Correctie uitspraak door Huurcommissie

Het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden heeft in haar arrest van 23 april 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:3557) een beslissing moeten nemen over de vraag of de Huurcommissie een beschrijving in haar beslissing nog mocht corrigeren. Het hof was van oordeel dat dit wel het geval was.

Op 5 juni 2014 heeft de Huurcommissie op dit verzoek beslist en de huurprijs met ingang van 1 december 2013 tijdelijk verlaagd tot € 243,30 per maand tot alle gebreken zijn hersteld. In deze uitspraak is onder meer het volgende vermeld: “Tijdelijke verlaging. De huurprijs wordt tijdelijk verlaagd tot 40% van € 243,30 per maand. (…) Begin en einde van de tijdelijke huurverlaging (…) De huurverlaging geldt totdat alle gebreken zijn hersteld. Vanaf de eerste van de maand nadat alle gebreken zijn hersteld, moet de huurder weer de huurprijs van € 293,29 betalen. (…)”.

Op 5 november 2014 heeft de verhuurder een verzoek in gediend bij de Huurcommissie om de huurprijs van € 293,29 weer in rekening te mogen brengen. Op dit verzoek heeft de Huurcommissie op 24 maart 2015 beslist. De uitspraak is op 2 april 2015 verzonden. In deze uitspraak is onder meer het volgende vermeld: “ Kern van de uitspraak  “De gebreken worden geacht te zijn verholpen. De huur bedraagt met ingang van 1 december 2014 € 293,29 per maand”. De verhuurder mag daarom met ingang van 1 december 2014 de overeengekomen huurprijs van € 243,30 per maand in rekening brengen.

Op 19 juni 2015 heeft de Huurcommissie (na de beroepsperiode) aan de verhuurder en de huurder een brief gestuurd. In deze brief staat onder andere het volgende: “Gebleken is dat in de uitspraak met bovengenoemd zaaknummer een storende fout is gemaakt. Een uitspraak van de Huurcommissie kan niet worden herzien, tenzij er sprake is van een overduidelijke verschrijving of van een eenvoudige ambtelijke misslag. De gemaakte fout heeft betrekking op een onjuiste notatie van de naam van de hoogte van de overeengekomen huurprijs. Abusievelijk staat onder het kopje ‘Beslissing’ niet de overeengekomen, maar de verlaagde huurprijs vermeld. In dit geval is dus sprake van een verschrijving. (…) U dient de uitspraak als volgt te lezen: De verhuurder mag de overeengekomen prijs van € 293,29 per maand met ingang van 1 december 2014 aan de huurder in rekening brengen. (…)”

De huurder heeft over de periode waarover de verlaging gold het onjuiste huurbedrag betaald. De verhuurder startte een procedure om het verschil tussen de door de huurder betaalde huur en het bedrag aan huur dat zonder de verschrijving betaald diende te worden. De kantonrechter wees de vordering af. Het hof was een andere mening toegedaan. Het hof stelde vast dat het herstellen van een verschrijving in een beslissing van de Huurcommissie geen wettelijke basis kent. Het hof zag aanleiding om voor de beoordeling van deze zaak aansluiting te zoeken bij de procedure voor het verbeteren van kennelijke fouten in rechterlijke uitspraken, zoals bepaald in artikel 31 Rv. Op grond van dit artikel verbetert de rechter te allen tijde – op verzoek van een partij of ambtshalve – in zijn vonnis, arrest of beschikking een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Dit betekent dat de rechter ook nádat een vonnis of arrest in kracht van gewijsde is gegaan of tegen een beschikking geen rechtsmiddelen meer openstaan, de fout kan herstellen.

Het is de vervolgens vraag of het vermelden van de foutieve huurprijs in de beslissing van de Huurcommissie kan worden aangemerkt als een kennelijke rekenfout, schrijffout of een andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Het hof acht daarbij de volgende feiten en omstandigheden van belang. In haar beslissing van 5 juni 2014 heeft de Huurcommissie de huurprijs tijdelijk verlaagd. Dat het om een tijdelijke verlaging ging, is meerdere keren in de beslissing vermeld. Dit moet voor de huurder dus duidelijk zijn geweest. Op 5 november 2014 heeft de verhuurder aan de Huurcommissie gevraagd of, en zo ja met ingang van welke datum, zij de overeengekomen huurprijs van € 293,20 weer in rekening mag brengen. Bij de beoordeling van dit verzoek heeft de Huurcommissie overwogen dat de verhuurder voldoende heeft ondernomen om de eerder geconstateerde gebreken te herstellen, maar dat de huurder daaraan niet heeft meegewerkt. Daarbij heeft de Huurcommissie opgemerkt dat de huurder geen eisen kan stellen aan de omvang en wijze van herstel. Geoordeeld is dat de gebreken die de reden waren voor de tijdelijke verlaging van de huurprijs geacht worden te zijn verholpen. Vervolgens heeft de Huurcommissie beslist dat de huurder de leges moet betalen. Daarbij is toegelicht dat degene die in het ongelijk wordt gesteld, de leges is verschuldigd. De Huurcommissie heeft in haar beslissing twee keer het onjuiste bedrag van € 243,30 vermeld, maar in beide gevallen is daarbij weergegeven dat het de overeengekomen huurprijs betrof. Onder het – vetgedrukte – kopje ‘kern van de uitspraak’, is bovendien wel het juiste bedrag van € 293,20 weergegeven.

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat het voor beide partijen duidelijk was dat het vermelde bedrag van € 243,30 een kennelijk schrijffout was. Deze vergissing leende zich voor verbetering, ongeacht of de termijn van artikel 7:262 lid 1 BW was verstreken en het niet langer mogelijk was om de beslissing aan de rechter voor te leggen. Het hof verwerpt dan ook de stelling van [Geïntimeerde] dat Sint Joseph (als professionele partij) binnen die termijn om rectificatie had moeten vragen. Dit betekent dat de huurder gebonden is aan de verbeterde beslissing, namelijk dat zij met ingang van 1 december 2014 € 293,20 per maand moet betalen aan de verhuurder.