De gronden van de opzegging bij opzegging bedrijfsruimte

De huur kan door de verhuurder worden opgezegd tegen het einde van de huurperiode van vijf jaar. Als de huurperiode langer heeft geduurd dan vijf jaar, maar korter dan 10 jaar dan kan de huur tegen het einde van die periode worden opgezegd. Deze gronden van opzegging gelden ook na afloop van een verlengde huurovereenkomst (zie artikel 7:300 BW). Deze vordering kan alleen worden toegewezen als één van de in artikel 7:296 lid 1 BW genoemde gronden zich voordoen. Als zo’n grond zich voordoet moet de rechter de vordering toewijzen. Noot 46 Voor een afweging van belangen is geen plaats. Met name is dit van belang bij de opzeggingsgrond “dringend eigen gebruik”. Dit is anders dan bij toepassing van deze opzeggingsgrond bij woonruimte (zie voor het verschil het hoofdstuk opzegging dringend eigen gebruik bij woningen).
Hieronder worden de opzeggingsgronden puntsgewijs met een korte uitleg behandeld.

Een procedure in het kader van huurbeëindiging zal zich in het algemeen eerst concentreren op grond van de concrete beëindigingsgronden. Als een van deze punten van toepassing is moet de rechter de vordering toewijzen. Als deze punten niet tot een huurbeëindiging kunnen leiden zal de verhuurder zich als laatste redmiddel om tot huurbeëindiging te komen kunnen richten, op de afweging van belangen.

De volgende opzeggingsgronden kunnen worden aangevoerd ter beëindiging van de huurovereenkomst:

  1. de bedrijfsvoering van de huurder is niet geweest zoals een goed huurder betaamt;
  2. de verhuurder heeft het gehuurde dringend nodig voor eigen gebruik;
  3. beëindiging van de huur op grond van een afweging van belangen;
  4. de huurder stemt niet in met een redelijk aanbod tot aangaan van een nieuwe overeenkomst;
  5. de verhuurder wenst een op het verhuurde liggende bestemming te verwezenlijken.