De voorschotbedragen ivm de benoeming van de deskundige

De meest gerede partij bij het aanvragen van een deskundige zal zich moeten realiseren dat een verzoek op grond van artikel 7:304 BW tot aanwijzing van een deskundige kan leiden, waarbij het voorschot van inschakeling van de deskundige doorgaans door degene die het verzoek heeft gedaan, gedragen dient te worden. Dit voorschot is vaak gelegen tussen de € 4000 en de € 7000.

Als de huurder een verzoekschriftprocedure start tot benoeming van een gezamenlijk te benoemen deskundige, dan zal de rechter, als aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, een deskundige benoemen die het onderzoek uit moet voeren. De rechter zal doorgaans de verzoeker (=meest gerede partij) belasten met het voorschotbedrag dat de deskundige in rekening brengt. De deskundige krijgt dus in sommige gevallen rechtssreeks de opdracht tot bepaling van de huurprijs van de rechter. De rechter geeft doorgaans wel aan dat de deskundige met zijn onderzoek zal starten als het voorschot bij de griffie is ontvangen. Dit is feitelijk niet de juiste wijze van handelen, zoals ook uit het volgende onderdeel blijkt. De deskundige hoort de betaling rechtstreeks van de opdrachtgever te krijgen en deze betaling hoort niet via de griffie te lopen. Als de betaling desondanks ten onrechte via de griffie loopt, dan zal de deskundige niet eerder opdracht krijgen het onderzoek plaats te laten vinden dan nadat het voorschotbedrag ter griffie binnen is.

In de noot bij de uitspraak van de kantonrechter te Arnhem van 5 september 2008 (ECLI:NL:RBARN:2008:BH4510, WR 2009,21) wordt een benadering gegeven over de benoeming van de deskundige ex artikel 7:304 BW en de daarnaast opgelegde verplichtingen ten laste van één van de partijen. In deze noot wordt gesteld dat de rechter zich alleen bezig moet houden met de benoeming van de deskundige en niet met zaken als het doen laten storten van een voorschot ter griffie van de rechtbank. Aangezien hier normaliter sprake is van een eindbeschikking past het vragen van een voorschot in verband met inschakeling van een deskundige niet bij deze procedure. Het is daarom aan de meest gerede partij om met de aangewezen deskundige buiten de rechter om afspraken te maken over de kosten van het onderzoek en de wijze van betaling. In een door mij gevoerde procedure had de rechtbank Den Haag, locatie Den Haag, (repnr. 5057611 RPVERZ 16-50357) in strijd met deze wijze van handelen de verzoeker ex artikel 7:304 BW na aanwijzing van een deskundige verzocht het voorschotbedrag aan de griffie van de rechtbank te betalen. Het maakte feitelijk in deze zaak weinig uit, omdat de zaak inmiddels was geregeld. Ik adviseer partijen de rechter altijd duidelijk te maken welke procedure gangbaar is. Veel rechters beschouwen deze zaak als een deskundigenbericht in een lopende procedure. Dat is dus onjuist.

De rechter geeft immers op grond van artikel 7:304 BW een eindbeschikking. In dit systeem past niet dat de zaak bij de griffie blijft hangen in afwachting van de betaling van het voorschot, nadat de deskundige is aangewezen. Dit is meer een passende benadering bij een tussenbeschikking. Dat blijkt ook uit het feit dat de rechtbank geen actie onderneemt als het voorschot niet betaald wordt. Voorts is het doorgaans de meest gerede partij die het voorschot moet betalen. Het is ook in zijn belang om in overleg met de deskundige de kosten van de deskundige zo laag mogelijk te houden. Het is toch een beetje vreemd dat de griffie met de deskundige in overleg treedt over de hoogte van de voorschotbedragen en de kosten van de deskundige. Het is toch voldoende dat een deskundige wordt benoemd, waarna de “meest gerede partij” verder over de kosten van de deskundige met deze deskundige in onderhandeling kan treden. In artikel 7:304 BW wordt immers gesproken over de benoeming van de deskundige, doch de randverschijnselen (kosten, etc.) worden niet ingevuld.

Als de huurder het voorschot dus voldoet, gaat de deskundige aan de slag. De totale kosten van het onderzoek belopen doorgaans een bedrag tussen de € 4000 en de € 7000. Als uit dit onderzoek blijkt dat de huurprijs niet significant naar beneden is bijgesteld, dan zal het doorgaans niet veel zin hebben om een vordering tot verlaging van de huurprijs in te stellen. De huurder heeft dit bedrag aan onderzoekskosten dan (achteraf gezien) onnodig moeten uitgeven.
Als de huurder wel opgedragen krijgt het voorschot te voldoen, maar hij voldoet het voorschot niet, dan vindt het onderzoek geen doorgang. De kosten van de deskundigen zullen dan niet doorbelast kunnen worden. De tegenpartij zal dan wellicht zijn redelijk gemaakte advocaatkosten door kunnen belasten als duidelijk is dat de huurder onnodig een procedure is gestart.