Het wettelijke kader met betrekking tot de Warmtewet

Het wettelijke kader omtrent de levering van warmte wordt gevormd door de Warmtewet, het Warmtebesluit en de Warmteregeling.

De Warmtewet is de basis van deze regeling. Het Warmtebesluit geeft een nadere invulling van de in de Warmtewet genoemde regels. Zo zegt artikel 5 lid 5 Warmtewet dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot de elementen en wijze van berekening van de maximumprijs. Het Warmtebesluit geeft in de artikelen 2 tot en met 4 de wijze van berekening van de elementen van de maximumprijs. De Warmteregeling geeft onder meer een concrete invulling van de in het Warmtebesluit weergeven variabelen. Zo geeft de Warmteregeling in artikel 2 een weergave van de vaste kosten die worden bepaald met gebruikmaking van de formule die is opgenomen in artikel 3, eerste lid van het Warmtebesluit.

Er moet, om de gehele regeling te begrijpen, dus top-down worden gekeken naar eerst de Warmtewet, vervolgens naar het Warmtebesluit en daarna voor de concrete invulling van bedragen en percentages naar de Warmteregeling.

De ACM heeft op 4 mei 2018 aangegeven dat de invoering van de nieuwe Warmtewet moet worden uitgesteld. De ACM verwacht namelijk meer tijd nodig te hebben voor de uitwerking van de nieuwe wet en voor het vaststellen van nieuwe tarieven. Er vindt volgens de nieuwe regeling een differentiatie van tarieven plaats. Verder wenst men de lagere regelgeving te verbeteren, aan te vullen en te verduidelijken. Een gedeelte van deze wijzigingen is op 1 juli 2019 geactiveerd. De bepalingen die op 1 juli 2019 geactiveerd zijn hebben onder meer betrekking op:

  • het uitzonderen van VvE’s  en de verhuurders met collectieve verwarmingsinstallaties van de meeste verplichtingen uit de Warmtewet;
  • de eisen ten aanzien van een gebouweigenaar die eigenaar is van een inpandig leidingnet;
  • de mogelijkheid correctiefactoren toe te passen;
  • De kosten van warmtekostenverdelers kunnen worden doorberekend aan verbruikers.

Voor de artikelen (bijvoorbeeld de bepalingen die betrekking hebben op de tariefregeling en de boekhouding) die op dat moment niet in werking treden, geldt dat die op 1 januari 2020 in werking zullen treden.