Er is sprake van een vervaltermijn waarbinnen het verzoek gedaan moet worden

De termijn waarbinnen de verlenging kan worden gevraagd betreft een vervaltermijn. Het verzoek tot verlenging moet dus uiterlijk een maand voor het verstrijken van de door de rechter vastgestelde schorsingstermijn worden ingediend. Het betreft hier een vervaltermijn. Is het verzoek te laat ingediend, dan is de verzoeker niet ontvankelijk. Dit overkwam een huurder, die te laat een verlengingsverzoek had ingediend. De rechtbank Overijssel, locatie Almelo, achtte in haar beschikking van 18 maart 2019 ( ECLI:NL:RBOVE:2019:915) de huurder niet ontvankelijk in haar verlengingsverzoek, waarin een verlenging voor een tweede termijn werd gevraagd.

Het definitieve uiterste ontruimingstijdstip is dan de laatste dag van de verlengingstermijn die is vastgesteld in de eerste c.q. tweede verlengingsbeschikking. In de beschikkinghoudende niet-ontvankelijkverklaring wordt geen ontruimingstermijn bepaald en wordt evenmin een veroordeling tot ontruiming uitgesproken; lid 7 is niet van toepassing. De verhuurder zal zich dan bij de rechtbank een vordering tot ontruiming van de onroerende zaak tegen de gewezen huurder moeten verschaffen. Dit betekent dat de verhuurder door vordering in een dagvaarding toestemming tot ontruiming van de onroerende zaak aan de rechter moet vragen. De vordering kan worden gebaseerd op grond van het gestelde feit dat een gebouw door een (rechts)persoon zonder “recht of titel” wordt gebruikt.

Is het eerste verzoek ingediend kort voor het verstrijken van de wettelijke verlengingstermijn van twee maanden, dan zal de kantonrechter binnen negen maanden na indiening uitspraak moeten doen, wil de gewezen huurder nog tijdig zijn verlengingsverzoek in kunnen dienen. De gewezen huurder doet er dus verstandig aan deze termijn goed in het oog te houden. en zo nodig, een voorwaardelijk verlengingsverzoek indienen, indien hij ziet aankomen dat een beschikking (op het eerste verlengingsverzoek) niet voldoende tijdig zal worden gegeven. Dit geldt ook als de procedure zo lang heeft geduurd dat de rechter nog niet is toegekomen aan een beslissing en de periode waarop normaliter na een beslissing een verlengingsverzoek ingediend zou moeten worden is bereikt. De huurder doet er dan goed aan alsnog een voorwaardelijk verlengingsverzoek in te dienen. Zie rechtsoverweging 27 van het arrest van het Gerechtshof ‘s-Gravenhage van 9 november 2010 (ECLI:NL:GHSGR:2010:BO6553).

Bij het tweede (en volgende) verlengingsverzoek dient de kantonrechter uit te gaan van de rechtsverhouding zoals deze in de eerdere verlengingsprocedure tussen partijen is vastgesteld, tenzij dit onaanvaardbaar is, bijvoorbeeld omdat in die eerdere procedure een kennelijke feitelijke of juridische misslag vóórkomt of omdat zich na die eerdere beslissing nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan.