Huurrechten na overlijden huurder

Geachte mevrouw, heer,

 

In het kader van een eerste gratis advies vraag ik voor het hiernavolgende uw aandacht.

 

Allereerst condoleer ik u met uw verlies.

 

Uw vraag

U bent vanaf 2 februari 2005 bij uw moeder ingetrokken. U heeft voor haar gezorgd. Zij is plotseling overleden op 7 november 2006. U vraagt zich af of u huurrechten heeft.

 

Antwoord

U heeft het medehuurderschap niet aangevraagd gedurende de periode dat u bij uw moeder woonde. De medehuurder wordt na het overlijden van de huurder de hoofd huurder. Voor u geldt deze regel dus niet.

 

Voor u geldt het gestelde in artikel 7:268 lid 2 BW.

 

De persoon die niet op grond van lid 1 huurder wordt, doch wel in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijk huishouding heeft gehad, zet de huur voort gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder; de tweede zin van lid 1 is van toepassing. Hij zet de huur ook nadien voort, indien de rechter dit heeft bepaald op een daartoe strekkende binnen die termijn ingestelde vordering, en in elk zolang op deze vordering niet onherroepelijk is beslist.

 

Om uw huurrechten te waarborgen moet u dus binnen de termijn van 6 maanden na het overlijden van uw moeder een verzoekschrift bij de kantonrechter indienen. Dit is een vervaltermijn. Na verstrijken van deze termijn heeft u geen mogelijkheden meer om deze vordering in te stellen.   

 

Ik vraag mij af of deze vordering wordt gehonoreerd. U leefde immers nog niet twee jaar met uw moeder samen. Verder kan worden getwijfeld of u met u moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde. Met de huidige summiere gegevens zou ik zelf zeggen dat dit niet het geval is. Lees voor dit begrip het onderdeel contractueel medehuurderschap.

 

Verder moet u kunnen aantonen dat u de huur kunt betalen.

 

Als u voor het bewonen van de woning een huisvestingsvergunning nodig heeft en u heeft deze vergunning niet dan kan de vordering ook worden afgewezen.  

 

Misschien kunt u in onderling overleg met de verhuurder tot een vergelijk komen. Als de verhuurder u uit de woning wenst te werken geef ik u niet veel kans om op basis van artikel 7:268 lid 2 BW in rechte uw huurrechten af te dwingen.

 

Het spijt mij u dit te moeten berichten.

 

Tot slot

Ik vertrouw u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

 

Met vriendelijke groet,

 

Huurgeschil.nl