De wettelijke regeling over huurprijsverhoging en renovatie

De wettelijke regeling voor de huurder van niet-geliberaliseerde woonruimte is vastgelegd in artikel 7:255 BW. Er geldt vanaf 1 januari 2019 een drempelbedrag van € 3 per maand. De te vorderen huurverlaging moet dus hoger zijn dan het bedrag van € 3 per maand. (artikel 9 lid 4 UHW). De mogelijkheid tot verhoging van de huurprijs als gevolg van renovatie is een verhoging op grond van de wet. Dit komt het beste tot uitdrukking bij niet-geliberaliseerde woonruimte. Het gevolg van deze regeling is dat bij niet-geliberaliseerde woonruimte niet de door partijen overeengekomen huurprijs geldt, maar de prijs die conform de wettelijke regeling van verhoging van de huurprijs tot stand komt als de huurder bezwaar maakt tegen deze huurprijs bij de Huurcommissie. Voor geliberaliseerde woonruimte geldt wel de hoofdregel dat een overeengekomen huurprijs in het kader van renovatie partijen bindt, zonder dat deze overeengekomen huurprijsverhoging in een later stadium teruggedraaid kan worden.

Als partijen die zijn betrokken bij een geliberaliseerde huurovereenkomst een huurverhoging zijn overeengekomen in verband met de geriefsverbeteringen in of aan het gehuurde, dan bestaat er geen wettelijke basis hier later op terug te kunnen komen. Voor niet-geliberaliseerde woonruimte ligt dit anders, omdat er voor deze categorie woonruimte wettelijke regels bestaan die het mogelijk maken een overeengekomen huurverhoging wegens renovatiewerkzaamheden terug te laten brengen naar een redelijke verhoging.

Dit hoofdstuk heeft voornamelijk betrekking op de positie van de huurder van niet-geliberaliseerde woonruimte. Voor de huurder van niet-geliberaliseerde woonruimte zijn bepaalde regels van toepassing waaraan partijen zich dienen te houden bij de berekening van de huurprijs in verband met het renovatievoorstel. De regeling van artikel 7:255 BW geldt niet voor geliberaliseerde woonruimte. De huurder van geliberaliseerde woonruimte zal zijn bezwaren tegen de renovatie en over de redelijkheid van de voorgestelde huurprijs bij de rechter kenbaar moeten maken op grond van onder meer artikel 7:220 lid 3 BW.