening van het oproepingsbericht vóór de in artikel 112 lid 2 RV bedoelde termijn van 2 weken, al heeft voldaan aan de eis tot betekening van het oproepingsbericht als genoemd in dit artikel. Ik ga er dus vanuit dat de rechter bij een tussentijdse betekening van het oproepingsbericht niet verstek zal verlenen, wat wél het geval zal kunnen zijn als het oproepingsbericht van meet af aan is betekend ex artikel 113 RV.

De termijnen zijn te volgen bij de “taken en berichten” in de digitale omgeving van “Mijn Rechtspraak”.

Verjaringstermijn, het versturen van het oproepingsbericht en de ontvangsttheorie
Het tijdstip van verzending van het oproepingsbericht is bepalend voor stuiting van de verjaring. De verjaring kan dus zijn gestuit zonder dat de verweerder van het oproepingsbericht al op de hoogte is gesteld! In artikel 30d lid 3 RV staat immers dat het tijdstip waarop een bericht door de rechter langs elektronische is verstuurd, geldt het tijdstip waarop het bericht het digitale systeem voor gegevensverwerking van de gerechten heeft bereikt. Het kenbaar maken van dit stuk aan wederpartij is dus niet bepalend voor het moment waarop de stuitingshandeling aanvangt. Het nieuwe procesrecht stapt hier dus van de ontvangsttheorie af. Dit blijkt het best uit artikel 30d lid 4 RV. In dit artikel staat immers dat voor personen die hebben afgezien van de digitale bereikbaarheid buiten het digitale systeem voor gegevensverwerking het tijdstip waarop een bericht als bedoeld in deze leden door hem is ontvangen, geldt het tijdstip waarop het bericht voor hem toegankelijk is geworden in het digitale systeem voor gegevensverwerking. Dit is natuurlijk logisch. Voor personen die geen gebruik maken van de digitale omgeving kan immers geen ander ontvangstmoment worden bepaald dan voor de personen de wél gebruik maken van het digitale systeem. Het versturen van een elektronische kennisgeving is hier overigens niet bepalend. Dit maakt toch enig verschil. De persoon die wel gebruik van de digitale omgeving kan zich beroepen op en fout in de verzending als de verzending aantoonbaar niet plaats heeft gevonden.

Dit laat onverlet dat de verjaring natuurlijk al eerder kan zijn gestuit door een stuitingshandeling te verrichten. Dat kan bijvoorbeeld door een brief worden gedaan waarin binnen een termijn van verjaring uitdrukkelijk aanspraak wordt gemaakt op de vordering.

Digitaal procederen – Nieuwe basisprocedure burgerlijk recht

Het digitaal procederen is nog niet ingevoerd. Het project  digitaliseringsproject Kwaliteit en Innovatie (KEI) wordt als mislukt beschouwd. Zie hierover de inleiding bij dit hoofdstuk. Ik vond het toch zinvol om over dit onderwerp de informatie te zetten die ik in de loop van 2017 heb verzameld. Misschien wordt een variant van deze artikelen toch na een korte stop ingevoerd.

Hierbij treft u de versie van het Burgerlijke Boek van Rechtsvordering met betrekking tot het digitale procederen aan, waarnaar ik in onderstaande tekst verwijs.

Deurwaarder niet altijd meer nodig
Uit het nieuwe wettelijke systeem volgt dat de in de oorspronkelijk in de dagvaarding op te nemen gegevens, waarover de eiser bij uitsluiting kan beslissen, voortaan in de procesinleiding worden opgenomen (zie de in artikel 30a lid 3 RV op te nemen gegevens) en dat in vorderingszaken het oproepingsbericht (met daarin opgenomen de procesinleiding) het processtuk is dat aan de wederpartij wordt uitgebracht. Naast gegevens als de volledige naam en woonplaats van de eiser en naam van verweerder (volledige voornamen zijn niet nodig) gaat het hier met name om de gronden van de vordering of het verzoek, de daartegen aangevoerde verweren en de bewijsmiddelen waarover de eiser of verzoeker beschikt. De informatie die voortaan niet meer door eiser wordt verstrekt en ingevolge artikel 111 RV door het gerecht (of de deurwaarder) in het oproepingsbericht wordt opgenomen, betreft de wijze van verschijnen door de verweerder en de gevolgen van het niet-verschijnen, de termijn voor het indienen van een verweerschrift, de verschuldigdheid van griffierecht en in kortgeding de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling (huidig (december 2017) artikel 111 RV, onder g, h, i, j, k en l). De overige informatieverplichtingen uit het huidige artikel 111 Rv zijn verplaatst naar artikel 30a Rv. Na ontvangst van de procesinleiding stuurt de griffier de eiser een oproepingsbericht (artikel 111 lid 1 RV ). Dit oproepingsbericht wordt in principe automatisch gegenereerd en via het digitale systeem aan de eiser ter beschikking gesteld.
Alleen bij natuurlijke personen als eiser die niet digitaal procederen en niet door een rechtsbijstandverlener worden bijgestaan, zal volgens de memorie van toelichting het oproepingsbericht per post worden verzonden ( pagina 2, Memorie van toelichting – Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht ).

Er zijn twee mogelijkheden om de vorderingsprocedure bekend te maken.

  1. De eisende partij zorgt er voor dat het oproepingsbericht plus procesinleiding bij de verwerende partij komt. Conform artikel 111 lid 1 Rv stuurt de griffie zoals boven reeds vermeld een oproepingsbericht na ontvangst van de procesinleiding naar de verzoeker. De verzoeker kan vervolgens zelf de procesinleiding naar de verweerder sturen. Als de eiser voor deze methode voor het starten van een procedure kiest, dan hoeft eiser het oproepingsbericht niet op te stellen. Dat doet immers de griffie. (De procedure volgens artikel 112 Rv). Bij een verkorting van de oproepingstermijn ex artikel 117 RV wordt een verzoek tot verkorting tot deze termijn samen met het oproepingsbericht naar de griffie gestuurd. Na verkregen beschikking wordt deze samen met het oproepingsbericht en de procesinleiding bij de verweerder bezorgd (Zie Werkinstructie verkorting verweertermijn 117 RV KEI).
  2. Partijen kunnen er ook voor kiezen het oproepingsbericht als bedoeld in artikel 111 RV bij de verweerder als exploot te betekenen (zie artikel 111 lid 1 Rv). De deurwaarder stelt oproepingsbericht op en laat dit betekenen aan wederpartij (zie artikel 113 Rv). Als deze methode wordt gekozen, dan wordt het oproepingsbericht door of namens eiser zelf opgesteld. Het exploot moet dan voldoen aan de voorwaarden als genoemd in artikel 30a lid 3 Rv. Vervolgens moet het oproepingsbericht worden ingediend bij de rechtbank. Bij een verkorting van de verschijningstermijn ex artikel 117 RV wordt door eiser een papieren verzoek tot verkorting van de verschijningstermijn aan de voorzieningenrechter gevraagd. Daarbij wordt een oproepingsbericht en een procesinleiding gevoegd. De griffie heft griffierecht en geeft een papieren beschikking af. Als het verzoek is toegewezen wordt na het uitbrengen van het exploot de beschikking, het oproepingsbericht en de procesinleiding geüpload.

De procesinleiding komt in plaats van de dagvaarding
Het voorstel vereenvoudigt het civiele procesrecht door de introductie van één proces inleidend stuk: het verzoekschrift. Dit verzoekschrift vervangt de huidige dagvaarding voor vorderingen en het huidige verzoekschrift voor verzoeken. Een procedure die betrekking heeft op een vordering wordt voortaan aangeduid als vorderingsprocedure. Een “verzoek” leidt tot een verzoekprocedure. Met de invoering van deze geüniformeerde rechtsingang worden de verschillen tussen de huidige dagvaardings- en verzoekschriftprocedure verminderd.

De procedure volgens artikel 112 Rv
Iedere procedure begint met een procesinleiding. In artikel 30a lid 3 Rv staat vermeld waaraan de procesinleiding moet voldoen. Deze procesinleiding wordt door “Mijn Rechtspraak” gegenereerd. Een eiser die langs elektronische weg procedeert, maakt voor het indienen van de procesinleiding gebruik van het daartoe bestemde elektronische formulier dat beschikbaar is via Mijn Rechtspraak. Indien langs de elektronische weg wordt geprocedeerd, stelt het gerecht na ontvangst van de procesinleiding ten behoeve van de eiser in een vorderingsprocedure een oproepingsbericht als bedoeld in artikel 112 Rv beschikbaar in Mijn Rechtspraak. Dat is dus eenvoudiger dan nu het geval is, omdat de opsteller van een dagvaarding nu de variabelen dient te weten bij het opstellen van een dagvaarding. Bij opzet die wordt gegenereerd zal de eiser variabelen in dienen te vullen, zodat deze vanzelf deze eisen tegen komt. De eiser moet zich dan natuurlijk nog steeds bewust zijn dat de volledige voornamen van de natuurlijke persoon die als eiser optreedt vermeld dient te worden, omdat anders nietigheid van het stuk kan volgens bij vermelding van alleen de voorletters. De vorm wordt dus door KEI verzorgd. De termijn voor dagvaarding wordt in dit wetsvoorstel vervangen door een termijn voor verschijning door de wederpartij. Deze is opgenomen in artikel 30a lid 3 onder c Rv, en bedraagt minimaal vier weken en maximaal zes maanden na de dag van de indiening van de procesinleiding bij de rechtbank of minimaal twee weken en uiterlijk zes maanden na betekening van de procesinleiding bij de verweerder in het geval op grond van artikel 113 de procesinleiding na betekening bij de rechtbank wordt ingediend. Bij de procesinleiding voegt de eiser alle beschikbare bewijsstukken ter onderbouwing van zijn vordering.

De procesinleiding wordt vervolgens integraal opgenomen in het oproepingsbericht, dat door het gerecht waar de procesinleiding is ingediend, wordt gegenereerd. De procesinleiding kan in “Mijn Rechtspraak” worden opgesteld. Op “Mijn Rechtspraak” is ongeveer vier bladzijde (A4tjes) ruimte om de vordering te onderbouwen. Dat zal doorgaans niet voldoende zijn. Het is daarom het verstandigst om een eigen document aan te maken en deze onderbouwing te uploaden naar Mijn rechtspraak.nl. Concepten worden bovendien maar 24 uur bewaard. Als het concept niet binnen 24 uur is afgerond, dan zal het concept door het systeem worden verwijderd. Het rechtstreeks invoeren van de onderbouwing in de omgeving van “Mijn Rechtspraak” lijkt daarom – gezien de beschikbaar gestelde ruimte en het tijdsbestek waarbinnen het document gereed moet zijn – alleen handig voor eenvoudige incassozaken. In het oproepingsbericht wordt de procesinleiding integraal opgenomen en het geheel wordt bij de verweerder bezorgd of betekend. In geval van digitale indiening van de procesinleiding wordt het oproepingsbericht digitaal verzonden. In het oproepingsbericht wordt verder vermeld op welke wijze de verweerder in de procedure moet verschijnen, wat de rechtsgevolgen zijn bij niet verschijnen, de uiterste termijn voor indiening van het verweerschrift en het te betalen griffierecht (artikel 111, tweede lid, Rv). Het oproepingsbericht wordt vervolgens aan de eiser ter beschikking gesteld ter bezorging of betekening aan de wederpartij (artikel 112 lid 1 Rv). De eisende partij moet er dus voor zorgen dat dit oproepingsbericht plus procesinleiding binnen twee weken na indiening van de procesinleiding bij de verwerende partij komt. Dat kan hij zelf doen, maar hij kan ook net als vanouds met de dagvaarding, de deurwaarder het oproepingsbericht laten betekenen (de officiële kennisgeving). Als de tegenpartij besluit verweer te voeren, dan kan zijn gemachtigde dat digitaal aangeven. Hij krijgt hiervoor een machtigingscode waarmee hij kan inloggen in het zaakdossier. Vervolgens krijgt hij maximaal 6 weken de tijd om digitaal een verweerschrift in te dienen.

Ontvangstbevestiging en een oproeping ex artikel 112 RV
Het gerecht verschaft de eiser na indiening van de procesinleiding dus een ontvangstbevestiging en een oproeping waarin de procesinleiding is opgenomen. Dit oproepingsbericht wordt in principe automatisch gegenereerd en via het digitale systeem aan de eiser ter beschikking gesteld. Telkens wanneer een van de partijen digitaal een stuk indient bij de griffie, verstuurt de griffier een (automatische) ontvangstbevestiging (zie artikel 30d lid 1 RV). Door het indienen van een procesinleiding is griffierecht verschuldigd. Deze is van belang voor de vraag wanneer het stuk geacht wordt te zijn ingediend. De eiser kan de oproeping vervolgens binnen twee weken na het indienen van de procesinleiding bij het gerecht (laten) bezorgen bij de wederpartij (artikel 112 Rv). De eiser kan dit stuk (bijvoorbeeld per post of per e-mail) naar de wederpartij sturen. Als de wederpartij zich meldt bij het gerecht (vgl. artikel 114 Rv), is duidelijk dat de procesinleiding bij haar is bezorgd. Partijen zijn in dit geval niet afhankelijk van de tussenkomst van de deurwaarder.

Bij een buitenlandse verweerders moet de betekening ex artikel 113 Rv worden gevolgd.

De procedure volgens artikel 113 Rv
De eisende partij kan er ook voor kiezen om eerst de deurwaarder het oproepingsbericht te laten betekenen (artikel 113 Rv) en daarna de zaak digitaal in te dienen bij de rechtbank.

Eerst oproepingsbericht betekenen (artikel 113 Rv)
In deze situatie kan eiser de verweerder eerst oproepen voordat de procesinleiding bij de rechtbank wordt ingediend. In dit geval is het aan de deurwaarder om een oproepingsbericht met een procesinleiding op te stellen en te betekenen (artikel 113 lid 2 Rv). Om de oproepingsberichten niet te veel te laten verschillen heeft de Rechtspraak in nauw overleg met vertegenwoordigers van deurwaardersorganisatie KBvG en de Orde van Advocaten modellen ‘oproepingsbericht met procesinleiding’ vastgesteld  voor de digitale civiele vorderingsprocedure volgens artikel 113 Rv en voor de verzetsprocedure (artikel 113 Rv juncto artikel 143 Rv).

In dat geval dient hij het betekeningsexploot in uiterlijk op de dag voorafgaande aan de dag waarop de verweerder uiterlijk kan verschijnen, tenzij de verweerder eerder is verschenen. In artikel 113 RV staat dat eiser onverwijld het exploot van betekening, het oproepingsbericht en de procesinleiding in moet dienen. Volgens het Landelijke procesreglement KEI dient eiser vijf werkdagen na deze betekening het betekeningsexploot en het oproepingsbericht met de procesinleiding in te dienen.

Bij een buitenlandse verweerder maakt u gebruik van het model oproepingsbericht (voor zaken met een buitenlandse verweerder volgens artikel 113 juncto 115 lid 1 Rv.   Voor verweerders in het buitenland dient dus een deurwaarder ingeschakeld te worden. Dit kan niet op de wijze als genoemd in artikel 112 Rv.

Betekening van exploot aan woonplaats of gekozen domicilie
De basisregel is dat een exploot aan de woonplaats van gedaagde wordt betekend. Als de huurder woonplaats heeft gekozen in het gehuurde kan het exploot aan het gehuurde worden betekend, tenzij de huurder duidelijk niet meer in het gehuurde woonachtig is, dan mag het exploot niet meer aan het gehuurde worden betekend, maar dan moet het exploot ex artikel 54 lid 2 sub RV openbaar worden betekend. Volgens artikel 1:15 BW kan een persoon een andere woonplaats dan zijn werkelijke slechts kiezen, wanneer de wet hem daartoe verplicht, of wanneer de keuze bij schriftelijke of langs elektronische weg aangegane overeenkomst voor een of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen geschiedt en voor de gekozen woonplaats een redelijk belang aanwezig is. Indien de keuze bij langs elektronische weg aangegane overeenkomst geschiedt, is artikel 227a lid 1 van Boek 6 van overeenkomstige toepassing. Als er woonplaats is gekozen, dan is in beginsel de verhuurder gehouden het exploot te betekenen aan het gekozen domicilie. Volgens een vonnis van de rechtbank te Utrecht van 4 januari 2012 ECLI:RBUTR:2012:3382 kan het exploot ook aan het gekozen domicilie van de huurder worden betekend als de gekozen woonplaats alleen in het belang van de huurder is gekozen.

Het belang van de huurder is aanwezig als de huurder niet vaak aanwezig is op zijn woonplaats of niet zeker is dat de berichten hem bereiken omdat er bijvoorbeeld enkel een gezamenlijke brievenbus aanwezig is waardoor niet altijd zeker is dat daarin geworpen post de geadresseerden bereikt. Als partijen daarom het domicilie hanteren als correspondentieadres, dan kan van het genoemde belang aan de zijde van de huurder worden uitgegaan en dan moet het exploot aan het gekozen domicilie worden betekend.
De kantonrechter van de rechtbank te Oost-Brabant was in haar vonnis van 4 november 2014 ( ECLI:NL:RBOBR:2014:6618 ) van mening dat een exploot openbaar betekend moet worden als de huurder wel woonplaats heeft gekozen in het gehuurde, maar daar niet meer woonachtig is. Artikel 115 lid 3 RV is in een dergelijke situatie niet van toepassing.
Los van het gekozen domicilie kan het exploot ook ex artikel 1:14 BW worden betekend aan een kantoor of een filiaal van een persoon ten aanzien van aangelegenheden die dit kantoor of dit filiaal betreffen. Volgens artikel 1:14 BW heeft een persoon die een kantoor of een filiaal houdt, immers ten aanzien van aangelegenheden die dit kantoor of dit filiaal betreffen mede aldaar woonplaats.

Wanneer is de procedure aanhangig?
Het geding is aanhangig met ingang van de dag waarop de procesinleiding is ingediend als bedoeld in artikel 30a lid 1 RV . Volgens het nieuwe artikel 125 RV is het geding aanhangig met ingang van de dag waarop de procesinleiding is ingediend als bedoeld in artikel 30a, eerste lid RV. Met de invoering van deze geüniformeerde rechtsingang worden de verschillen tussen de huidige dagvaardings- en verzoekschriftprocedure (maart 2018) verminderd. In die procedures is de nieuwe eenvoudige basisprocedure het uitgangspunt, die, als de zaak dat verlangt, kan worden uitgebreid met andere proceshandelingen, waardoor er maatwerk kan worden geboden. In de procesinleiding behoeven beduidend minder gegevens te worden opgenomen dan de gegevens die naar huidig recht (maart 2018) in een dagvaarding moeten worden vermeld.

Bij instelling van gecombineerde procedures is dit goedkoper dan de huidige procedure (maart 2018) omdat maar één procesinleiding hoeft te worden opgesteld en maar één keer griffierecht hoeft te worden betaald. Het verschuldigde griffierecht dient door eiser te zijn betaald binnen vier weken te rekenen vanaf de datum waarop de procesinleiding is ingediend. De zaak wordt aangehouden zolang de betaling niet is verricht en de betalingstermijn van vier weken nog loopt, met dien verstande dat de termijn voor het indienen van het desbetreffende processtuk doorloopt. Indien in eerste aanleg wordt geprocedeerd en blijkt dat de eiser het griffierecht niet tijdig heeft voldaan, wordt de zaak verwezen naar een dag op een termijn van twee weken later voor uitlating door de eiser als bedoeld in artikel 127a Rv. In sommige gevallen wordt de zaak niet aangehouden in afwachting van betaling van het griffierecht (bijvoorbeeld: incidenten betreffende een voorlopige voorziening binnen het kader van een bodemprocedure. Zie voor meer voorbeelden artikel 1.15 Landelijke procesreglement KEI. Indien in een vorderingsprocedure de termijn van de verweerder om een verweerschrift in te dienen verstrijkt voordat duidelijk is of de eiser tijdig heeft betaald, dan wel de termijn voor de eiser om zich uit te laten als bedoeld in artikel 127a lid 2 Rv nog loopt, krijgt de verweerder alsnog een termijn om zijn verweerschrift in te dienen. In deze bepaling staat ook een regel over het eventueel door de verweerder verschuldigd griffierecht (artikel 1.14 Landelijke procesreglement KEI).

Oproepingsbericht vorderingsprocedure
Bij een vorderingsprocedure kan gekozen worden hoe en wanneer de procedure bekend wordt gemaakt bij de andere partij:

  • door het indienen van de procesinleiding via Mijn Rechtspraak en de bezorging daarna van het oproepingsbericht van de rechtbank bij de verwerende partij (artikel 112 lid 1 RV ) (dit kan dus zoals boven reeds vermeld op infomele wijze plaatsvinden middels een brief, e-mail of een WhatsApp bericht), of
  • door het opstellen van een oproepingsbericht door de deurwaarder en het betekenen aan de verwerende partij en het daarna aanbrengen van de zaak bij de rechtbank via Mijn Rechtspraak (artikel 113 RV ).

De oproeping moet tijdig worden geüpload. Er kunnen logistieke problemen ontstaan als de deurwaarder binnen twee weken alsnog de procesinleiding moet betekenen nadat verweerder bij de zitting niet op is komen dagen. Als deze termijn niet kan worden gehaald (bijvoorbeeld met het achterhalen van het adres van de verweerder), dan zal de zaak ingetrokken moeten worden, waarna een nieuwe procedure gestart moet worden. Dit leidt tot extra werk voor de aanvrager en extra kosten, want het griffierecht kan niet geheel terug worden gekregen. Boven is al vermeld dat bij intrekking van de zaak voordat de verwerende partij in de procedure is verschenen of uiterlijk had moeten verschijnen, elke eisende partij een derde van het griffierecht verschuldigd blijft (met een maximum van € 75 voor onvermogenden, € 250 voor particulieren en € 500 voor organisaties). Het indienen van een procesinleiding brengt als drukmiddel tot betaling van een bepaald bedrag brengt het risico met zich mee dat na betaling van de wederpartij toch een deel van het griffierecht is verschuldigd. Voor zaken met een hoog bedrag aan griffierecht is het daarom wellicht verstandig de zaak toch door te laten lopen en de hoofdsom met de betaling te verminderen met verzoek wederpartij in de proceskosten te belasten.

Omschrijf de verwerende partij zeer nauwkeurig
Het is van groot belang om de verwerende partij, en diens adresgegevens, zeer nauwkeurig en correct te omschrijven. Zorg bijvoorbeeld voor een uittreksel uit het handelsregister van de kamer van koophandel, teneinde de juiste naam en de correcte adresgegevens te achterhalen. Aan de deurwaarder kan worden gevraagd alvorens de dagvaarding uit te brengen eerst de adresgegevens bij de Gemeentelijke Basis Administratie te verifiëren (artikel 30a lid 3 RV ). De deurwaarder kan ook worden gevraagd te onderzoeken of de debiteur in de schuldhulpverlening zit.

Als een eiser abusievelijk een verkeerde partij in een procedure betrekt, dan is het soms mogelijk door middel van een rectificatie de juiste partij alsnog wordt opgevoerd. Te denken valt aan de situatie dat verhuurder A een pand heeft verhuurd. Verhuurder A behoort tot een conglomeraat, waartoe ook verhuurder B behoort. Verhuurder A en B zijn allebei vennootschappen. Verhuurder A en B hebben dezelfde achterliggende natuurlijke personen. Beide vennootschappen hebben dezelfde advocaat. Als nu verhuurder B abusievelijk in een procedure wordt betrokken in plaats van vennootschap A, dan kan er reden aanwezig zijn op verzoek van eiser vennootschap B te rectificeren in vennootschap A. Deze laatste vennootschap is dan niet in haar vereer geschaad en vennootschap B wist of had moeten weten dat vennootschap A was bedoeld en niet vennootschap B. De Hoge Raad oordeelde in haar arrest van 10 juli 2015 ( ECLI:NL:HR:2015:1844 ) dat een eiser de naam van een gedaagde partij om deze reden kan wijzigingen, waarmee een verkeerd gedagvaarde partij alsnog in de juiste partij kan worden gewijzigd.

Indien de eiser niet heeft voldaan aan enig vereiste zoals vermeld in artikel 30a lid 3 en 4 RV of zoals vermeld in de beide vorige artikelen en het verzuim nog kan worden hersteld, verleent het gerecht hem een termijn van twee weken voor herstel verzuim.

Bij het dagvaardingsformulier was er sprake van een aanzienlijk aantal zaken die geen doorgang konden vinden wegens het niet correct vermelden van de naam- en adres gegevens (De civiele procedure bij de kantonrechter, onderzoek en beleid, evaluatie en vernieuwing door A. Klijn, C. Kozijn en G. Paulides, Gouda Quint, 1994, pagina 26). Het is de vraag of wegens een onjuiste tenaamstelling alsnog een deurwaarder ingeschakeld dient te worden. Er wordt nog wel opgemerkt dat de postbezorging doorgaans een goed en goedkoper alternatief voor de deurwaarder is. Hierbij moet dan ook worden uitgegaan van een juist adres. Een verzoekschriftprocedure (bijvoorbeeld de artikel 7:304 BW-procedure, de aanwijzing van een deskundige in een procedure tot wijziging van de huurprijs) vindt ook plaats buiten de diensten van de deurwaarder om. De verzoeker dient ook hier zelf de juiste gegevens na te gaan. Aangezien voor de juiste gegevens de KvK kan worden geraadpleegd is hierbij de juiste adressering doorgaans geen probleem. Bij huurzaken werd bij de dagvaardingsformulieren vastgesteld dat 91% van de eisers een rechtspersoon was. Verder wil een juiste postbezorging niet zeggen dat daarmee een procedure correct verloopt. een postbode is immers, althans zo was het vroeger, bekend in de buurt. De postbode had aan een halve naam al voldoende om de post correct te laten bezorgen. Een brief met een verkeerde gespelde naam kan weliswaar goed worden bezorgd, maar dat kan in een later stadium toch tot problemen leiden. Een vonnis ten laste van een persoon waarvan de naam niet goed is gespeld, levert in de executoriale fase een groot probleem op. Een vonnis ten laste van een niet bestaande persoon is immers waardeloos. Het zal daarom van belang zijn dat elke persoon een gemeente kan vragen de persoonsgegevens ten behoeve van een partij in een procedure ter beschikking te stellen. Dit is nu voorbehouden aan bepaalde beroepsgroepen, zoals advocaten, notarissen en deurwaarders. Als de verzoeker deze gegevens niet zelf ten behoeve van de procesinleiding op kan vragen, meen ik dat er gesproken kan worden van een hiaat in de regelgeving. Hierbij is nog van belang dat de naamstelling tijdens het voeren van een procedure doorgaans geen aandacht krijgt. Er wordt doorgaans gefocust op de inhoudelijke argumenten, waardoor een rectificatie van de naam (als dat al in een specifieke situatie mogelijk is) van een partij over het hoofd wordt gezien. Bij de executie wordt een onjuiste naamstelling dan vaak wel opgemerkt, maar dan is het te laat, want dan zijn geen correcties meer mogelijk. Verder kan de niet-professionele eiser een aantal zaken vergeten te vorderen, zoals wettelijke (handels) rente, proceskosten, incassokosten, etc. Deze kosten kunnen niet meer worden gevorderd nadat vonnis is gewezen.

In verzoekprocedures beveelt de rechter oproeping van de verzoeker en voor zover nodig van de in de procesinleiding genoemde belanghebbenden. Bovendien kan hij te allen tijde belanghebbenden, bekende of onbekende, doen oproepen. In geval van een procesinleiding waarbij zowel een vordering is ingesteld als een verzoek is ingediend (dus gecombineerde procedures), beveelt de rechter ook de oproeping van de belanghebbende die tevens verweerder bij de vordering is (artikel 30j lid 2 RV). Het is immers niet de bedoeling dat in een gecombineerde procedure aan een niet-verschenen belanghebbende verstek wordt verleend.

De eisende partij kan haar wederpartij laagdrempelig en vrijwel zonder kosten informeren over het begin van de procedure. Het betekent niet dat iedere consument met succes een procedure zal kunnen starten. Bij het wetsvoorstel tot invoering van het dagvaardingsformulier werd al door Ten Berg-Koolen gesteld dat de niet-jurist een specifieke formulier voorgelegd zou moeten worden. Ook bij het juiste formulier rees de vraag of de justitiabele in het algemeen in staat zou zijn het formulier correct in te vullen. Dit werd door haar niet realistisch geacht (Ten BergKoolen, 1989, p. 1580, aangehaald in “de civiele procedure bij de kantonrechter, onderzoek en beleid, evaluatie en vernieuwing” door A. Klijn, C. Kozijn en G. Paulides, Gouda Quint, 1994, pagina 22 en 23). De juiste formulering van de vordering zal in deze nieuwe situatie toch ook een probleem kunnen zijn . Voor incassozaken geldt dat minder. Als iemand een bedrag te vorderen heeft wegens een koopovereenkomst, of de maandelijkse huur onbetaald laat, dan zijn er feitelijk een paar juiste regels nodig om de vordering te onderbouwen.
Er werd in het kader van het gebruik van het dagvaardingsformulier geconstateerd dat een aanzienlijk gedeelte van de gebruikers van het formulier beroep deed op professionele rechtsbijstandverleners. Als conclusie werd dit als volgt samengevat: hier ziet men het verschil tussen het beoogde (een doe-het-zelfvoorziening’) en het gerealiseerde gevolg (‘we doen het samen’) van een wetswijziging geïllustreerd.

Onbetwiste vorderingen
Het staat een eisende partij vrij om desgewenst ook meteen te kiezen voor de tussenkomst van de deurwaarder. De rechter kan de kosten die een eiser maakt voor het inschakelen van de deurwaarder betrekken bij de proceskostenveroordeling, ongeacht of eerst voor een informele kennisgeving is gekozen. Voor dit uitgangspunt is gekozen omdat de eiser niet kan bewijzen dat hij eerst voor een informele kennisgeving heeft gekozen als de wederpartij niet tijdig in de procedure is verschenen.

Een mogelijkheid is dat een schuldeiser in de toekomst inlogt op het digitale systeem van de rechterlijke macht en dan aangeeft dat hij een vermoedelijk onbetwiste geldvordering heeft. Hij krijgt dan de mogelijkheid om een verzoekschrift op te stellen door gebruik te maken van een invulmodel voor onbetwiste geldvorderingen. Hij vult in wie welk bedrag nog aan hem moet betalen en voegt een overeenkomst, facturen en de eventuele correspondentie met de schuldenaar bij. De schuldeiser laat het verzoekschrift vervolgens door een deurwaarder betekenen en wanneer de schuldenaar niet verschijnt, kan de rechter de vordering bij verstek toewijzen, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Het staat de schuldeiser natuurlijk vrij om de schuldenaar informeel op te roepen, maar als hij van te voren al verwacht dat deze niet in de procedure zal verschijnen, dan ligt het in de rede dat hij gelijk een deurwaarder inschakelt. Als de oproeping niet door de deurwaarder wordt betekend bij een verstekzaak, dan eindigt de procedure. Er komt dan geen vonnis, maar de zaak wordt dan zonder vonnis uit de administratie van de rechtbank gehaald. Het griffierecht wordt dan niet volledig gerestitueerd.
Met deze gang van zaken is de afhandeling van incassozaken zonder verweer ook eenvoudiger voor de rechtbank. De vele verstekzaken worden hierdoor eenvoudiger herkenbaar voor de rechtbank en kunnen apart van de basisprocedure efficiënt worden afgedaan.

Indienen stukken
Het is van belang om belangrijke documenten altijd bij procesinleiding te voegen, namelijk als productie. De producties bij de procesinleiding dienen afzonderlijk genummerd te worden. Vóór elke productie kan een productievel worden gelegd, waarop het nummer van de betreffende productie is vermeld. Derhalve: “Productie 1, Productie 2, etc.”. Artikel 30k lid 5 RV vermeldt dat processtukken in beginsel tot tien dagen voor de mondelinge behandeling kunnen worden ingediend.
Als er stukken ontbreken (bijvoorbeeld producties die bij de procesinleiding horen), dan zal door de griffie daarvan een bericht naar de eisende partij worden gestuurd. Het is echter de vraag hoe de griffie dit allemaal kan controleren. De tijd zal het leren hoe men hiermee omgaat.
Stukken die na die termijn of ter zitting worden ingediend, worden door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij artikel 30c lid 8 RV, van toepassing is (het indienen van processtukken op papier) of de goede procesorde zich daartegen verzet. De gedachte hierover luidt als volgt: voor de indiener van een digitaal stuk is het relatief eenvoudig om bijvoorbeeld een stuk van enorme omvang, een grote hoeveelheid stukken of verwijzingen naar websites in te dienen. Om die reden is het mogelijk dat de rechter door partijen overgelegde gegevens of bescheiden buiten beschouwing kan laten als zij op zijn verzoek niet aangeven ter toelichting of staving van welke stelling de gegevens en bescheiden zijn bedoeld en welk onderdeel daartoe van belang is. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 31 januari 2003 (HR 31 januari 2003, NJ 2004, 48) geoordeeld dat indien een partij ook na een verzoek van de rechter om opheldering “ter toelichting of staving van welke stelling het gedeponeerde materiaal is bedoeld en welk (onder)deel van het gedeponeerde daartoe van belang is, onvoldoende heeft voldaan aan de substantiëringsplicht Artikel 30a lid 3 sub 9 RV, “de rechter het gedeponeerde materiaal terzijde kan laten”. Originele stukken of voorwerpen die niet geschikt zijn om langs elektronische weg te overleggen, kunnen ter griffie van het gerecht worden gedeponeerd. Van het depot maakt de griffier een akte op, die aan het digitale dossier aan “Mijn Rechtspraak” wordt toegevoegd.

Uiteraard blijft het mogelijk aanvullende stukken in te dienen als eisende partij naar aanleiding van een verweer van verwerende partij. Te denken valt aan de situatie dat de rechter een mondelinge behandeling heeft gelast na indiening van het verweer door de verwerende partij. De eisende partij kan de stukken die tijdens de mondelinge behandeling worden gebruik aan het dossier toevoegen. Het Landelijke procesreglement KEI zal een regeling bevatten hoe deze documenten moeten worden benoemd. Verder is het nog van belang om op te merken dat indien bij een processtuk meer dan één bewijsstuk wordt gevoegd, deze stukken doorlopend genummerd worden, waarbij de eiser of de verzoeker en de verweerder of iedere belanghebbende ieder een eigen nummering hanteren. Tevens vermeldt het processtuk waarbij de bewijsstukken worden gevoegd, telkens het nummer van het bewijsstuk en de relevantie daarvan voor de procedure, onder vermelding van de relevante passages. Indien langs elektronische weg wordt geprocedeerd, wordt ieder processtuk en ieder bewijsstuk als een afzonderlijk digitaal bestand aangeleverd. Indien meer dan één bewijsstuk wordt ingediend, worden de bewijsstukken op zodanige wijze aangeleverd dat deze bewijsstukken in de juiste volgorde kunnen worden geraadpleegd. Indien een partij al eerder in de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep bewijsstukken in het geding heeft gebracht, wordt bij de nummering van de bewijsstukken uit het vorige processtuk van diezelfde partij aangesloten (zie artikel 1.6 Landelijke procesreglement KEI).

De rechter kan door partijen verschafte gegevens en bescheiden buiten beschouwing laten indien zij op zijn verzoek niet aangeven ter toelichting of staving van welke stelling de gegevens of bescheiden zijn bedoeld en welk onderdeel daartoe van belang is (de aanwijsplicht ex artikel 22b RV). De rechter kan immers op basis van artikel 22 RV in elke stand van de procedure verlangen dat een bepaalde stelling wordt toegelicht. Hiermee wordt bedoeld dat deze gegevens het standpunt moeten onderbouwen of dat duidelijk moet zijn dat deze gegevens het standpunt onderbouwt. De vermelding van het verweer en de substantiëringsplicht (de vermelding van de verweermiddelen) staat nu artikel 30a lid 3 onder f RV. Door deze regel lijkt de substantiëringsplicht een minder grote rol te gaan spelen in dier voege dat de partij die door onkunde of slordigheid verzuimt zijn stellingen te onderbouwen door de rechter alsnog in gelegenheid gesteld kan worden dit standpunt nader te onderbouwen. Ik zie geen verplichting van de rechter om dit te doen. Ik vraag mij af of dit niet tot willekeur zal leiden. Als de rechter een partij niet welgevallig is (bijvoorbeeld de gemachtigde die bekend is bij een bepaalde rechtbank en die geen goede verstandhouding met de rechter heeft) dan is het de vraag waar de administratieve ondersteuning eindigt en waar het risico van partijdigheid begint op te spelen.

Digitaal procederen – Beknopt overzicht van de mogelijke processtappen in een procedure

Het digitaal procederen is nog niet ingevoerd. Het project  digitaliseringsproject Kwaliteit en Innovatie (KEI) wordt als mislukt beschouwd (april 2018). Zie hierover de inleiding bij dit hoofdstuk. Ik vond het toch zinvol om over dit onderwerp de informatie te zetten die ik in de loop van 2017 heb verzameld. Misschien wordt een variant van deze artikelen toch na een korte stop ingevoerd.

Hierbij treft u de versie van het Burgerlijke Boek van Rechtsvordering met betrekking tot het digitale procederen aan. In dit hoofdstuk verwijs ik naar de artikelen in dit wetboek. Er is een versie van Rechtsvordering  gepubliceerd met en zonder artikelen over het digitale procederen. Voor het procederen voor de rechtbank, kantonzaken, is de versie zonder de artikelen over het digitaal procederen van toepassing.

De nieuwe basisprocedure, die de huidige dagvaarding opvolgt, heeft vaste termijnen:

  • 1 schriftelijke ronde (artikel 30k lid 5 RV);
  • een mondelinge behandeling bij de rechter (artikel 30j RV);
  • en een uitspraak.
  • 1 schriftelijke ronde (artikel 30k lid 5 RV );
  • de verweerder is informeel opgeroepen en komt niet opdagen. Deze informele wijze van oproeping kan via allerlei manieren plaatsvinden. Dit kan dus via een brief, via de mail, via een WhatsApp bericht, etc. Er wordt geen verstek verleend als de verweerder niet op dit informele bericht reageert. De eiser zal het oproepbericht alsnog via een deurwaarder moeten betekenen (artikel 112 lid 2 RV en artikel 112 lid 3 RV , omdat de eiser anders niet-ontvankelijk wordt verklaard. Als een gemachtigde namens de verweerder in een procedure wenst te verschijnen, dan moet de verweerder zijn toegangscode (staat in het oproepingsbericht) vermelden van zijn zaak “mijn Rechtspraak”. Deze gemachtigde kan met deze toegangscode verschijnen in deze zaak. Zonder deze toegangscode kan de gemachtigde niet verschijnen. De griffie mag niet meer op naam of adres zoeken, maar kan bij telefonische vragen slechts zoeken op zaaknummer vanwege de regels omtrent privacy;
  • een mondelinge behandeling bij de rechter (artikel 30j RV);
  • en een uitspraak.

Digitaal procederen – Het maken van een procesinleiding

Het digitaal procederen is nog niet ingevoerd. Het project  digitaliseringsproject Kwaliteit en Innovatie (KEI) wordt als mislukt beschouwd (april 2018). Zie hierover de inleiding bij dit hoofdstuk. Ik vond het toch zinvol om over dit onderwerp de informatie te zetten die ik in de loop van 2017 heb verzameld. Misschien wordt een variant van deze artikelen toch na een korte stop ingevoerd.

Hierbij treft u de versie van het Burgerlijke Boek van Rechtsvordering met betrekking tot het digitale procederen aan. In dit hoofdstuk verwijs ik naar de artikelen in dit wetboek. Er is een versie van Rechtsvordering  gepubliceerd met en zonder artikelen over het digitale procederen. Voor het procederen voor de rechtbank, kantonzaken, is de versie zonder de artikelen over het digitaal procederen van toepassing.

Na het inloggen op Mijn Rechtspraak wordt een verschil gemaakt tussen de verschillende hoedanigheid van partijen:

De niet professionele partij en niet rechtspersonen
De partij start een procedure door het invullen van een digitaal formulier dat de gerechten via het webportaal zullen aanbieden aan de rechtzoekenden. Een deel van de gegevens die nu in een dagvaarding, een verzoekschrift of een beroepschrift moeten worden vermeld, komt in dat formulier terug. Zo moeten de gronden van de vordering, het verzoek of het beroep worden ingevuld door de rechtzoekende. Het formulier zal worden toegespitst op de specifieke omstandigheden van een zaak. Het document dat door invulling en digitale verzending van het formulier ontstaat, is de procesinleiding of het beroepschrift.

De verzoeker of indiener van een beroepschrift kan de stukken ter onderbouwing van zijn standpunten meteen digitaal “uploaden”. De procesinleiding kan ook worden geupload. De professionele dienstverlener zal hiertoe vaak genoodzaakt zijn. In het invoerveld waarin de procesinleiding geschreven moet worden is maar ruimte voor circa vier A4tjes. Dat is bij een goed onderbouwde procesinleiding waarin de gronden en de verweren moeten worden vermeld vaak te weinig ruimte. vandaar dat de procesinleiding doorgaans moet worden geformuleerd buiten het systeem om in een tekstverwerkingsprogramma moet worden geformuleerd, waarna dit document dan kan worden geüpload. Voor een simpele incassozaak zal doorgaans voldoende ruimte aanwezig zijn.

Hieronder treft u aan welke personen gebruik kunnen maken van de verschillende ingangen om het digitale systeem te benaderen.

De burger
Burgers maken in beginsel gebruik van DigiD en niet-natuurlijke personen van e-Herkenning.

Burgers en Zzp’ers (zowel voor zaken in de uitoefening van bedrijf als privézaken) kunnen desgewenst op papier procederen (artikel 30c lid 4 NRv).

Voor de vennootschap onder firma, de commanditaire vennootschap en de maatschap geldt dat zij noch onder de categorie rechtspersonen, noch onder de categorie natuurlijke personen vallen. In het griffierecht worden zij beschouwd als niet-natuurlijke personen en betalen zij het griffierecht voor de categorie rechtspersonen. In die zin moet ook het gebruik van de term “natuurlijke personen” worden opgevat in de artikel 30c lid 4 Rv en 8:36 b, eerste lid, Awb. Daartoe behoren niet de rechtspersonen en ook niet alle andere niet-natuurlijke personen in de zin van vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen en maatschappen. In het geval van een vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap komt procesbevoegdheid toe aan de personenvennootschap zelf. Deze vennootschappen dienen dus digitaal te procederen.

Daarnaast heeft een vennoot van een vennootschap onder firma de bevoegdheid om een procedure namens de personenvennootschap te beginnen (artikel 17 Wetboek van Koophandel). Hetzelfde geldt voor de beherend vennoot van een commanditaire vennootschap. Een maatschap heeft als zodanig geen procesbevoegdheid. Wel kunnen de maten gezamenlijk de maatschap vertegenwoordigen. Een maat kan ook bevoegd zijn om voor de gehele maatschap een beslissing te nemen. In een dergelijk geval zijn de maten dus gebonden aan deze bevoegd genomen beslissing. De individuele maten worden in dat geval procespartij in de procedure. Dit zijn allen natuurlijke personen, die gebruik zouden kunnen maken van de mogelijkheid om op papier te procederen. Als zij die procedure echter voeren in naam van de vennootschap of maatschap, dienen zij zoals boven al gemeld digitaal te procederen. In de genoemde gevallen kan de rechter vrij eenvoudig vaststellen of iemand als privé persoon dan wel in naam van de vennootschap of maatschap procedeert, zodat de verplichting voor deze natuurlijke personen om digitaal te procederen niet tot onduidelijkheden voor de rechter zal leiden.

De professionele partij
Voor de professionele (rechtsbijstand, deurwaarders, advocaten, juridische adviseurs, IND en UWV, etc.) partij wordt een zogenoemde “system to system” voorziening, waardoor de digitale systemen van grote ketenpartners die vaak als procespartij optreden enerzijds en de rechtspraak anderzijds eenvoudig kunnen worden gekoppeld gecreëerd. Voor de digitale verzending wordt daarom – met de huidige stand van de techniek – gebruik gemaakt van e-Herkenning voor de authenticatie en de (veiligheids)waarborgen. Bedrijven en bestuursorganen loggen in met e-Herkenning.
De verweerder (of zijn gemachtigde) kan zijn verweer en bewijsstukken op dezelfde wijze indienen.

Derde belanghebbende en betrokkenen
Betrokkenen bij een verzoek en derdebelanghebbenden in een bestuursrechtelijke zaak kunnen, net als andere bij een procedure betrokken partijen, toegang krijgen tot (een specifiek onderdeel van) “Mijn Zaak”. KEI Rechtspraak zal ervoor zorgdragen dat persoonsgegevens die in het digitale systeem worden opgenomen naar behoren worden afgeschermd, zodat niet meer toegang wordt gegeven dan in het kader van de procedure noodzakelijk is. Via een authenticatie- en autorisatiesysteem zullen ook anderen dan partijen toegang moeten kunnen krijgen tot “Mijn Zaak” voor het indienen van stukken, zoals bijvoorbeeld een deskundige die zijn deskundigenbericht gereed heeft.

Digitaal procederen – Hoe wordt een digitale procedure gestart?

Het digitaal procederen is nog niet ingevoerd. Het project  digitaliseringsproject Kwaliteit en Innovatie (KEI) wordt als mislukt beschouwd (april 2018). Zie hierover de inleiding bij dit hoofdstuk. Ik vond het toch zinvol om over dit onderwerp de informatie te zetten die ik in de loop van 2017 heb verzameld. Misschien wordt een variant van deze artikelen toch na een korte stop ingevoerd.

Hierbij treft u de versie van het Burgerlijke Boek van Rechtsvordering met betrekking tot het digitale procederen aan. In dit hoofdstuk verwijs ik naar de artikelen in dit wetboek. Er is een versie van Rechtsvordering  gepubliceerd met en zonder artikelen over het digitale procederen. Voor het procederen voor de rechtbank, kantonzaken, is de versie zonder de artikelen over het digitaal procederen van toepassing.

Er wordt bij de indiening van een zaak gevraagd om een e-mailadres op te geven. Wie voortaan digitaal wil procederen, maar dat niet uit professionelen hoofde doet, start een procedure door het invullen van een digitaal formulier op het webportaal van de rechtbank. Een deel van de gegevens die nu in een dagvaarding, verzoekschrift of een beroepschrift moeten worden vermeld, komt in dat formulier terug. Zo moeten de gronden van de vordering, het verzoek of het beroep worden ingevuld door de rechtzoekende. Het formulier zal worden toegespitst op de specifieke omstandigheden van een zaak. Het document dat na invulling van het formulier ontstaat, is het verzoekschrift of het beroepschrift. De bewijsstukken moeten ook mee worden gestuurd.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen het starten van de civiele vorderingszaken volgens artikel 112 Rv en het starten van een procedure volgens artikel 113 Rv. In het onderdeel “Nieuwe basisprocedure burgerlijk recht” werk ik dit onderscheid verder uit.

Op grond van artikel 6:11 Awb geldt dat een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift toch ontvankelijk is indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Als tijdstip waarop een bericht door de rechter langs elektronische weg is ontvangen, geldt het tijdstip waarop het bericht het digitale systeem voor gegevensverwerking van de gerechten heeft bereikt. Een eventuele termijnoverschrijding die als gevolg van een tijdelijke verstoring van het digitale systeem plaatsvindt, kan op grond van deze bepaling doorgaans niet aan een procespartij worden toegerekend. In het bestuursrecht wordt al enige tijd op vrijwillige basis digitaal geprocedeerd in asiel- en bewaringszaken. Daar gaat nogal eens wat fout. Als de beroepsgronden niet tijdig worden ingediend, zal de rechter beoordelen of dat het gevolg is van een storing of falen van het systeem. Op 31 maart 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State haar eerste uitspraak gedaan ( ECLI:NLRVS:2017:888 ). Uit deze uitspraak blijkt dat als het systeem geen ontvangstbevestiging heeft verstuurd na het indienen van de gronden, dan niet voor rekening van de indiener komt en het beroep ontvankelijk is, omdat niet kan worden aangetoond dat de gronden tijdig zijn ingediend.
Voor het civiele procesrecht is een vergelijkbare bepaling voorgesteld (artikel 30f Rv); dergelijke termijnoverschrijdingen zijn in beginsel verschoonbaar en hebben geen invloed op de ontvankelijkheid van de eiser of het betrekken van stukken in de procedure. Het is de verantwoordelijkheid van de professionele indiener om van zijn kant zorg te dragen voor betrouwbare eigen voorzieningen. De rechtbank toetst in elk individueel geval of verschoonbaarheid kan worden aangenomen. Ik vraag mij alleen af op welke wijze deze tijdelijke verstoring aangetoond moet worden. Als je op het laatste moment stukken wenst in te dienen en dat werkt niet, dan zal je daarvan geen bevestiging binnen krijgen. Wellicht is het handig dan een printscreen te maken, of hiervan telefonisch en bevestiging van de griffie te krijgen. Hierbij dient wel bedacht te worden dat de rechter formeel geen acht hoeft te slaan op een toezegging van de griffie. Dit is en blijft de verantwoordelijkheid van de jurist. Overigens zal de indiener van stukken via het digitale systeem van de gerechten per ommegaande een ontvangstbevestiging ontvangen wanneer de indiening is geslaagd. Indien geen ontvangstbevestiging is ontvangen, moet de verzender ervan uitgaan dat de stukken vooralsnog niet zijn ontvangen door de rechter en gepaste actie ondernemen door bijvoorbeeld de stukken persoonlijk te overhandigen.

De procesinleiding moet worden ondertekend. Dit geldt natuurlijk niet voor de bijlagen/producties bij de procesinleiding. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht moeten aanvragen, bezwaar- en beroepschriften worden ondertekend. Hetzelfde geldt op grond van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering voor onder andere conclusies en akten (artikel 30a lid 4 Rv en artikel 30c lid 3 Rv).

Onderscheid tussen natuurlijke personen en andere hoedanigheden
Met dit wetsvoorstel wordt de digitale weg de hoofdweg. Het digitaal starten van de procedure en het digitaal indienen van (proces)stukken wordt verplicht ex artikel 30c Rv. Wanneer een natuurlijke persoon een procedure wenst aan te spannen of in rechte wordt betrokken en op grond van de wet verplicht zou zijn om digitaal te procederen, terwijl hij niet beschikt over de juiste middelen of vaardigheden om aan die verplichting te voldoen, ontstaat een onwenselijke situatie. Dergelijke natuurlijke personen zouden in dat geval feitelijk van de rechter worden afgehouden of in hun verdediging worden geschaad, hetgeen in strijd zou kunnen zijn met artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Het ligt minder voor de hand om een uitzondering te maken voor natuurlijke personen die wel over de juiste middelen beschikken, maar om hun moverende redenen geen gebruik wensen te maken van de digitale mogelijkheden die de Rechtspraak hen biedt. Voorlopig wordt een verplichting voor alle natuurlijke personen in Nederland te ver geacht. Daarom is de natuurlijke persoon of informele vereniging niet verplicht om digitaal te procederen. Dat moet weer wel als deze natuurlijke persoon wordt vertegenwoordigd door en advocaat of gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent (artikel 30c lid 4 Rv jo artikel 30o lid 1 onder c Rv). Voor de verplichting om digitaal te procederen wordt voor verenigingen wel onderscheid gemaakt tussen een vereniging die informeel is opgericht dan wel bij notariële akte. Alle overige partijen dienen digitaal te procederen. Dat geldt voor de formele vereniging en alle overige rechtspersonen. Tevens geldt dit voor de samenwerkingsverbanden zoals de vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen en de maatschappen.

Meer regels over het digitaal procederen treft u aan in het Reglement digitaal procederen.

Mondeling antwoord op een eis blijft mogelijk bij kantonzaken
Als een verweerder/persoon in persoon wenst te verschijnen en mondeling verweer wenst te voeren, dan blijft dit mogelijk bij kantonzaken (artikel 30i lid 2 Rv).

Er bestaat een herstelmogelijkheid als niet is voldaan aan het aanleveren van de stukken op de voorgeschreven digitale wijze. De rechter kan de desbetreffende partij in de gelegenheid stellen dit verzuim te herstellen binnen een door hem te bepalen termijn. Maakt de eiser of verzoeker van deze gelegenheid geen gebruik, dan kan hij in de vordering of het verzoek niet ontvankelijk worden verklaard dan wel kan de rechter het stuk buiten beschouwing laten.(artikel 30c lid 6 NRv). De rechter kan ook bepalen dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor stukkenwisseling op papier (artikel 30c lid 6 Rv).

Integriteit elektronische documenten
De inhoud van een elektronisch document is vaak relatief eenvoudig te wijzigen. De integriteit van digitale documenten is lastiger vast te stellen dan bij papieren documenten. Met integriteit wordt gedoeld op de zekerheid dat het document in digitale vorm volledig is en niet onbevoegdelijk is gewijzigd. Daarom is het noodzakelijk informatie vast te leggen en te bewaren over de eigenschappen van digitale documenten, de auteur(s) hiervan en in de tijd aangebrachte wijzigingen, zodat het altijd mogelijk is de integriteit ervan te verifiëren. Het vastleggen en bewaren van die informatie vereist een zogeheten ‘unbroken custody’ ofwel ononderbroken beheer van digitale documenten. Zo kan inzicht worden verkregen in de levenscyclus van elk digitaal document dat onderdeel uitmaakt van het dossier: van het moment van creatie of inzending tot de archivering. Het doel hiervan is integriteit van digitale documenten vast te stellen, dat wil zeggen het met zekerheid vaststellen dat het document in digitale vorm overeenkomt met het “origineel” en niet onbevoegdelijk is gewijzigd.

Elektronisch zegel of waarmerk
Een document kan eerst op papier worden opgemaakt waarna vervolgens een digitale kopie wordt gemaakt. Het papieren document wordt gescand of gekopieerd. Documenten moeten worden aangeleverd in PDF. De hardheid en veiligheid van PDF wordt overschat. Het is gemakkelijk om van een pdf kopieën te maken en belangrijke stukken weg te laten. Daarom moeten er extra waarborgen worden verstrekt om deze documenten veilig te stellen tegen bewerking nadat deze zijn ingeleverd. Documenten met een afbeelding dienen als PDF/A bestand opgeslagen te worden. Documenten die in PDF worden aangeleverd worden automatisch opgeslagen in PDF/A formaat. Aangezien de lay-out door deze conversie kan wijzigen is het aan te raden zalf een conversie programma aan te schaffen, waardoor de documenten in PDF/A aangeleverd kunnen worden. Daarna kan, naar analogie van het verzegelen ofwel waarmerken van afschriften, een elektronisch zegel of waarmerk worden toegepast. Hiermee verklaart een persoon die het digitaal afschrift heeft gemaakt, dat het document echt en oorspronkelijk is. Voorts verzekert het zegel ofwel waarmerk dat controle mogelijk is op de integriteit ofwel het ongewijzigd blijven van het document.

Digitale ondertekening
Het vereiste van digitale ondertekening heeft verschillende functies, waarvan de belangrijkste zijn:

  • de identificatie van de afzender;
  • de blijk van instemming met de inhoud van het bericht;
  • aanvaarding en/of begrip van de rechtsgevolgen;
  • de bevestiging van de wilsuiting.

In zijn oorspronkelijke betekenis hield het vereiste van ondertekening in dat iemand zijn naam eigenhandig (op zijn of haar eigen karakteristieke wijze) onder een document schreef. Deze manier van ondertekening wordt ook wel aangeduid als “natte handtekening”. Een dergelijke handtekening is in een elektronische omgeving niet toepasbaar. Om die reden zijn (beveiligings)technieken ontwikkeld waarmee aan de doelstellingen van de oorspronkelijke handtekening kan worden voldaan. In bepaalde gevallen zijn deze wellicht zelfs beter, omdat ook bij gebruikmaking van de klassieke “natte handtekening” niet in alle gevallen volledige zekerheid bestaat omtrent de identiteit van de afzender. De dagvaarding werd door de deurwaarder ondertekend. De procesinleiding wordt door de eiser ondertekend (artikel 30c lid 3 en 4 Rv).

Het digitale systeem van de gerechten laat toe dat personen zich op verschillende manieren kunnen identificeren (DigiD en eHerkenning). Op het moment dat een document ondertekend wordt, zal degene die dat moet doen, op de hoogte worden gesteld van het belang en de functie van deze handeling. Vervolgens worden, na ondertekening, identiteitsgegevens van de ondertekenaar gekoppeld aan het document. Daartoe hoeft niet opnieuw te worden geïdentificeerd. Door te bevestigen dat er ondertekend wordt, worden de identiteitsgegevens die bij het inloggen aan de sessie zijn gekoppeld, aan het document gekoppeld. In artikel 30c lid 3 NRv staat vermeld wat onder een elektronische handtekening wordt verstaan. Hieronder wordt verstaan een handtekening die bestaat uit elektronische gegevens die gehecht zijn aan of logisch verbonden zijn met andere elektronische gegevens en die worden gebruikt door de ondertekenaar om te ondertekenen. De algemene maatregel van bestuur waarnaar wordt verwezen, betreft het Besluit digitalisering. In artikel 5 van het Besluit Digitaal procederen worden de eisen waaraan de elektronische handtekening moet voldoen nader uitgewerkt. Volgens dit artikel dient de elektronische handtekening aan de volgende eisen te voldoen:

  • de ondertekenaar heeft zich geauthentiseerd met een middel dat voldoet aan de eisen gesteld in artikel 3 van dit besluit; en
  • zij is op zodanige wijze verbonden aan het elektronische bestand waarop zij betrekking heeft, dat de identiteit van de ondertekenaar, het moment van ondertekening en elke wijziging na ondertekening van het document kunnen worden achterhaald.

Indienen processtukken
In de nieuwe basisprocedure dienen partijen voorts (proces)stukken uitsluitend in bij het gerecht, en wordt niet langer een exemplaar aan de wederpartij gezonden, zoals nu (maart 2018) bij kantongerechten duidelijk is (in uitzonderlijke gevallen draagt de kantonrechter de verplichting op om naar de tegenpartij een kopie van de stukken te sturen). De stukken worden vervolgens via het digitale systeem voor gegevensverwerking van de gerechten ter beschikking gesteld van alle betrokkenen. Een wederpartij die elektronisch procedeert kan binnen twee werkdagen na de dag van de ontvangst van het bericht, op een schriftelijk bericht reageren (artikel 1.5 Landelijke procesreglement KEI).

Digitaal procederen – inleiding

Bij het herschrijven van dit hoofdstuk zou de digitalisering van het procederen worden ingevoerd. In 2017 en het eerste kwartaal van 2018 hebben bedrijven veel gedaan om de aansluiting met Rechtspraak.nl te realiseren. Volgens de media (bericht 10 april 2018 NRC.nl) moet de digitalisering van de rechtspraak opnieuw worden gedaan, maar dan minder ambitieus. Digitaal procederen komt er voorlopig niet. Het huidige digitaliseringsproject Kwaliteit en Innovatie (KEI) wordt stopgezet. Dat schrijft de Raad voor de rechtspraak, de organisatie van de rechterlijke macht, aan minister Sander Dekker (Rechtsbescherming, VVD).

Het project kostte tot nu toe zo’n 220 miljoen euro, een overschrijding van ruim 200 miljoen van de oorspronkelijke begroting van 7 miljoen euro.

In dit hoofdstuk zal ik in het kort naar het project KEI verwijzen. Ik ga ervan uit de procesrechtelijke aspecten over het digitale procederen niet geheel naar de  vuilnisbak verwezen zullen worden. Het kan geen kwaad te verwijzen naar de regels van het digitale procederen.