De praktijk van de Warmtewet

De Warmtewet stelt een schriftelijke leveringsovereenkomst verplicht die een aantal gegevens dient te bevatten. Al eerder in dit hoofdstuk is naar voren gebracht dat het bestaan van een schriftelijke overeenkomst geen constitutief vereiste is voor de levering van warmte. Bij het ontbreken van een leveringsovereenkomst die voldoet aan de voorwaarden van de Warmtewet (zie het onderdeel: “De overeenkomst tot levering van warmte” in dit hoofdstuk).

De huurovereenkomst bevat vaak onvoldoende gegevens om te kunnen voldoen aan de voorwaarden die aan een leveringsovereenkomst warmte worden gesteld. Doorgaans staat immers in het huurcontract welke diensten door de verhuurder geleverd zullen worden. De aanvullende bepalingen die volgens de Warmtewet in het leveringscontract vermeld dienen te worden, staan normaliter niet in het huurcontract vermeld die tot op heden zijn gesloten. Zo staat in het huurcontract doorgaans niet een minimum- en een maximumtemperatuur van de te leveren warmte vermeld. Voorts staat in het huurcontract doorgaans geen compensatieregeling bij een ernstige verstoring in de levering van warmte opgenomen.

De leverancier (verhuurder) zal ook een voorschotbedrag met de huurder overeen moeten komen. Dit is nu in het huurcontract al wel vaak geregeld, doch dit voorschotbedrag zal met inachtneming van de regels van de Warmtewet op andere wijze samengesteld dienen te worden. Het voorschotbedrag per maand kan per woning als volgt worden vastgesteld: het totaal aantal woningen in een complex x de vastrechtkosten + het totaal gemiddelde gigajouleverbruik x de gigajouleprijs gedeeld door het aantal woningen gedeeld door 12.
De eindafrekening wordt dan ook eenvoudiger. De verbruiker zal bij moeten betalen als deze meer gigajoules heeft verbruikt, dan waarmee in het voorschotbedrag rekening is gehouden en de verbruiker zal geld terug krijgen als deze minder gigajoules heeft verbruikt, dan waarmee in het voorschotbedrag rekening is gehouden. De Warmtewet geeft geen regels voor bepaling van een voorschotbedrag.
Daarnaast moet in de leveringsovereenkomst de nieuwe maximum prijs (prijs van gebruikersafhankelijk deel en gebruiksonafhankelijk deel) worden vermeld. Als de overeengekomen prijs niet wordt vermeld, dan treedt van rechtswege de door het ACM vastgestelde maximumprijs in werking.
Het is verstandig in de leveringsovereenkomst te vermelden dat er in de zomermaanden geen verplichting is warmte te leveren (uitgezonderd warm tapwater). Daarnaast gelden specifieke verplichtingen, die in dit onderdeel al zijn behandeld.
Het is verstandig de huurdersorganisaties tijdig van deze wijzigingen op de hoogte te brengen. Conform artikel 5a Wohv is immers bij wijziging in het door de verhuurder gevoerde beleid ten aanzien van de vaststelling van servicekosten als bedoeld in artikel 7:237 lid 3 BW voorafgaande instemming van de huurdersorganisatie nodig. Dat door de wet deze beleidswijziging wordt doorgevoerd lijkt dit niet anders te maken.

De leverancier (verhuurder) kan de volgende berekening maken voor bepaling van de maximumprijs. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de formules in de artikelen 1 tot en met 4 van het Warmtebesluit.

De maximumprijs voor levering van warmte bestaat uit een gebruiksafhankelijk en een gebruiksonafhankelijk deel dat wordt berekend volgens de volgende formule ( artikel 2 van het Warmtebesluit).
De bedragen waaruit de maximumprijs is opgebouwd wordt door de ACM aangeleverd. De leverancier (verhuurder) heeft deze berekening dus niet zelf te maken. Het is verstandig als de leverancier (verhuurder) deze berekening zelf ook maakt op basis van haar eigen cijfers. De leverancier (verhuurder) kan dan immers zien of de componenten waaruit de maximumprijs is opgebouwd afwijkt van de specifieke situatie en daarmee beoordelen of de maximumprijskostendekkend is.
De maximumprijs voor levering van warmte bestaat uit een gebruiksafhankelijk en een gebruiksonafhankelijk deel dat wordt berekend volgens de volgende formule.

Pmax w = VKw + Pw * Ww = € 318,95 + € 28,47 (prijsbasis 2019) * Ww (zie voor alle prijzen over de afgelopen jaren hier)

Pmax w = de maximumprijs voor de levering van warmte in het jaar t;
VK w = de vaste kosten in het jaar t, uitgedrukt in euro;
P w = de variabele kosten in het jaar t, uitgedrukt in euro per gigajoule;
W w = het jaarverbruik van de warmteverbruiker, uitgedrukt in gigajoule.

Het vaste deel wordt vastgesteld met inachtneming van de formule. VKw = VKg + Delta GK (artikel 3 van het Warmtebesluit).

VK w = de vaste kosten in het jaar t;
VK g = de jaarlijkse vaste kosten van het transport, de levering en de aansluiting van gas, bestaande uit:
a. het gemiddelde van de vaste tarieven voor gaslevering van de bekende overeenkomsten tussen leverancier en verbruiker voor éénjaarscontracten met vaste prijs op basis van het G1 tarief van de drie grootste Nederlandse gasleveranciers, voor het jaar t,
b. het gewogen gemiddelde van de transportonafhankelijke verbruikerstarieven voor afnemers met een G6 aansluitingen van de netbeheerders van de gastransportnetten niet zijnde de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, voor het jaar t,
c. het gewogen gemiddelde van de transportafhankelijke verbruikerstarieven voor de G6 aansluitingen van de netbeheerders van gastransportnetten niet zijnde de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, voor het jaar t, en
d. het gewogen gemiddelde van de periodieke aansluittarieven voor de G6 aansluitingen van de netbeheerders van gastransportnetten, niet zijnde de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, voor het jaar t;

VKg = € 175,56 (excl. BTW). Voor de berekening zie de paramaters voor de berekening van de maximumprijs die het ACM in december 2018 in haar model volgens het besluit met kenmerk ACM/UIT/503429, zaaknummer ACM/18/034209,  heeft berekend.

en

Delta GK = GKg – GKw – Ke (artikel 3 van het Warmtebesluit ).
a. de kapitaalslasten van een cv-ketel; jaarlijkse afschrijvingslasten op basis van een lineaire afschrijving en vermogensvergoeding op basis van gemiddelde resterende levensduur en reële vermogenskostenvoet; b. de onderhoudskosten op basis van een jaarlijks onderhoudscontract; c. de meetkosten op basis van het gewogen gemiddelde van de meettarieven voor G6 aansluitingen van de gasmeter van de netbeheerders van de gastransportnetten niet zijnde de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, voor het jaar t.

GKw = de gebruikskosten bij warmte, bestaande uit;
a. de kapitaalslasten van een warmtewisselaar; jaarlijkse afschrijvingslasten op basis van een lineaire afschrijving en vermogensvergoeding op basis van gemiddelde resterende levensduur en reële vermogenskostenvoet;
b. de onderhoudskosten op basis van een jaarlijks onderhoudscontract;
c. de meetkosten op basis van het gewogen gemiddelde van de meettarieven voor G6 aansluitingen van de gasmeter van de netbeheerders van de gastransportnetten niet zijnde de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, voor het jaar t;
Ke = de meerkosten van elektrisch koken;
Delta GK = € 88,03 (excl. BTW). NB: meetkosten cv en warmte vallen tegen elkaar weg. Voor de berekening zie de paramaters voor de berekening van de maximumprijs die het ACM in december 2018 in haar model volgens het besluit met kenmerk kenmerk ACM/UIT/503429, zaaknummer ACM/18/034209, heeft berekend.

Voor de formule van het variabele deel verwijs ik naar artikel 4 van het Warmtebesluit .

Pw = gemiddelde gasprijs/ (brandstofrendement * bovenwaarde verbrandingswaarde aardgas);
Brandstofrendement = 0,79 (gebaseerd op rendement ruimteverwarming (0,94) inclusief warmtapwater voorziening (0,65));
Gasprijs = 0,67 euro per m3 (rekenwaarde).
Pw = € 28,47 inclusief BTW per GJ (prijsbasis 2018). Voor de berekening zie de paramaters voor de berekening van de maximumprijs die het ACM in december 2017 in haar model volgens het besluit  met kenmerk ACM/UIT/503429, zaaknummer ACM/18/034209 heeft berekend.

In het onderdeel “De In rekening te brengen kosten” is al uitgelegd dat gebruiksonafhankelijke deel (vastrecht) en het variabele gigajoule-tarief in euro’s worden jaarlijks vooraf door de ACM wordt vastgesteld. Deze twee componenten vormen de maximumprijs bij een gebruik van 1 gigajoule. Voorts is in dit laatstgenoemde onderdeel van dit hoofdstuk al opgemerkt dat de ACM bij haar controle of de maximumprijs correct wordt toepast niet de onderliggende bedragen toetst waaruit deze prijs is opgebouwd. Voor de leverancier van warmte is het daarom mogelijk een eigen tarief tot stand te brengen, waarbij een combinatie van bedragen wordt toegepast die afwijken van de door de ACM weergeven bedragen waaruit de maximumprijs bij een verbruik van 1 gigajoule is opgebouwd. Het lijkt mij dat een combinatie van onderliggende bedragen slechts is toegestaan zolang de maximumprijs (dus de maximumprijs bij verbruik van 1 gigajoule vermenigvuldigd met de verbruikte gigajoules in jaar t) voor de levering van warmte in het jaar waarop de eindafrekening betrekking heeft niet wordt overschreden, die wordt berekend met inachtneming van deze maximumbedragen.

Bij toepassing van de maximumbedragen die hierboven als voorbeeld zijn genoemd, (basis 2019) geeft dit dus het volgende beeld van de in rekening te brengen kosten bij een warmteverbruik van 30 gigajoule per jaar: € 318,95 + € 28,47 * 30 = € 1.173,05 (prijsbasis 2019). Dit is de maximumprijs op basis van het daarbij weergeven verbruik.

In mijn beleving mag de leverancier (verhuurder) alleen een andere combinatie van de onderliggende bedragen waaruit de maximumprijs is samengesteld opvoeren zolang deze combinatie niet tot gevolg heeft dat de in rekening te brengen kosten bij een warmteverbruik van 30 gigajoule per jaar het bedrag van € 1.173,05 overschrijden. Zouden deze componenten worden gewijzigd in een bedrag van € 250 (vastrecht) en € 36 (gigajouleprijs), dan blijft de maximumprijs bij een verbruik van 1 gigajoule weliswaar € 286, doch deze combinatie van bedragen heeft tot effect dat de kosten van het warmteverbruik uitstijgen boven met maximumbedrag dat bij een warmteverbruik van 30 gigajoule per jaar berekend mag worden. Met de laatstgenoemde variabelen luiden de verbruikskosten immers per jaar bij een warmteverbruik van 30 gigajoule: € 250 + € 36 * 30 = € 1330. Dit bedrag is hoger dan het bedrag van € 1.173,05 dat met een warmteverbruik van 30 gigajoule per jaar berekend mag worden. Deze combinatie van bedragen is dus niet toegestaan. De leverancier zit altijd goed als hij beide componenten onder het daarvoor geldende maximum bedrag stelt.

De Huurcommissie maakt echter doorgaans twee berekeningen. Eén berekening op basis van de geldende maximumprijzen en één waarbij het verbruik wordt berekend op basis van de omrekenformule zoals boven weergegeven. Als de verschuldigde bedragen op basis van de omrekenformule lager uitkomen, dan op basis van de maximumprijzen, dan gaat de Huurcommissie van deze lagere bedragen uit. De Huurcommissie gaat ook hierbij uit van de redelijkheid van de in rekening te brengen bedragen. Dit lijkt mij echter geen juiste benadering, omdat deze redelijkheidstoets al in de berekening van de maximum huurprijs zit verwerkt. Dat is natuurlijk anders wanneer het huurrecht op deze berekening wel van toepassing is. De Huurcommissie is er ook na januari 2014 uitgegaan van een redelijke vergoeding als genoemd in artikel 7:259 lid 1 BW. Daarnaast is in artikel 2 Warmtewet vastgelegd dat de levering geschiedt tegen redelijke voorwaarden. Uit de Memorie van Toelichting bij de Warmtewet blijkt dat een restrictieve uitleg van het begrip ‘redelijkerwijs aan de warmtelevering toe te rekenen aantoonbare kosten’ op zijn plaats is. In de Memorie van Toelichting, pagina 21 op de Warmtewet,  is tevens vermeld dat de maximumprijs niet kan worden doorberekend als de redelijke prijs lager zou zijn. De verbruikers die een andere hoedanigheid hebben dan die van huurder kunnen een beroep dan op artikel 2 Warmtewet als de leverancier een hoger bedrag in rekening wenst te brengen dan de werkelijke kosten (als deze nog onder de maximum prijs liggen). De huurder kan zich beroep op zowel artikel 7:259 BW en artikel 2 Warmtewet als er hoger kosten in rekening worden gebracht dan de werkelijke kosten. Dit is zo ook beslist in het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 januari 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:202).

Ter voorkoming van verwarring bij de verbruiker over de in rekening gebrachte bedragen doet de leverancier er goed aan om de berekende waarden onder of op het maximumtarief te stellen. Dat geldt eens te meer als er een discussie over de het aantal verbruikte gigajoules per jaar mogelijk is. Als de kosten onder de maximumprijs ligt is erdoor de verbruiker geen inhoudelijke discussie mogelijk, behoudens hierboven genoemde uitzonderingen ten behoeve van huurders. TNO heeft in haar rapport (De bescherming van de consument op grond van de Warmtewet, TNO (centrum voor economische vraagstukken) 2011) op bladzijde 50 berekend dat een gemiddeld warmteverbruik van een zuinig huis met een zuinige bewoner circa 19 gigajoule per jaar beloopt. Een gemiddeld warmteverbruik van een onzuinig huis met een onzuinige bewoner beloopt circa 52 gigajoule per jaar. De verbruiker zal zelf de moeite moeten nemen door bovengenoemde berekening de maximumprijs te berekenen. Er moet dan wel op bedacht worden dat de ACM de parameters waarop met name de gigajouleprijs wordt bepaald vlak voor de jaarwisseling zal vaststellen en goedkeuren voor elk volgend jaar. Er moet dus goed nagekeken worden welke bedragen door de ACM vastgesteld worden. De kosten voor de warmtekostenverdelers en/of eventuele collectieve warmtekosten komen daar nog bij (zie het onderdeel “De in rekening te brengen kosten“).