4c. Het kampeerbedrijf

Ten aanzien van het kampeerbedrijf geldt bovendien niet de eis dat het moet gaan om een gebouwde onroerende zaak.

De wet stelt onder meer de eis dat het gehuurde bij de overeenkomst moet zijn bestemd voor de uitoefening van een kampeerbedrijf. Dat vereist een bedrijfsmatige exploitatie. Daarnaast dient er sprake te zijn van toegankelijkheid van de camping voor het publiek. Een camping die slechts voor leden toegankelijk is, kan daarom geen artikel 7:290 BW-bedrijfsruimte zijn. Een camping van Natuurmonumenten, die alleen mag worden gebruikt door leden van Natuurmonumenten, kan dus geen 7:290 BW-bedrijfsruimte zijn.

De rechtbank Limburg besliste in haar vonnis van 24 mei 2016 ECLI:NL:RBLIM:2016:10524 dat een bungalowpark een bedrijfsruimte ex artikel 7:290 BW betrof. De kantonrechter was van oordeel dat het gehuurde – een recreatiepark met daarop horecagelegenheden, een zwembad en sauna, bungalows en andere voorzieningen – onder de werkingssfeer van artikel 7:290 BW viel. Het recreatiepark toont naar het oordeel van de kantonrechter zowel sterke overeenkomsten met het kampeerbedrijf als ook met het pensionbedrijf dat niet duurzame logies verstrekt; er vindt een bedrijfsmatige exploitatie plaats die inkomen aan de rechthebbende verschaft en daarnaast wordt er ook op het recreatiepark tijdelijk onderdak geboden, vergelijkbaar met het kampeerbedrijf en de niet duurzame logies van het pensionbedrijf. Niet valt in te zien dat een bungalow op een recreatiepark een ander karakter zou hebben dan een chalet of stacaravan op een camping. Ook het gegeven dat het recreatiepark geen besloten karakter heeft en eenieder daar een bungalow kan huren en kan recreëren, maakt dat het gehuurde naar het oordeel van de kantonrechter kan worden aangemerkt als bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW.
Door deze uitspraak is het in ieder geval duidelijk dat het recht in beweging is en niet rigide wordt toegepast. De rechter had immers ook kunnen beslissen dat het noch een hotelbedrijf noch een kampeerbedrijf betrof en daarom kunnen beslissen dat er geen sprake zou zijn van 7:290 BW-bedrijfsruimte. Als de benadering wordt gekozen van gemengde overeenkomsten waarbij voor toepasselijkheid van het huurregime wordt gekeken naar het element wat het meeste overheerst, kan er ook worden beslist dat er sprake is van 7:290 BW bedrijfsruimte.

Deze uitleg past ook wel bij de voorgestelde inhoud van het begrip bedrijfsruimte, zoals beschreven in de nota van wijzigingen (Kamerstukken II 1969/70, 8875, nr. 7). In de memorie van antwoord (stuk nr. 6) werd op pagina 2 het volgende vermeld over het begrip bedrijfsruimte: “Op één punt echter is naar het oordeel van de ondergetekende een zekere uitbreiding van de werkingssfeer van het oorspronkelijk ontwerp wenselijk. Deze betreft de kampeerbedrijven. In verscheidene gevallen wordt het kampeerbedrijf uitgeoefend op een gehuurd stuk grond, waarop dan in de loop van de tijd allerlei voorzieningen en ook opstallen, zoals vakantiehuisjes, worden aangebracht. Het kampeerbedrijf is sterk aan een bepaalde plaats gebonden, mede door de beperkingen die er op het stuk van bouwen bestaan. Het komt de ondergetekende daarom redelijk voor dat het kampeerbedrijf onder het ontwerp komt te vallen. Dat betekent in dit geval dat ook verhuur van ongebouwd onroerend goed als bedrijfsruimte in de zin van het ontwerp moet worden aangemerkt. De vormen waarin het kampeerbedrijf wordt uitgeoefend zijn velerlei.”

Gezien deze beschrijving, waarbij onder het kampeerbedrijf kan worden verstaan een gehuurd stuk grond, waarop dan in de loop van de tijd allerlei voorzieningen en ook opstallen, zoals vakantiehuisjes, worden aangebracht, kan de uitleg van de rechtbank Limburg in deze context juist worden geacht.