Woonruimte die op grond van de Leegstandwet kan worden verhuurd

Voor een huurovereenkomst op grond van de Leegstandwet komt in aanmerking:
1. Woonruimte in bepaalde gebouwen, waaronder internaten, verpleeghuizen, hotels. Het gebouw hoeft niet definitief te zijn bestemd voor verhuur van woonruimte. Het gaat om gebouwen die tijdelijk leegstaan in afwachting van een bepaalde gewijzigde bestemming zoals verbouwing of sloop;
2. Een voor verkoop bestemde woning (particuliere koopwoning) die:

  • nog nooit bewoond is geweest (nieuwbouwwoning);
  • door de eigenaar gedurende minimaal één jaar (twaalf maanden) voorafgaand aan het tijdstip van de leegstand geheel of grotendeels bewoond is geweest (of als de woning minder dan een jaar geleden is opgeleverd, en vanaf dat moment door de eigenaar bewoond is geweest;
  • gedurende de afgelopen 10 jaar voorafgaande aan het moment waarop vergunning wordt aangevraagd korter dan drie jaar is verhuurd (als de woning gedurende deze periode door de eigenaar, of de opvolgend eigenaar normaal is verhuurd kan er twijfel bestaan of de woning voor de verkoop is bestemd);

3. Een huurwoning die gesloopt dan wel gerenoveerd gaat worden.
4. Een huurwoning die bestemd is voor de verkoop. Door de wettelijke regeling die vanaf 1 juli 2016 is ingevoerd is het dus ook bijvoorbeeld mogelijk de Leegstandwet van toepassing te verklaren op te koop staande corporatiewoningen.

Mocht de voorwaarde voor het verstrekken van een vergunning bijvoorbeeld een op termijn te verwachten sloop of renovatie zijn en deze sloop of renovatie gaat niet door, dan zal er geen verlenging van de vergunning plaatsvinden, doch de bestaande vergunning blijft dan wel in stand. Ook als er gebreken aan de verleende vergunning kleven blijft deze in stand. Een verzoek tot verlenging zal echter worden afgewezen.

Woningcorporaties kunnen op grond van de Leegstandwet leeggekomen huurwoningen volgens het nieuwe beleid dat nog ingevoerd moet worden tijdelijk (maximaal vijf jaar) verhuren totdat ze verkocht kunnen worden. Te koop staande huurwoningen van corporaties vallen gezien de vernieuwde redactie van de Leegstandwet onder deze regeling. Volgens de huidige regeling kunnen wisselwoningen worden gebracht onder de huurovereenkomsten voor naar aard korte duur.

Wisselwoningen vallen evenmin onder de voorwaarden van de Leegstandwet als deze niet gesloopt, gerenoveerd of verkocht worden. Een huurovereenkomst met betrekking tot een wisselwoning kan tevens worden aangemerkt als een overeenkomst voor korte tijd. Hiervoor is inschakeling van de Leegstandwet niet noodzakelijk om de overeenkomst een tijdelijk karakter te geven.

Dit geldt zowel voor zelfstandige woonruimte als voor onzelfstandige woonruimte. Voor onzelfstandige woonruimte geldt dus dat per woonruimte een vergunning voor tijdelijke verhuur wordt afgegeven. Er kan een identieke vergunning voor meerdere kamers afgegeven worden als het gaat om kamers die allemaal even groot zijn en waarbij evenveel kamers de voorzieningen moeten delen; dus eigenlijk alleen bij studentenflats met identieke kamers en identieke gemeenschappelijke voorzieningen. Dan hebben de kamers ook allemaal dezelfde maximale huurprijs.
Het is verstandig de huurder er op te wijzen dat bij vertrek uit de woning geen aanspraak kan worden gemaakt op een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten.

De Hoge Raad heeft in haar arrest van 3 juni 2005 LJN: AT3442, Hoge Raad, C04/125HR bepaald dat het hof te Amsterdam terecht had geoordeeld dat een verhuurder een huurder mocht ontruimen na opzegging tegen een datum waarop de vergunning in het kader van de Leegstandwet eindigde. Ook als er sprake is van ingrijpende werkzaamheden aan de woning, kan deze regelgeving van toepassing zijn. Het is dus niet noodzakelijk dat de woning moet worden gesloopt. Volgens de Hoge Raad is het niet noodzakelijk dat deze werkzaamheden slechts uitgevoerd kunnen worden bij beëindiging van de huurovereenkomst. Deze werkzaamheden zouden dus ook mogelijk kunnen zijn bij instandhouding van de huurovereenkomst.

De wetgever heeft immers voor de regeling van de Leegstandwet niet eenzelfde regeling willen hanteren als genoemd in artikel 7:220 leden 2 en 3 BW en artikel 7:274 lid 3 BW. Die regelingen beogen een juist evenwicht te bieden tussen de belangen van de zittende huurder en die van de verhuurder die tot renovatie wil overgaan (zie het hoofdstuk: Renovatie van gehuurde ruimten), terwijl de regeling inzake tijdelijke verhuur in de Leegstandwet beoogt te voorkomen dat de eigenaar van een leegstaande woning in afwachting van voorgenomen sloop of vernieuwbouw niet tot tijdelijke verhuur van de woning overgaat omdat hij vreest dat een beroep op de wettelijke huurbescherming het realiseren van zijn plannen dan onmogelijk maakt. De Leegstandwet geeft de verhuurder een middel om de woning in afwachting van sloop, of renovatie tijdelijk te verhuren, waarbij de verhuurder zekerheid heeft dat de huurder de woning bij het einde van de overeengekomen duur (al dan niet met inschakeling van de rechter) zal ontruimen. De verhuurder kan de Leegstandwet niet als middel inzetten bij lopende huurcontracten, waarbij renovatie, of sloop van de woning wenselijk is.