}
Kwaliteit en innovatie rechtspraak (KEI)

Kwaliteit en innovatie rechtspraak; procederen voor de rechtbank vanaf 2018

Inleiding >>

De rechtspraak in Nederland moet aansluiten bij de digitalisering van de samenleving en procedures moeten sneller en eenvoudiger. De Rijksoverheid werkt daarom aan vernieuwing van de rechtspraak. Dat is het doel van het programma Kwaliteit en Innovatie rechtspraak (KEI).

Modernisering rechtspraak
Het ministerie van Veiligheid en Justitie en de Raad voor de rechtspraak werken samen aan deze toekomstbestendige, moderne rechtsgang en aan het verkorten van doorlooptijden. Daartoe zijn onder meer het vernieuwingsprogramma Kwaliteit en Innovatie rechtspraak (KEI) ingericht. Dit omvat twee onderdelen naast elkaar bestaan en elkaar aanvullen. Het ministerie bereidt de wetgeving voor die nodig is om het burgerlijk en bestuursrecht te vereenvoudigen en de digitalisering van de rechtsgang wettelijk te regelen. Het programma van de Rechtspraak (geleid en uitgevoerd door de gerechten) ontwikkelt onder meer de techniek en de werkprocessen in het kader van de digitalisering van de rechtspraak. Verder werkt KEI Rechtspraak aan landelijk uniforme procesreglementen om invulling te geven aan de nieuwe wettelijke regeling (in het civiele en bestuursrecht).
Volgens de Memorie van toelichting op de wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ( Memorie van toelichting - Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht ) wordt aan de snelheid van veel waarde gehecht. Dit baart mij wel zorgen. Uit de praktijk is het mij duidelijk dat bij procedures voor kantongerechten al aan bewaking van de tijd wordt voldaan. Na de dagvaarding vindt de conclusie van antwoord plaats. Daarna vindt doorgaans een mondelinge behandeling plaats. Bij procedures bij kantongerechten is de procedure doorgaans afgerond na circa 6 tot 8 maanden. Ik meen dat dit een redelijk korte termijn is voor het voeren van een procedure. Zeker in ingewikkelde procedures moet je als gemachtigde de tijd vrijmaken om processtukken op te stellen. Deze processtukken moeten – afhankelijk van de inhoud van de zaak – worden samengesteld door bestudering van de juridische materie als het antwoord niet eenvoudig voor de hand ligt. Tevens moet aan bewijsgaring worden gedaan. Daarnaast moet de kwestie uitdrukkelijk met de cliënte worden besproken. Ik heb enige vrees dat de snelheid boven de kwaliteit wordt verkozen, omdat de snelheid meetbaar is en op korte termijn resultaten geeft, terwijl daling van de kwaliteit van dienstverlening onder door de druk van de gewenste snelheid van de procedure op langere termijn tot uitdrukking komt. Juridische procedures kunnen nu eenmaal ingewikkeld zijn. Dat de niet juridische geschoolde justitiabele liever vandaag dan morgen wil weten waar deze aan toe is, is wel begrijpelijk, maar niet realistisch. Voor onbetwiste vorderingen is snelheid wel mogelijk, maar dat is nu ook mogelijk. Binnen een maand na de eerste zittingsdag kan het vonnis op het bureau van de eiser liggen. In de huidige situatie (maart 2017) houdt de rechtbank regelmatig een vonnis aan, terwijl partijen zich wel aan de daarvoor geldende termijnen voor het nemen van conclusie hebben gehouden. Volgens het voorgestelde artikel 30q NRv dient de kantonrechter binnen vier weken na de mondelinge behandeling een uitspraak te doen. Volgens lid 2 van dit artikel kan de rechter echter onder bijzondere omstandigheden de termijn voor het doen van een uitspraak verlengen. Ik vrees dat partijen gehouden worden aan het strakkere termijnen, maar dat de rechter de zaak toch aan kan houden door vakantie van personeel of door te kort aan personeel. De tijd zal het leren hoe er met deze nieuwe regeling wordt omgegaan.

De minister van Veiligheid en Justitie (VenJ) heeft hiervoor de benodigde wetsvoorstellen opgesteld. Deze wetsvoorstellen zijn door de Eerste Kamer aangenomen. Ze treden vanaf begin 2017 gefaseerd over een aantal jaren in werking. In elke fase wordt 1 type zaak gedigitaliseerd. Met deze wetsvoorstellen wordt de digitale weg de hoofdweg. Het digitaal starten van de procedure en het digitaal indienen van (proces)stukken wordt verplicht ex artikel 30c Nieuw Rechtsvordering (NRv). De Rechtspraak wil graag op 12 juni 2017 starten met verplicht digitaal procederen in asiel- en bewaringszaken.

De wetgeving bestaat uit vier wetten en een Algemene Maatregel van Bestuur:

  • Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht;
  • Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie;
  • Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht;
  • Invoeringsrijkswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht en uitbreiding prejudiciële vragen;
  • Invoeringsrijkswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht en uitbreiding prejudiciële vragen; Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht.
Overgangsrecht
Als de dag van aanhangig maken samenvalt met de dag van inwerkingtreding, dan geldt voor de desbetreffende procedure het nieuwe recht. Voor gecombineerde procedures waarin gezamenlijk een vordering aanhangig wordt gemaakt en een verzoek wordt ingediend, geldt dat het oude recht van toepassing blijft zolang de wet voor verzoeken nog niet in werking is getreden.

Verwachte invoering
De verwachting is dat bij vorderingen zonder verplichte procesvertegenwoordiging digitaal procederen in het najaar van 2018 verplicht zal zijn voor rechtspersonen en professioneel gemachtigden. Voor advocaten in civiele handelsvorderingszaken met een belang van meer dan € 25.000 die procederen bij de rechtbanken Midden-Nederland en Gelderland, wil de Rechtspraak starten per 1 september 2018. De invoering van het digitaal procederen voor kantonzaken staat gepland voor medio 2018. Er is een korte proefperiode gepland voor de duur van vijf maanden gevolgd door een landelijke invoering van deze wijze van procederen. Begin 2019 staat de invoering van het digitaal procederen gepland. Ik ga er vanuit dat pas na invoering van het digitaal procederen in verzoekschriftprocedures gecombineerde procdures aanhangig gemaakt kunnen worden.

Behandeling
Hieronder zal eerst het nieuwe digitale systeem van de gerechten worden besproken en vervolgens de wijzingen in de civiele procedures. De wijzigingen in het bestuursrecht zullen buiten beschouwing worden gelaten. Hierbij treft u een Werkinstructie digitaal procederen voor advocaten Civiel vorderingen met verplichte procesvertegenwoordiging in eerste aanleg aan. U ziet in deze werkinkinstructie hoe het aanmeldscherm in de digitale omgeving er uit komt te zien.

Nieuw digitaal systeem gerechten >>

De Rechtspraak (Raad voor de rechtspraak en de gerechten) heeft het nieuwe digitale systeem van de gerechten ontwikkeld. Onder de gerechten vallen:

  • rechtbanken;
  • gerechtshoven;
  • het college van Beroep voor het Bedrijfsleven;
  • de Centrale Raad van Beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Hoge Raad richten een eigen digitaal systeem in. Hun portalen lijken op het portaal Mijn Rechtspraak. Vanaf 1 maart 2017 is digitaal procederen al verplicht in civiele vorderingszaken bij de Hoge Raad. Voor dit hoofdstuk beperk ik mij tot de rechtbanken. De behandeling van huurzaken vindt immers in eerste aanleg plaats voor de rechtbank, afdeling kantonzaken.

Inloggen Mijn Rechtspraak >>

Om toegang te krijgen tot het digitale dossier loggen de verschillende partijen straks beveiligd in via Mijn Rechtspraak.
Via zowel Mijn Rechtspraak als het Aansluitpunt Rechtspraak kunnen professionele  partijen digitaal procederen. Er zijn dus twee verschillende ingangen waardoor en procedure gestart kan worden.
  1. "Mijn Rechtspraak" is een beveiligd webportaal dat door burgers en professionele procespartijen gebruikt wordt. In het webportaal wordt handmatig een formulier ingevuld om een procedure te starten. Via dit webportal kunnen stukken één voor één worden geüpload en gedownload.
  2. Het Aansluitpunt Rechtspraak is een koppeling voor geautomatiseerd berichtenverkeer. Professionele procespartijen kunnen vanuit het eigen administratiesysteem geautomatiseerd gegevens uitwisselen met de rechtspraak. Hier wordt dus gecommuniceerd met het systeem van de rechtbank via het eigen systeem van het bedrijf. Via het Aansluitpunt kunnen in een keer grote aantallen documenten worden verstuurd of ontvangen die geautomatiseerd van metadata worden voorzien.
  • Burgers doen dit met DigiD met sms-verificatie.
    Bij problemen met inloggen dient er eerst gecontroleerd te worden of de juiste inloggegevens zijn gebruikt. Bij het vergeten van de DigiD kan er op de website van DigiD (digid.nl) worden gekeken wat daaraan moet worden gedaan. Misschien is er een storing. U kunt bellen met de helpdesk DigiD: 088-123 65 55 (lokaal tarief).
    Bij inloggen via het webportal kan een ander niet worden gemachtigd de gegevens van partijen in te zien. Dat kan wel met het inloggen via system-to-system.
  • Bedrijven en bestuursorganen loggen in met eHerkenning.
    Voor ketenpartners van de rechtspraak voorziet de Raad voor de Rechtspraak in een aansluitpunt. EHerkenning is een inlogmiddel waarmee een bedrijf, ondernemer of beroepsoefenaar veilig in kan loggen bij de Rechtspraak en andere aangesloten organisaties. Dat is een “system-to-system” voorziening waarmee de digitale systemen van grote ketenpartijen, zoals de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND), rechtsbijstandsverleners en de deurwaarders, geleidelijk kunnen worden gekoppeld aan het digitale systeem van de gerechten. In deze situatie wordt het eigen document systeem (DMS) van de ketenpartner aangesloten op de digitale omgeving van de Rechtspraak. Een eHerkenningsmiddel is een soort DigiD voor bedrijven. Dit herkenningsmiddel kan worden aangevraagd bij een van de 6 erkende leveranciers (eherkenning.nl) Er wordt aangeraden betrouwbaarheidsniveau 2+ te kiezen. Dit is het vereiste niveau om binnen Mijn Rechtspraak een eKantonprocedure te kunnen voeren. Voor de nieuwe digitale KEI-procedures zonder verplichte procesvertegenwoordiging is te zijner tijd betrouwbaarheidsniveau 3 nodig. Binnen eHerkenning zijn er 5 niveaus van betrouwbaarheid, waarmee diensten afgeschermd kunnen worden: van laag (EH1) tot zeer hoog (EH4). Dienstverleners bepalen zelf met welk betrouwbaarheidsniveau zij hun diensten willen aanbieden. De betrouwbaarheidsniveaus zijn gebaseerd op het Europese STORK raamwerk,[4] dat zich richt op interoperabiliteit van authenticatiemiddelen tussen lidstaten. De vijf betrouwbaarheidsniveaus beschrijven in generieke termen waaraan authenticatiemiddelen moeten voldoen, zowel in technische zin (1 of 2 factor, wachtwoord, encryptie, etc.) als in procedurele zin. Denk hierbij vooral aan de aspecten van het uitgifteproces zoals controles van brondocumenten ((KvK)-inschrijvingen, identiteitsbewijzen, wel of niet toestaan van kopieën) en wel of niet een fysieke uitreiking van het middel (zoals bij het hoogste niveau 4, PKI-certificaat). Het Forum Standaardisatie heeft in 2014 een handreiking 'Betrouwbaarheidsniveaus voor authenticatie bij elektronische overheidsdiensten' gepubliceerd ,waarin praktische aanwijzingen worden gegeven voor het nadenken en besluiten over betrouwheidsniveaus van elektronische diensten.
  • Advocaten met de Advocatenpas en reader.
    Alleen met de advocatenpas kan niet worden ingelogd. De reader is dus voor inloggen noodzakelijk. Mocht het inloggen een probleem zijn, dan zal eerst gekeken moeten worden of het juiste BAR-nummer en de juiste pincode is ingevoerd. Blijft het probleem ontstaan, dan dient contact opgenomen te worden met QuoVadis (e-mailadres nova.nl@quovadisglobal.com of telefoon 030-232 43 20). Hetzelfde geldt als de pas zoek of stuk is geraakt.

    E-mailnotificaties
    In Mijn Rechtspraak kunnen berichten worden verstuurd aan en ontvangen van het gerecht. Om een bericht te versturen gebruikt wordt de knop ‘Bericht aan het gerecht’ gebruikt. Over elk nieuw bericht van het gerecht wordt een e-mailnotificatie gestuurd. De meest recente berichten worden gevonden in het startscherm van Mijn Rechtspraak. E-mail wordt niet als een veilig communicatiemiddel gezien. E-mail wordt alleen gebruikt om notificaties te versturen. In deze notificaties staat niet de naam van partijen vermeld. Er staat nu wel in de notificatie wat de aard van het bericht is. Het is van belang te realiseren dat deze notificaties in plaats van een rolbericht worden gestuurd. Collega's krijgen dit bericht niet te zien als deze in de persoonlijke mailbox van een collega terecht komt. Dat is dus anders dan bij het rolbericht. Bij afwezigheid van een collega kon dit rolbericht als fysiek document door een andere collega worden opgepakt. De notificatie is voor een collega niet zichtbaar als er geen speciale maatregelen worden genomen, zoals het automatisch doorsturen van het bericht naar een algemene berichtenbox waarin de collega's toegang hebben. Daarnaast is het voor en collega niet mogelijk de berichten in "Mijn Zaak" van een andere collega te bekijken. De gegeven code voor benadering van deze zaken op naam van die collega is alleen te benaderen met de code van die collega en niet met de persoonlijke code van een andere collega. Als er gebruik wordt gemaakt van een Aansluitpunt rechtspraak, dan kan men intern op het kantoor regelen wie bevoegd is tot de toegang tot zaken. Het is daarbij de eigen verantwoordelijkheid van de gebruiker dat de privacy van de cliënten is gewaarborgd en dat in zaken met verplichte procesvertegenwoordiging alleen door of namens een advocaat proceshandelingen kunnen worden verricht. Van de ontvangst van notificatieberichten kan desgewenst worden afgezien. Indien een betrokkene daarvoor kiest, geldt ingevolge artikel 30d lid 4 NRv als tijdstip van ontvangst van een bericht, het tijdstip waarop dit bericht voor hem toegankelijk is geworden in “Mijn Zaak” of via system-to-system. Met een system-to-system lijkt het mij beter te realiseren om een voorziening voor de notificaties te maken bij afwezigheid van een behandelaar, waardoor deze berichten voor een vervanger ook zijn te zien.

    Of investeren in het aansluitpunt Rechtspraak rendabel is, hangt af van verschillende factoren. Een eerste factor is de mate waarin bedrijfsvoering is geautomatiseerd. Daarnaast zijn ook het aantal zaken dat wordt gevoerd en hoe omvangrijk die zijn, belangrijke factoren. Er zijn verschillende leveranciers die kantoorsoftware kunnen koppelen aan het Aansluitpunt Rechtspraak. De Rechtspraak raadt aan om voordat contact wordt gezocht met de Rechtspraak, eerst in contact te treden met de eigen softwareleverancier om te vragen of deze van plan is een aansluiting te gaan realiseren. Dit scheelt wellicht in de investeringskosten.

    Nadat er op ‘Indienen’ is geklikt, wordt in het formulier een ontvangstbevestiging getoond. Er wordt ook een ontvangstbevestiging per e-mail gestuurd. De Rechtspraak gebruikt het e-mailadres dat in het formulier is ingevuld. Als er geen ontvangstbevestiging is verstuurd, dan wordt geadviseerd hierover contact op te nemen met het Rechtspraak Servicecentrum.

    De Rechtspraak stuurt een notificatie naar dit e-mailadres telkens als er in uw zaak iets is gebeurd. Onder de tab ‘Stukken’ zijn de documenten op volgorde van binnenkomst genummerd. De notificatie is van toepassing op het stuk met het hoogste volgnummer. De notificatie kan als spam worden gezien. Hier zal het beveiligingsniveau van de ontvanger van deze berichten op aangepast moeten worden. Het vonnis wordt ook in Mijn rechtspraak geplaatst. Partijen kunnen de uitspraak downloaden. Kennelijk is er op termijn geen origineel vonnis meer nodig om dit vonnis voor executie aan de deurwaarder aan te bieden. Hier ga ik in dit hoofdstuk verder op in.

    Deze notificaties worden verstuurd als een noreply bericht. Let er wel op dat het systeem van de ontvanger zodanig wordt ingericht dat deze berichten niet als spam aangemerkt wordt. Deze berichten zouden immers als deze als spam aangemerkt worden door een spamfilter afgevangen kunnen worden, waardoor deze de geadresseerde niet zou bereiken. Dit komt dan voor rekening en risico van de ontvanger.

    Voor de regels omtrent het gebruik van het digitale systeem verwijs ik naar Reglement inzake de toegang tot en het gebruik van het digitale systeem voor gegevensverwerking van de gerechten (civiel recht en bestuursrecht), versie 1.0

    Functies Mijn Rechtspraak
    Via Mijn Rechtspraak kunnen burgers, bedrijven en procesvertegenwoordigers:

    • een civielrechtelijke of bestuursrechtelijke procedure starten;
    • verweer voeren;
    • stukken indienen en inzien; De verzoeker kan de stukken ter onderbouwing van zijn standpunten meteen digitaal “uploaden”.
    • de voortgang van de procedure volgen; De voortgang van de procedure kan via het digitale systeem worden gevolgd. In ‘Mijn Zaak’ kan worden gevolgd welke partij een proceshandeling moet verrichten, welke proceshandeling dat is en tot wanneer hij daarvoor de tijd heeft.
    • Griffierecht betalen; Het voldoen van het griffierecht (al dan niet gelijk bij de start van de procedure) via digitale weg
    • Berichten versturen en ontvangen; in Mijn Rechtspraak kunnen berichten worden verstuurd aan en ontvangen van het gerecht.
    • de uitspraak van de rechter ontvangen.
  • Vanaf 1 maart 2017 is digitaal procederen verplicht in civiele vorderingszaken bij de Hoge Raad.

Terminologie >>

  • Het “verzoekschrift" en de "dagvaarding” in civiele zaken worden vervangen door de “procesinleiding” en öproepingsbericht".
  • De term “zich stellen” wordt vervangen door de term “verschijnen”.
  • Degene die door de eiser in een dagvaardingsprocedure wordt betrokken, wordt ook voordat hij in de procedure verschijnt “verweerder” genoemd.
  • De conclusie van antwoord wordt verweerschrift.
  • De “eis in reconventie” van artikel 136 RV wordt vervangen door de tegenvordering of het tegenverzoek, zoals geregeld in artikel 30i lid 8 en lid 9 NRv
  • De “terechtzitting” wordt vervangen door “zitting”.
  • De comparitie wordt een mondelinge behandeling.
  • De term rol komt in civiele procedures te vervallen. Het nieuwe digitale systeem neemt de functie van volgsysteem van de rol over. De rechter en partijen krijgen op digitale wijze inzage in de stand van een procedure. Rechters en griffiers kunnen de zaak die zij onder handen hebben en de stand waarin deze zich bevindt inzien in het digitale systeem (via “Mijn Werkomgeving”).
  • hoger beroep dagvaarding wordt procesinleiding in hoger beroep.
  • De conclusie van re- en dupliek bestaan niet meer.
  • Het pleidooi bestaat niet meer (behalve bij cassatie).
  • verzetdagvaarding wordt exploot van verzet.

De bevoegdheid van de rechtbank, afdeling civielrecht, kantonzaken >>

Soms is de kantonrechter door een keuze voor een andere geschillenregeling onbevoegd
Welk soort rechter is in huurzaken bevoegd (absolute competentie)? Alle huurzaken worden in eerste instantie door de kantonrechter behandeld ongeacht de hoogte van de vordering (artikel 93 sub c RV). Dat betekent dat partijen niet verplicht zijn om een advocaat in te schakelen als een zaak aan de kantonrechter wordt voorgelegd (artikel 79 lid 1 RV). Een partij mag zelf procederen, maar ook met behulp van een gemachtigde. Uiteraard mag een partij zich natuurlijk bij de kantonrechter eveneens door een advocaat laten bijstaan.

De rechtbank te 's-Gravenhage, sector kanton, locatie 's-Gravenhage, heeft in haar vonnis van 17 november 2011 LJN: BU7640, sector kanton Rechtbank 's-Gravenhage, 1083380/11-19968 bepaald dat partijen gebonden zijn aan een arbitragebeding waarbij ten aanzien van bepaalde geschillen de gewone rechter als rechtsprekende partij was uitgesloten. De rechter beargumenteert dit standpunt in onderdeel 4 van het vonnis. Volgens de rechter wordt dit geschil beheerst door een wettelijke regeling met een semi-dwingend recht karakter, zodat van deze regeling niet ten nadele van de huurder van dat recht mag worden afgeweken. Dit betekent naar het oordeel van de rechter nog niet dat een huurder niet zou mogen kiezen voor een arbitrale geschillenregeling, welke doorgaans beschouwd wordt als procedureel met voldoende waarborgen omgeven. Volgens de rechter zullen ook arbiters de wettelijke bescherming van een huurder in het oog houden. De rechter wees vervolgens op het bepaalde in artikel 3:305 BW. Volgens dit artikel hebben scheidslieden de aldaar bedoelde zelfde bevoegdheden als de rechter.

De bevoegdheid van de kantonrechter en aardzaken
De bekendste aardzaken zijn huur- en arbeidszaken. Deze zaken worden ongeacht de hoogte van de vordering door de rechtbank, civiele afdeling, kantonzaken, behandeld. Consumentenkoop wordt als aardzaak toegevoegd. Hier geldt dus ook geen grens betreffende de hoogte van de vordering. De rechtbank, civiele afdeling, kantonzaken, is ongeacht de hoogte van de vordering bevoegd om deze zaken te beoordelen. Voorts worden vorderingen in verband met consumentenkrediet tot een bedrag van € 40.000 door de rechtbank, civiele afdeling, kantonzaken, behandeld. De redactie van artikel 93 RV kan wat betreft de vorderingen verband houdende met consumentenkrediet tot verwarring leiden. De grens van € 40.000 wordt echter bepaald door artikel 3 van de Wet op het consumentenkrediet. In deze wet staat dat de regeling van de wet op het consumentenkrediet niet van toepassing is voor krediettransacties, waarbij de kredietsom meer dan € 40.000 bedraagt. Als dat zo is (dus de transactie beloopt een hoger bedrag dan € 40.000), is er dus geen sprake van een krediettransactie als bedoeld in de Wet op het consumentenkrediet en is rechtbank, civiele afdeling, kantonzaken, niet bevoegd een oordeel over het geschil te geven. Dus dan is alleen de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van de vordering. Voor andere zaken (behoudens een paar uitzonderingen, waarop we in het kader van deze site niet in hoeven te gaan) geldt dat de rechtbank, afdeling civiel recht, kantonzaken, bevoegd is zaken te beoordelen van vorderingen met een belang van € 25.000.

In welke plaats moet de zaak worden aangebracht (relatieve competentie)? Volgens artikel 99 RV is in beginsel bevoegd de rechter van het rechtsgebied van de rechtbank waarin de verweerder woonplaats heeft. Voor andere rechtsgebieden kan dit anders zijn geregeld. Voor bestuurszaken bijvoorbeeld zijn bepaalde zittingsplaatsen aangewezen, die deze zaken af dienen te handelen. Op grond van artikel 103 RV is mede bevoegd de rechter binnen wiens rechtsgebied de zaak of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. Soms kunnen dus twee verschillende rechtbanken bevoegd zijn; de eisende of verzoekende partij kan dan kiezen in welke plaats hij de zaak aanhangig maakt. Er geldt echter volgens artikel 103 RV in huurzaken een zeer belangrijke uitzondering: in zaken betreffende de huur van woonruimte of de huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW van het Burgerlijk Wetboek is echter uitsluitend bevoegd de rechter binnen wiens rechtsgebied het gehuurde of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. In artikel 109 lid 1NRv is bepaald dat de rechter van de woonplaats van verweerder bij de vordering bevoegd is, tenzij het verzoek niet tot zijn absolute competentie hoort of tenzij de wet anders bepaalt. Dus in beginsel worden ook hier de regels van de vorderingsprocedure gevolgd, tenzij de absolute competentie van de rechter ten aanzien van het verzoek daaraan in de weg staat. Is dit laatste het geval, dan zal de procedure moeten worden gesplitst op grond van artikel 30b lid 4 NRv.

Voor andere zaken dan huurzaken gelden uitdrukkelijk andere regels voor aanwijzing van de bevoegde rechter.

Hoe wordt een digitale procedure gestart? >>

Er wordt bij de indiening van een zaak gevraagd om een e-mailadres op te geven. Wie voortaan digitaal wil procederen, maar dat niet uit professionelen hoofde doet, start een procedure door het invullen van een digitaal formulier op het webportaal van de rechtbank. Een deel van de gegevens die nu in een dagvaarding, verzoekschrift of een beroepschrift moeten worden vermeld, komt in dat formulier terug. Zo moeten de gronden van de vordering, het verzoek of het beroep worden ingevuld door de rechtzoekende. Het formulier zal worden toegespitst op de specifieke omstandigheden van een zaak. Het document dat na invulling van het formulier ontstaat, is het verzoekschrift of het beroepschrift. De bewijsstukken moeten ook mee worden gestuurd.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen het starten van de civiele vorderingszaken volgens artikel 112 Rv en het starten van een procedure volgens artikel 113 Rv. In het onderdeel "Nieuwe basisprocedure burgerlijk recht"werk ik dit onderscheid verder uit.

Op grond van artikel 6:11 Awb geldt dat een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift toch ontvankelijk is indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Als tijdstip waarop een bericht door de rechter langs elektronische weg is ontvangen, geldt het tijdstip waarop het bericht het digitale systeem voor gegevensverwerking van de gerechten heeft bereikt. Een eventuele termijnoverschrijding die als gevolg van een tijdelijke verstoring van het digitale systeem plaatsvindt, kan op grond van deze bepaling doorgaans niet aan een procespartij worden toegerekend. Voor het civiele procesrecht wordt een vergelijkbare bepaling voorgesteld (artikel 30f NRv); dergelijke termijnoverschrijdingen zijn in beginsel verschoonbaar en hebben geen invloed op de ontvankelijkheid van de eiser of het betrekken van stukken in de procedure. Het is de verantwoordelijkheid van de professionele indiener om van zijn kant zorg te dragen voor betrouwbare eigen voorzieningen. De rechtbank toetst in elk individueel geval of verschoonbaarheid kan worden aangenomen. Ik vraag mij alleen af op welke wijze deze tijdelijke verstoring aangetoond moet worden. Als je op het laatste moment stukken wenst in te dienen en dat werkt niet, dan zal je daarvan geen bevestiging binnen krijgen. Wellicht is het handig dan een printscreen te maken, of hiervan telefonisch en bevestiging van de griffie te krijgen. Hierbijn dient wel bedacht te worden dat de rechter formeel geen acht hoeft te slaan op een toezegging van de griffie. Dit is en blijft de verantwoordelijkheid van de jurist. Overigens zal de indiener van stukken via het digitale systeem van de gerechten per ommegaande een ontvangstbevestiging ontvangen wanneer de indiening is geslaagd. Indien geen ontvangstbevestiging is ontvangen, moet de verzender ervan uitgaan dat de stukken vooralsnog niet zijn ontvangen door de rechter en gepaste actie ondernemen door bijvoorbeeld de stukken persoonlijk te overhandigen.

De procesinleiding moet worden ondertekend. Dit geldt natuurlijk niet voor de bijlagen/producties bij de procesinleiding. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht moeten aanvragen, bezwaar- en beroepschriften worden ondertekend. Hetzelfde geldt op grond van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering voor onder andere conclusies en akten (artikel 30a lid 4 NRv en artikel 30c lid 3 NRv).

Onderscheid tussen natuurlijke personen en andere hoedanigheden
Met dit wetsvoorstel wordt de digitale weg de hoofdweg. Het digitaal starten van de procedure en het digitaal indienen van (proces)stukken wordt verplicht ex artikel 30c NRv. Wanneer een natuurlijke persoon een procedure wenst aan te spannen of in rechte wordt betrokken en op grond van de wet verplicht zou zijn om digitaal te procederen, terwijl hij niet beschikt over de juiste middelen of vaardigheden om aan die verplichting te voldoen, ontstaat een onwenselijke situatie. Dergelijke natuurlijke personen zouden in dat geval feitelijk van de rechter worden afgehouden of in hun verdediging worden geschaad, hetgeen in strijd zou kunnen zijn met artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Het ligt minder voor de hand om een uitzondering te maken voor natuurlijke personen die wel over de juiste middelen beschikken, maar om hun moverende redenen geen gebruik wensen te maken van de digitale mogelijkheden die de Rechtspraak hen biedt. Voorlopig wordt een verplichting voor alle natuurlijke personen in Nederland te ver geacht. Daarom is de natuurlijke persoon of informele vereniging niet verplicht om digitaal te procederen. Dat moet weer wel als deze natuurlijke persoon wordt vertegenwoordigd door en advocaat of gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent (artikel 30c lid 4 NRv jo artikel 30o lid 1 onder c NRv). Voor de verplichting om digitaal te procederen wordt voor verenigingen wel onderscheid gemaakt tussen een vereniging die informeel is opgericht dan wel bij notariële akte. Alle overige partijen dienen digitaal te procederen. Dat geldt voor de formele vereniging en alle overige rechtspersonen. Tevens geldt dit voor de samenwerkingsverbanden zoals de vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen en de maatschappen.

Meer regels over het digitaal procederen treft u aan in het Reglement digitaal procederen.

Mondeling antwoord op een eis blijft mogelijk bij kantonzaken
Als een verweerder/persoon in persoon wenst te verschijnen en mondeling verweer wenst te voeren, dan blijft dit mogelijk bij kantonzaken (artikel 30i lid 2 NRv.

Er bestaat een herstelmogelijkheid als niet is voldaan aan het aanleveren van de stukken op de voorgeschreven digitale wijze. De rechter kan de desbetreffende partij in de gelegenheid stellen dit verzuim te herstellen binnen een door hem te bepalen termijn. Maakt de eiser of verzoeker van deze gelegenheid geen gebruik, dan kan hij in de vordering of het verzoek niet ontvankelijk worden verklaard dan wel kan de rechter het stuk buiten beschouwing laten.(artikel 30c lid 6 NRv). De rechter kan ook bepalen dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor stukkenwisseling op papier (artikel 30c lid 6 NRv).

Integriteit elektronische documenten
De inhoud van een elektronisch document is vaak relatief eenvoudig te wijzigen. De integriteit van digitale documenten is lastiger vast te stellen dan bij papieren documenten. Met integriteit wordt gedoeld op de zekerheid dat het document in digitale vorm volledig is en niet onbevoegdelijk is gewijzigd. Daarom is het noodzakelijk informatie vast te leggen en te bewaren over de eigenschappen van digitale documenten, de auteur(s) hiervan en in de tijd aangebrachte wijzigingen, zodat het altijd mogelijk is de integriteit ervan te verifiëren. Het vastleggen en bewaren van die informatie vereist een zogeheten ‘unbroken custody’ ofwel ononderbroken beheer van digitale documenten. Zo kan inzicht worden verkregen in de levenscyclus van elk digitaal document dat onderdeel uitmaakt van het dossier: van het moment van creatie of inzending tot de archivering. Het doel hiervan is integriteit van digitale documenten vast te stellen, dat wil zeggen het met zekerheid vaststellen dat het document in digitale vorm overeenkomt met het “origineel” en niet onbevoegdelijk is gewijzigd.

Elektronisch zegel of waarmerk
Een document kan eerst op papier worden opgemaakt waarna vervolgens een digitale kopie wordt gemaakt. Het papieren document wordt gescand of gekopieerd. Documenten moeten worden aangeleverd in PDF. De hardheid en veiligheid van PDF wordt overschat. Het is gemakkelijk om van een pdf kopieën te maken en belangrijke stukken weg te laten. Daarom moeten er extra waarborgen worden verstrekt om deze documenten veilig te stellen tegen bewerking nadat deze zijn ingeleverd. Documenten met een afbeelding dienen als PDF/A bestand opgeslagen te worden. Documenten die in PDF worden aangeleverd worden automatisch opgeslagen in PDF/A formaat. Aangezien de lay-out door deze conversie kan wijzigen is het aan te raden zalf een conversie programma aan te schaffen, waardoor de documenten in PDF/A aangeleverd kunnen worden. Daarna kan, naar analogie van het verzegelen ofwel waarmerken van afschriften, een elektronisch zegel of waarmerk worden toegepast. Hiermee verklaart een persoon die het digitaal afschrift heeft gemaakt, dat het document echt en oorspronkelijk is. Voorts verzekert het zegel ofwel waarmerk dat controle mogelijk is op de integriteit ofwel het ongewijzigd blijven van het document.

Digitale ondertekening
Het vereiste van digitale ondertekening heeft verschillende functies, waarvan de belangrijkste zijn:

  • de identificatie van de afzender;
  • de blijk van instemming met de inhoud van het bericht;
  • aanvaarding en/of begrip van de rechtsgevolgen;
  • de bevestiging van de wilsuiting.
In zijn oorspronkelijke betekenis hield het vereiste van ondertekening in dat iemand zijn naam eigenhandig (op zijn of haar eigen karakteristieke wijze) onder een document schreef. Deze manier van ondertekening wordt ook wel aangeduid als “natte handtekening”. Een dergelijke handtekening is in een elektronische omgeving niet toepasbaar. Om die reden zijn (beveiligings)technieken ontwikkeld waarmee aan de doelstellingen van de oorspronkelijke handtekening kan worden voldaan. In bepaalde gevallen zijn deze wellicht zelfs beter, omdat ook bij gebruikmaking van de klassieke “natte handtekening” niet in alle gevallen volledige zekerheid bestaat omtrent de identiteit van de afzender.

Het digitale systeem van de gerechten laat toe dat personen zich op verschillende manieren kunnen identificeren (DigiD en eHerkenning). Op het moment dat een document ondertekend wordt, zal degene die dat moet doen, op de hoogte worden gesteld van het belang en de functie van deze handeling. Vervolgens worden, na ondertekening, identiteitsgegevens van de ondertekenaar gekoppeld aan het document. Daartoe hoeft niet opnieuw te worden geïdentificeerd. Door te bevestigen dat er ondertekend wordt, worden de identiteitsgegevens die bij het inloggen aan de sessie zijn gekoppeld, aan het document gekoppeld. In artikel 30c lid 3 NRv staat vermeld wat onder een elektronische handtekening wordt verstaan. Hieronder wordt verstaan een handtekening die bestaat uit elektronische gegevens die gehecht zijn aan of logisch verbonden zijn met andere elektronische gegevens en die worden gebruikt door de ondertekenaar om te ondertekenen. De algemene maatregel van bestuur waarnaar wordt verwezen, betreft het Besluit digitalisering. In artikel 5 van het Besluit Digitaal procederen worden de eisen waaraan de elektronische handtekening moet voldoen nader uitgewerkt. Volgens dit artikel dient de elektronische handtekening aan de volgene eisen te voldoen:

  • de ondertekenaar heeft zich geauthentiseerd met een middel dat voldoet aan de eisen gesteld in artikel 3 van dit besluit; en
  • zij is op zodanige wijze verbonden aan het elektronische bestand waarop zij betrekking heeft, dat de identiteit van de ondertekenaar, het moment van ondertekening en elke wijziging na ondertekening van het document kunnen worden achterhaald.

Indienen processtukken
In de nieuwe basisprocedure dienen partijen voorts (proces)stukken uitsluitend in bij het gerecht, en wordt niet langer een exemplaar aan de wederpartij gezonden, zoals nu (augustus maart 2017) bij kantongerechten duidelijk is (in uitzonderlijke gevallen draagt de kantonrechter de verplichting op om naar de tegenpartij een kopie van de stukken te sturen). De stukken worden vervolgens via het digitale systeem voor gegevensverwerking van de gerechten ter beschikking gesteld van alle betrokkenen. Een wederpartij die elektronisch procedeert kan binnen twee werkdagen na de dag van de ontvangst van het bericht, op een schriftelijk bericht reageren (artikel 1.5 Landelijke procesreglement KEI).

Wijzigingen procesrecht>>

Het huidige procesrecht (2017) wordt dus - zoals hierboven al weergegeven - geheel gewijzigd. Een beknopt overzicht van deze wijzigingen luidt:
  1. De afzonderlijke dagvaarding en het verzoekschrift in civiele zaken worden samengevoegd tot één nieuwe procesinleiding, genaamd het "verzoekschrift", waarmee de nieuwe vereenvoudigde basisprocedure start (artikel 30b lid 1 NRv). Het antwoord hierop is het "verweerschrift". Het verweerschrift mag ook een tegenvordering of tegenverzoek bevatten (zie artikel 30i lid 8 NRv).
  2. De verplichting tot het betekenen van de huidige dagvaarding wordt opgeheven, waardoor er laagdrempelige mogelijkheden komen voor de eisende partij om haar wederpartij in rechte te betrekken.
  3. Er komen meer wettelijke termijnen voor het verrichten van specifieke processtappen.
  4. De rechter zal meer regie voeren op het verloop van de procedure. Zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen vijf werkdagen na het verrichten van een proceshandeling neemt de rechter een regiebeslissing (artikel 1.3 Landelijke procesreglement KEI).
  5. In het burgerlijk procesrecht wordt het net als in het bestuursprocesrecht mogelijk om een procedure digitaal te starten en tijdens de procedure digitaal stukken in te dienen bij de rechter.
Eén verzoekschrift en één basisprocedure in het burgerlijk procesrecht
Met het verzoekschrift legt een eiser of verzoeker zijn vordering respectievelijk zijn verzoek voor aan de rechter. De huidige dagvaarding komt daarmee als procesinleiding te vervallen. In één verzoekschrift kunnen ook een verzoek en een vordering gezamenlijk aan de rechter worden voorgelegd; in het huidige recht (maart 2017) moeten daarvoor nog twee aparte procedures worden gestart. De samenvoeging van de dagvaarding en het verzoekschrift tot een uniform verzoekschrift is een belangrijke bijdrage aan zowel de vereenvoudiging als de digitalisering van de rechtsgang. Digitalisering van één proces is eenvoudiger dan van twee processen. Uitgangspunt is dat partijen hun standpunt en (proces)stukken zoveel mogelijk onmiddellijk in het geding brengen (artikel 30k lid 5 NRv). De rechter splitst een zaak in twee of meer zaken indien een vordering en een verzoek zich naar zijn oordeel niet lenen voor gezamenlijke behandeling (artikel 30b lid 4 NRv). Splitsing is wenselijk bij een verzoek tot aanwijzing van een deskundige ex artikel 7:304 BW en de vordering tot vaststelling van een gewijzigde huurprijs.

Het maken van een procesinleiding

Na het inloggen op Mijn Rechtspraak wordt een verschil gemaakt tussen de verschillende hoedanigheid van partijen:

De niet professionele partij en niet rechtspersonen
De partij start een procedure door het invullen van een digitaal formulier dat de gerechten via het webportaal zullen aanbieden aan de rechtzoekenden. Een deel van de gegevens die nu in een dagvaarding, een verzoekschrift of een beroepschrift moeten worden vermeld, komt in dat formulier terug. Zo moeten de gronden van de vordering, het verzoek of het beroep worden ingevuld door de rechtzoekende. Het formulier zal worden toegespitst op de specifieke omstandigheden van een zaak. Het document dat door invulling en digitale verzending van het formulier ontstaat, is de procesinleiding of het beroepschrift.

De verzoeker of indiener van een beroepschrift kan de stukken ter onderbouwing van zijn standpunten meteen digitaal “uploaden”. De procesinleiding kan ook worden geupload. De professionele dienstverlener zal hiertoe vaak genoodzaakt zijn. In het invoerveld waarin de procesinleiding geschreven moet worden is maar ruimte voor circa vier A4tjes. Dat is bij een goed onderbouwde procesinleiding waarin de gronden en de verweren moeten worden vermeld vaak te weinig ruimte. vandaar dat de procesinleiding doorgaans moet worden geformuleerd buiten het syteem om in een tekstverwerkingsprogramma moet worden geformuleerd, waarna dit document dan kan worden geüpload. Voor een simpele incassozaak zal doorgaans voldoende ruimte aanwezig zijn.

Hieronder treft u aan welke personen gebruik kunnen maken van de verschillende ingangen om het digitale systeem te benaderen.

De burger
Burgers maken in beginsel gebruik van DigiD en niet-natuurlijke personen van e-Herkenning.

Burgers en Zzp’ers (zowel voor zaken in de uitoefening van bedrijf als privézaken) kunnen desgewenst op papier procederen (artikel 30c lid 4 NRv).

Voor de vennootschap onder firma, de commanditaire vennootschap en de maatschap geldt dat zij noch onder de categorie rechtspersonen, noch onder de categorie natuurlijke personen vallen. In het griffierecht worden zij beschouwd als niet-natuurlijke personen en betalen zij het griffierecht voor de categorie rechtspersonen. In die zin moet ook het gebruik van de term “natuurlijke personen” worden opgevat in de artikel 30c lid 4 NRv en 8:36 b, eerste lid, Awb. Daartoe behoren niet de rechtspersonen en ook niet alle andere niet-natuurlijke personen in de zin van vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen en maatschappen. In het geval van een vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap komt procesbevoegdheid toe aan de personenvennootschap zelf. Deze vennootschappen dienen dus digitaal te procederen.

Daarnaast heeft een vennoot van een vennootschap onder firma de bevoegdheid om een procedure namens de personenvennootschap te beginnen (artikel 17 Wetboek van Koophandel). Hetzelfde geldt voor de beherend vennoot van een commanditaire vennootschap. Een maatschap heeft als zodanig geen procesbevoegdheid. Wel kunnen de maten gezamenlijk de maatschap vertegenwoordigen. Een maat kan ook bevoegd zijn om voor de gehele maatschap een beslissing te nemen. In een dergelijk geval zijn de maten dus gebonden aan deze bevoegd genomen beslissing. De individuele maten worden in dat geval procespartij in de procedure. Dit zijn allen natuurlijke personen, die gebruik zouden kunnen maken van de mogelijkheid om op papier te procederen. Als zij die procedure echter voeren in naam van de vennootschap of maatschap, dienen zij zoals boven al gemeld digitaal te procederen. In de genoemde gevallen kan de rechter vrij eenvoudig vaststellen of iemand als privé persoon dan wel in naam van de vennootschap of maatschap procedeert, zodat de verplichting voor deze natuurlijke personen om digitaal te procederen niet tot onduidelijkheden voor de rechter zal leiden.

De professionele partij
Voor de professionele (rechtsbijstand, deurwaarders, advocaten, juridische adviseurs, IND en UWV, etc.) partij wordt een zogenoemde “system to system” voorziening, waardoor de digitale systemen van grote ketenpartners die vaak als procespartij optreden enerzijds en de rechtspraak anderzijds eenvoudig kunnen worden gekoppeld gecreëerd. Voor de digitale verzending wordt daarom – met de huidige stand van de techniek - gebruik gemaakt van e-Herkenning voor de authenticatie en de (veiligheids)waarborgen. Bedrijven en bestuursorganen loggen in met e-Herkenning.
De verweerder (of zijn gemachtigde) kan zijn verweer en bewijsstukken op dezelfde wijze indienen.

Derde belanghebbende en betrokkenen
Betrokkenen bij een verzoek en derdebelanghebbenden in een bestuursrechtelijke zaak kunnen, net als andere bij een procedure betrokken partijen, toegang krijgen tot (een specifiek onderdeel van) “Mijn Zaak”. KEI Rechtspraak zal ervoor zorgdragen dat persoonsgegevens die in het digitale systeem worden opgenomen naar behoren worden afgeschermd, zodat niet meer toegang wordt gegeven dan in het kader van de procedure noodzakelijk is. Via een authenticatie- en autorisatiesysteem zullen ook anderen dan partijen toegang moeten kunnen krijgen tot “Mijn Zaak” voor het indienen van stukken, zoals bijvoorbeeld een deskundige die zijn deskundigenbericht gereed heeft.

Beknopt overzicht van de mogelijke processtappen in een procedure >>

De nieuwe basisprocedure, die de huidige dagvaarding opvolgt, heeft vaste termijnen:
  • 1 schriftelijke ronde (artikel 30k lid 5 NRv);
  • de verweerder is informeel opgeroepen en komt niet opdagen. Deze informele wijze van oproeping kan via allerlei manieren plaatsvinden. Dit kan dus via een brief, via de mail, via een WhatsApp bericht, etc. Er wordt geen verstek verleend als de verweerder niet op dit informele bericht reageert. De eiser zal het oproepbericht alsnog via een deurwaarder moeten betekenen (artikel 112 lid 2 NRv en artikel 112 lid 3 NRv, omdat de eiser anders niet-ontvankelijk wordt verklaard. Als een gemachtigde namens de verweerder in een procedure wenst te verschijnen, dan moet de verweerder zijn toegangscode (staat in het oproepingsbericht) vermelden van zijn zaak "mijn Rechtspraak". Deze gemachtigde kan met deze toegangscode verschijnen in deze zaak. Zonder deze toegangscode kan de gemachtigde niet verschijnen. De griffie mag niet meer op naam of adres zoeken, maar kan bij telefonische vragen slechts zoeken op zaaknummer vanwege de regels omtrent privacy;
  • een mondelinge behandeling bij de rechter (artikel 30j NRv);
  • en een uitspraak.

Nieuwe basisprocedure burgerlijk recht >>

Deurwaarder niet altijd meer nodig
Uit het nieuwe wettelijke systeem volgt dat de in de oorspronkelijk in de dagvaarding op te nemen gegevens, waarover de eiser bij uitsluiting kan beslissen, voortaan in de procesinleiding worden opgenomen (zie de in artikel 30a lid 3 NRv op te nemen gegevens) en dat in vorderingszaken het oproepingsbericht (met daarin opgenomen de procesinleiding) het processtuk is dat aan de wederpartij wordt uitgebracht. Naast gegevens als de naam en woonplaats van de eiser en verweerder gaat het hier met name om de gronden van de vordering of het verzoek, de daartegen aangevoerde verweren en de bewijsmiddelen waarover de eiser of verzoeker beschikt. De informatie die voortaan niet meer door eiser wordt verstrekt en ingevolge artikel 111 RV door het gerecht (of de deurwaarder) in het oproepingsbericht wordt opgenomen, betreft de wijze van verschijnen door de verweerder en de gevolgen van het niet-verschijnen, de termijn voor het indienen van een verweerschrift, de verschuldigdheid van griffierecht en in kort geding de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling (huidig (maart 2017) artikel 111 RV, onder g, h, i, j, k en l). De overige informatieverplichtingen uit het huidige artikel 111 NRv zijn verplaatst naar artikel 30a NRv. Na ontvangst van de procesinleiding stuurt de griffier de eiser een oproepingsbericht (artikel 111 lid 1 NRv). Dit oproepingsbericht wordt in principe automatisch gegenereerd en via het digitale systeem aan de eiser ter beschikking gesteld.
. Alleen bij natuurlijke personen als eiser die niet digitaal procederen en niet door een rechtsbijstandverlener worden bijgestaan, zal volgens de memorie van toelichting het oproepingsbericht per post worden verzonden ( pagina 2, Memorie van toelichting - Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht ).

Er zijn twee mogelijkheden om de vorderingsprocedure bekend te maken.

  1. De eisende partij zorgt er voor dat het oproepingsbericht plus procesinleiding bij de verwerende partij komt. Conform artikel 111 lid 1 NRv stuurt de griffie zoals boven reeds vermeld een oproepingsbericht na ontvangst van de procesinleiding naar de verzoeker. De verzoer kan vervolgens zelf de procesinleiding naar de verweerder sturen. (De procedure volgens artikel 112 Rv).
  2. Partijen kunnen er ook voor kiezen het oproepingsbericht als bedoeld in artikel 111 NRv bij de verweerder als exploot te betekenen (zie artikel 111 lid 1 NRv). De deurwaarder stelt oproepingsbericht op en laat dit betekenen aan wederpartij (zie artikel 113 NRv). Het exploot moet dan voldoen aan de voorwaarden als genoemd in artikel 30a lid 3 NRv. Vervolgens moet het oproepingsbericht worden ingediend bij de rechtbank.
De procesinleiding komt in plaats van de dagvaarding
Het voorstel vereenvoudigt het civiele procesrecht door de introductie van één proces inleidend stuk: het verzoekschrift. Dit verzoekschrift vervangt de huidige dagvaarding voor vorderingen en het huidige verzoekschrift voor verzoeken. Een procedure die betrekking heeft op een vordering wordt voortaan aangeduid als vorderingsprocedure. Een “verzoek” leidt tot een verzoekprocedure. Met de invoering van deze geüniformeerde rechtsingang worden de verschillen tussen de huidige dagvaardings- en verzoekschriftprocedure verminderd.

De procedure volgens artikel 112 Rv
Iedere procedure begint met een procesinleiding. In artikel 30a lid 3 NRv staat vermeld waaraan de procesinleiding moet voldoen. Deze procesinleiding wordt door "Mijn Rechtspraak" gegenereerd. Een eiser die langs elektronische weg procedeert, maakt voor het indienen van de procesinleiding gebruik van het daartoe bestemde elektronische formulier dat beschikbaar is via Mijn Rechtspraak. Indien langs de elektronische weg wordt geprocedeerd, stelt het gerecht na ontvangst van de procesinleiding ten behoeve van de eiser in een vorderingsprocedure een oproepingsbericht als bedoeld in artikel 112 Rv beschikbaar in Mijn Rechtspraak. Dat is dus eenvoudiger dan nu het geval is, omdat de opsteller van een dagvaarding nu de variabelen dient te weten bij het opstellen van een dagvaarding. Bij opzet die wordt gegenereerd zal de eiser variabelen in dienen te vullen, zodat deze vanzelf deze eisen tegen komt. De eiser moet zich dan natuurlijk nog steeds bewust zijn dat de volledige voornamen van de natuurlijke persoon die als eiser optreedt vermeld dient te worden, omdat anders nietigheid van het stuk kan volgens bij vermelding van alleen de voorletters. De vorm wordt dus door KEI verzorgd. De termijn voor dagvaarding wordt in dit wetsvoorstel vervangen door een termijn voor verschijning door de wederpartij. Deze is opgenomen in artikel 30a lid 3 onder c NRv, en bedraagt minimaal vier weken en maximaal zes maanden na de dag van de indiening van de procesinleiding bij de rechtbank of minimaal twee weken en uiterlijk zes maanden na betekening van de procesinleiding bij de verweerder in het geval op grond van artikel 113 de procesinleiding na betekening bij de rechtbank wordt ingediend. Bij de procesinleiding voegt de eiser alle beschikbare bewijsstukken ter onderbouwing van zijn vordering.

De procesinleiding wordt vervolgens integraal opgenomen in het oproepingsbericht, dat door het gerecht waar de procesinleiding is ingediend, wordt gegenereerd. De procesinleiding kan in "Mijn Rechtspraak" worden opgesteld. Op "Mijn Rechtspraak" is ongeveer vier bladzijde (A4tjes) ruimte om de vordering te onderbouwen. Dat zal doorgaans niet voldoende zijn. Het is daarom het verstandigst om een eigen document aan te maken en deze onderbouwing te uploaden naar Mijn rechtspraak.nl. Concepten worden bovendien maar 24 uur bewaard. Als het concept niet binnen 24 uur is afgerond, dan zal het concept door het systeem worden verwijderd. Het rechtstreeks invoeren van de onderbouwing in de omgeving van "Mijn Rechtspraak" lijkt daarom - gezien de beschikbaar gestelde ruimte en het tijdsbestek waarbinnen het document gereed moet zijn - alleen handig voor eenvoudige incassozaken. In het oproepingsbericht wordt de procesinleiding integraal opgenomen en het geheel wordt bij de verweerder bezorgd of betekend. In geval van digitale indiening van de procesinleiding wordt het oproepingsbericht digitaal verzonden. In het oproepingsbericht wordt verder vermeld op welke wijze de verweerder in de procedure moet verschijnen, wat de rechtsgevolgen zijn bij niet verschijnen, de uiterste termijn voor indiening van het verweerschrift en het te betalen griffierecht (artikel 111, tweede lid, Rv). Het oproepingsbericht wordt vervolgens aan de eiser ter beschikking gesteld ter bezorging of betekening aan de wederpartij (artikel 112 lid 1 NRv). De eisende partij moet er dus voor zorgen dat dit oproepingsbericht plus procesinleiding bij de verwerende partij komt. Dat kan hij zelf doen, maar hij kan ook net als vanouds met de dagvaarding, de deurwaarder het oproepingsbericht laten betekenen (de officiële kennisgeving). Als de tegenpartij besluit verweer te voeren, dan kan zijn gemachtigde dat digitaal aangeven. Hij krijgt hiervoor een machtigingscode waarmee hij kan inloggen in het zaakdossier. Vervolgens krijgt hij maximaal 6 weken de tijd om digitaal een verweerschrift in te dienen. 

Ontvangstbevestiging en een oproeping ex artikel 112 RV
Het gerecht verschaft de eiser na indiening van de procesinleiding dus een ontvangstbevestiging en een oproeping waarin de procesinleiding is opgenomen. Telkens wanneer een van de partijen digitaal een stuk indient bij de griffie, verstuurt de griffier een (automatische) ontvangstbevestiging (zie artikel 30d lid 1 NRv)). Door het indienen van een procesinleding is griffierecht verschuldigd. Deze is van belang voor de vraag wanneer het stuk geacht wordt te zijn ingediend. De eiser kan de oproeping vervolgens binnen twee weken na het indienen van de procesinleiding bij het gerecht (laten) bezorgen bij de wederpartij (artikel 112 NRv). De eiser kan dit stuk (bijvoorbeeld per post of per e-mail) naar de wederpartij sturen. Als de wederpartij zich meldt bij het gerecht (vgl. artikel 114 Rv), is duidelijk dat de procesinleiding bij haar is bezorgd. Partijen zijn in dit geval niet afhankelijk van de tussenkomst van de deurwaarder.

De procdure volgens artikel 113 Rv
De eisende partij kan er ook voor kiezen om eerst de deurwaarder het oproepingsbericht te laten betekenen (artikel 113 Rv) en daarna de zaak digitaal in te dienen bij de rechtbank.  

Eerst oproepingsbericht betekenen (artikel 113 NRv)
Als eiser wel kiest voor betekening van de procesinleiding door de deurwaarder, dan dient het exploot van betekening van het oproepingsbericht door de eiser te zijn ingediend uiterlijk op de dag, voorafgaande aan de dag waarop de verweerder ten laatste kan verschijnen, tenzij verweerder eerder is verschenen (artikel 112 lid 1 laatste zinsdeel NRv). In dat geval is het aan de deurwaarder om een oproepingsbericht met procesinleiding op te stellen. Om de oproepingsberichten niet te veel te laten verschillen heeft de Rechtspraak in nauw overleg met vertegenwoordigers van deurwaardersorganisatie KBvG en de Orde van Advocaten modellen ‘oproepingsbericht met procesinleiding’ vastgesteld  voor de digitale civiele vorderingsprocedure volgens artikel 113 Rv en voor de verzetprocedure (artikel 113 Rv juncto artikel 143 Rv).

Wanneer is de procedure aanhanging?
Het geding is aanhangig met ingang van de dag waarop de procesinleiding is ingediend als bedoeld in artikel 30a lid 1 NRv. Volgens het nieuwe artikel 125 NRv is het geding aanhangig met ingang van de dag waarop de procesinleiding is ingediend als bedoeld in artikel 30a, eerste lid RV. Met de invoering van deze geüniformeerde rechtsingang worden de verschillen tussen de huidige dagvaardings- en verzoekschriftprocedure (augustus 2017) verminderd. In die procedures is de nieuwe eenvoudige basisprocedure het uitgangspunt, die, als de zaak dat verlangt, kan worden uitgebreid met andere proceshandelingen, waardoor er maatwerk kan worden geboden. In de procesinleiding behoeven beduidend minder gegevens te worden opgenomen dan de gegevens die naar huidig recht (maart 2017) in een dagvaarding moeten worden vermeld.

Bij instelling van gecombineerde procedures is dit goedkoper dan de huidige procedure (augustus 2017) omdat maar één procesinleiding hoeft te worden opgesteld en maar één keer griffierecht hoeft te worden betaald. Het verschuldigde griffierecht dient door eiser te zijn betaald binnen vier weken te rekenen vanaf de datum waarop de procesinleiding is ingediend. De zaak wordt aangehouden zolang de betaling niet is verricht en de betalingstermijn van vier weken nog loopt, met dien verstande dat de termijn voor het indienen van het desbetreffende processtuk doorloopt. Indien in eerste aanleg wordt geprocedeerd en blijkt dat de eiser het griffierecht niet tijdig heeft voldaan, wordt de zaak verwezen naar een dag op een termijn van twee weken later voor uitlating door de eiser als bedoeld in artikel 127a Rv. In sommige gevallen wordt de zaak niet aangehouden in afwachting van betaling van het griffierecht (bijvoorbeeld: incidenten betreffende een voorlopige voorziening binnen het kader van een bodemprocedure. Zie voor meer voorbeelden artikel 1.15 Landelijke procesreglement KEI. Indien in een vorderingsprocedure de termijn van de verweerder om een verweerschrift in te dienen verstrijkt voordat duidelijk is of de eiser tijdig heeft betaald, dan wel de termijn voor de eiser om zich uit te laten als bedoeld in artikel 127a lid 2 Rv nog loopt, krijgt de verweerder alsnog een termijn om zijn verweerschrift in te dienen. In deze bepaling staat ook een regel over het eventueel door de verweerder verschuldigd griffierecht (artikel 1.14 Landelijke procesreglement KEI).

Oproepingsbericht vorderingsprocedure
Bij een vorderingsprocedure kan gekozen worden hoe en wanneer de procedure bekendmaakt wordt gemaakt bij de andere partij:

  • door het indienen van de procesinleiding via Mijn Rechtspraak en de bezorging daarna van het oproepingsbericht van de rechtbank bij de verwerende partij (artikel 112 lid 1 NRv) (dit kan dus zoals boven reeds vermeld op infomele wijze plaatsvinden middels een brief, e-mail of een Wahtsapp bericht), of
  • door het opstellen van een oproepingsbericht door de deurwaarder en het betekenen aan de verwerende partij en het daarna aanbrengen van de zaak bij de rechtbank via Mijn Rechtspraak (artikel 113 NRv).
De oproeping moet tijdig worden geüpload. Er kunnen logistieke problemen ontstaan als de deurwaarder binnen twee weken alsnog de procesinleiding moet betekenen nadat verweerder bij de zitting niet op is komen dagen. Als deze termijn niet kan worden gehaald (bijvoorbeeld met het achterhalen van het adres van de verweerder), dan zal de zaak ingetrokken moeten worden, waarna een nieuwe procedure gestart moet worden. Dit leidt tot extra werk voor de aanvrager en extra kosten, want het griffierecht kan niet geheel terug worden gekregen. Boven is al vermeld dat bij intrekking van de zaak voordat de verwerende partij in de procedure is verschenen of uiterlijk had moeten verschijnen, elke eisende partij eenderde van het griffierecht verschuldigd blijft (met een maximum van € 75 voor onvermogenden, € 250 voor particulieren en € 500 voor organisaties). Het indienen van een procesinleiding brengt als drukmiddel tot betaling van een bepaald bedrag brengt het risico met zich mee dat na betaling van de wederpartij toch een deel van het griffierecht is verschuldigd. Voor zaken met een hoog bedrag aan griffierecht is het daarom wellicht verstandig de zaak toch door te laten lopen en de hoofdsom met de betaling te verminderen met verzoek wederpartij in de proceskosten te belasten.

Omschrijf de verwerende partij zeer nauwkeurig
Het is van groot belang om de verwerende partij, en diens adresgegevens, zeer nauwkeurig en correct te omschrijven. Zorg bijvoorbeeld voor een uittreksel uit het handelsregister van de kamer van koophandel, teneinde de juiste naam en de correcte adresgegevens te achterhalen. Aan de deurwaarder kan worden gevraagd alvorens de dagvaarding uit te brengen eerst de adresgegevens bij de Gemeentelijke Basis Administratie te verifiëren (artikel 30a lid 3 NRv). De deurwaarder kan ook worden gevraagd te onderzoeken of de debiteur in de schuldhulpverlening zit.
Als een eiser abusievelijk een verkeerde partij in een procedure betrekt, dan is het soms mogelijk door middel van een rectificatie de juiste partij alsnog wordt opgevoerd. Te denken valt aan de situatie dat verhuurder A een pand heeft verhuurd. Verhuurder A behoort tot een conglomeraat, waartoe ook verhuurder B behoort. Verhuurder A en B zijn allebei vennootschappen. Verhuurder A en B hebben dezelfde achterliggende natuurlijke personen. Beide vennootschappen hebben dezelfde advocaat. Als nu verhuurder B abusievelijk in een procedure wordt betrokken in plaats van vennootschap A, dan kan er reden aanwezig zijn op verzoek van eiser vennootschap B te rectificeren in vennootschap A. Deze laatste vennootschap is dan niet in haar vereer geschaad en vennootschap B wist of had moeten weten dat vennootschap A was bedoeld en niet vennootschap B. De Hoge Raad oordeelde in haar arrest van 10 juli 2015 ( ECLI:NL:HR:2015:1844 ) dat een eiser de naam van een gedaagde partij om deze reden kan wijzigingen, waarmee een verkeerd gedagvaarde partij alsnog in de juiste partij kan worden gewijzigd.

Indien de eiser niet heeft voldaan aan enig vereiste zoals vermeld in artikel 30a lid 3 en 4 NRv of zoals vermeld in de beide vorige artikelen en het verzuim nog kan worden hersteld, verleent het gerecht hem een termijn van twee weken voor herstel verzuim.

Bij het dagvaardingsformulier was er sprake van een aanzienlijk aantal zaken die geen doorgang konden vinden wegens het niet correct vermelden van de naam- en adres gegevens (De civiele procedure bij de kantonrechter, onderzoek en beleid, evaluatie en vernieuwing door A. Klijn, C. Kozijn en G. Paulides, Gouda Quint, 1994, pagina 26). Het is de vraag of wegens een onjuiste tenaamstelling alsnog een deurwaarder ingeschakeld dient te worden. Er wordt nog wel opgemerkt dat de postbezorging doorgaans een goed en goedkoper alternatief voor de deurwaarder is. Hierbij moet dan ook worden uitgegaan van een juist adres. Een verzoekschriftprocedure (bijvoorbeeld de artikel 7:304 BW-procedure, de aanwijzing van een deskundige in een procedure tot wijziging van de huurprijs) vindt ook plaats buiten de diensten van de deurwaarder om. De verzoeker dient ook hier zelf de juiste gegevens na te gaan. Aangezien voor de juiste gegevens de KvK kan worden geraadpleegd is hierbij de juiste adressering doorgaans geen probleem. Bij huurzaken werd bij de dagvaardingsformulieren vastgesteld dat 91% van de eisers een rechtspersoon was. Verder wil een juiste postbezorging niet zeggen dat daarmee een procedure correct verloopt. een postbode is immers, althans zo was het vroeger, bekend in de buurt. De postbode had aan een halve naam al voldoende om de post correct te laten bezorgen. Een brief met een verkeerde gespelde naam kan weliswaar goed worden bezorgd, maar dat kan in een later stadium toch tot problemen leiden. Een vonnis ten laste van een persoon waarvan de naam niet goed is gespeld, levert in de executoriale fase een groot probleem op. Een vonnis ten laste van een niet bestaande persoon is immers waardeloos. Het zal daarom van belang zijn dat elke persoon een gemeente kan vragen de persoonsgegevens ten behoeve van een partij in een procedure ter beschikking te stellen. Dit is nu voorbehouden aan bepaalde beroepsgroepen, zoals advocaten, notarissen en deurwaarders. Als de verzoeker deze gegevens niet zelf ten behoeve van de procesinleiding op kan vragen, meen ik dat er gesproken kan worden van een hiaat in de regelgevinf. Hierbij is nog van belang dat de naamstelling tijdens het voeren van een procedure doorgaans geen aandacht krijgt. Er wordt doorgaans gefocust op de inhoudelijke argumenten, waardoor een rectificatie van de naam (als dat al in een specifieke situatie mogelijk is) van een partij over het hoofd wordt gezien. Bij de executie wordt een onjuiste naamstelling dan vaak wel opgemerkt, maar dan is het te laat, want dan zijn geen correcties meer mogelijk. Verder kan de niet-professionele eiser een aantal zaken vergeten te vorderen, zoals wettelijke (handels) rente, proceskosten, incassokosten, etc. Deze kosten kunnen niet meer worden gevorderd nadat vonnis is gewezen.

In verzoekprocedures beveelt de rechter oproeping van de verzoeker en voor zover nodig van de in de procesinleiding genoemde belanghebbenden. Bovendien kan hij te allen tijde belanghebbenden, bekende of onbekende, doen oproepen. In geval van een procesinleiding waarbij zowel een vordering is ingesteld als een verzoek is ingediend (dus gecombineerde procedures), beveelt de rechter ook de oproeping van de belanghebbende die tevens verweerder bij de vordering is (artikel 30j lid 2 NRv. Het is immers niet de bedoeling dat in een gecombineerde procedure aan een niet-verschenen belanghebbende verstek wordt verleend.

De eisende partij kan haar wederpartij laagdrempelig en vrijwel zonder kosten informeren over het begin van de procedure. Het betekent niet dat iedere consument met succes een procedure zal kunnen starten. Bij het wetsvoorstel tot invoering van het dagvaardingsformulier werd al door Ten Berg-Koolen gesteld dat de niet-jurist een specifieke formulier voorgelegd zou moeten worden. Ook bij het juiste formulier rees de vraag of de justitiabele in het algemeen in staat zou zijn het formulier correct in te vullen. Dit werd door haar niet realistisch geacht (Ten BergKoolen, 1989, p. 1580, aangehaald in "de civiele procedure bij de kantonrechter, onderzoek en beleid, evaluatie en vernieuwing" door A. Klijn, C. Kozijn en G. Paulides, Gouda Quint, 1994, pagina 22 en 23). De juiste formulering van de vordering zal in deze nieuwe situatie toch ook een probleem kunnen zijn . Voor incassozaken geldt dat minder. Als iemand een bedrag te vorderen heeft wegens een koopovereenkomst, of de maandelijkse huur onbetaald laat, dan zijn er feitelijk een paar juiste regels nodig om de vordering te onderbouwen.
Er werd in het kader van het gebruik van het dagvaardingsformulier geconstateerd dat een aanzienlijk gedeelte van de gebruikers van het formulier beroep deed op professionele rechtsbijstandverleners. Als conclusie werd dit als volgt samengevat: hier ziet men het verschil tussen het beoogde (een doe-het-zelfvoorziening') en het gerealiseerde gevolg ('we doen het samen') van een wetswijziging geïllustreerd.

Onbetwiste vorderingen
Het staat een eisende partij vrij om desgewenst ook meteen te kiezen voor de tussenkomst van de deurwaarder. De rechter kan de kosten die een eiser maakt voor het inschakelen van de deurwaarder betrekken bij de proceskostenveroordeling, ongeacht of eerst voor een informele kennisgeving is gekozen. Voor dit uitgangspunt is gekozen omdat de eiser niet kan bewijzen dat hij eerst voor een informele kennisgeving heeft gekozen als de wederpartij niet tijdig in de procedure is verschenen.

Een mogelijkheid is dat een schuldeiser in de toekomst inlogt op het digitale systeem van de rechterlijke macht en dan aangeeft dat hij een vermoedelijk onbetwiste geldvordering heeft. Hij krijgt dan de mogelijkheid om een verzoekschrift op te stellen door gebruik te maken van een invulmodel voor onbetwiste geldvorderingen. Hij vult in wie welk bedrag nog aan hem moet betalen en voegt een overeenkomst, facturen en de eventuele correspondentie met de schuldenaar bij. De schuldeiser laat het verzoekschrift vervolgens door een deurwaarder betekenen en wanneer de schuldenaar niet verschijnt, kan de rechter de vordering bij verstek toewijzen, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Het staat de schuldeiser natuurlijk vrij om de schuldenaar informeel op te roepen, maar als hij van te voren al verwacht dat deze niet in de procedure zal verschijnen, dan ligt het in de rede dat hij gelijk een deurwaarder inschakelt. Als de oproeping niet door de deurwaarder wordt betekend bij een verstekzaak, dan eindigt de procedure. Er komt dan geen vonnis, maar de zaak wordt dan zonder vonnis uit de administratie van de rechtbank gehaald. Het griffierecht wordt dan niet volledig gerestitueerd.
Met deze gang van zaken is de afhandeling van incassozaken zonder verweer ook eenvoudiger voor de rechtbank. De vele verstekzaken worden hierdoor eenvoudiger herkenbaar voor de rechtbank en kunnen apart van de basisprocedure efficiënt worden afgedaan.

Indienen stukken
Het is van belang om belangrijke documenten altijd bij procesinleiding te voegen, namelijk als productie. U dient de producties te nummeren. Vóór elke productie kunt u een productievel leggen, waarop het nummer van de betreffende productie is vermeld. Derhalve: “Productie 1, Productie 2, etc.”. Artikel 30k lid 5 NRv vermeldt dat processtukken in beginsel tot tien dagen voor de mondelinge behandeling kunnen worden ingediend.
Als er stukken ontbreken (bijvoorbeeld produkties die bij de procesinleiding horen), dan zal door de griffie daarvan door de griffie een bericht naar de eisende partij worden gestuurd. Het is echter de vraag hoe de griffie dit allemaal kan controleren. De tijd zal het leren hoe men hiermee omgaat.
Stukken die na die termijn of ter zitting worden ingediend, worden door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij Artikel 30c lid 8 NRv, van toepassing is (het indienen van processtukken op papier) of de goede procesorde zich daartegen verzet. De gedachte hierover luidt als volgt: voor de indiener van een digitaal stuk is het relatief eenvoudig om bijvoorbeeld een stuk van enorme omvang, een grote hoeveelheid stukken of verwijzingen naar websites in te dienen. Om die reden is het mogelijk dat de rechter door partijen overgelegde gegevens of bescheiden buiten beschouwing kan laten als zij op zijn verzoek niet aangeven ter toelichting of staving van welke stelling de gegevens en bescheiden zijn bedoeld en welk onderdeel daartoe van belang is. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 31 januari 2003 (HR 31 januari 2003, NJ 2004, 48) geoordeeld dat indien een partij ook na een verzoek van de rechter om opheldering “ter toelichting of staving van welke stelling het gedeponeerde materiaal is bedoeld en welk (onder)deel van het gedeponeerde daartoe van belang is, onvoldoende heeft voldaan aan de substantiëringsplicht, “de rechter het gedeponeerde materiaal terzijde kan laten”. Originele stukken of voorwerpen die niet geschikt zijn om langs elektronische weg over te leggen, kunnen ter griffie van het gerecht worden gedeponeerd. Van het depot maakt de griffier een akte op, die aan het digitale dossier aan "Mijn Rechtspraak" wordt toegevoegd.
Uiteraard blijft het mogelijk aanvullende stukken in te dienen als eisende partij naar aanleiding van een verweer van verwerende partij. Te denken valt aan de situatie dat de rechter een mondelinge behandeling heeft gelast na indiening van het verweer door de verwerende partij. De eisende partij kan de stukken die tijdens de mondelinge behandeling worden gebruik aan het dossier toevoegen. In het Landelijke procesreglement KEI zal een regeling bevatten hoe deze documenten moeten worden benoemd. Verder is het nog van belang om op te merken dat indien bij een processtuk meer dan één bewijsstuk wordt gevoegd, deze stukken doorlopend genummerd worden, waarbij de eiser of de verzoeker en de verweerder of iedere belanghebbende ieder een eigen nummering hanteren. Tevens vermeldt het processtuk waarbij de bewijsstukken worden gevoegd, telkens het nummer van het bewijsstuk en de relevantie daarvan voor de procedure, onder vermelding van de relevante passages. Indien langs elektronische weg wordt geprocedeerd, wordt ieder processtuk en ieder bewijsstuk als een afzonderlijk digitaal bestand aangeleverd. Indien meer dan één bewijsstuk wordt ingediend, worden de bewijsstukken op zodanige wijze aangeleverd dat deze bewijsstukken in de juiste volgorde kunnen worden geraadpleegd. Indien een partij al eerder in de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep bewijsstukken in het geding heeft gebracht, wordt bij de nummering van de bewijsstukken uit het vorige processtuk van diezelfde partij aangesloten (zie artikel 1.6 Landelijke procesreglement KEI).

De rechter kan door partijen verschafte gegevens en bescheiden buiten beschouwing laten indien zij op zijn verzoek niet aangeven ter toelichting of staving van welke stelling de gegevens of bescheiden zijn bedoeld en welk onderdeel daartoe van belang is (de aanwijsplicht ex artikel 22b NRv). De rechter kan immers op basis van artikel 22 NRv in elke stand van de procedure verlangen dat een bepaalde stelling wordt toegelicht. Hiermee wordt bedoeld dat deze gegevens het standpunt moeten onderbouwen of dat duidelijk moet zijn dat deze gegevens het standpunt onderbouwt. De vermelding van het verweer en de substantiëringsplicht (de vermelding van de verweermiddelen) staat nu artikel 30a lid 3 onder f NRv. Door deze regel lijkt de substantiëringsplicht een minder grote rol te gaan spelen in dier voege dat de partij die door onkunde of slordigheid verzuimt zijn stellingen te onderbouwen door de rechter alsnog in gelegenheid gesteld kan worden dit standpunt nader te onderbouwen. Ik zie geen verplichting van de rechter om dit te doen. Ik vraag mij af of dit niet tot willekeur zal leiden. Als de rechter een partij niet welgevallig is (bijvoorbeeld de gemachtigde die bekend is bij een bepaalde rechtbank en die geen goede verstandhouding met de rechter heeft) dan is het de vraag waar de administratieve ondersteuning eindigt en waar het risico van partijdigheid begint op te spelen.

Termijnen>>

De termijn voor dagvaarding wordt in dit wetsvoorstel vervangen door een termijn voor verschijning door de wederpartij. Deze is opgenomen in artikel 30a lid 3 onder c NRv, en bedraagt minimaal vier weken en maximaal zes maanden na de dag van de indiening van de procesinleiding bij de rechtbank of minimaal twee weken en uiterlijk zes maanden (let dus op verschil!) na betekening van de procesinleiding bij de verweerder in het geval op grond van artikel 113 RV de procesinleiding na betekening bij de rechtbank wordt ingediend.

De termijn die verweerder heeft om in de procedure te verschijnen is gekozen vanaf het moment van indiening van de procesinleiding bij de rechtbank. Dat is het formele moment waarop de procedure wordt gestart, omdat het moment van indiening bij de rechtbank in het oproepingsbericht wordt aangegeven (artikel 111 lid 2 aanhef NRv ). De termijnen worden ambtshalve gehandhaafd, tenzij uit dit reglement anders voortvloeit. In vorderingsprocedures bepaalt de rechter dus de dag en het uur van de mondelinge behandeling zo spoedig mogelijk nadat de verweerder is verschenen, tenzij de rechter ambtshalve of op verzoek van een of meer partijen anders bepaalt. Dit is dus anders dan volgens het huidige systeem (2017). Volgens het huidige systeem worden de verdere handelingen in de procedure op de roldatum beslist.
Indien een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en de rechter van die termijn geen uitstel heeft verleend, vervalt het recht de proceshandeling te verrichten (artikel 1.20 Landelijke procesreglement KEI). Behoudens in de elders in dit reglement genoemde gevallen, wordt uitstel alleen verleend op verzoek van een of meer partijen op grond van klemmende redenen. Daarnaast kunnen partijen bij eenstemmig gemotiveerd verzoek om uitstel vragen. De rechter beslist zo spoedig mogelijk op dit verzoek.
In vorderingsprocedures bepaalt de rechter de dag en het uur van de mondelinge behandeling zo spoedig mogelijk nadat de verweerder is verschenen, tenzij de rechter ambtshalve of op verzoek van een of meer partijen anders bepaalt. Een gemotiveerd verzoek van een partij om uitstel wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk vier werkdagen voor de afloop van de voor de proceshandeling geldende termijn of voor de zitting bij schriftelijk bericht ingediend. De wederpartij reageert bij schriftelijk bericht binnen twee werkdagen na indiening van het verzoek. Een eenstemmig verzoek wordt uiterlijk twee dagen voor de afloop van de voor de proceshandeling geldende termijn gemotiveerd gedaan. De rechter beslist op het verzoek zo spoedig mogelijk na het verstrijken van een termijn van twee werkdagen na indiening van het verzoek of, indien voor die tijd een reactie van de wederpartij is ontvangen, zo spoedig mogelijk na ontvangst van deze reactie.
Uiterlijk twee weken na het indienen van de procesinleiding moet het oproepingsbericht worden betekend bij de verweerder (artikel 112 lid 1 NRv). Deze twee weken vanaf het moment van de procesinleiding liggen voor het moment van betekenen van het oproepbericht.

Wat betreft ontvankelijkheidperikelen geldt dat de rechter zich niet ontvankelijk zal moeten verklaren als de kantonrechter die rechtspreekt in de woonplaats van gedaagde is benoemd in plaats van de plaats waar het gehuurde is gelegen.

Betreft een civiele zaak een vordering, dan heeft de wederpartij een termijn van twee weken (artikel 112 lid 2 NRv) nadat de eiser de oproeping heeft bezorgd bij de verweerder, om te verschijnen in de digitale omgeving van de rechterlijke macht. Hetzelfde geldt voor de belanghebbende bij een civiele zaak over een verzoek. De verweerder heeft dus minimaal twee weken na betekening door de deurwaarder de tijd om in de procedure te verschijnen. De verweerder zal dan binnen acht weken na de start van de procedure verweer moeten voeren. De verweerder heeft immers niet gereageerd op het door de eiser gestuurde verzoek om zich te verweren tegen de vordering. Als de verweerder dus in week vier verstek laat gaan moet de eiser de procesinleiding alsnog binnen twee weken door een deurwaarder laten betekenen. Daarna moet de verweerder binnen twee weken verweer voeren in de procedure.

De wederpartij of belanghebbende heeft aldus vier weken in kantonzaken en zes weken in de andere zaken om een verweerschrift in te dienen, te rekenen vanaf het moment waarop zij in de procedure is verschenen (artikel 111 lid 1 onder c NRv). In het oproepingsbericht zal dus een termijn om te verschijnen van ten minste zes (vier plus twee) weken, respectievelijk vier maanden (minimaal drie maanden plus twee weken) moeten staan om te voldoen aan de eisen van artikel 115 NRv (onder meer betekening buiten Nederland en zonder bekende woon- of verblijfplaats, let ook op de regels van de Betekeningsverordening).

Als de wederpartij niet binnen vier weken na de start van de procedure is verschenen, kan de eiser alsnog de deurwaarder inschakelen om te betekenen binnen een (extra) termijn van twee weken (artikel 112 lid 2 NRv). De termijn om te verschijnen als bedoeld in artikel 30a derde lid onder c 2 NRv c, wordt in dat geval verlengd met vier weken na de laatste dag waarop de verweerder diende te verschijnen, bedoeld in de eerste volzin van artikel 112 lid 2 NRv.

Zo spoedig mogelijk nadat verweerder in de procedure is verschenen als bedoeld in artikel 114 NRv, dan wel na ontvangst van de procesinleiding in een verzoekprocedure, bepaalt de rechter de dag en het uur waarop de mondelinge behandeling plaatsvindt. De termijn tussen de uitnodiging van partijen en de mondelinge behandeling is ten minste drie weken, tenzij sprake is van een behandeling in kort geding.(artikel 30j lid 1 NRv).

Als eiser wel kiest voor betekening van de procesinleiding door de deurwaarder, dan dient het exploot van betekening van het oproepingsbericht door de eiser te worden ingediend, uiterlijk op de dag, voorafgaande aan de dag waarop de verweerder ten laatste kan verschijnen, tenzij verweerder eerder is verschenen (artikel 112 lid 1 laatste zinsdeel NRv). Indien eiser de oproeping bij exploot als bedoeld in artikel 112 lid 2 NRv achterwege laat, wordt hij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

De rechter stelt binnen twee weken na de mondelinge uitspraak een afschrift van het proces-verbaal ter beschikking van partijen. Het afschrift dat wordt verstrekt aan een partij die tot tenuitvoerlegging van de uitspraak kan overgaan, is in executoriale vorm opgemaakt. (artikel 30p lid 5 NRv).

Na de mondelinge behandeling volgt binnen zes weken een uitspraak, tenzij dit door bijzondere omstandigheden niet van de rechter kan worden verlangd (artikel 30q NRv).

In artikel 115 NRv staan afwijkende termijnen van artikel 30a, NRv genoemd, die gehanteerd moeten worden tussen de betekening bij de verweerder en het verstrijken van de termijn om te verschijnen als de verhuurder geen bekende woon- of verplaats heeft in Nederland of in het buitenland.

Als de eiser voor de minimale verschijningstermijn van twee weken kiest en eerst de informele en daarna de formele betekeningsweg doorloopt, duurt het maximaal acht weken alvorens een verstekvonnis gewezen kan worden en in totaal maximaal veertien weken alvorens de procedure tot en met het verweerschrift is gevorderd. De tijdwinst die door deze regeling wordt beoogd wordt dus voornamelijk verkregen als partijen kunnen volstaan met de informele betekeningsweg. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat de eiser ook tussentijds kan overgaan tot betekening van het oproepingsbericht, in geval hem duidelijk wordt dat de wederpartij niet van plan is om naar aanleiding van de informele oproeping te verschijnen in de procedure.

De termijnen zijn te volgen bij de "taken en berichten" in de digtale omgeving van "Mijn Rechtspraak".

Verjaringstermijn, het versturen van het oproepingsbericht en de ontvangsttheorie
Het tijdstip van verzending van het oproepingsbericht is bepalend voor stuiting van de verjaring. De verjaring kan dus zijn gestuit zonder dat de verweerder van het oproepingsbericht al op de hoogte is gesteld! Het nieuwe procesrecht stapt hier dus van de ontvangstheorie af. Dit laat onverlet dat de verjaring natuurlijk al eerder kan zijn gestuit door een stuitingshandeling te verrichten. Dat kan bijvoorbeeld door een brief worden gedaan waarin binnen een termijn van verjaring uitdrukkelijk aanspraak wordt gemaakt op de vordering.

Verkorting van de termijnen>>

Procesinleiding op grond van artikel 112 Rv (indienen procesinleiding via het systeem)
Volgens artikel 117 NRv kunnen de in de artikelen 30a, derde lid, onder c (minimaal 4 weken) genoemde termijn, artikel 115 lid 1 NRv (1 minimaal 4 weken, lid 2 minimaal 3 maanden) en artikel 116 NRv (minimaal 6 weken) genoemde minimale termijnen kunnen op mondeling of schriftelijk verzoek van de eiser door de voorzieningenrechter of, in kantonzaken, de kantonrechter, zo nodig onder het stellen van voorwaarden, worden verkort. De beschikking wordt vermeld in de procesinleiding of het exploot.

In uw procesinleiding wordt dan vermeld dat er een verzoek wordt gedaan tot verkorting van de minimale verschijntermijn. Als minimale termijn waarbinnen de verweerder in de procedure kan verschijnen, wordt gekozen de datum zoals opgenomen in het verzoek tot verkorting van de minimale verschijntermijn. Bij het indienen van de procesinleiding in Mijn Rechtspraak, wordt het verzoek tot verkorten van de minimale verschijntermijn geüpload. Dat verzoek wordt tegelijkertijd bij de voorzieningenrechter ingediend. Er moet dan tevens een afschrift van de procesinleiding als bijlage worden toegevoegd. De rechtbank uploadt vervolgens de op papier afgegeven beschikking op het verzoek.

Als de rechter het verzoek tot verkorting van de minimale verschijntermijn afwijst, moet u de deurwaarder het oproepingsbericht laten wijzigen met de minimale verschijndatum volgens de wet.

Procesinleiding op grond van artikel 113 Rv (indiening via de deurwaarder)
Als de zaak via de regeling van artikel 113 NRv aangehanging wordt gemaakt (eiser laat een oproepingsbericht bij exploot door de deurwaarder betekenen alvorens hij de procesinleiding indient), dan wordt met een papieren verzoekschrift verkorting van de minimale verschijntermijn aan de voorzieningenrechter voorgelegd. Bij dit verzoekschrift wordt het concept oproepingsbericht met procesinleiding gevoegd. De griffie heft vervolgens griffierecht en geeft een papieren beschikking af. Als het verzoek is toegewezen dient de beschikking te worden geüpload in het systeem van Rechtspraak.nl samen met het exploot van betekening van het oproepingsbericht en procesinleiding. De griffie brengt het griffierecht voor de verzoekschriftprocedure in mindering op het griffierecht voor de procesinleiding.

Modellen die ter introductie van een vordering worden gebruikt>>

Betreft een civiele zaak een vordering, dan heeft de wederpartij een termijn van twee weken (artikel 112 lid 2 NRv) nadat de eiser de oproeping heeft bezorgd bij de verweerder, om te verschijnen in de digitale omgeving van de rechterlijke macht. Hetzelfde geldt voor de belanghebbende bij een civiele zaak over een verzoek. De verweerder heeft dus minimaal twee weken na betekening door de deurwaarder de tijd om in de procedure te verschijnen. Via deze weg wordt dus automatisch een ‘oproepingsbericht’ gegenereerd dat binnen twee weken na de indiening aan de verweerder moet worden gestuurd. Van deze versie kan ik voorlasnog geen voorbeeld laten zien.

De termijn voor dagvaarding wordt in dit wetsvoorstel vervangen door een termijn voor verschijning door de wederpartij. Deze is opgenomen in artikel 30a lid 3 onder c NRv, en bedraagt minimaal vier weken en maximaal zes maanden na de dag van de indiening van de procesinleiding bij de rechtbank of minimaal twee weken en uiterlijk zes maanden (let dus op verschil!) na betekening van de procesinleiding bij de verweerder in het geval op grond van artikel 113 RV de procesinleiding na betekening bij de rechtbank wordt ingediend.

Bij zowel het oproepingsbericht ex artikel 112 Rv als het oproepingsbericht ex artikel 113 Rv kan de procsinleiding als bijlage worden bijgevoegd.

Primaire en subsidiaire vorderingen>>

Het instellen van primaire en subsidiaire vorderingen is bedoeld om verschillende acties achter elkaar in te stellen voor het geval de eerste actie niet slaagt. Bijvoorbeeld: de verhuurder wenst de huur te beëindigen door ontbinding van de overeenkomst en/of door opzegging. De verhuurder wenst allereerst de huurovereenkomst te ontbinden. De primaire vordering is dan gebaseerd op ontbinding van de overeenkomst. De verhuurder draagt zoveel mogelijk argumenten aan om ontbinding door de rechter uit te laten spreken. Lukt deze actie niet, dan valt de verhuurder terug op de subsidiair ingestelde vordering, namelijk de opzegging. Lukt de ontbinding wel, dan komt de rechter niet meer toe aan de subsidiaire vordering. De eiser dient zich goed te realiseren dat alle vorderingen die hij in het kader van de ontbinding wenst in te stellen onder de primaire vordering gebracht dienen te worden. Als de vordering elders en dus niet bij de primaire vordering staat vermeld, dan zal deze vordering niet tot toewijzing kunnen leiden. Enerzijds niet als de primaire vordering wordt toegewezen, want dan komt de rechter niet toe aan toewijzing van overige vorderingen, en anderzijds niet als de primaire vordering is afgewezen, want een vordering in het kader van de ontbinding (primaire vordering), die onder de opzegging (subsidiaire vordering) is geplaatst, kan niet worden toegewezen, omdat ontbinding en opzegging twee verschillende rechtsgronden zijn.

Een voorbeeld van een onjuist gebruik van een primaire en een subsidiaire vordering wordt gegeven in een arrest van het hof te Amsterdam van 26 juni 2006 (Hof Amsterdam 23 juni 2006, zaaknummer 200.104.910).
In deze zaak was door de verhuurder de huur opgezegd wegens de opzeggingsgrond “dringend eigen gebruik”. De verhuurder had primair een verklaring voor recht gevorderd dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd en subsidiair ontbinding en ontruiming gevorderd. De primaire vordering werd als niet weersproken toegewezen met afwijzing van het meer of anders gevorderde.
De verhuurder ging tegen deze uitspraak in beroep. Het beroep kon de verhuurder niet baten. Immers de huurovereenkomst blijft op grond van artikel 7:272 BW van kracht totdat de rechter onherroepelijk heeft beslist op een vordering tot huurbeëindiging. De verhuurder heeft echter niet primair een vordering tot huurbeëindiging ingesteld en aan de subsidiaire eis kwam de rechter niet toe. De ingestelde primaire vordering was onjuist ingesteld, omdat een verklaring voor recht van rechtsgeldige opzegging onnodig is. Als er rechtsgeldig is opgezegd, dan zal de rechter bij een juiste inkleding van de opzeggingsgronden de zaak inhoudelijk bekijken. Voorts had de verhuurder in het kader van de primaire vordering ontruiming van de woning dienen te vorderen en niet de ontruiming als subsidiaire vordering in dienen te stellen. Zoals gezegd komt de rechter niet meer toe aan beoordeling van de subsidiaire vordering na toewijzing van de primaire vordering. Toewijzing van de primaire vordering gaf in deze zaak niet het effect van huurbeëindiging, omdat de constatering van een formeel juiste opzegging nog niet met zich mee brengt dat de opzeggingsgronden inhoudelijk correct zijn beoordeeld. Aan dit punt zou de rechter pas toekomen als ook huurbeëindiging zou zijn gevorderd. Dat was uitdrukkelijk niet het geval.

De bewindvoerder is procespartij >>

Onderscheid tussen bewindvoerders
Er dient als antwoord op de vraag of de bewindvoerder al dan niet als partij in een procedure betrokken dient te worden onderscheid gemaakt te worden tussen verschillende vormen van bewindvoering. Er dient onderscheid te worden gemaakt tussen het beschermingsbewind in de zin van artikel 1:431 lid 1 BW en de bewindvoerder op grond van de Wet op de Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP).

De beschermingsbewindvoerder
De uitspraken die hieronder worden genoemd zijn gewezen in de periode dat de dagvaarding het instrument was om partijen in een geding te roepen. Ik heb daarom deze terminologie laten staan. Waar in dit onderdeel "dagvaarding" wordt genoemd, zal in de toekomst oproeping gelezen dienen te worden.

De kantonrechter te Arnhem heeft aan de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld over de positie van de bewindvoerder als procespartij in een procedure. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:525 ) deze vragen beantwoord. De inhoud van dit arrest is zo volledig en compleet, dat ik er voor kies de tekst van dit arrest grotendeels over te nemen. De feiten waarvan de rechter in de procedure van uit ging luidden als volgt:
De verhuurder heeft de (onder bewind gestelde) huurder in een procedure betrokken. In deze procedure heeft de verhuurder een verklaring voor recht gevorderd dat de met huurder gesloten huurovereenkomst is ontbonden, met veroordeling van laatstgenoemde tot voldoening van de bestaande huurachterstand en tot vergoeding van de door hem aan het gehuurde toegebrachte schade. In deze kwestie had de verhuurder de huurder gedagvaard, omdat de verhuurder niet bekend was dat de huurder onder bewind stond. Een onderbewindstelling wordt niet gepubliceerd in openbare registers, dus is het vaak lastig voor de verhuurder om op de hoogte te zijn. Dat de verhuurder met de onderwindstelling niet bekend was, kon de verhuurder niet worden verweten. Dat geldt eens te meer nu de bewindvoerder niets had gedaan om de huurachterstand te voorkomen.

De kantonrechter heeft de vorderingen bij verstek toegewezen. Op grond van dit verstekvonnis heeft de deurwaarder op 3 december 2012 het gehuurde ontruimd. De bewindvoerder van de huurder is bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 25 oktober 2011 op de voet van artikel 1:431 BW benoemd tot bewindvoerder over alle goederen die (zullen) toebehoren aan de huurder. De bewindvoerder is in verzet gekomen van het verstekvonnis van de kantonrechter. Hij heeft aangevoerd dat hij in dit geding optreedt als formele procespartij ten behoeve van de huurder, en dat de verhuurder op de hoogte is of had kunnen zijn van zijn benoeming. Hij heeft zowel de door de verhuurder gestelde huurachterstand als de schade betwist. In conventie heeft hij gevorderd dat de kantonrechter hem tot goed opposant zal verklaren en de vorderingen van de verhuurder alsnog zal afwijzen.
De kantonrechter heeft de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd:

  1. Kan de beschermingsbewindvoerder ( artikel 1:435 BW) door te verschijnen in een zaak waarin de rechthebbende is gedagvaard (in casu door een verzetsdagvaarding uit te brengen) als procespartij worden aangemerkt?
  2. Zo nee, kan dat – tijdens de procedure alsnog – worden bewerkstelligd, bijvoorbeeld doordat een verklaring van de rechthebbende in de procedure wordt ingebracht inhoudende een instemming met de verschijning (van de beschermingsbewindvoerder) in die procedure?
  3. Dient de beschermingsbewindvoerder te worden gedagvaard ongeacht de vraag of de eisende partij bekend was (of behoorde te zijn) met de onderbewindstelling van de goederen van de te dagvaarden partij (ervan uitgaande dat het geschil de onder bewind staande goederen betreft)?
  4. Dient een vordering van een verhuurder tot ontbinding van een door de rechthebbende (voor de instelling van het bewind) gesloten huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde te worden ingesteld tegen de rechthebbende zelf of (juist) tegen de beschermingsbewindvoerder?
De Hoge Raad stelt het volgende voorop bij de beantwoording van deze vragen.
De Hoge Raad is allereerst van mening dat het huurrecht als een goed moet worden gezien dat onder het bewind valt. De consequentie daarvan is dat de verhuurder dus de bewindvoerder zal moeten dagvaarden. Tijdens het bewind komen het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen dus niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder, met inachtneming van de in de wet vermelde voorwaarden ( artikel 1:438 leden 1 en 2 BW). De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende tijdens het bewind bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte ( artikel 1:441 lid 1 BW). Hiermee strookt dat de bewindvoerder in een eventueel geding over een onder bewind gesteld goed optreedt als formele procespartij ten behoeve van de rechthebbende. Een veroordeling tot ontruiming jegens de bewindvoerder is voldoende. Ook de huurder is dan gehouden om het gehuurde te ontruimen. Het feit dat de ontruiming feitelijk door de huurder en niet door de bewindvoerder moet worden uitgevoerd (of anders door de deurwaarder met behulp van de sterke arm van politie en justitie) maakt dat niet anders. De huurder behoeft dus niet in het vonnis genoemd te worden als veroordeelde partij. Hetzelfde geldt wanneer met betrekking tot een rechterlijke uitspraak in een zodanige procedure een rechtsmiddel wordt aangewend.

Concreet betekent dit dat de bewindvoerder die in rechte verschijnt in een procedure waarin de rechthebbende zelf is gedagvaard, als formele procespartij heeft te gelden. De bewindvoerder is bevoegd in verzet te komen tegen een bij verstek gewezen vonnis in een geding waarin de rechthebbende zelf partij was, indien en voor zover in dit vonnis is geoordeeld over een onder bewind gesteld goed. Indien een wederpartij die niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn, echter een geding tegen de rechthebbende zelf aanhangig heeft gemaakt, kan de bewindvoerder in rechte verschijnen om dit als formele procespartij over te nemen. Daarvoor zijn geen bijzondere formaliteiten vereist; een daartoe strekkende brief aan de wederpartij en de rechter volstaat. Indien een rechtsmiddel wordt aangewend tegen een rechterlijke uitspraak in een geding waarin de bewindvoerder niet optrad als formele procespartij maar waarin de rechthebbende zelf partij was, dient dit (eveneens) te geschieden door of tegen de bewindvoerder. Wordt het rechtsmiddel aangewend door of tegen de rechthebbende zelf, dan is het vorenstaande overeenkomstig van toepassing.

Indien echter een procedure met betrekking tot een onder bewind gesteld goed tegen de rechthebbende zelf is ingesteld door een wederpartij die niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn, vergen de redelijke belangen van de wederpartij en het algemene belang van een vlot verlopend rechtsverkeer, dat het bewind niet aan de wederpartij kan worden tegengeworpen. In een zodanig geval kan de procedure dus tegen de rechthebbende zelf aanhangig worden gemaakt, en worden gevoerd. In artikel 1:440 lid 1 BW ligt besloten dat een eventuele veroordeling van de rechthebbende dan op de onder bewind gestelde goederen kan worden verhaald.

Gelet op het beschermingskarakter van het bewind brengt een redelijke wetstoepassing in een zodanig geval echter mee dat, indien de bewindvoerder tijdens het geding – zolang dit niet door een onherroepelijk geworden uitspraak is geëindigd - ervan op de hoogte raakt dat de rechthebbende zelf als partij is betrokken bij een geding over een onder bewind gesteld goed, hij in dat geding kan verschijnen om dit als formele procespartij over te nemen. Hiermee strookt dat de bewindvoerder een rechtsmiddel kan aanwenden tegen een rechterlijke uitspraak in een geding waarin de rechthebbende zelf partij was. In het geval de wederpartij in de loop van het geding bekend wordt met het bewind, kan hij de bewindvoerder dus oproepen, desgewenst bij aangetekende brief, om in het geding te verschijnen teneinde dit verder ten behoeve van de rechthebbende te voeren. Indien de rechter in de loop van het geding van het bewind op de hoogte raakt dient hij, zo nodig ambtshalve, in een tussenuitspraak de meest gerede partij in staat te stellen de bewindvoerder op te roepen om in het geding te verschijnen.
De rechtbank Noord-Holland oordeelde in haar kortgedingvonnis van 5 november 2015 ( ECLI:NL:RBNHO:2015:9676) dat de verhuurder, die de huurder zelf in een ontruimingsprocedure middels een dagvaarding van 21 oktober 2015 had betrokken niet-ontvankelijk verklaard diende te worden nu de procedure tegen de huurder zelf en niet tegen zijn bewindvoerder was gevoerd. Uit de stukken die bij de dagvaarding waren gevoegd was duidelijk dat er sprake was van een onderbewindstelling. De kantonrechter kon uit het bewindsregister het volgende opmaken. De goederen van de huurder waren bij beschikking van de kantonrechter van 1 maart 2011 onder bewind gesteld met benoeming van C. als bewindvoerder. C werd echter op 9 december 2013 ontslagen als bewindvoerder. Met ingang van diezelfde datum werden de heren R. en B. als bewindvoerder aangesteld. Op 4 augustus 2015 zijn deze bewindvoerders op gezamenlijk verzoek uit het bewind ontslagen. Deze bewindvoerders hadden aannemelijk gemaakt dat samenwerking met de onder bewindgestelde niet mogelijk is. Bij dezelfde beschikking is de zaak aangehouden om de huurder in de gelegenheid te stellen om een nieuwe bewindvoerder voor te dragen, met de bepaling dat indien niet uiterlijk op 20 augustus 2015 bericht zou zijn ontvangen van huurder, hij geacht zou worden een verzoek tot opheffing van het bewind te hebben gedaan. Naar de mening van de rechter was niet gebleken dat een nieuwe bewindvoerder was benoemd. Er diende daarom ervan te worden uitgegaan dat huurder een verzoek tot opheffing van het bewind had gedaan en dat op dat verzoek nog niet was beslist, zodat het bewind nog in stand was. De verhuurder had daarom de gewezen bewindvoerder in een procedure dienen te betrekken. Volgens artikel 1:448 lid 3 BW blijft een gewezen bewindvoerder verplicht al datgene te doen, wat niet zonder nadeel voor de rechthebbende kan worden uitgesteld, totdat degene die na hem tot het beheer van de goederen bevoegd is, dit heeft aanvaard. De verhuurder had dus de heren R. en B. dienen te dagvaarden. Gezien het feit dat de verhuurder bij de producties bij de dagvaarding ervan op de hoogte was dat er sprake was van een onderbewindstelling, deed zich hier de situatie niet voor dat de verhuurder pas gedurende de procedure van onderbewindstelling in kennis was gesteld.

Een vordering van een verhuurder tot ontbinding van een door de rechthebbende voor de instelling van het bewind gesloten huurovereenkomst, en tot ontruiming van het gehuurde, dient gezien het bovenstaande te worden ingesteld tegen de bewindvoerder, indien de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten in het onder bewind gestelde vermogen vallen. Dit kwam ook aan de orde in de volgende zaak. De huurder die in eerste aanleg was veroordeeld tot ontbinding van de overeenkomst en ontruiming van het gehuurde kreeg in de hoger beroep een niet-ontvankelijkheidsverweer van de verhuurder te horen. Volgens de verhuurder was de huurder door de onderbewindstelling niet langer bevoegd zelf als formele procespartij op te treden. Het hof te Amsterdam stelde in haar arrest van 29 november 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:5160 ) vast dat de uit de huurovereenkomst voor de huurder voortvloeiende rechten zijn aan te merken als goederen in de zin van artikel 1:431 lid 1 BW. De (beschermings) bewindvoerder dient daarom in deze procedure ten behoeve van de huurder op te treden als formele procespartij. Nu vaststond dat de huurder op de dag dat hoger beroep werd ingesteld, 14 april 2016, onder bewind stond, was het niet aan haar maar aan de bewindvoerder om – zo deze daar termen toe aanwezig achtte – tegen het bestreden vonnis hoger beroep in te stellen. Het hof stelde (conform HR 7 maart 2014, (ECLI:NL:HR:2014:525 ) de huurder in de gelegenheid de (beschermings)bewindvoerder op te roepen en in het geding te verschijnen en dit ten behoeve van de huurder als formele procespartij over te nemen. Het hof achtte het daarbij gewenst dat de bewindvoerder zich een zelfstandig oordeel over het hoger beroep kon vormen en zich in dat kader ook zou laten over hetgeen in de memorie van antwoord was vermeld, met name wat daarin over de thans bestaande betalingsachterstand naar voren is gebracht. De bewindvoerder diende daartoe een akte te nemen, bij voorkeur onder overlegging van een gespecificeerd betalingsoverzicht, waarop de verhuurder vervolgens bij akte zal mogen reageren.

De bewindvoerder van de huurder is in het licht van het bovenstaande arrest van de Hoge Raad bevoegd de huur op te zeggen. De kantonrechter te Rotterdam oordeelde in haar vonnis van 23 januari 2015 ( ECLI:NL:RBROT:2015:776) dat de bewindvoerder de huur van de onder bewind staande huurder op mocht zeggen, nadat in de woning van deze huurder een hennepkwekerij was ontdekt. De verhuurder had daarna de huurder gelegenheid geboden de huur ter vermijding van verdere kosten op te zeggen. De bewindvoerder had de huurovereenkomst opgezegd ter voorkoming van verdere kosten. De kantonrechter oordeelde dat die opzegging rechtsgeldig was gedaan. Volgens de kantonrechter kwam op grond van artikel 1:438 leden 1 en 2 BW tijdens het bewind het beheer van de aan de onder bewind gestelde goederen niet toe aan de huurder maar aan de bewindvoerder. De bewindvoerder was daarom bevoegd om de huurovereenkomst op te zeggen en behoefde daarvoor niet een opdracht van de huurder.

de WSNP-bewindvoerder
De partij die een WSNP-bewindvoerder krijgt toegewezen wordt niet handelingsonbekwaam, maar verlies wel het beheer en de beschikking over zijn vermogen. Het hof te 's-Hertogenbosch was in haar arrest van 8 mei 2007 ( ECLI:NL:GHSHE:2007:BB0040) tot oordeel dat de huurder wél bevoegd blijft de huur te betalen. Dit volgt uit artikel 297 FW in verband met artikel 299 FW en uit de regeling van het aan de schuldenaar vrij te laten bedrag dat er toe dient hem of haar in staat te stellen aan lopende verplichtingen als huur betalen te voldoen. Dat is anders als de bewindvoerder de huurder heeft verboden uit het vrij te laten bedrag de huur te voldoen. Ingevolge artikel 313 FW zijn onder andere de artikel 25 FW en artikel 27 FW in geval van toepasselijkverklaring van de schuldsaneringsregeling, van overeenkomstige toepassing.

Een bewindvoerder controleert in de drie jaar dat de WSNP duurt of de schuldenaar zijn verplichtingen tijdig nakomt door maandelijks een bedrag te storten op de boedelrekening. Wie alles goed heeft gedaan, krijgt na drie jaar een schone lei. Dit betekent dat de schuldeisers de restschuld niet meer op kunnen eisen. De lopende verplichtingen zoals de huurverplichtingen vallen in beginsel niet onder de verplichtingen die de bewindvoerder in het kader van de boedelverplichtingen dient te beheren. De bewindvoerder berekent welk bedrag de schuldenaar maandelijks mag houden om de vaste lasten te betalen (huur, water, energie, verzekeringen en huishoudgeld). Dit heet het ‘vrij te laten bedrag’. Het bedrag dat overblijft, stort de schuldenaar op een rekening die voor de schuldenaar wordt geopend. Dat is de boedelrekening. Het bedrag op de boedelrekening is bedoeld om de schuldeisers terug te betalen en de bewindvoerder te betalen. De huurder die in de WSNP zit en zijn lopende huur niet betaalt moet dit melden bij de bewindvoerder. Deze kan dan de regeling door de rechter laten beëindigen, waarna de schuldenaar automatisch failliet verklaard wordt.

Het is niet zonder meer de taak van de bewindvoerder om toezicht te houden op het financieel beheer door en vanwege huurster. Volgens het hof is het huurster’s eigen verantwoordelijkheid om tijdig uit het vrij te laten bedrag de huur te betalen of te laten betalen. De huurder kan zich ter afwering van de vordering van verhuurster in het kader van een huurachterstand daarom niet verschuilen achter de handelwijze van de bewindvoerder. Zulks volgt ook uit het doel van de WSNP, namelijk om de sursiet te laten aantonen dat zij zelfstandig in staat is gedurende drie jaren een eigen verantwoord financieel beheer te voeren.
Volgens het hof hoeft de bewindvoerder niet te worden gedagvaard als de huurder zijn verplichtingen niet nakomt. Als de bewindvoerder niet wordt gedagvaard zal het vonnis echter de boedel niet raken. Het is dus in sommige gevallen beter om de bewindvoerder wel te dagvaarden. Dat is anders als de bewindvoerder de huurder uit het vrij te laten bedrag de huur te voldoen. Als de huurder alleen is gedagvaard en niet de bewindvoerder, dan dient de huurder deze bewindvoerder wél van deze procedure op de hoogte te brengen.

De rechtbank Limburg oordeelde in haar vonnis van 2 maart 2016 ( ECLI:NL:RBLIM:2016:1784) dat de man terecht de vrouw en niet haar bewindvoerder in deze procedure had betrokken, omdat de vrouw geen huurster was en het huurrecht niet tot de boedel van de vrouw behoorde. De rechter overwoog verder dat de vrouw weliswaar feitelijk in de huurwoning verbleef, maar nog geen formele status van huurder of medehuurder in de zin van artikel 7:267 BW had. Dat betekende dat er ook (nog) geen onder bewind gesteld goed van de vrouw onderwerp is van dit geschil, zodat in dit geschil de vrouw zelf (en dus niet haar bewindvoerder) in de procedure betrokken diende te worden.
In deze zaak die tot het vonnis van de rechtbank Limburg van 2 maart 2016 had geleid werd door een WSNP-bewindvoerder van een huurder (de man) een vordering tegen zijn voormalige partner (de vrouw), die eveneens in de schuldsanering zat, een vordering tot ontruiming van de door hem gehuurde woning ingesteld. De vrouw bewoonde de woning, die door de man tijdelijk was verlaten nadat de relatie tussen de man en de vrouw op de klippen was gelopen. De vrouw had het wettelijke medehuurderschap niet verkregen, omdat er niet gedurende de bewoning van de woning geen sprake was van een huwelijk, dan wel van een geregistreerd partnerschap. De vrouw wenste ex artikel 7:267 BW de man te laten veroordelen tot medewerking aan het doen een vordering tot verkrijging van het medehuurderschap door de vrouw. In het kader van de over en weer gestelde vorderingen was het logisch dat namens de man de vordering door de WSNP-bewindvoerder werd ingesteld. Het huurrecht dat aan de man toebehoorde dient immers te worden aangemerkt tot een goed dat tot de boedel behoort. Dit goed wordt door de WSNP-bewindvoerder beheerd. De bewindvoerder van de man had de vordering tot ontruiming van de woning door de vrouw tegen de vrouw ingesteld.

Het hof te 's-Hertogenbosch was in haar arrest van 8 mei 2007 ( ECLI:NL:GHSHE:2007:BB0040) oordeelde dat de procedure tijdens de periode van de WSNP tegen de huurder zelf aanhangig gemaakt dient te worden als het de huurder vrij staat de verplichtingen zelf te voldoen. Slechts als de bewindvoerder of de rechter-commissaris de huurder heeft verboden vrij te laten bedrag de huur te voldoen, dan dient de bewindvoerder in en procedure te worden betrokken. Er vindt dus in beginsel in geval van een Wsnp-bewind geen vertegenwoordiging plaats van de schuldenaar door de bewindvoerder. Het bewind betrekt zich, blijkens artikel 316 FW, uitsluitend op de boedel in de schuldsaneringsregeling en dus niet op de lopende termijnen.

Artikel 305 lid 2 FW bepaalt dat een verhuurder bevoegd is de huur tussentijds te beëindigen indien de schuldenaar jegens de verhuurder een verplichting, die is ontstaan na de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, niet nakomt. Een ontbinding van de huurovereenkomst wegens huurschulden, welke zijn ontstaan vóór de toepassing van de WSNP, is op basis van artikel 305 lid 2 FW niet mogelijk. Gedurende de toepasselijkheid van de WSNP op de huurder is de verhuurder gehouden voort te gaan de huurder, ondanks een anterieure tekortkoming in het betalen van de huurpenningen, als huurder te accepteren. Evenzo wordt de tenuitvoerlegging van een vóór het toepasselijk worden van de WSNP tegen de huurder uitgesproken ontruimingsvonnis geschorst en is de verhuurder gehouden het gebruik van het gehuurde door de huurder gedurende de toepasselijkheid van de WSNP te aanvaarden. Blijkens de wetsgeschiedenis wordt hierbij echter wel de voorwaarde gesteld, dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan: “De huurovereenkomst mag niet tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling door de verhuurder beëindigd worden – hetzij opgezegd op grond van artikel 7:274 BW, hetzij ontbonden op grond van artikel 6:265 BW - op grond van een huurachterstand die is opgebouwd vóór de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De verhuurder zal zich hier moeten voegen bij de andere schuldeisers die moeten afwachten of ze nog iets op hun vorderingen uitgedeeld krijgen. Een ontruiming aan het begin van de schuldsaneringsregeling geeft de schuldenaar echter een moeizame start en doorgaans extra onkosten.(…) Daarom wordt de executie van het ontruimingsvonnis opgeschort. Voorwaarde is wel dat de lopende huurpenningen tijdens de duur van de schuldsaneringsregeling steeds tijdig worden betaald. Zodra de schuldenaar een nieuwe huurschuld doet ontstaan, kan het ontruimingsvonnis alsnog ten uitvoer gelegd worden (…)” (Handelingen TK, w.o. 29 942, MvT nr 3, I, onderdeel T).
De huurachterstand die vóór de schuldsanering is ontstaan valt in de boedel van de schuldsanering en kan niet leiden tot ontbinding van de overeenkomst tijdens de periode dat de WSNP van toepassing is. Het starten van een procedure heeft dus geen zin als het gaat om huurachterstand die vóór de toepassing van de WSNP is ontstaan. Als een ontruimingsvonnis vóór de WSNP is verkregen kan de executie van dit vonnis dus wél ten uitvoer worden gelegd als de huurder na toepassing van de WSNP wederom met betaling van de huur in gebreke blijft. Dit is bevestigd in een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 december 20007 ( ECLI:NL:GHSGR:2007:BC1146).
Als de WSNP-bewindvoerder merkt dat de schuldenaar zijn lopende huurverplichtingen niet nakomt, dan zal de bewindvoerder vragen het bewind op te heffen, waarna de schuldenaar failliet wordt verklaard. De curator en/of de verhuurder kan dan op grond van artikel 39 FW de huurovereenkomst beëindigen. De lopende termijnen na faillissement zijn dan wel boedelschuld.

Is de beheerder of de verhuurder procespartij?>>

Inleiding

In huurzaken is het meestal duidelijk welke partijen bij de overeenkomst zijn betrokken. Het is immers meestal wel duidelijk wie de huurder en de verhuurder zijn. Als de verhuurder een beheerder heeft ingeschakeld om zijn zaken te behartigen is het soms onduidelijk wie aan de zijde van de verhuurder in de procedure betrokken dient te worden. Moet de verhuurder of de beheerder in een procedure worden betrokken? Op deze vraag wordt in dit onderdeel antwoord gegeven.

Vaak wordt door een verhuurder een beheerder ingeschakeld die voor de verhuurder alle werk uit handen neemt. Als beheerder kan door de verhuurder bijvoorbeeld een makelaar worden benoemd. Vaak is niet eens duidelijk wie de verhuurder is. De beheerder treedt dan op namens een “niet nader te noemen verhuurder”. De identiteit van de verhuurder is niet eenvoudig te achterhalen als er sprake is van een verhuurder die economisch eigenaar van de onroerende zaak is. De grondslag van het beheer is meestal een lastgevingovereenkomst. De beheerder is dan lasthebber en de verhuurder is dan de opdrachtgever/lastgever. In de lastgevingovereenkomst behoren de taken van de beheerder precies te zijn omschreven.

Op grond van de lastgevingovereenkomst kan de beheerder worden belast met het sluiten van nieuwe huurovereenkomsten met nieuwe huurders, incasso van de huurpenningen, onderhoud van het gehuurde en inspectie van het gehuurde bij het einde van de huurovereenkomst. Het takenpakket kan groter of kleiner zijn dan hier omschreven. De bevoegdheden van de beheerder dienen dus nauwkeurig in de lastgevingovereenkomst te zijn vermeld.

De inhoud van de lastgevingsovereenkomst is voor de huurder vaak niet zichtbaar. De huurder weet vaak niet hoever de volmacht reikt. Om te kunnen beoordelen of de huurder over bepaalde kwesties over de huurovereenkomst rechtstreeks de beheerder of de verhuurder dient is de manier bepalend waarop de beheerder zich heeft gepresenteerd en welke handelingen hij in het kader van de huurovereenkomst heeft verricht. Voorafgaande aan het starten van een procedure is het daarom wijs de beheerder uitdrukkelijk te vragen of hij rechtstreeks kan worden aangesproken voor de kwestie die partijen verdeeld houdt. In de zaak die heeft geleid tot het arrest van het hof Amsterdam van 19 maart 2011 LJN: BQ1730, Gerechtshof Amsterdam, 200.069.226/01 was de huurder van een verkeerde partij uitgegaan. Dit had voorkomen kunnen worden door onderzoek of navraag wie als partij aangemerkt diende te worden gedurende de looptijd van het huurcontract.
Hoewel niet bijzonder duidelijk was of de lasthebber voor zichzelf of namens de eigenaar optrad, was het hof desondanks van mening in rechtsoverweging 3.5 van dit arrest dat de huurder ervan uit mocht gaan dat de eigenaar als verhuurder aan was te merken. Dat gold volgens het hof eens te meer nu een derde die namens de eigenaar was aangesteld om huur te ontvangen, deze bedragen ook zonder protest ontving. In de correspondentie was deze derde uitdrukkelijk als vertegenwoordiger van de eigenaar aangemerkt.

De beheerder als onmiddellijk vertegenwoordiger

Een onmiddellijk vertegenwoordiger treedt op in naam van de verhuurder. Bijvoorbeeld de makelaar Jansen treedt uitdrukkelijk op namens de verhuurder (Pieterse). De verhuurder heeft de beheerder dan opdracht gegeven om in zijn naam een bepaalde rechtshandeling te verrichten. De onmiddellijk vertegenwoordiger handelt in naam en voor rekening van de verhuurder.

De huurder dient in deze situatie voor de verplichtingen die uit de overeenkomst voortvloeien de verhuurder rechtstreeks aan te spreken. De onmiddellijk vertegenwoordiger kan de huurder ook niet zelfstandig aanspreken betreffende de verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst.

Als de beheerder achteraf niet bevoegd blijkt te zijn geweest en weigert de verhuurder de rechtshandeling te bekrachtigen (artikel 3:69 BW) dan kan de huurder op grond van artikel 3:61 BW zich op het standpunt stellen dat de verhuurder de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft gewekt. Voor een succesvol beroep op vertegenwoordigingsbevoegdheid dient de vertegenwoordigde handelingen en/of gedragingen te verrichten die de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid bevestigen bij totstandkoming van de overeenkomst. Gedragingen voorafgaande aan de totstandkoming van de overeenkomst kunnen ook van belang zijn.

Ook incasso van huur kan de beheerder op naam van de verhuurder doen. De verhuurder wordt dan geacht de betalingen te hebben ontvangen. Discussies over de huur moeten dan tussen de huurder en de verhuurder worden gevoerd. Vorderingen van de waarborgsom bij het einde van de huurovereenkomst moeten tegen de verhuurder worden ingesteld.

Vuistregel: als de beheerder als onmiddellijk vertegenwoordiger is opgetreden namens de verhuurder, dan dient de huurder de verhuurder te benaderen als zich problemen bij uitvoering van de huurovereenkomst voordoen. De huurder en verhuurder zijn de procespartijen.

De beheerder als middellijk vertegenwoordiger

De middellijk vertegenwoordiger sluit de overeenkomsten voor zich. De rechtsgevolgen treden voor de beheerder zelf in. De vertegenwoordiger is dan de facto de verhuurder. De beheerder wordt immers beschouwd als zelfstandige partij van de huurovereenkomst. De verhuurder staat buiten de rechtsverhouding tussen de huurder en de verhuurder. Als er een toereikende volmacht mocht ontbreken, dan is van belang wat partijen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars gedragingen hebben kunnen afleiden.
Bij middellijke vertegenwoordiging treedt de beheerder bijvoorbeeld namens een niet nader genoemde verhuurder op (de verhuurder kan ook bekend zijn) en staat in het huurcontract dat de beheerder alle zaken met betrekking tot de huurovereenkomst regelt.

Aan de beheerder moet door de verhuurder een toereikende volmacht zijn gegeven (artikel 3:60 BW). Als in het huurcontract staat dat de beheerder gehouden is alle zaken over de huurovereenkomst met de huurder te regelen, dan lijkt het dat de huurder van een toereikende volmacht uit mag gaan. De verhuurder die immers op grond van het huurcontract iemand in zijn woning laat wonen wekt het vertrouwen dat de beheerder op basis van de huurovereenkomst de zaken over het gehuurde mag regelen als dit in het huurcontract staat vermeld. De verhuurder wordt wel geacht van de inhoud van het huurcontract op de hoogte te zijn.

Ook incasso van huur kan de beheerder op zijn eigen naam doen. De beheerder wordt dan geacht de betalingen te hebben ontvangen. Discussies over de huur moeten dan tussen de huurder en de beheerder worden gevoerd. Vorderingen over de waarborgsom bij het einde van de huurovereenkomst moeten in zo'n geval tegen de beheerder worden ingesteld.

Als de incasso van de huur door de beheerder in het kader van middellijke vertegenwoordiging wordt behandeld, maar het onderhoud bij de verhuurder ligt, kan de huurder in het kader van een incassoprocedure over achterstallige huur geen vordering in reconventie tegen de beheerder voor herstel van gebreken indienen. De beheerder is dan immers niet verantwoordelijk voor het onderhoud. De huurder kan alleen een vordering in reconventie tegen de beheerder indienen als hij zelf een vordering ten laste van de beheerder heeft. Ook als in standaardvoorwaarden staat vermeld dat de huurder zich voor alle zaken omtrent het gehuurde zich tot de beheerder moet wenden maakt dit de beheerder nog geen partij bij de huurovereenkomst (de beheerder kan dan immers ook als onmiddellijk vertegenwoordiger optreden). De huurder moet dan voor herstel een aparte procedure starten en deze laten voegen in de incassoprocedure.

Vuistregel: treedt de beheerder als middellijk vertegenwoordiger op, dan kan de verhuurder de beheerder rechtstreeks voor kwesties omtrent de huurovereenkomst aanspreken.

Beheerder moet zijn verplichtingen correct nakomen
Als de beheerder met de verhuurder is overeengekomen dat de beheerder het (financiële, commerciële, en/of technische) beheer van de woning overneemt, dan kan de beheerder jegens de verhuurder aansprakelijk worden gehouden voor het houden van onvoldoende toezicht.

Als voorbeeld wordt het volgende aangehaald. De situatie was dat de beheerder aansprakelijk werd gehouden voor de schade die door de verhuurder werd geleden door het aanleggen van een hennepkwekerij door de huurder in het gehuurde. De verhuurder stelde zich op het standpunt dat de beheerder tekortgeschoten was geschoten in de nakoming van de beheerovereenkomst. Volgens de verhuurder heeft de beheerder niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot verwacht mocht worden. De beheerder had volgens de verhuurder geen antecedentenonderzoek gedaan, geen vooronderzoek gedaan, geen sluitende administratie gevoerd en de woning niet gecontroleerd (ondanks het uitdrukkelijke verzoek daartoe door de verhuurder bij het aangaan van de beheerovereenkomst). De verhuurder vorderde daarom ontbinding van de overeenkomst en vorderde vergoeding van schade in het kader van ongedaanmakingsverbintenissen voor een bedrag van circa € 17.000 aan herstelwerkzaamheden en een bedrag van circa € 4.000 aan misgelopen huurinkomsten.

De beheerder meende dat hier slechts sprake was van een overeenkomst waarbij slechts voor de huurincasso zorggedragen diende te worden.
De kantonrechter van de rechtbank Rotterdam vond in haar vonnis van 27 maart 2015 ( ECLI:NL:RBROT:2015:1801) de argumenten van de beheerder niet overtuigend. De rechtbank was van mening dat de beheerovereenkomst een overeenkomst van opdracht betrof. Bij een overeenkomst van opdracht moet de opdrachtnemer (de beheerder) bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen . Dit volgt uit artikel 7:401 BW.
De kantonrechter constateerde dat de beheerder adverteerde dat zij grondig onderzoek deed naar een mogelijke huurder van in dit geval het huis van de verhuurder. Het doel van dit onderzoek zou het vinden van een juiste en correcte huurder zijn. In de praktijk ging het alleen om (kort gezegd) een onderzoek naar de kredietwaardigheid van de potentiële huurder. In deze zaak wilde de huurder alleen contant betalen. Volgens de rechtbank betekende dit niet dat de huurder niet kredietwaardig zou zijn. Dát de huurder de huur contant wilde betalen, had voor de beheerder aanleiding moeten zijn hem (en het huis dat hij huurde) in de gaten te houden. Het is immers in het huidige maatschappelijke verkeer niet gebruikelijk om de huur contant te betalen. Het had op de weg van de beheerder gelegen conform de afspraken regelmatig de woning te inspecteren. Nu de beheerder dit niet had gedaan, had deze niet gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in de gegeven omstandigheden zou moeten doen. De rechter wees ontbinding van de overeenkomst toe. De beheerder kon gezien deze omstandigheden geen beroep doen op uitsluiting van de aansprakelijkheid op basis van de algemene voorwaarden. De gevorderde schade werd daarom ook toegewezen.

De vennootschap wordt ontbonden na het instellen van de vordering>>

De rechtbank Overijssel heeft in haar vonnis van 26 juli 2016 ( ECLI:NL:RBOVE:2016:4070) een uitspraak moeten doen over terugvordering door de huurder van betaalde bemiddelingskosten. Het is inmiddels vaste rechtspraak dat de bemiddelaar die "twee heren heeft gediend" geen loon toekomt van de huurder. Dit wordt uitgebreid besproken in het hoofdstuk De aanvang van de huurovereenkomst, onderdeel: Bemiddelingskosten voor rekening huurder?
Deze uitspraak is met name van belang vanwege het verweer dat door een moedermaatschappij van de verwerende vennootschap werd gevoerd inhoudende dat de verwerende vennootschap was ontbonden en geliquideerd. Deze moedermaatschappij legde ter onderbouwing van dit verweer een drie pagina’s tellend uittreksel uit het handelsregister aangaande deze laatste rechtspersoon over. Op pagina 2 van dit uittreksel was vermeld dat de onderneming van de verwerende vennootschap 21 april 2016 was beëindigd en dat de vennootschap zelf per die datum was ontbonden. Deze ontbinding had plaats gevonden na de eerste zittingsdag van deze procedure.
De rechter was daarom van oordeel dat de vennootschap niet was opgehouden te bestaan. Indien een rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, houdt hij ingevolge het vierde lid van artikel 2:19 BW op te bestaan. Ingevolge het vijfde lid van dat artikel blijft een rechtspersoon echter ook na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Dat een rechtspersoon is ontbonden, betekent evenmin niet zonder meer dat deze niet meer in rechte kan optreden. In het geval de procedure tegen de rechtspersoon is aangevangen voor het tijdstip van zijn ontbinding en de vereffening van zijn vermogen, kan de procedure tegen de rechtspersoon worden voortgezet, ook indien de vereffening van het vermogen inmiddels is geëindigd en de rechtspersoon niet meer bestaat(zie HR 18 april 2014). ECLI:NL:HR:2014:948
In deze laatste procedure die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 18 april 2014 werd door en/of namens een vereniging die was ontbonden gesteld dat zij ondanks de ontbinding in het hoger beroep kon worden ontvangen. Wederpartij had cassatie tegen dit onderdeel ingesteld waarin werd gesteld dat omstandigheid dat de vereniging door de rechter is ontbonden, meebracht dat zij - als niet langer bestaand - niet meer tegen de desbetreffende beslissing in beroep kon komen.
Het hof had eerder geoordeeld dat de vereniging in hoger beroep ontvangen kon worden en had dit als volgt gemotiveerd. Bij beëindiging van een rechtspersoon onderscheidt de wetgever in de artikelen 2:19 en 2:20 BW het moment waarop de rechtspersoon wordt ontbonden van het moment waarop zij ophoudt te bestaan. Die twee momenten kunnen in de tijd samenvallen (artikel 2:19 lid 4 BW) maar noodzakelijk is dat niet. De rechtspersoon blijft na haar ontbinding bijvoorbeeld voortbestaan, voor zover nodig voor de afwikkeling van haar vermogen (artikel 2:19 lid 5 BW). Civiele procedures lopen door ondanks het ontbonden zijn van een rechtspersoon, zodat door dan wel tegen die rechtspersoon een veroordelend vonnis kan worden verkregen (Hof Amsterdam 22 november 2011, LJN: BU6627). Onder de daarvoor normaal geldende voorwaarden is een dergelijk vonnis vatbaar voor hoger beroep en cassatie. Op grond van artikel 2:19 lid 6 BW houdt een ontbonden rechtspersoon in geval van vereffening van haar vermogen eerst op te bestaan op het tijdstip dat de vereffening eindigt (HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9762, NJ 2013/59). Omdat het hof niet had vastgesteld dat de vereffening van het vermogen van de vereniging was geëindigd, diende tot uitgangspunt bij de beoordeling van het onderdeel te worden genomen dat de vereniging nog bestond. Daarom kon het onderdeel niet tot cassatie leiden.
Er werd verder een subsidiair aangevoerd dat namens de ontbonden vereniging alleen door de vereffenaar hoger beroep kon worden ingesteld tegen de beschikking waarin de vereniging was ontbonden.
De Hoge Raad oordeelt hierover het volgende: Mede gelet op de omstandigheid dat de taak van de vereffenaar is om het vermogen van de ontbonden rechtspersoon te vereffenen, en dat daartoe niet behoort de behartiging van de belangen die zijn betrokken bij het voortbestaan van de rechtspersoon, kan het door het onderdeel verdedigde standpunt niet worden aanvaard. Mede gelet op de omstandigheid dat de taak van de vereffenaar is om het vermogen van de ontbonden rechtspersoon te vereffenen, en dat daartoe niet behoort de behartiging van de belangen die zijn betrokken bij het voortbestaan van de rechtspersoon, kan het door het onderdeel verdedigde standpunt niet worden aanvaard. De ontbinding heeft tot gevolg dat de vereffenaars in de plaats treden van de bestuurders. Indien de rechter evenwel de rechtspersoon op de voet van artikel 2:20 BW ontbindt en daarbij een of meer vereffenaars benoemt die niet voor de ontbinding bestuurder van de rechtspersoon waren, brengt de fundamentele aard van de, door art. 8 Gw en art. 11 EVRM gewaarborgde, vrijheid van vereniging mee, dat de bestuurders wat betreft de bevoegdheid tot het instellen van hoger beroep of cassatie tegen de rechterlijke uitspraak waarin de vereniging is ontbonden, pas defungeren als de ontbinding onherroepelijk wordt.
Ik ga ervan uit dat het hoger beroep wel door de vereffenaar ingeroepen moet worden als de voormalige bestuurders als vereffenaar zijn benoemd.
Voor de zaak die diende voor de rechtbank Overijssel van 26 juli 2016 betkende dit dus dat ook indien moet worden aangenomen dat de vennootschap per 21 april 2016 was opgehouden te bestaan, dat de vennootschap nog bestond, omdat haar vermogen niet was vereffend en dus de procedure tegen de vennootschap gecontinueerd kon worden.

De gang van zaken na de oproeping >>

De verweerder of belanghebbende heeft na het verschijnen in het geding (de verweerder geeft aan in de procedure betrokken te willen worden of dient zijn verweerschrift in artikel 114 NRv) vervolgens vier weken in kantonzaken en zes weken in andere zaken (met uitzondering van kort gedingen) om een verweerschrift in te dienen, te rekenen vanaf het moment waarop zij in de procedure is verschenen (artikel 111 lid 2 onder c NRv). Dit is voor de professionele belangenbehartiger duidelijk nadelig. Volgens de huidige regeling is een na de eerste zitting en uitstel mogelijk. Daarna krijgt de verwerende partij nog standaard een uitstel van nog eens vier weken. Deze tweede periode van uitstel is verdwenen. Dat is jammer. Een gemachtigde heeft door de werklast vaak behoefte aan nog eens een uitstel. Een uitstel is veelal ook nodig in het kader van het voeren van overleg, bewijsgaring en acties tegen derden ten behoeve van een vrijwaringsactie. Als dit niet mogelijk is verwacht ik in ieder geval niet een verbetering van de kwaliteit van de stukken.

De oproeping op langere termijn is mogelijk gezien het gestelde in artikel 30a lid 3 onder c NRv. De minimale termijn van oproeping is vier weken en de maximum termijn is zes maanden. Hier kan behoefte aan bestaan als partijen nog met elkaar proberen een schikking te bereiken onder druk van en procedure. Als een partij een bekende woonplaats buiten Nederland, of in het buitenland woont (grofweg een Europees land), is op grond van artikel 115 NRv de termijn om te verschijnen in afwijking van artikel 30a lid 3 onder c NRv, ten minste zes weken en is de termijn tussen de betekening bij de verweerder en het verstrijken van de termijn om te verschijnen ten minste vier weken. Verder worden in dit artikel andere afwijkende termijn van oproeping genoemd. Na het verschijnen in de procedure heeft de verweerder binnen de bovengestelde periode de gelegenheid om een verweer in te dienen. De verweerder kan zelf bepalen om eerder te verschijnen in de procedure; hij hoeft niet te wachten tot het eind van de termijn die de eiser hem daarvoor gegeven heeft. Na verschijning van verweerder, gaat de rechtbank echter door met de procedure en zal de mondelinge behandeling gepland worden. Het is dus niet meer nodig om de zitting te vervroegen door anticipatie. Het huidige artikel 126 NRv wordt daarom in het toekomende recht geschrapt.

Regiefunctie rechter
De rechter krijgt meer een regierol. De lijdelijkheid van de rechter wordt afgeschaft. Als er geen termijn is voorgeschreven in de wet en er ook in het landelijk procesreglement geen algemene bepalingen voor indiening van stukken of voor andere proceshandelingen zijn voorgeschreven, bepaalt de rechter in de desbetreffende zaak wat de termijn zal zijn voor de eerstvolgende handeling. Dergelijke mededelingen worden door de rechter aan partijen doorgegeven via "Mijn Zaak" of via system-to-system. Als het nodig is, vraagt de rechter ontbrekende informatie op en hij stuurt op de voortgang van de procedure. Een snelle, definitieve oplossing van het geschil staat voorop. Er is sprake van strakkere termijnbewaking. De rechter moet óók op tijd leveren. Deze termijn kan slechts onder bijzondere omstandigheden worden verlengd (artikel 30q NRv).

Het wetsvoorstel brengt geen verandering in het uitgangspunt dat partijen de omvang van het geding bepalen (artikel 23 Rv). Hetzelfde geldt voor het uitgangspunt dat de rechter onderzoekt en beslist op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten grondslag hebben gelegd (artikel 24 Rv) en dat de rechter ambtshalve rechtsgronden aanvult (artikel 25 Rv). De rechter krijgt met dit wetsvoorstel wel meer ruimte om regie te voeren ten aanzien van het verloop van de procedure.

De rechter krijgt met dit wetsvoorstel wel meer middelen om regie te voeren ten aanzien van de voortgang van de zaak. De rechter zal voortaan vanaf het begin van de procedure de verantwoordelijkheid voor het verloop van de zaak op zich nemen.
In dit kader is het van belang op te merken dat de rechter, al dan niet op verzoek van partijen, ook kan bepalen dat voorafgaand aan de indiening van het verweerschrift eerst een regiezitting zal plaatsvinden in zaken die inhoudelijk of qua omvang complex zijn, zodat hij met partijen kan overleggen over het vervolg van de procedure. Tijdens de regiezitting kunnen afspraken worden gemaakt over eventuele extra proceshandelingen en de termijnen die daarvoor gelden (artikel 30o lid 1 onderdeel c NRv). Er kunnen in de nieuwe situatie dus meer zittingen plaatsvinden dan in de huidige situatie (maart 2017). Als partij moet je dus ook goed kunnen inschatten welke handelingen nodig zullen zijn in de procedure. Goede kennis van de materie is dus nodig om de noodzakelijke stappen te kunnen nemen. Er kunnen bijvoorbeeld extra zittingen worden afgesproken voor bijvoorbeeld getuigenverklaringen of stukkenwisselingen. Ten slotte kan de mondelinge behandeling door de rechter worden gebruikt om aanwijzingen te geven of om te bevelen andere proceshandelingen te verrichten die hij geraden acht (artikel 30k lid 1 onderdeel d NRv). Wanneer partijen geen toestemming krijgen voor het horen van getuigen of partijdeskundigen tijdens de mondelinge behandeling, kan daarvoor een afzonderlijke zitting worden gehouden zoals in de huidige procedure gebruikelijk is. De rechter kan dus ook hier maatwerk leveren.

Daarnaast kan hij afwijken van het stramien van de basisprocedure indien de aard of complexiteit van de zaak dat nodig maakt (artikel 19 lid 2 NRv). Ten aanzien van incidentele vorderingen wordt de hoofdregel dat de rechter daarover beslist tegelijkertijd met de hoofdzaak, tenzij hij meent dat de zaak meebrengt dat daarop als eerste moet worden beslist (artikel 209 Rv). Een partij die een incident instelt, vermeldt dit: indien langs elektronische weg wordt geprocedeerd, op duidelijk kenbare wijze in het elektronisch in te dienen formulier en in de titel van het elektronisch in te dienen processtuk. De rechter geeft de wederpartij een termijn van twee weken voor het indienen van een antwoord in het incident. In spoedeisende gevallen kan de rechter hiervoor een kortere termijn bepalen (artikel 1.9 Landelijke procesreglement KEI).

Mogelijkheden van de verweerder
Eiser heeft zijn vordering geformuleerd in de procesinleiding. De zittingsdag is vastgesteld in het oproepingsbericht. Eiser behoeft dan niet naar de zitting te gaan om zijn vordering toe te lichten. Hij heeft zijn vordering immers duidelijk in de procesinleiding vermeld. Bovendien is eiser niet aan de beurt; dit is het moment dat de vererende partij aan zet is. Het bezoeken van deze geplande zitting is derhalve (voor eiser) niet zinvol. Bovendien is de hoofdregel dat partijen langs elektronische weg dienen te reageren (artikel 30c lid 1 NRv). In zaken waarbij partijen in persoon kunnen procederen kan er nog altijd mondeling verweer worden gevoerd (artikel 30i lid 3 NRv). In huurzaken is het dus nog steeds mogelijk dat de verwerende partij mondeling verweer voert.

De wederpartij of belanghebbende heeft vier weken in kantonzaken en zes weken in de andere zaken om een verweerschrift in te dienen, te rekenen vanaf het moment waarop zij in de procedure is verschenen (artikel 111 lid 1 onder c NRv). In het oproepingsbericht zal dus een termijn om te verschijnen van ten minste zes (vier plus twee) weken, respectievelijk vier maanden (minimaal drie maanden plus twee weken) moeten staan om te voldoen aan de eisen van artikel 115 NRv (onder meer betekening buiten Nederland en zonder bekende woon- of verblijfplaats, let ook op de regels van de Betekeningsverordening).

De rol van de verweerder op de zittingsdag:
De verweerder heeft vier opties:

  1. er is geen verweer mogelijk, want de eiser heeft gelijk; verweer is weggegooide tijd; verweerder laat dus verstek gaan;
  2. verweerder heeft geen tijd om de zitting schriftelijk voor te bereiden, of om naar de zitting toe te gaan; verweerder vraagt daarom schriftelijke uitstel voor antwoord aan;
  3. verweerder is het niet eens met de vordering, gaat op de zittingsdag naar de zitting, en voert mondeling verweer;
  4. verweerder voert schriftelijk verweer;

In het eerste geval verschijnt de verweerder niet. De rechter zal dan direct vonnis wijzen (een “verstekvonnis”), als de oproeping door de deurwaarder is betekend. Als de oproeping niet is betekend, dan zal de oproeping alsnog door een deurwaarder betekend moeten worden. Daarna zullen alle vorderingen van eiser in beginsel worden toegewezen (de rechter acht de vordering dan noch ongegrond noch onrechtmatig). In de overige drie gevallen verschijnt de verweerder wel in de procedure. Onderstaand besprek ik de zaak “op tegenspraak”.

ad 1
Als de verweerder het met de vordering (bijvoorbeeld: een huurachterstand) wel eens is (de huurachterstand is door omstandigheden ontstaan) dan is het toch altijd wel zinvol om naar de zitting te gaan als men wel in staat is om binnen korte termijn aan de verplichtingen te voldoen. Te denken valt dat men de huurachterstand met vakantiegeld, of een dertiende maand binnen korte termijn denkt te kunnen voldoen. Ter zitting kan men de hoofdsom erkennen, maar men kan aan de rechter een terme de grâce vragen om alsnog aan de verplichtingen te voldoen. Door alsnog binnen een maand na betekening van het vonnis de verplichtingen na te komen, voorkomt verweerder dat door de rechter de huurovereenkomst wordt ontbonden (als dit door de verhuurder is gevorderd). Verder kunnen ter zitting altijd de incassokosten worden bestreden. Veel incassobureaus vragen belachelijke bedragen aan incassokosten, terwijl de buitengerechtelijke werkzaamheden vaak zijn beperkt tot het schrijven van één of twee brieven. Dit rechtvaardigt niet toewijzing van honderden euro’s incassokosten. De verweerder wordt daarom geadviseerd altijd verweer tegen incassokosten te voeren. De rechter is gerechtigd om deze kosten te matigen. De rechter mag ook ambtshalve (zonder dat u daarom vraagt) deze kosten matigen, doch de rechter is niet verplicht deze kosten te matigen. Klagen over incassokosten kan de verwerende partij honderden euro’s besparen. De deurwaarder mag naast in rekening gebrachte incassokosten niet apart informatiekosten bij de verweerder in rekening brengen, omdat de informatiekosten een onderdeel zijn van de incassokosten. Mocht dit desondanks zijn berekend dan wordt de verweerder geadviseerd hiertegen ook bezwaar tegen maken.

Als er sprake is van een laag bedrag aan incassokosten (€ 50,-) en de verweerder heeft geen belang bij een terme de grâce én de verweerder is het eens met de gevorderde hoofdsom, dan is het wellicht verstandig om geen verweer te voeren. Elke proceshandeling maakt de procedure langer en duurder. Het eventuele voordeel bij verlaging van incassokosten valt dan weg tegen een verhoging van de proceskosten. Dit geldt alleen als er sprake is van een laag bedrag aan incassokosten, maar niet als het bedrag aan incassokosten boven € 150,- uitstijgt.

Indien de verweerder per ongeluk niet op tijd in de procedure is verschenen, is er overigens nog geen man over boord. Tegen een dergelijke verweerder is “verstek” verleend als het oproepingsbericht door een deurwaarder is betekend en aan de andere formaliteiten is voldaan, aangezien hij op de eerst dienende dag niet is verschenen. Maar meestal duurt het dan nog even alvorens de rechter daadwerkelijk zijn vonnis wijst. Zolang dit vonnis niet is gewezen, kan verweerder alsnog in de procedure verschijnen (artikel 142 RV). Het verstek is daarmee “gezuiverd”, en verweerder zal vervolgens alsnog inhoudelijk op de dagvaarding kunnen reageren.

Ad 2
Partijen krijgen te maken met strakkere termijnen. In beginsel zal binnen vijftien weken na de start van een procedure de mondelinge behandeling plaatsvinden. En alle processtukken dienen uiterlijk tien dagen voor de zitting te zijn ingediend. Een verzoek tot uitstel zal dan ook niet meer zo snel worden gehonoreerd.

Ad 3
U kunt tijdens de zitting bij kantonzaken mondeling verweer voeren. Dit is niet aan te bevelen. De zittingen vinden standaard om 10.00 uur plaats. Alle zaken van die dag worden dan behandeld. Uw zaak kan dan op een veel later tijdstip worden behandeld, waardoor u veel tijd kwijt bent met wachten. Verder is het voor veel mensen moeilijk hun gedachten tijdens een dergelijke zitting te ordenen en vergeet men misschien punten aan te voeren door de omstandigheden van het geval. Voorts geldt dat het ook maar de vraag is of de rechter voldoende tijd en aandacht voor uw mondelinge verweer zal hebben. Een mondeling verweer is derhalve alleen aan te bevelen in simpele zaken, zoals beschreven onder a. Mondeling kunt u de daarin beschreven punten makkelijk aanvoeren. Voor ingewikkelde kwesties in het kader van gebreken, opschorting van huur, onduidelijke servicekostenoverzichten etc., is het verstandig om de gedachten schriftelijk te ordenen. In de praktijk vraagt de rechter aan de verschenen gedaagde om zijn verweer nog eens goed op papier te zetten binnen 4 weken. Na een mondeling verweer kan de rechter een comparitie van partijen (mondelinge behandeling) gelasten.

Ad 4
De verweerder voert schriftelijk verweer. Het verweer wordt verweerschrift genoemd. Als u nog iets van eiser te vorderen heeft, dan kunt u tevens een tegenvordering instellen.

Het verweerschrift bevat in ieder geval de volgende gegevens: (artikel 3.1.3 Landelijke procesreglement KEI
• ten aanzien van de verweerder of van de belanghebbende die verweer voert:

  • indien het een natuurlijk persoon betreft: de voornamen, de achternaam, het woonadres of het feitelijk verblijfadres in Nederland of daarbuiten, als dit er niet is, het werkelijk verblijf van de verweerder of de belanghebbende of de door de verweerder gekozen woonplaats in Nederland, en, indien hij dit heeft, zijn e-mailadres;
  • indien het een rechtspersoon betreft: de statutaire naam, de statutaire woonplaats en het vestigingsadres of kantooradres en, indien dit er is, het e-mailadres.

• indien de verweerder of de belanghebbende(n) bij gemachtigde of advocaat procedeert:
  • de naam, het (kantoor)adres, het telefoonnummer en het emailadres van de gemachtigde of advocaat;
  • het zaaknummer.

Na het verweerschrift is de rechter aan zet. In beginsel zal hij een comparitie van partijen (mondelinge behandeling) gelasten, maar hij kan (in uitzonderingsgevallen) ook beslissen dat er schriftelijk doorgeprocedeerd moet worden (artikel 30j lid 2 NRv).

Als u van mening bent dat de rechter niet bevoegd is >>

Als de verweerder partij van mening is dat de rechter niet bevoegd is, dan moet u dit vóór het antwoord opmerking (zie artikel 209 RV). Verweerder moet dan een exceptie van niet-ontvankelijkheid indienen. Dit wordt ook wel een “incident” genoemd. Het later oproepen van deze onbevoegdheid is niet meer geldig. De wet spreekt dan over straffe van verval tot instelling van deze vordering (zie artikel 110 RV). De rechter is bijvoorbeeld niet bevoegd als het gehuurde in Rotterdam ligt en u bent opgeroepen voor de kantonrechter te 's-Gravenhage. Op grond van artikel 103 RV is immers de rechter bevoegd binnen wiens rechtsgebied de zaak of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. U kunt bijvoorbeeld ook een exceptie van niet-ontvankelijkheid indienen als bepaalde procedures elkaar doorkruisen: te denken valt aan een door de huurder gestarte procedure bij de huurcommissie, terwijl de verhuurder voor afhandeling van hetzelfde probleem de kantonrechter inschakelt. Volgens artikel 30i lid 4 NRv moet verweerder alle excepties tegelijk naar voren brengen op straffe van verval van recht om dit later alsnog te doen.

Het verweer (verweerschrift)>>

Een reactie op de procesinleiding dient het beste schriftelijk te worden gegeven. Dit geldt niet voor natuurlijke personen en voor verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte, tenzij zij worden vertegenwoordigd door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent artikel 30e lid 4 NRv. Een verweerder die van plan is om tijdens een (rol)zitting bij de kantonrechter uitvoerig mondeling zijn zaak te bepleiten, loopt het risico dat zijn zaak niet voldoende onderbouwd zal zijn. Gezien de nieuwe benadering van termijnbewaking zal de verweerder zijn verweer alleen nog nader kunnen onderbouwen in de mondelinge behandeling. In tegenstelling tot de huidige regeling (maart 2017) wordt er bij de mondelinge behandeling wel mogelijkheid geboden tot het houden van nadere onderbouwing van zijn verweer. Met dit wetsvoorstel wordt immers verduidelijkt dat de rechter bewegingsruimte heeft bij de invulling van de mondelinge behandeling (artikel 30k lid 1 sub b NRv). In de memorie van Toelichting bij deze wet staat immers: “Het is aan de rechter om, met oog voor de behoeften van partijen, te bepalen hoe een specifieke mondelinge behandeling verloopt. Op deze manier biedt hij partijen maatwerk. De tijdige planning van de mondelinge behandeling en de invulling daarvan hebben tot gevolg dat de rechter meer regie kan voeren in de zaken die aan hem zijn voorgelegd”. De rechter kan echter op grond van artikel 30o lid 1 NRv beslissen dat partijen alsnog kunnen reageren op elkaars standpunten. Dit staat echter niet vast. Wellicht zal een notitie ten behoeve van de kantonrechter duidelijk kunnen maken hoe hiermee om wordt gegaan. Er lijkt mij anders toch een vorm van willekeur kunnen ontstaan.

De verweerder brengt alle excepties en zijn verweer ten principale tegelijk naar voren, op straffe van verval van niet aangevoerde excepties en, indien niet ten principale verweer is gevoerd, van het recht om dat alsnog te doen (artikel 30i lid 4 NRv). Dit is hetzelfde als in de oude regeling als genoemd in artikel 128 RV (oud). De verweerder kan op grond van artikel 30k lid 8 NRv een tegenvordering of tegenverzoek (een reconventionele vordering) bevatten.

Het verweerschrift vermeldt de bewijsmiddelen waarover verweerder of belanghebbende kan beschikken tot staving van de gronden van zijn verweer, en de getuigen die hij daartoe kan doen horen. (artikel 30i NRv). Als dit niet wordt gedaan, dan is het mogelijk dat het verweer wegens onvoldoende onderbouwing wordt afgewezen. Als er niet voldoende concreet bewijs wordt aangedragen, dan is het mogelijk dat de rechter de verweerder geen kans geeft om aanvullend bewijs aan te dragen. Het nadeel van deze nieuwe methode is dat partijen pro-actief moeten handelen. Waar voorheen door de rechter bewijsopdrachten uitgedeeld werden, zal de partij die bewijs aan wenst te dragen daarmee nu zelf moeten komen. Dit is nu eigenlijk ook al min of meer gangbaar door in ieder geval het bewijs aan te bieden en het bewijs meteen te tonen dat je in handen hebt. in de praktijk merk ik dat de rechter de niet professionele partij nog eens een duwtje in de goede richting zal geven als er niet bewust een bewijsaanbod is gedaan. De schriftelijke getuigenverklaringen lijken daarom in toenemende mate van belang te zijn.

Verder is in artikel 30 i lid 4 NRv nog bepaald dat, als verweerder in de conclusie van antwoord in het geheel niet inhoudelijk op de zaak is ingegaan (dit noemt men “principaal” verweer), hij dat in het vervolg van de procedure niet alsnog mag doen. Het is dus van groot belang om in de conclusie van antwoord inhoudelijk op de zaak in te gaan. Als verweerder dat nalaat, kan hij dus niet meer inhoudelijk reageren! Daarvoor bestaat dan pas weer de mogelijkheid in hoger beroep.

Het verweerschrift is een belangrijk document. Het is immers goed mogelijk dat dit verweerschrift uiteindelijk het enige schriftelijke stuk is dat door de verweerder kan worden ingediend. Het verweerschrift dient het verhaal van eiser, zoals gepresenteerd in de procesinleiding, zoveel mogelijk te worden weerlegd. Daarbij is het van belang om te beseffen dat stellingen van eiser die door verweerder onvoldoende gemotiveerd worden betwist door de rechter als vaststaand moeten worden beschouwd (artikel 149 lid 1 RV). Het is dus zaak om feiten die door de eisende partij zijn gesteld zoveel mogelijk te controleren en te weerleggen! Verweerder doet er goed aan om dit in de conclusie van antwoord te doen, aangezien dit – afgezien van de mondelinge behandeling – mogelijk zijn enige kans is!

Verschijnt de verweerder na de informele bezorging van de procesinleiding als bedoeld in artikel 111 NRv niet in de procedure? Dan is de tussenkomst van de deurwaarder alsnog verplicht. Anders verleent de rechter geen verstek tegen de verweerder (artikel 112 lid 2 NRv). Het oproepingsbericht moet dan alsnog door de eiser formeel worden betekend. Laat eiser de formele betekening achterwege nadat verweerder niet is verschenen naar aanleiding van de informele betekening, dan wordt eiser niet-ontvankelijk verklaard (artikel 112 lid 3 NRv). De deurwaarder vermeldt vervolgens de nieuwe datum waarvoor de verweerder kan verschijnen in het oproepingsbericht dat hij daartoe wijzigt (artikel 112 lid 5 NRv). Zowel de gegevens die de eiser in de procesinleiding vermeldt als de gegevens die door het gerecht in het oproepingsbericht zijn vermeld, kunnen door de deurwaarder worden verbeterd of aangevuld op grond van het vijfde lid, bijvoorbeeld na nader onderzoek of op advies van de deurwaarder. Het gewijzigde oproepingsbericht moet bij de verweerder worden betekend binnen dezelfde termijn als geldt voor het betekenen van het (oorspronkelijke) oproepingsbericht, zijnde twee weken na de uiterlijke verschijningstermijn zoals opgenomen in het oorspronkelijke oproepingsbericht. Het gewijzigde oproepingsbericht vervangt het eerdere oproepingsbericht (artikel 112 lid 5 NRv). De professionele belangenbehartiger die wordt geconfronteerd met een cliënte die zich meldt binnen een paar dagen voor de dag van indiening van de procesinleiding, zal er vermoedelijk voor kiezen zijn cliënte te adviseren niets te laten horen. Volgens artikel 112 lid 2 NRv kan eiser dan binnen twee weken na de dag waarop verweerder uiterlijk diende te verschijnen, het oproepingsbericht doen betekenen bij de verweerder. De termijn om te verschijnen als bedoeld in artikel 30a, derde lid, onder c, wordt in dat geval verlengd met vier weken na de laatste dag waarop de verweerder diende te verschijnen, bedoeld in de eerste volzin van artikel 112 lid 2 NRv. De professionele belangenbehartiger wint hier mee tijd. Hij krijgt dan vier weken extra voor een reactie. Men krijgt immers een termijn van vier weken voor een reactie vanaf de verschijningsdag.

Verder geldt de zogenoemde “waarheidsplicht” van artikel 21 RV ook voor de verweerder. Ook verweerder is dus, net zoals eiser in zijn procesinleiding, verplicht om alle voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Daarnaast geldt voor verweerder dat ook hij, in de conclusie van antwoord, alle bewijsmiddelen dient te vermelden, en in het bijzonder de getuigen waarover hij kan beschikken (artikel 30i lid 6 NRv). Er wordt net zoals bij het huidig geldende recht (april 2017) aangeraden om bij alle relevante stellingen tevens aan te geven op welke wijze deze stellingen kunnen worden bewezen.

Als verweerder ook een vordering op eiser meent te hebben kan hij deze vordering bij antwoord instellen (artikel 30i lid 8 NRv). Daarvoor is niet vereist dat beide vorderingen inhoudelijk samenhangen, zoals wel eens wordt gedacht. Verweerder doet er verstandig aan om gelijktijdig met zijn verweerschrift een vordering op te nemen. Een tegeneis moet in voorafgaande aan het versweerschrift worden vermeld; later is dit niet meer mogelijk. Zie de uitspraak van de rechtbank te Almelo van 23 januari 2007 LJN: AZ8075, rechtbank Almelo, 227846 CV EXPL 8074-06. De rechter zal over de vordering van eiser (eis in conventie) en de vordering van verweerder (eis in reconventie) bij hetzelfde eindvonnis beslissen (artikel 138 RV). Als de verweerder heeft nagelaten om tijdig een eis in reconventie in te dienen, zal hij een aparte procedure moeten starten om zijn vordering te kunnen innen/af te dwingen.

Als tegenvordering kan onder meer aan de volgende vorderingen worden gedacht:

  • eiser vordert een restant huur na beëindiging van de huurovereenkomst en verweerder vordert de waarborgsom terug en/of vordert verrekening van de waarborgsom als het gehuurde correct is opgeleverd (zie het hoofdstuk: De oplevering);
  • eiser vordert bedragen in het kader van een huurachterstand en verweerder vordert in reconventie herstel van gebreken aan het pand ( met vordering van een dwangsom als het herstel binnen een bepaalde gevorderde periode niet is afgerond);
  • eiser vordert bedragen in het kader van een huurachterstand en verweerder vordert herstel van het gehuurde en verlaging van de huurprijs gedurende de periode dat het gebrek voortduurt.

Een verweerder of belanghebbende die een tegenvordering wenst in te stellen of een tegenverzoek wenst te doen, doet dit uiterlijk in zijn verweerschrift met inachtneming van artikel 30a lid 3 aanhef en onder f en g Rv.
Een partij die een tegenvordering of een tegenverzoek indient, vermeldt dit:

  • Indien langs elektronische weg wordt geprocedeerd: op duidelijk kenbare wijze in het elektronisch in te dienen formulier en in de titel van het elektronisch in te dienen processtuk.
Bij indiening van verweerschriften en akten met de daarbij gevoegde bescheiden is eenvoudiger geworden. Deze stukken moeten immers in beginsel elektronisch worden ingediend. Er hoeven nu niet meer meerdere exemplaren ingediend te worden. De griffie zorgt voor elektronische verspreiding van deze stukken.

Verweerder moet niet vergeten de conclusie van antwoord te ondertekenen (artikel 30a lid 4 NRv en artikel 30c lid 3 NRv). De rechter kan besluiten niet ondertekende stukken te weigeren, en aan de weigering de consequenties verbinden die hem juist lijken. Wel dient de rechter de partij die heeft vergeten zijn processtuk te ondertekenen nog de gelegenheid te geven om alsnog tot ondertekening over te gaan artikel 30c lid 3 NRv. Het zou jammer zijn als uw steekhoudende verweer om deze reden gepasseerd zou worden!

De datum van de mondelinge behandeling wordt bepaald zodra de verweerder is verschenen in een vorderingsprocedure of de verzoeker de procesinleiding in een verzoekprocedure heeft ingediend (artikel 30j NRv). In artikel 114 NRv staat vermeld wanneer de verweerder wordt geacht in een procedure te zijn verschenen:

  • in zaken voor de kantonrechter, indien hij minste vier weken en uiterlijk zes maanden na de dag van indiening van de procesinleiding bij de rechter (artikel 30a lid 3 onder c NRv), de griffie schriftelijk bericht dat hij in de procedure betrokken wenst te worden of zijn verweerschrift indient;
  • Indien hij verschijnt op de mondelinge behandeling in zaken voor de voorzieningenrechter;
  • In alle andere zaken als hij advocaat stelt binnen de termijn als genoemd in artikel 30a lid 3 onder c NRv.

De mondelinge behandeling >>

De kern van het digitaal procederen ligt bij de mondelinge behandeling. Gezien de kortere termijnen van het digitaal procedern kan deze mondelinge behandeling al een kleine drie maanden na het versturen op de operoeping plaatsvinden. Dat is ongeveer dubbel zo snel als volgens het huidige systeem (april 2017). Vervolgens is het uitgangspunt dat de rechter uitspraak doet binnen zes weken na de mondelinge behandeling.

Tijdens de mondelinge behandeling kunnen partijen onder andere:

  • hun standpunten toelichten;
  • partijen verzoeken de rechter inlichtingen te geven;
  • partijen gelegenheid geven hun stellingen nader te onderbouwen;
  • getuigen en deskundigen laten horen door de rechter;
  • met partijen overleggen hoe het vervolg van de procedure zal verlopen, en
  • die aanwijzingen geven of die proceshandelingen bevelen die hij geraden acht
  • proberen tot een schikking te komen (artikel 30m NRv).
De rechter kan de dag en het uur van de mondelinge behandeling met of zonder inachtneming van door partijen opgegeven verhinderdata bepalen. De datum van de mondelinge behandeling wordt vroeg in de procedure vastgesteld; de verhinderdata van partijen worden al zo spoedig mogelijk geïnventariseerd nadat de verweerder is verschenen. Dat betekent dat de rechter in beginsel standaard en vrij vroeg in de procedure een zitting heeft met partijen. Ook is van belang dat de rechter de invulling van de mondelinge behandeling in samenspraak met partijen kan afstemmen op de aard en complexiteit van de voorliggende zaak. Bij bepaling aan de hand van door partijen op te geven verhinderdata stelt de rechter partijen in de gelegenheid binnen een termijn van twee weken opgave te doen van hun verhinderdata over een door de rechter te bepalen periode (artikel 4.1.2 Landelijke procesreglement KEI). Indien partijen hun opgave niet binnen deze termijn aan het gerecht hebben doen toekomen, wordt ervan uitgegaan dat zij geen verhinderdata hebben. De rechter kan echter op grond van artikel 30o lid 1 NRv beslissen dat partijen alsnog een uitstel kunnen krijgen om een verweer in te dienen. Dit staat echter niet vast.

Indien datum en uur van de zitting zonder verhinderdata zijn bepaald, kunnen partijen zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen twee weken na de datum waarop de dag en het uur van de mondelinge behandeling is bepaald, bij schriftelijk bericht een andere dag voor de mondelinge behandeling verzoeken. Bij het verzoek wordt een opgave van de verhinderdata van alle betrokkenen voor de door het gerecht bepaalde periode gevoegd. Indien deze opgave ontbreekt, wordt aan partijen medegedeeld dat de eerdere dagbepaling van kracht blijft. Behoudens in geval van klemmende redenen wordt na het verstrijken van de termijn van twee weken geen uitstel van de desbetreffende zitting meer verleend (artikel 4.1.13 Landelijke procesreglement KEI). Indien bij het bepalen van de dag en het uur van de mondelinge behandeling rekening is gehouden met de opgegeven verhinderdata van partijen, wordt alleen nog uitstel verleend in een van de volgende gevallen: (artikel 4.1.14 Landelijke procesreglement KEI)
a. indien tussen het tijdstip waarop verhinderdata uiterlijk moesten zijn opgegeven en de datum waarop de dagbepaling heeft plaatsgevonden, meer dan twee weken is verstreken, of
b. indien sprake is van klemmende redenen.
Uitstelverzoeken zoals hiervoor onder a. bedoeld worden gedaan binnen twee weken na de datum waarop de dagbepaling heeft plaatsgevonden onder opgave van nieuwe verhinderdagen. Uitstelverzoeken zoals hiervoor onder b. bedoeld, worden zo spoedig mogelijk gedaan.

De rechter kan met instemming of op verlangen van partijen op een vordering zonder mondelinge behandeling beslissen. Verzoeken aan de rechter om zonder mondelinge behandeling te beslissen, worden bij schriftelijk bericht en gemotiveerd gedaan. De rechter beslist niet dan na de andere partij(en) in de gelegenheid te hebben gesteld om binnen de door hem gestelde termijn op het verzoek te reageren (artikel 4.1.3 Landelijke procesreglement KEI).

De uitnodiging voor de mondelinge behandeling vermeldt in ieder geval (artikel 4.1.4 Landelijke procesreglement KEI):

  • de dag en het uur van de mondelinge behandeling;
  • de tijd die voor de mondelinge behandeling is uitgetrokken;
  • de naam of de namen van de behandelend rechter(s);
  • de mogelijkheid om stukken voor de mondelinge behandeling in te dienen,
  • met vermelding van de daarvoor geldende termijn als bedoeld in artikel 4.1.10 en, indien van toepassing, met inachtneming van artikel 3.1.2, laatste zin;
  • de spreektijd die aan partijen wordt toegekend om hun standpunten toe te lichten en of daarbij spreekaantekeningen mogen worden overgelegd.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling wordt, voor zover mogelijk, het doel van de mondelinge behandeling aan partijen medegedeeld en kunnen nadere aanwijzingen of bevelen worden gegeven over (artikel 4.1.5 Landelijke procesreglement KEI):
  • de vraagpunten of onderwerpen die de rechter tijdens de mondeling behandeling wil bespreken;
  • door partijen nader over te leggen stukken, waaronder
  • eventuele vertalingen van bewijsstukken als bedoeld in artikel 1.11;
  • door partijen mee te brengen getuigen of partijdeskundigen.
  • de beslissing van de rechter op een eventueel verzoek van (een van) partijen om tijdens de mondelinge behandeling getuigen en partijdeskundigen mee te nemen en te doen horen.
In kantonzaken verschijnen partijen in persoon of bij gemachtigde (artikel 4.1.7 Landelijke procesreglement KEI). In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen (niet-kantonzaken) verschijnen partijen in persoon of bij advocaat. De rechter kan bevelen dat een partij in persoon op de mondelinge behandeling verschijnt. De gerechten kunnen ten behoeve van het mondelinge verweer zittingen organiseren onmiddellijk nadat de procedure is gestart op de voet van artikel 30o, eerste lid, onderdeel c NRv. De rechter kan die zitting desgewenst ook gebruiken als een inhoudelijke of een regiezitting, als bijvoorbeeld (de gemachtigde van) de wederpartij aanwezig is. De gemachtigde zal hier rekening mee moeten houden. Nu wordt de gemachtigde niet geacht gedurende de eerste rolzitting bij een antwoord aanwezig te zijn. Dat kan in het nieuwe systeem dus anders worden. De rechtbank zal hier duidelijk over moeten communiceren.

Ten aanzien van de rechtspersoon die partij is geldt het hiernavolgende. Het gerecht kan bepalen dat uiterlijk op de mondelinge behandeling een uittreksel uit het handelsregister wordt overgelegd, dat niet ouder is dan een maand. Indien de rechtspersoon wordt vertegenwoordigd door een andere daartoe in de statuten of bij daartoe strekkende volmacht aangewezen persoon dan de bestuurder(s), kan het gerecht bepalen dat tijdens de mondelinge behandeling tevens een afschrift van de statuten of de volmacht wordt overgelegd.

De rechter kan meer sturing geven aan het verloop van de procedure, onder meer door vroegtijdig te overleggen met partijen. Met voorafgaande toestemming van de rechter kunnen tijdens de mondelinge behandeling getuigen en partijdeskundigen worden gehoord (artikel 30k lid 2 NRv). Deze toestemming is nodig om te voorkomen dat het verloop van de mondelinge behandeling kan worden verstoord doordat een zeer groot aantal getuigen of deskundigen wordt meegenomen om te worden gehoord. Dit kan dus plaatsvinden zonder voorafgaande uitspraak met bewijsopdracht en/of bevel tot het horen van deskundigen. Een dergelijke zitting kan langer gaan duren dan de comparitie partijen conform de huidige regeling (maart 2017). Verder is het de vraag of dit dan altijd tot verduidelijking van het standpunt van een partij leidt. Als een partij allerlei getuigen oproept die weinig te melden hebben, dan zal dit wel meer tijd in beslag nemen, zonder dat het standpunt van een partij hiermee wordt verduidelijkt.

De invulling van de mondelinge behandeling wordt dus aan de rechter overgelaten (artikel 30k NRv), met dien verstande dat partijen altijd gelegenheid moet worden geboden om een mondelinge toelichting op de zaak te geven. Flexibiliteit en maatwerk worden bereikt doordat de rechter in overleg met partijen van de basisprocedure kan afwijken. Zo kan de mondelinge behandeling in bepaalde gevallen achterwege blijven, terwijl in andere gevallen een extra mondelinge behandeling of andere zitting kan worden gehouden of een extra schriftelijke ronde kan worden ingelast. Partijen kunnen toelichting van een stelling weigeren als daartoe gewichtige reden bestaan (artikel 22 lid 2 NRv). De rechter kan dan van oordeel zijn dat een bepaald standpunt niet voldoende is onderbouwd en/of bewezen. De bewijsmiddelen dienen immers in de procesinleiding en in de conclusie van antwoord te staan (artikel 30i lid 6 NRv). Verder kan de rechter ook beslissen dat de kennisname van bepaalde stukken alleen door de gemachtigde gelezen kunnen worden als kennisname van deze stukken de lichamelijke of geestelijke gezondheid zou schaden. Ik zie dit voor huurzaken meer een theoretisch gegeven. Het zal voor huurzaken in de praktijk niet gebeuren dat de processtukken de lichamelijke of geestelijke gezondheid van een partij zou kunnen schaden.
De basisprocedure kent geen tweede schriftelijke ronde, zoals re- en dupliek. De rechter kan dus wel beslissen een extra schriftelijke ronde zoals re- en dupliek te houden.

De verwerende partij mag nog wel een papieren pleitnota ter zitting overleggen zonder dat deze voordat de zitting plaatsvindt op "mijn rechtspraak" gepubliceerd dient te worden.

Conclusie van repliek
De conclusie van repliek komt te vervallen in het nieuwe procesrecht. Als er behoefte is aan uitwisseling van meer stukken dan zullen in overleg met de rechter nadere stukken ingediend kunnen worden. De rechter kan dit bij complexe zaken na de mondelinge behandeling beslissen. In dergelijke complexe zaken zal na de mondelinge behandeling dan ook geen vonnis worden gewezen, maar zak verder geprocedeerd worden conform de de proceshandeling die de rechter met partijen heeft afgesproken. Dit kan bijvoorbeeld een nadere schriftelijke ronde zijn, maar ook een getuigenverhoor, een zitting ter plaatse of een deskundigenbericht. De rechter stelt tevens de termijnen vast, waarbij wel overeind blijft dat er zo snel als mogelijk geprocedeerd moet gaan worden.

Conclusie van dupliek
De conclusie van dupliek komt te vervallen in het nieuwe procesrecht. Als er behoefte is aan uitwisseling van meer stukken dan zullen in overleg met de rechter nadere stukken ingediend kunnen worden. Hetgeen ik hierover bij de conclusie van repliek heb gezegd geldt hier hetzelfde.

Overleg met de griffie
Een deel van de rechters neemt nu (maart 2017) aan dat aan dat tijdens een comparitie gelegenheid kan worden gegeven voor een pleidooi, terwijl een ander deel aanneemt dat de bestaande wetgeving daaraan in de weg staat. In de instructie na de conclusie van antwoord is dan ook vermeld dat er geen plaats is voor een pleidooi, omdat een juridisch betoog de poging tot schikking in de weg kan staan. Daarnaast wordt het pleidooi in beginsel door KEI afgeschaft.
Met dit wetsvoorstel wordt verduidelijkt dat de rechter bewegingsruimte heeft bij de invulling van de mondelinge behandeling (artikel 30k lid 1 sub b NRv). Dit wordt met de nieuwe regeling anders. In de memorie van Toelichting bij deze wet staat: “Het is aan de rechter om, met oog voor de behoeften van partijen, te bepalen hoe een specifieke mondelinge behandeling verloopt. Op deze manier biedt hij partijen maatwerk. De tijdige planning van de mondelinge behandeling en de invulling daarvan hebben tot gevolg dat de rechter meer regie kan voeren in de zaken die aan hem zijn voorgelegd”. Het lijkt mij dat de griffie ook anders ingericht dient te worden. Als nu contact met de griffie wordt gezocht is er zelden overleg mogelijk. Je wordt doorgaans verzocht schriftelijk de mededeling aan de griffie te doen. Dat moet in het kader van deze nieuwe berichtgeving dus anders. Het lijkt mij dat je als gemachtigde eenvoudig telefonisch overleg over deze zaak dient te kunnen voeren met de griffie gevolgd met daarna een korte schriftelijke bevestiging van het gesprek, zodat er geen onduidelijk kan bestaan over de partij met wie het overleg is gevoerd en wat de bedoeling van dit gesprek is geweest. De griffie zal er ook op dedacht moeten zijn zich niet door een partij te laten beïnvloeden.

Overleg is ook noodzakelijk als de rechter in afwijking van het basisstramien beslist dat partijen additionele proceshandeling mogen doen of dat het noodzakelijk is om deze proceshandelingen te doen. (artikel 30o NRv). In complexe zaken ligt het ook voor de hand dat extra proceshandelingen in de zin van artikel 30o NRv nodig blijven. Ook hier zijn korte lijntjes tussen de griffie en partijen noodzakelijk. In dit geval zal in het kader van het genoemde overleg rechtstreeks contact met de beslissingsbevoegde persoon bij de griffie onontbeerlijk zijn. Nu (maart 2017) is het eigenlijk standaard dat er na een aan de griffie geadresseerd verzoek pas een antwoord komt na de rolzitting. Er wordt ook nooit een ontvangstbevestiging van een stuk gestuurd. Ook vanuit de griffie zal de communicatie meer de vorm van tweerichting verkeer dienen te krijgen dan nu (maart 2017) het geval is. De Memorie van toelichting zegt over de wijze waarop de communicatie plaats dient te vinden het volgende: “Het is niet bij iedere beslissing over een proceshandeling nodig om hierover van te voren met partijen te overleggen. Waar dat belangrijke procedurele beslissingen betreft, ligt het evenwel voor de hand dat de rechter hierover met partijen spreekt. Bij deze besluitvorming weegt de rechter de belangen van partijen af tegen het belang van een snelle en doelmatige procesvoering” Memorie van toelichting - Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht . Ik vrees echter er bij partijen en de rechter wel en verschil van mening kan ontstaan of er wel of niet extra proceshandelingen noodzakelijk zijn. Ik pleit ervoor om door een handleiding ten behoeve van kantonrechters te zorgen dat de regels worden eenvormig worden toegepast.

Als een partij niet gedurende een zitting verschijnt, ondanks dat de partij goed is opgeroepen, dan geeft artikel 30i lid 2 NRv de rechter de bevoegdheid uit een niet-verschijnen ter mondelinge behandeling de gevolgtrekking te maken die hij geraden acht. De rechter is niet verplicht een zitting te verplaatsen als een partij en/of de gemachtigde van die partij één dag voor de zitting te kennen geeft de zitting niet bij te kunnen wonen. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch stelde in haar arrest van 21 juni 2005 in rechtsoverweging 4.2.5. ( LJN: AU4078, gerechtshof 's-Hertogenbosch, C0400857/BR ) vast dat: "toereikend is geweest dat huurster en haar gemachtigde in de gelegenheid zijn gesteld ter zitting te verschijnen en het woord te voeren. Dat huurster van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, komt voor haar risico".
Het feit dat een partij op een zo korte termijn meldde niet bij een zitting aanwezig te kunnen zijn en het niet kunnen bereiken van de andere partij speelde hier ook mee. Als een partij ruim van te voren met overleggen van verhinderdata van de andere partij te kennen geeft niet te kunnen verschijnen, dan wordt doorgaans de zitting verplaatst naar een andere datum.
Dit betekent echter niet dat zonder meer dat de rechter bij het niet verschijnen van partijen de conclusie mag trekken dat deze partij die eerder schriftelijk verweer heeft gevoerd dit verweer heeft prijsgegeven. Het uitgangspunt dient te zijn dat de rechter slechts ervan kan uitgaan dat een partij een verweer heeft prijsgegeven, indien dat, uitdrukkelijk of stilzwijgend, op ondubbelzinnige wijze is geschied. Zie de overweging 3.3.2. van de Hoge Raad in haar arrest van 9 juni 2006 ( LJN: AW2089, Hoge Raad, C05/082HR ).

Als een partij gedurende een mondelinge behandeling iemand mee wenst te nemen als toehoorder is dat mogelijk. Een toehoorder dient dan vaak op een rij stoelen achterin de zaal plaats te nemen. Mocht een partij deze toehoorder in de procedure later als getuige wensen te horen, dan kan de aanwezigheid van deze persoon tijdens een mondelinge behandeling later een probleem opleveren. De verklaring van de getuige kan dan immers zijn gekleurd door de bevindingen die deze persoon tijdens de zitting heeft opgedaan. Mocht een partij graag later een persoon als getuige te horen, dan wordt u geadviseerd deze persoon niet bij een mondelinge behandeling aanwezig te laten zijn.

Reageren op ingezonden stukken

Stel dat een partij voor de zitting nog snel wat stukken heeft ingediend. Als u van mening bent dat u door indiening van deze stukken bent benadeeld, bijvoorbeeld omdat u te weinig tijd heeft om op deze stukken te reageren, dan doet u er goed aan om protest aan te tekenen. Doet u dat vooral tijdig. De rechter zal na het openen van de comparitie inventariseren welke stukken door partijen zijn ingediend. U kunt ervoor kiezen om schriftelijk vooraf aan de zitting bezaar te maken tegen de op het laatste moment ingediende stukken. De rechter zal dan bij het openen van de comparitie ue bezwaar behandelen. Als u niet schriftelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de stukken die op het laatste moment zijn ingediend, dan dient u bij het opnen van de comparitie van partijen aan te geven dat u bezwaar maakt tegen het (late) indienen van de stukken door de wederpartij.

Hoe verloopt een zitting?

Kijk voor de gang van zaken tijdens een zitting onder het kopje: "De zitting" verderop in dit hoofdstuk.

Wat kunt u gedurende een mondelinge behandeling verwachten ?

De parketwacht controleer of partijen en/of hun gemachtigden aanwezig zijn. Na het afroepen van de zitting door de griffier/parketwacht kunnen partijen de zittingskamer betreden. De zittingskamer bij kantongerechten is vaak niet zo groot. De zittingskamer komt meestal overeen met een grote huiskamer, waarin zich een grote tafel bevindt waarachter zich de rechter en griffier (meestal in toga!) bevinden. Voorts bevinden zich in de ruimte twee kleine tafels voor partijen en een rij stoelen achter deze tafel voor het publiek. Rechtszittingen zijn openbaar, zodat hier ook publiek aanwezig kan zijn (in de praktijk wordt zelden van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en worden de stoelen alleen gebruikt door bekenden van de partijen). Het kan echter gebeuren dat zich een onbekende “belangstellende” in de rechtszaal bevindt. U kunt denken aan geïnteresseerden zoals studenten of scholieren. Civiele zaken zijn overigens niet erg interessant zonder enige voorkennis.

Bij binnenkomst wijst de rechter vaak aan waar partijen dienen te gaan zitten. Er is een vaste plaats voor partijen, zodat de rechter de eisende en verweerder partij niet door elkaar haalt. Het is handig om de rechter bij binnenkomst te vragen waar u moet plaatsnemen. U zegt dan tegen de rechter dat u de eisende of verweerder partij bent, en de rechter zal dan uw plaats aanwijzen. In de regel zit eiser links en verweerder rechts, gezien vanuit het gezichtspunt van de rechter.

De rechter opent vervolgens de zitting met de vraag wie allemaal aanwezig zijn. De personalia worden dan nauwkeurig vermeld.

Vervolgens zijn twee verschillende soorten aanpak mogelijk, al dan niet gecombineerd:

  1. De rechter heeft naar aanleiding van de processtukken aan aantal concrete vragen aan partijen. Naar aanleiding van deze vragen mogen partijen hun standpunt uiteenzetten. Deze gang van zaken lijkt aan weinig formele regels gebonden. De rechter laat zich op deze wijze door partijen informeren en vormt zich aan de hand van dit gesprek een standpunt. Dit standpunt spreekt hij meestal niet duidelijk uit, omdat hij onpartijdig is en moet zijn. De rechter moet er immers voor hoeden om partijen te beïnvloeden. De rechter hoort ook vrij passief (lijdelijk) te zijn. De rechter geeft partijen soms wel een voorlopig oordeel over hoe hij de zaak ziet op basis van de hem bekende gegevens. De rechter geeft partijen dan vervolgens, op basis van dat voorlopige oordeel, nog al eens de mogelijkheid om te proberen de zaak te schikken.
  2. De andere route is dat de rechter niet gegint met het stellen van vragen. In plaats daarvan stelt hij partijen in de gelegenheid om hun standpunt nog eens uiteen te zetten. Vaak mag de eiser eerst zijn standpunt toelichten, waarop verweerder dan kan reageren.

Het proces-verbaal
De rechter maakt ambtshalve een proces-verbaal op, of op verzoek van een partij die daarbij belang heeft (artikel 30n lid 1 onder a NRv). Dit laatste kan zich voordoen als partijen bepaalde erkenningen hebben gedaan of vorderingen hebben ingetrokken. Geen proces-verbaal wordt opgemaakt van informatie die al uit de ingediende stukken blijkt. Het proces-verbaal in de hiervoor bedoelde zin is geen woordelijk verslag van al hetgeen tijdens de zitting is gebeurd, maar geeft daarvan een zakelijke samenvatting (derde lid). Het vierde lid geeft de mogelijkheid om daar waar een volledige weergave van een onderdeel van een zitting gewenst is, deze op te stellen. Bij een verschil van mening over het verhandelde ter zitting kan worden terug gegrepen op beeld- of geluidsopname van de hele zitting dat staat opgenomen in het dossier op mijn pagina. Dit is dus anders de bij de huidige regeling (april 2017). De partij die zich op die integrale opname beroept zal ex artikel 22 n NRv moeten aangeven welk deel van de opname wordt bedoeld. Bij een digitale opname moet de rechter er op toezien dat dat de namen worden genoemd van de rechter die de zaak behandelt, die van partijen en van hun vertegenwoordigers of gemachtigden die op de mondelinge behandeling zijn verschenen, en die van de getuigen, deskundigen en tolken die op de mondelinge behandeling zijn verschenen.

De rechter kan met instemming of op verlangen van partijen de mondelinge behandeling achterwege laten en uitspraak doen. De mondelinge behandeling kan ook worden aangehouden (artikel 30h NRv). In kantonzaken kan de rechter bepalen dat de mondelinge behandeling achterwege blijft indien geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht te worden gehoord, binnen een door hem gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht (artikel 30j NRv). Het is de vraag of dit bericht tussen een mededeling kan komen te staan over het volgen van procedures. Het lijkt mij niet de bedoeling dat deze mededeling als een verborgen zinnetje in een algemeen bericht gestopt kan worden. Ik meen dat een dergelijk bericht uitdrukkelijk aan partijen vermeld dient te worden. Partijen moeten er dus op bedacht zijn dat zij de rechter ervan op de hoogte brengen een mondelinge behandeling te wensen als zij daar behoefte aan hebben. Als partijen geen termijn wordt gegeven een beroep op een mondelinge behandeling te doen, dan lijkt de rechtbank een misslag te hebben gemaakt.

De rechter kan bepalen dat het proces-verbaal, bedoeld in het eerste en derde lid en in de artikelen 180, eerste lid, 198, vijfde lid, en 201, vierde lid RV, wordt vervangen door een door of namens hem gemaakte beeld- of geluidsopname. Het gaat hier niet op de gehele (integrale) opname, maar om de samenvatting van de zitting zoals ook in het schriftelijk stuk wordt opgenomen als dit zou zijn geformuleerd. In dat geval kan de hogerberoepsrechter of de Hoge Raad alsnog verzoeken om een schriftelijke weergave van het proces-verbaal (artikel 30n lid 7 NRv).

Hoe gedraagt u zich bij en jegens de kantonrechter?
Het is van groot belang, ook voor uw zaak, dat u zich bij de rechter fatsoenlijk gedraagt. Neemt u dus alle elementaire fatsoensnormen in acht, óók richting de wederpartij. Ik adviseer u om uw emoties zoveel mogelijk buiten de rechtszaal te laten, en dat u zich dus vooral zakelijk opstelt, óók (zelfs vooral) als de wederpartij dat niet doet.

U spreekt de kantonrechter aan met “meneer/mevrouw de kantonrechter” en (natuurlijk) “u”. Bij het binnenkomen en verlaten van de rechtszaal dient u de rechter niet de hand te schudden. U begroet de rechter simpelweg met “goedemorgen of goedemiddag”; bij het verlaten van de rechtszaal na de zitting geldt hetzelfde. Eventueel bedankt u de kantonrechter voor de door hem of haar genomen tijd.

In het bijzonder wijs ik er nog op dat u in de zittingszaal uw mobiele telefoon dient uit te schakelen. Vergeet u dat niet! De kantonrechter stelt het doorgaans niet erg op prijs als tijdens een zitting een telefoon afgaat.

Er komt een schikking tot stand>>

Tijdelijke schorsing van de zitting

Als men op basis van deze gegevens van mening is dat het goed zou zijn om nog eens met de wederpartij van gedachten te wisselen en/of om alsnog tot een schikking te komen dan kan men schorsing van de zitting verlangen. Vaak gebeurt dit op instigatie van de kantonrechter. Gedurende de schorsing van de zitting kan men op de gang met elkaar van gedachten wisselen.

De kantonrechter kan soms erg overtuigend zijn in zijn verzoek aan partijen om toch vooral te proberen er gezamenlijk uit te komen. Soms geeft hij de schikking zelfs bijna op een presenteerblaadje aan. Op zo’n moment is het erg oppassen. Natuurlijk mag uiteindelijk geen sprake zijn van een “dwangschikking”. Een minnelijke regeling moet door partijen uit vrije wil worden aangegaan. Daarom raad ik u aan om de druk van de kantonrechter te weerstaan indien u het aangaan van de gesuggereerde schikking niet in uw belang acht. De kantonrechter dient uw visie te respecteren!

Uitkomst van de onderhandelingen

Als men naar aanleiding van de onderhandelingen tot een schikking is gekomen is het verstandig de rechter te vragen op grond van artikel 30m lid 1 NRv een proces-verbaal van comparitie op te maken. Dit proces-verbaal van comparitie is een voor executie vatbare titel. Als de wederpartij alsnog zijn verplichtingen niet nakomt, kunt u dit stuk naar de deurwaarder sturen om zo de gemaakte afspraken door executie te laten afdwingen, bijvoorbeeld door het leggen van beslag en het verkopen van de desbetreffende zaken.
De ondertekening van het proces-verbaal door partijen tijdens de mondelinge behandeling zal vooralsnog plaatsvinden door het zetten van een “natte” handtekening, ook als partijen hun stukken langs elektronische weg hebben ingediend.

Indien geen schikking tot stand komt, bepaalt de rechter wat de volgende proceshandeling zal zijn (artikel 30m lid 2 NRv).

Punten van aandacht bij onderhandelingen

Let bij het voeren van onderhandelingen op het totale plaatje van uw vordering! Stel dat uw hoofdsom € 1000,- is en u wenst om u moverende redenen de zaak alsnog te schikken, dan moet u bij uw vordering ook de dagvaardingskosten en griffierecht betrekken. Door deze kosten mee te nemen is uw vordering in ieder geval rond de € 1300,- (exclusief rente).

Bij iedere schikking moeten partijen water bij de wijn doen. Het is echter onredelijk dat de eisende partij alle proceskosten voor zijn rekening neemt als duidelijk is geworden dat de rechter (in zijn voorlopige oordeel) bijvoorbeeld € 700,- voor toewijzing gereed acht en voor het overige een verdere procedure noodzakelijk acht. In dit geval is het alleszins redelijk de wederpartij te houden aan vergoeding van (een deel van) de proceskosten. Als het er naar uit ziet dat de rechter voor het grootste gedeelte uw vordering zal toewijzen, is het redelijk dat de wederpartij ook een groot deel van uw proceskosten vergoedt. De wederpartij heeft u kennelijk genoodzaakt om deze procedure voor uw grotendeels terechte vordering te starten!

Als de verwerende partij een vordering in reconventie heeft ingediend en die vordering is terecht, dan dient u er rekening mee te houden dat de proceskosten door de rechter kunnen worden gecompenseerd (= tegen elkaar weggestreept). Voor een procedure in reconventie worden ook proceskosten berekend. De eiser in reconventie heeft echter geen dagvaardingskosten en griffierecht betaald. Deze kosten zijn voorgeschoten door de partij die de procedure is gestart. Bij compensatie van kosten blijven deze kosten (gemiddeld ongeveer € 500,--) dus voor rekening van de eisende partij.

In deze handleiding wordt ervan uit gegaan dat u zonder gemachtigde procedeert. Als u wel met een gemachtigde procedeert, dan kunt u in het kader van een schikking een gedeelte van de incassokosten en de rente laten zitten. Let er wel op dat uw gemachtigde van u kan verlangen het verschil in incassokosten bij te passen. In het kader van een schikking moet u dus de volgende posten in ogenschouw nemen:

  • hoofdsom;
  • griffiekosten;
  • explootkosten als de procesinleiding door een deurwaarder is betekend;
  • (buitengerechtelijke) incassokosten;
  • rente.

    Door inschakeling van een gemachtigde worden de schikkingsonderhandelingen ook complexer, omdat u dan ook met de kosten van de gemachtigde rekening moet houden. Aan de incassokosten heeft u niets (dit gaat naar uw gemachtigde) als er een gemachtigde is ingeschakeld. De eiser heeft zonder inschakeling van gemachtigde ook recht op incassokosten. De eiser kan zelf natuurlijk beslissen om de incassokosten te laten schieten. Als er een gemachtigde tussen zit is dit lastiger, omdat deze gemachtigde aanspraak kan houden op de overeengekomen incassokosten. Dit kan een partij dus beperken in de onderhandelingsruimte. In deze handleiding wordt ervan uit gegaan dat u voor duidelijke en eenvoudige vorderingen zoals huurincasso’s geen gemachtigde nodig heeft. Als u duidelijk kunt maken wat de huurachterstand is en er spelen geen kwesties over gebreken aan de woning dan kunt u met behulp van de informatie op de website van Huurgeschil.nl zelf uw standpunt verwoorden en hoeft u de kosten van een gemachtigde niet bij de schikkingsonderhandelingen te betrekken.

    Als de wederpartij een gemachtigde heeft ingeschakeld en deze krijgt voor het grootste deel gelijk, geldt het omgekeerde voor hem. In beginsel zal de wederpartij dan proberen om de kosten voor zijn gemachtigde op via de vordering tot betaling van de incassokosten ten laste van u te verhalen! Als beide partijen tot op zekere hoogte gelijk hebben, dan is het verstandig om de kosten te compenseren. Dat wil zeggen: iedere partij draagt de eigen kosten.

    In het geval partijen tijdens de mondelinge behandeling nog niet tot een schikking zijn gekomen, maar zij daarover wel verder willen overleggen, kunnen zij de rechter verzoeken om de comparitie gedurende een bepaalde tijd aan te houden. Partijen dienen dan vóór een bepaalde datum aan de kantonrechter te laten weten of zij nog verder willen procederen. Als partijen vervolgens tot een vergelijk komen, dan kan de eiser verzoeken de zaak door te halen (“royeren”). Eiser moet daar wel toestemming van verweerder voor hebben. De enkele doorhaling op de rol heeft geen rechtsgevolgen. Partijen kunnen de rechtsgevolgen bij overeenkomst bepalen (artikel 246 lid 2 RV ). Doorgehaalde procedures blijven dus eigenlijk sluimeren. De vraag rijst hoe lang een doorgehaalde procedure op die manier kan voortbestaan. Partijen zullen bedacht dienen te zijn van een algemene verjaringstermijn van vijf jaar. Er kunnen voor de verschillende vorderingen andere verjaringstermijnen van toepassing zijn.

    Nadat een royement heeft plaatsgevonden zijn beide partijen dus weer bevoegd weer verder te procederen; in dat geval kan verder worden geprocedeerd. Dit is echter niet mogelijk indien partijen, in het geval van een regeling, een definitieve doorhaling van de zaak hebben beoogd.

    Door het bereiken van een schikking eindigt de procedure. Van de zitting waarop een schikking is bereikt, wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat door de rechter en partijen of hun tot dat doel bijzonderlijk gevolmachtigden wordt ondertekend en waarin de verbintenissen die partijen ten gevolge van die schikking op zich nemen, worden neergelegd. De uitgifte van dit proces-verbaal geschiedt in executoriale vorm artikel 30m lid 1 NRv.

  • Wijziging eis >>

    In de nieuwe procedure is eisvermindering (evenals de eiswijziging van artikel 130 RV) meer aan banden gelegd. Zodra de rechter meedeelt wanneer hij eindvonnis zal wijzen, doorgaans aan het eind van de mondelinge behandeling, is eisvermindering niet meer mogelijk. Als een partij dan ook ter zitting erachter komt dat hij zijn eis wil verminderen, zal hij daartoe ter zitting moeten vragen om een nadere akte te mogen nemen. Dit past in de voortgang die met de nieuwe procedure wordt beoogd. Hierdoor wordt een nieuwe mondelinge behandeling of schriftelijke ronde en het daarmee gepaard gaande tijdsverloop voorkomen. Voor de wijziging van de eis kan gebruik worden gemaakt via ‘Stukken indienen’ in het digitale dossier van de zaak. Geef het stuk een titel waaruit blijkt dat u de vordering vermeerdert, verandert of de grondslag wijzigt ((artikel 2.1.9 Landelijke procesreglement KEI).
    De andere partij kan hiertegen binnen 2 weken bezwaar maken door het indienen van een stuk bij de rechtbank
    Een wijziging van grondslag en/of vermeerdering van eis is niet altijd toegestaan. Een wijziging van de grondslag van de vordering kan in ieder geval niet worden toegestaan in een procedure, waarin tegen een partij verstek wordt verleend. Eeen vermeerdering van eis is niet toegstaan als de andere partij met deze vermeerdering Dit is beslist in een uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 5 november 2008. (LJN: BG8000, Rechtbank Rotterdam, 281154 / HA ZA 07-827 ).
    Verweerder kan zich verzetten tegen deze wijziging op grond dat de verandering in strijd is met de eisen van goede procesorde. Bijvoorbeeld vanwege het feit dat het geding onredelijk wordt vertraagd, of met het argument dat verweerder onredelijk in zijn verdediging wordt geschaad. De rechter zal hierover beslissen nadat hij partijen daarover heeft gehoord. Hij kan ook ambtshalve een verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten, dat wil zeggen in de situatie dat verweerder zich niet tegen de wijziging of vermeerdering heeft verzet (artikel 130 lid 1 RV).

    Een voorbeeld van een vermindering van eis in een laat stadium van de procedure geeft het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 28 juli 2004 (LJN: AQ5839, Gerechtshof Leeuwarden, Rolnummer 0300155 ). In deze zaak had de verhuurder de vordering tot herstel va het gehuurde gewijzigd in een vordering tot betaling van een bepaald bedrag. Het gerechtshof was van mening dat de gedane wijziging van eis deels een vermindering, deels een nadere bepaling van het gevorderde inhield. De verhuurder vordert immers thans niet meer om huurder te veroordelen om het gehuurde te herstellen in de staat waarin het zich bij de aanvang van de huurovereenkomst bevond (hetwelk kan worden aangemerkt als een schadevergoeding anders dan in geld, zie HR 20 maart 1992, NJ 1992, 495), terwijl zij haar vordering tot betaling van de herstelkosten thans nader heeft bepaald.

    Een wijziging van eis dient te geschieden bij akte of conclusie (akte wijziging eis). Bij de kantonrechter kunnen dergelijke akten of conclusies ook mondeling worden genomen (artikel 82 RV.

    In de praktijk blijkt dat de meeste zaken worden gewonnen op basis van goede bewijsvoering in plaats van op juridische haarkloverij. Ik procedeer alleen voor de kantonrechter. Ik heb geen ervaring met procedures voor het hof.

    Het bewijsaanbod >>

    Er kan niet voldoende nadruk worden gelegd op verplichting tot het voldoen aan de bewijsplicht: de partij die zijn stellingen door middel van bewijs wenst te leveren doet er verstandig aan het bewijsaanbod te specificeren en niet te volstaan met de holle frase: “eiser/verweerder biedt aan zijn stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens, in het bijzonder door middel van getuigen”. Het beweren van een stelling zonder voldoende bewijs leidt dus tot afwijzing van de vordering. Dit ondervond de huurder in hoger beroep voor het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden in haar uitspraak van 11 maart 2014 ECLI:NL:GHARL:2014:2011 . De huurder stelde zowel een bankgarantie als een waarborgsom aan de verhuurder ter beschikking te hebben gesteld.
    Het hof oordeelt hierover als volgt. De bewijslast van haar stelling dat er indertijd een waarborgsom is betaald, en geen (tweede) bankgarantie is afgegeven zoals door de verhuurder is gesteld, rust op huurder die zich ter afwering van de vordering van de verhuurder beroept op verrekening met die betaalde waarborgsom. De huurder heeft evenwel geen bewijs aangeboden. Huurder heeft overigens ook nagelaten om uit te leggen waarom zij, zoals onder alinea 4.5 is beschreven, bankgaranties heeft verstrekt indien de verhuurder nog beschikte over een waarborgsom die ook gold voor de in de plaats gestelde huurder. Het hof vond de stelling van de huurder dus ook onaannemelijk.
    In de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 2005 LJN: AR6199, Hoge Raad, C04/067HR55 was de Hoge Raad van mening dat het Hof het bewijsaanbod in bovengemelde zin heeft mogen passeren wegens het beperkte karakter van het bewijsaanbod (rechtsoverweging 3.3.3). Dit is zuur, omdat eiser deze zaak heeft verloren wegens een onvoldoende bewijsaanbod, terwijl het bewijs wellicht wel aanwezig was. Hier zien we wederom waarom het van belang is om deugdelijk te procederen: gelijk hebben betekent niet dat men uiteindelijk ook gelijk krijgt.

    1. De rol van getuigen in een civiele procedure >>

    Het komt geregeld voor dat bewijslevering nodig is. Als het bewijs door een getuige kan worden geleverd dan moet een getuige worden opgeroepen om het verlangde bewijs te leveren (er is bijvoorbeeld een mondelinge afspraak gemaakt en bewijs van deze afspraak kan alleen door een getuige worden geleverd).

    De algemene regel luidt (erg simpel gezegd): "wie stelt, moet bewijzen", althans wanneer de wederpartij de stelling betwist (artikel 150 RV). Indien op voorhand al duidelijk is dat een partij de bewijslast zal krijgen van bepaalde stellingen, en hij deze stellingen niet kan bewijzen, dan is het entameren van een procedure nogal zinloos. Behalve natuurlijk als de verwachting bestaat dat de wederpartij niet in de procedure zal verschijnen.

    Het is verstandig om expliciet aan te geven door welke getuige(n) men het bewijs wenst te leveren. Ook familieleden en zelfs een partij zelf kunnen als getuige worden gehoord. Bij dit laatste geldt wel een (wettelijke) beperking: als een partij de bewijslast krijgt van een bepaalde stelling, en hij slechts beschikt over zijn eigen getuigenverklaring (en dus geen enkel aanvullend bewijs heeft), dan kan hij niet in zijn bewijs slagen (artikel 164 RV).

    Een partij die getuigen of partijdeskundigen wenst te doen horen, vraagt dit bij gemotiveerd schriftelijk bericht. Hij doet dit zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken nadat de dag en het uur van de mondelinge behandeling is bepaald, onder opgave van de gegevens van de te horen getuigen of partijdeskundige. De rechter beslist zo spoedig mogelijk na ontvangst van de reactie van de wederpartij of het ongebruikt verstrijken van deze termijn. (artikel 4.1.12 Landelijke procesreglement KEI).

    De vrije waardering van het bewijs door de rechter
    De waardering van het bewijs is in beginsel aan het oordeel van de rechter overgelaten (artikel 152 lid 2 RV). Door deze vrije waardering van bewijs geldt het adagium "één getuige is geen getuige" niet. Dit is meer en regel die in het strafrecht van toepassing Eén getuige kan wel degelijk een nuttige bijdrage leveren aan de positie van de partij die bewijs moet leveren. Uiteindelijk is het aan de rechter om te bepalen welke getuige hij het meest geloofwaardig acht.

    Het getuigenverhoor >>

    Als een partij in het kader van de bewijslevering zijn stellingen moet bewijzen, en hij wil dat doen aan de hand van het doen horen van een of meerdere getuigen, dan is de procedure als volgt.

    De rechter zal bij tussenvonnis (artikel 232 RV) een partij opdragen om bewijs te leveren. In het tussenvonnis staat er dan vermeld op welke datum deze partij bij akte aan moet geven welke partijen hij in het kader van deze bewijslevering wenst te laten horen. De partij zal dan de namen en de adressen van de getuigen in de akte, alsmede de verhinderdata van de getuigen (eiser/verweerder ) moeten vermelden.

    Bij het oproepen van getuigen moet de partij die getuigen oproept goed nagaan of een getuige een juiste verklaring af kan leggen. Een getuige die niet uit eigen waarneming de feiten heeft waargenomen, waarover het geschil gaat, is als getuige waardeloos. Een getuige die zelf een interpretatie geeft, kan vaak ook niet de juiste verklaring afleggen. Bijvoorbeeld: er moet bewezen worden dat partij A iets heeft kapot gemaakt. Op een zeker moment constateert de getuige dat iets kapot is gegaan; bovendien heeft hij A in de buurt zien rondlopen. Daarmee is echter nog niet bewezen dat A de bewuste zaak kapot heeft gemaakt.

    Als u op voorhand niet weet wat de getuige gaat verklaren, moet u zich de vraag stellen of het wel verstandig is om deze getuige op te roepen. Als u een dergelijke of een onwillge getuige oproept, neemt u een groot risico. Wellicht dat deze getuige uiteindelijk wel in uw nadeel verklaart! Een verstandige partij laat in beginsel alleen een getuige laten horen als hij weet wat deze getuige zal verklaren.

    Verhinderdata
    De partij die niet tot levering van bewijs is gehouden moet ook vermelden op welke data hij is verhinderd de zitting bij te wonen.

    Het is van belang om goed te lezen wat in het tussenvonnis staat vermeld. Meestal zijn partijen gehouden om onafhankelijk van elkaar de verhinderdata door te geven. Een partij hoeft niet zelf op de zitting te verschijnen als deze door een gemachtigde wordt vertegenwoordigd, tenzij door de rechter wordt bepaald dat zij wel aanwezig dienen te zijn (artikel 167 RV). Soms wordt in het vonnis vermeld dat de partij die bewijs moet leveren bij de andere partij moet navragen wat zijn verhinderdata zijn. In dat laatste geval geeft de partij die bewijs wenst te leveren zowel zijn eigen verhinderdata als de verhinderdata van wederpartij door.

    Na ontvangst van de namen en de verhinderdata van de getuigen zal de rechter een zittingsdatum bepalen, waarbij dan rekening wordt gehouden met de verhinderdata van beide partijen.

    De rechter kan ook al een datum bepalen waarop het getuigenverhoor zal plaatsvinden zonder vooraf de verhinderdata te vragen (artikel 166 RV). Dit is omslachtig, omdat de praktijk leert dat er wegens verhindering van de partijen dan (bijna) altijd uitstel moet worden gevraagd.

    De namen en de woonplaats van de getuigen worden tenminste tien dagen voor het verhoor aan wederpartij en de griffier van de rechtbank waar de zaak dient doorgegeven. (artikel 170 RV).

    Alle getuigen moeten op dezelfde zitting worden gehoord. Als bepaalde getuigen, ondanks correcte oproeping, niet ter zitting verschijnen, dan bepaalt de rechter een nieuwe dag voor het horen van de getuigen (artikel 183 RV).

    Oproeping van getuigen
    De getuige dient, door de belanghebbende partij, te worden opgeroepen via een dagvaarding of een aangetekende brief. In deze brief dient te worden vermeld:

  • melding van dag, uur en plaats van het verhoor;
  • de feiten waaromtrent bewijs moet worden geleverd (= het “probandum”);
  • de gevolgen verbonden aan het niet verschijnen ter terechtzitting (de getuige kan worden gegijzeld, zie artikel 173 RV) ;

    In de praktijk wordt de oproeping niet zo formeel opgepakt. Vaak wordt de getuige met gewone brief en per mail opgeroepen. Als de getuige te kennen heeft gegeven te zullen komen leidt deze werkwijze zelden of nooit tot een probleem. Als de getuige echter niet op komt dagen, dan zal de rechter wel vragen of de getuige door middel van een aangetekende brief is opgeroepen. Het is wel verstandig de belangrijkste getuigen door middel van een aangetekende brief op te roepen. Als de getuige vervolgens afwezig blijft kan de rechter eenvoudig toestemming geven tot dagvaarding van nalatige getuige over te gaan.

    Als de getuige bij aangetekende brief is opgeroepen en hij verschijnt niet.

    Dan kan door de rechter op verzoek van de belanghebbende een dag worden bepaald waartegen de getuige moet worden opgeroepen (artikel 171 RV). De partij die een getuige per brief heeft opgeroepen moet er dus op attent zijn om de rechter op deze mogelijkheid te wijzen. Stel dat deze getuige cruciaal voor de zaak is, dan is het wel van belang dat deze wordt gehoord. Met moet zich wel realiseren dat met een onwillige getuige weinig goeds is te verwachten. De getuige kan ter zitting veinzen zich niets meer te herinneren over hetgeen waarover hij een verklaring moet afleggen. De getuige kan ook meineed plegen. Het plegen van meineed is weliswaar een strafbaar feit, maar de ervaring leert dat hier in het kader van een civiele procedure zelden of nooit iets mee wordt gedaan. Meineed is vaak ook moeilijk te bewijzen, zodat dikwijls van het strafrechtelijke traject ook weinig goeds valt te verwachten.

    Rechten en de plichten van de getuige

    De volgende personen moeten een verklaring afleggen
    Een getuige is verplicht te verschijnen (artikel 165 RV). Als hij zonder geldige reden wegblijft, kan de politie na dagvaarding van de getuige worden ingeschakeld om hem te halen. Een getuige is eveneens verplicht om een verklaring af te leggen. Doet hij dat niet, dan kan de rechter hem laten gijzelen (gevangen laten zetten).

  • Als een getuige moet werken op de dag dat hij is opgeroepen, dan moet zijn werkgever hem de gelegenheid bieden om een getuigenverklaring af te leggen;
  • Een getuige kan vooraf meer informatie krijgen over de zaak bij degene die hem heeft opgeroepen, of bij zijn gemachtigde.
  • Als de getuige ver weg woont, kan hij vragen de getuigenis af te leggen bij een rechtbank bij hem in de omgeving. De getuige vraagt dit aan bij degene die hem heeft opgeroepen. Deze dient op zijn beurt een verzoek in bij de rechtbank (artikel 174 RV).
  • De getuige heeft recht op vergoeding van de kosten die hij maakt om voor de rechter te verschijnen. Denk aan reiskosten en gemiste inkomsten. De rechtbank stelt de hoogte van de vergoeding (de taxe) na afloop van het verhoor vast. De vergoeding moet in eerste instantie worden betaald door degene die de getuige heeft opgeroepen.

    De volgende personen mogen weigeren een verklaring af te leggen (het "verschoningsrecht")

  • de echtgenoot en de vroegere echtgenoot dan wel de geregistreerde partner en de vroegere geregistreerde partner van een partij, de bloed- of aanverwanten van een partij of van de echtgenoot of van de geregistreerde partner van een partij, tot de tweede graad ingesloten, een en ander tenzij de partij in hoedanigheid optreedt;
  • zij die tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd. Te denken valt aan een arts, advocaat of geestelijke (zie artikel 165 RV).

    De personen die zich op het verschoningsrecht kunnen beroepen zijn dus wel verplicht ter zitting te verschijnen, doch kunnen met het beroep op het verschoningsrecht sommige vragen onbeantwoord laten. De rechter kan dan immers nagaan of de weigering om bepaalde vragen te beantwoorden terecht wordt voorgesteld. Als het zonder meer duidelijk is dat de getuige zich op een verschoningsrecht kan beroepen en dat een verhoor om deze reden zinloos is, dan kan de getuige de rechter verzoeken de zitting niet door te laten gaan. De getuige die van een partij toch met alle macht ter zitting moet verschijnen, kan de rechter vragen omtrent de verschijningsplicht een voor beroep vatbare beslissing te nemen als klip en klaar duidelijk is dat een zitting zinloos is.

  • Het verhoor >>

    Hoe verloopt een getuigenverhoor?

    U begeeft zich naar het gerechtsgebouw. U meldt zich aan bij de portier. Bij grote rechtbanken hoeft u tegen de portier alleen te zeggen dat u voor een civiele zaak van de rechtbank, sector kanton, komt. U wordt dan doorverwezen naar een grotere balie, die u verder doorverwijst. Alvorens bij deze balie te komen, vindt bij de meeste rechtbanken een scan van uw spullen plaats. Na de scan verwijst de grotere balie u vaak naar een kleine balie, nadat u uw naam en het tijdstip van de zitting heeft opgegeven. Bij kleine gerechten gaat het er vaak veel gemoedelijker toe. Daar moet de bezoeker bij de portier zijn naam en het tijdstip van de zitting noemen en de naam van partijen noemen, met name de partij voor wie men als getuige optreedt en wordt hij vervolgens naar de wachtkamer verwezen. Op het moment dat de zitting plaatsvindt roept de griffier de namen van partijen af.

    Wat kunt u gedurende een enquête als getuige verwachten ?

    De getuigen worden een voor een door de rechter gehoord. Als er meerdere getuigen zijn is het absoluut niet de bedoeling om meerdere getuigen de zittingsruimte te laten betreden. De getuigen mogen elkaar niet beïnvloeden, zodat de getuige pas de verklaring van de andere getuige mag bijwonen als hij zelf eerst de verklaring heeft afgelegd. De partijgetuige doet er dus goed aan om zichzelf eerst te laten horen. Na zijn eigen verklaring kan de partijgetuige bij de verklaringen van de andere getuigen aanwezig zijn (artikel 179 RV).

    De rechter zal de getuigen eerst vragen naar hun naam, voornamen, leeftijd, beroep en woon- of verblijfplaats, of zij bloed- of aanverwant zijn van de partijen of van een van hen, en zo ja in welke graad, alsmede of zij in dienstverband staan tot partijen of een van hen (artikel 177 RV).

    De plaats van de getuige

    Na het afroepen van de zitting door de griffier kunnen partijen de zittingskamer betreden. De zittingskamer bij kantongerechten is vaak niet zo groot. De zittingskamer komt meestal overeen met een grote huiskamer, waarin zich een grote tafel bevindt waarachter zich de rechter en griffier met toga bevinden. Voorts bevinden zich in de ruimte twee kleine tafels voor partijen en een rij stoelen achter deze tafel voor het publiek. Rechtszittingen zijn openbaar, zodat hier ook publiek aanwezig kan zijn (in de praktijk wordt zelden van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en worden de stoelen alleen gebruikt door bekenden van de partijen).

    Bij binnenkomst wijst de rechter vaak aan waar partijen dienen te gaan zitten. Er is een vaste plaats voor partijen, zodat de rechter de eisende en verwerende partij niet door elkaar haalt. Het is handig om de rechter bij binnenkomst te vragen waar u moet plaatsnemen.

    De getuige moet plaats nemen op een stoel, die is gesitueerd tussen de twee tafels. De getuige zit min of meer in het midden van de zittingsruimte.

    De eed of de belofte

    De rechter vraagt de getuige alvorens de getuigenverklaring af te leggen eerst te staan en vervolgens de eed of de belofte af te leggen (zie artikel 177 RV).
    De eed wordt in het algemeen gedaan door gelovige personen. Zij moeten twee vingers van de rechterhand opsteken (het V-teken) en de volgende woorden van de rechter nazeggen na de mededeling dat zij niets dan de waarheid zullen zeggen: " zo waarlijk helpe mij God almachtig". De getuigen die de eed afleggen moeten de woorden van de rechter, na de mededeling dat zij niets dan de waarheid zullen zeggen, nazeggen: "dat beloof ik".

    Kinderen onder de 16, of personen die de betekenis van de eed niet voldoende kunnen beseffen worden aangemaand de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen. Zij mogen dus geen eed of belofte afleggen.

    Het stellen van vragen >>

    Vaak begint de rechter aan de getuige vragen te stellen. Nadat de rechter alle vragen die hij van belang acht heeft gesteld kunnen partijen of hun raadsmannen vragen stellen (artikel 179 RV).

    U moet zich bedenken dat de rechter alle relevante vragen al heeft gesteld als hij de zaak goed heeft bestudeerd. Het is vaak niet nodig ook nog vragen te stellen. Als de rechter u het initiatief voor het stellen van vragen geeft, of u na zijn vragen de mogelijkheid geeft om vragen te stellen moet u het volgende in aanmerking nemen: het stellen van correcte vragen is niet makkelijk. Partijen zijn geneigd om suggestieve vragen aan de getuige te stellen (Vindt u ook niet dat? Is het niet zo dat?). Het is de kunst om de getuige open vragen te stellen, waarop de getuige antwoord dient te geven. Het is vaak te hoog gegrepen om de getuige aan een soort "kruisverhoor" te onderwerpen waarin deze vastloopt. Huurgeschil.nl adviseert u dan ook de vragen zo simpel mogelijk te houden. Probeer de vragen zo kort en ongecompliceerd mogelijk te houden. Als u de getuige over een ingewikkelde kwestie wenst te ondervragen is het zinvol om de getuige met kleine vraagjes op het punt te krijgen waarvan u antwoord wenst. De rechter is in het kader van dit verhoor veelal niet gecharmeerd van een lange introductie voorafgaande aan uw vraag. Algemene tip: stel alleen vragen die van wezenlijk belang zijn en waarop u het antwoord al weet (om verrassingen te voorkomen).

    Veel mensen denken bij een getuigenverhoor aan de fragmenten die zij daarvan gezien hebben in films of series op televisie. In dergelijke uitzendingen gaat het er vaak spectaculair aan toe! Dergelijke opwindende getuigenverhoren komen in Nederland slechts zelden voor.

    Als u denkt dat de getuige liegt, dan is het niet verstandig daar ter zitting opmerkingen over te maken. De rechter zal u dan altijd corrigeren met de opmerking dat het niet uw verklaring is, maar de verklaring van de getuige. Tijdens het getuigenverhoor wordt slechts de verklaring van de getuige opgetekend; ná het verhoor kunt u, in een conclusie na enquête, altijd nog de antwoorden van de getuigen “over de kling” jagen.

    Proces-verbaal getuigenverhoor

    Van de verklaring van de getuige wordt een proces-verbaal opgemaakt. De gang van zaken is in het algemeen als volgt: de rechter maakt aantekeningen van de antwoorden die de getuigen naar aanleiding van de gestelde vragen heeft gegeven. Nadat alle partijen vragen hebben gesteld dicteert de rechter zijn aantekeningen aan de griffier. De griffier tikt het hele verhaal uit. Nadat het proces-verbaal is uitgeschreven wordt het proces-verbaal voorgelezen aan iedere getuige. Vaak vraagt de rechter of hij de verklaring nog voor moet lezen, nadat hij deze heeft gedicteerd. De getuige vindt dat vaak niet nodig. Een rechter die de verklaring goed heeft samengevat heeft door zijn dictaat al de verklaring voorgelezen, zodat het niet nodig hoeft te zijn een identiek verhaal twee keer achter elkaar voor te lezen. Het is verstandig de verklaring andermaal voor te laten lezen als de getuige het verband van het verhaal door wijzigingen in het dictaat tijdens het formuleren is kwijt geraakt. Na akkoord met de inhoud van de verklaring moet de getuige het proces-verbaal ondertekenen (artikel 180 RV).

    Taxe

    De getuige mag zijn kosten in rekening brengen. Dit worden taxe genoemd. Taxe staan onder aan het proces-verbaal. Een onafhankelijke getuige mag zijn kosten in rekening brengen. Bijvoorbeeld reiskosten en zijn uurtarief (artikel 182 RV). Deze kosten worden op het proces-verbaal vermeld.

    De partijgetuige die een verklaring ter ondersteuning van zijn eigen standpunt inneemt kan geen schadeloosstelling in rekening brengen. Als een partij door de wederpartij als getuige wordt gehoord kan deze wel een schadeloosstelling als taxe vorderen.

    Een getuige die in loondienst is, moet voor het getuigenverhoor van zijn baas vrij krijgen. Als de getuige voor het verhoor vrije uren op moet nemen, dan kan hij deze uren als schade in rekening brengen. Gederfde inkomsten mogen ook in rekening worden gebracht. Een kelner mag bijvoorbeeld wel gemiste tip in rekening brengen. Men mag ook kosten in rekening brengen die men heeft moeten maken om naar de zitting te komen.

    Deze kosten moeten door de partij worden voorgeschoten die de getuige heeft opgeroepen. Deze kosten zijn proceskosten. Als de persoon die de getuige heeft laten oproepen het gelijk aan zijn kant krijgt, dan worden deze kosten in de proceskosten van het vonnis verwerkt en kunnen deze kosten op de andere partij worden verhaald.

    Het is dus zinvol om zuinig met het oproepen van getuigen om te springen. Degene die de getuige oproept loopt kans om de taxe voor zijn rekening te krijgen. Als de getuige feitelijk niets heeft te melden, dan is het oproepen van een getuige weggegooid geld. Men moet dus selectief zijn met het uitzoeken van getuigen.

    Na het getuigenverhoor

    Na het getuigenverhoor hebben partijen gelegenheid om een conclusie na enquête te schrijven. In deze conclusie geven partijen hun reactie op de getuigenverhoren weer. Partijen zullen met name hun conclusie moeten concentreren op de vraag of de partij die bewijs moet leveren is geslaagd in dit bewijs door middel van de getuigenverhoren. De conclusie na enquête zijdens eiser en de conclusie na enquête zijdens verweerder staan beide als voorbeeld op deze site van Huurgeschil.nl.

    Na de conclusie na enquête zal de rechter meestal vonnis wijzen. Dit kan een eindvonnis zijn waarmee de procedure wordt beëindigd, doch dit kan ook een tussenvonnis zijn. Door een tussenvonnis wordt de zitting gecontinueerd. De rechter kan bijvoorbeeld na het horen van getuigen een deskundige laten horen.

    2. de rol van de deskundige in het kader van de bewijsvoering >>

    Als bewijs niet door getuigen, maar door deskundigen moet worden geleverd kan de rechter op verzoek van een partij of op eigen initiatief een bericht van een deskundige of een verhoor van een deskundige bevelen (artikel 194 RV).

    De deskundige wordt na overleg met de partijen door de rechter benoemd. Tegen deze benoeming staat geen hogere voorziening (hoger beroep) open.

    De kosten van de deskundige

    De rechter vraagt de deskundige voorafgaande aan zijn werkzaamheden om zijn kosten te begroten. De eisende partij dient het voorschot aan de griffie uit te betalen (artikel 195 RV). Dit zijn proceskosten. Als de eiser gelijk krijgt dan worden deze proceskosten aan de andere partij doorbelast. Deze kosten kunnen een flinke rem vormen op het voeren van een procedure. Het inschakelen van een deskundige is prijzig. Het voorschot van een deskundige in het kader van een artikel 7:303 BW procedure in het kader van de bepaling van de huurprijs van de vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse komt bijvoorbeeld vaak op een bedrag tussen de € 3000 en € 7000. Als u een rechtsbijstandverzekering heeft zijn de kosten van een procedure vaak door deze verzekering gedekt. Aangezien de kosten van het inschakelen van een deskundige na aanwijzing van de rechter als proceskosten gezien moeten worden, kunt u deze kosten veelal bij uw rechtsbijstandverzekering claimen. De kosten van een deskundige die u in gezamenlijk overleg met de verhuurder heeft uitgezocht behoren niet tot proceskosten en zullen daarom niet door uw rechtsbijstandverzekering worden vergoed. Als de kosten van het inschakelen van een deskundige in gezamenlijk overleg ook een aanzienlijk bedrag kosten kunt u de volgende afweging maken: de kosten van de deskundige komen voor de partij die in het ongelijk wordt gesteld, of u laat in het kader van een procedure een deskundige benoemen, waardoor de proceskosten door uw rechtsbijstandverzekering vergoed dienen te worden.

    De griffier betaalt het bedrag van het gestorte voorschot aan de deskundige. Als dit bedrag niet toereikend is, wordt voor het resterende bedrag een bevelschrift van de tenuitvoerlegging gegeven ten laste van de partij die ook het voorschot moest betalen.

    De termijnen in het kader van het onderzoek

    De rechter bepaalt wanneer de deskundige met het onderzoek moet beginnen. De rechter bepaalt ook wanneer het onderzoek moet worden afgerond.
    De rechter kan de datum waarop het onderzoek moet worden ingediend op verzoek van de deskundige verlengen.

    De rol van de deskundige

    De rol van een deskundige lijkt noodzakelijk als bijvoorbeeld de gebreken in een woning in kaart moeten worden gebracht. De deskundige dient de rechter van informatie te voorzien binnen het kader van de tussen partijen gevoerde discussie voor de rechter. De deskundige krijgt van partijen te horen waar hij met name onderzoek naar moet doen. Partijen stellen ook de vraagstelling op waarbinnen de deskundige onderzoek dient te doen.

    De deskundige werkt als volgt (artikel 198 RV):

  • de deskundige aanvaardt de opdracht onpartijdig en naar beste weten;
  • de deskundige stelt zijn onderzoek in, hetzij onder leiding van de rechter, hetzij zelfstandig;
  • partijen moeten gelegenheid krijgen opmerkingen te maken en verzoeken te doen;
  • partijen zijn verplicht medewerking te verlenen aan een onderzoek door deskundigen;
  • het bericht van de deskundige wordt ondertekend.

    De rechter zal de bevindingen van de deskundige eerst voorleggen aan partijen. Partijen ontvangen dan het concept-rapport en zij kunnen hierop een reactie geven. De deskundige kan het concept-rapport dan eventueel aanpassen en zal vervolgens het definitieve rapport opmaken

  • De gerechtelijke plaatsopneming (descente) >>

    De rechter kan het ook wenselijk achten om zich naar het gehuurde te begeven om zo door eigen waarneming inzicht te krijgen van de problemen die hem worden voorgeschoteld en die inzichtelijker gemaakt kunnen worden door zich ter plaatse te begeven (artikel 201 RV).

    De rechter bepaalt dit in een tussenvonnis. In dit vonnis staat vermeld:

  • de plaats (of zaak) die de rechter wenst te zien;
  • de tijd van de plaatsopneming;
  • de plaats van bezichtiging;
  • de termijn waarbinnen het proces-verbaal van de bezichtiging op de griffie moet liggen;
  • de dag dat de zaak weer op de rol wordt geplaatst (dat er weer een zitting plaatsvindt)
  • partijen moeten gelegenheid krijgen om opmerkingen te maken of verzoeken te doen (moet uit proces-verbaal blijken);
  • De uitspraak >>

    De rechter kan, indien alle partijen op de mondelinge behandeling zijn verschenen, tijdens of na de mondelinge behandeling ter zitting mondeling uitspraak doen (artikel 30p lid 1 NRv). Van de mondelinge uitspraak wordt door de rechter een proces-verbaal opgemaakt. (artikel 30p lid 3 NRv). Het gaat hier dan om en zakelijke samenvatting van het verhandelde ter zitting.
    De rechter stelt binnen twee weken na de mondelinge uitspraak een afschrift van het proces-verbaal ter beschikking van partijen. Het afschrift dat wordt verstrekt aan een partij die tot tenuitvoerlegging van de uitspraak kan overgaan, is in executoriale vorm opgemaakt (artikel 30p lid 5 NRv). Deze uitspraak behoeft niet alle gegevens te bevatten van artikel 230 NRv. Het dient in ieder geval wel de beslissing en de gronden, maar hoeft niet de feiten te bevatten. Ik vind dit in het kader van de jurisprudentie een slecht zaak. Je kunt immers vaak een goed beeld van de zaak krijgen door de feiten in het vonnis te bekijken. Ook de appelrechter zal dan niet een oordeel over deze feiten kunnen krijgen. Verder is het de vraag of de juiste gegevens op efficiënte wijze in het proces-verbaal worden vermeld. Verder is het mijn ervaring dat bij ingewikkelde zaken de rechter bij een mondelinge behandeling een aantal argumenten tegenover elkaar zet. Als de zaak niet duidelijk is dan hebben partijen toch recht op een correcte en nauwgezette en op de jurisprudentie gebaseerde uitspraak. Ik ben bevreesd dat er uiteindelijk op de zaak “een klap” wordt gegeven, waardoor er niet voldoende recht wordt gedaan de zaak. De toekomst zal leren hoe dit in de praktijk uit zal pakken.

    Is de zaak ingewikkeld? Dan kan de rechter besluiten tot een uitgebreidere behandeling. Zo kan hij bijvoorbeeld een langere termijn geven om een verweerschrift in te dienen. Of een aparte zitting bevelen om getuigen te horen. Hij kan ook een extra schriftelijke ronde inlassen.(artikel 19 lid 2 NRv en artikel 30o NRv). De basis ligt in artikel 19 lid 2 NRv waarin staat dat de rechter ambtshalve of op verlangen van een van de partijen alle beslissingen neemt die nodig zijn voor een goed verloop van de procedure. Dit lijkt mij toch wel arbitrair. De rechter kan een zaak ook te eenvoudig voorstellen, terwijl de juridische complicaties best ingewikkeld kunnen zijn. Denk bijvoorbeeld aan de procedure ex artikel 7:303 BW (huurprijswijziging bedrijfsruimte), waarin een rapport door de deskundige wordt betwist. Denk bijvoorbeeld een betwisting van de vergelijkbare panden, de betwisting van de rekenmethode (ITZA-methode, vergelijkende methode), betwisting van de bedragen, etc. Dit is niet na een schriftelijke betwisting eventjes daarna in een mondelinge behandeling af te tikken. De rechter lijkt hier toch meer mogelijkheden te hebben om de uitspraak uit te stellen, dan dat partijen hebben om de volgende proceshandeling uit te laten stellen. Bij complexe zaken heeft de verweerder vermoedelijk immers ook tijd nodig om een goed verweer op te stellen. Ik meen het niet redelijk te vinden als de rechter wel aanhoudingen kan realiseren in een complexe zaak, maar er wel van de verweerder wordt verlengd binnen de eerste termijnen een verweer te realiseren.

    Begrippen

    De minuut van een vonnis, arrest of beschikking, bestaat in een digitale omgeving niet meer. Daarom wordt voorgesteld de verbeteringen in de uitspraak zelf te verwerken en daarbij de datum van de uitspraak van de wijziging en de naleving van het eerste lid (partijen moeten de gelegenheid krijgen om te reageren op de voorgenomen verbetering) te vermelden (artikel 31 NRv). Ook in de nieuwe situatie moet meteen duidelijk zijn dat het gaat om een uitspraak die verbeterd is, wat er verbeterd is en wanneer. Het ligt voor de hand op de eerste pagina of het voorblad van de uitspraak te vermelden dat sprake is van een gewijzigde versie. De praktische vormgeving kan aan de gerechten worden overgelaten. De grosse is een authentiek afschrift van de uitspraak in executoriale vorm opgemaakt. Boven de uitspraak staat "in naam des Konings". Zonder grosse kan de uitspraak niet worden geëxecuteerd. Er wordt toegewerkt naar een digitale uitspraak.

    Boven is ook al vermeld dat er een het proces-verbaal van de mondelinge beslissing door de rechter wordt ondertekend. Een afschrift van het proces-verbaal van de mondelinge beslissing wordt verstrekt aan een partij die tot tenuitvoerlegging van de uitspraak kan overgaan en is in executoriale vorm opgemaakt (artikel 30p lid 5 NRv).

    De verschijningsvorm van de uitspraak
    Digitalisering maakt verder mogelijk dat (proces)stukken via het digitale systeem van de rechterlijke macht beschikbaar zijn voor de procespartijen en hun vertegenwoordigers. Een vonnis of beschikking wordt via datzelfde systeem digitaal beschikbaar voor partijen. De minuut van een vonnis, arrest of beschikking, waarnaar het huidige tweede lid van artikel 31 RV (oud) verwijst en waarop verbeteringen kunnen worden gesteld, bestaat in beginsel in een digitale omgeving niet meer.
    Volgens de memorie van toelichting ( Memorie van toelichting - Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht ) maakt het wetsvoorstel het mogelijk dat een uitspraak met een elektronische handtekening door de rechter wordt ondertekend. Indien de uitspraak geëxecuteerd moet worden, geeft de griffier de grosse voorlopig nog op papier uit. De wet staat weliswaar niet in de weg aan het gebruik van een digitale grosse, maar voordat die stap wordt gezet moet worden bezien hoe kan worden voorkomen dat meervoudige executie plaatsvindt op basis van de digitale uitspraak.

    Tip! Soms vergeet de griffie om boven het vonnis de woorden “in naam des Konings” te zetten. Het is dan raadzaam om de griffie te verzoeken om een nieuw exemplaar af te geven dat wél in executoriale vorm is opgemaakt. Omdat de uitspraak in de toekomst veelal niet meer in papieren vorm aan partijen wordt verzonden, maar in "Mijn Zaak" ter beschikking wordt gesteld (zie ook artikel 231 NRv), is inlevering van de reeds gewezen, maar inmiddels gewijzigde uitspraak niet zinvol. In de huidige praktijk vindt inlevering overigens ook niet of nauwelijks meer plaats.

    Het tussenvonnis
    Het tussenvonnis is een vonnis waarbij de rechter nog geen enkele vordering afdoet, maar bijvoorbeeld een bewijsopdracht of onderzoek beveelt waarvan de beslissing van de zaak afhankelijk kan zijn. Ook tijdens een mondelinge behandeling kan het wenselijk zijn dat de rechter een mondeling tussenvonnis wijst, bijvoorbeeld ten behoeve van een bewijsopdracht.

    In een tussenvonnis kan de rechter wel een eindbeslissing geven over een gedeelte van de vordering. Bijvoorbeeld: de verhuurder vordert schadevergoeding in verband met beschadiging van het gehuurde en huurprijsverhoging na ontvangst van een deskundigenrapport. De rechter kan dan al een eindbeslissing geven over de schadevergoeding en doorprocederen ten aanzien van de vordering tot verhoging van de huurprijs. Let op! Als een partij het met zo’n eindbeslissing niet eens is, moet op dat moment gehandeld worden. Ik verwijs naar het onderdeel over hoger beroep in dit hoofdstuk.

    In een tussenvonnis behandelt de rechter het standpunt van partijen en kan de rechter bepaalde punten als vaststaand aannemen. Vaak ziet een tussenvonnis er als volgt uit:

  • de standpunten van partijen;
  • de rechtsoverwegingen (in dit onderdeel geeft de rechter zijn mening over de door partijen gevoerde standpunten. Hij kan een partij ten aanzien van een bepaald punt gelijk geven. In dit vonnis geeft de rechter ook aan welke punten door een partij nog moeten worden bewezen;
  • de uitspraak. In de uitspraak wordt kort verwezen naar de rechtsoverwegingen en wordt de partij die een bewijsopdracht heeft gekregen gevraagd bewijs te leveren. Dit bewijs kan door getuigen of deskundigen (door alle middelen rechtens worden geleverd).

    De rechter kan in een tussenvonnis in zijn rechtsoverweging een standpunt innemen. Men moet er op bedacht zijn dat dit standpunt moet worden aangevochten als men het met dit standpunt niet eens is, omdat in een latere procedure hier niet meer op terug gekomen kan worden.

    Eindvonnis
    Aan het einde van de procedure doet de rechtbank uitspraak.
    Door een eindvonnis eindigt de procedure: de (resterende) vorderingen van de eiser worden afgedaan, zodat er niets meer resteert om nog over te beslissen. Door het eindvonnis kan de rechter zich onbevoegd verklaren, de dagvaarding nietig verklaren, de vordering niet ontvankelijk verklaren, of de vorderingen toe- of afwijzen.
    Meestal moet de verliezende partij de proceskosten betalen. Proceskosten bestaan bijvoorbeeld uit de dagvaardingskosten, de kosten van griffierecht, de kosten van getuigen en een deel van de kosten voor de advocaat of de gemachtigde.

    Er zal nog geen digitale grosse voorhanden zijn. Er wordt daarom nog steeds een papieren grosse naar betreffende partij gestuurd. Het is mij nog niet duidelijk hoe men dit zou kunnen digitaliseren. De handmatige handtekening onder de grosse wordt wel door een digitale hantekening vervangen.

    Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, dan betekent dit dat het vonnis sowieso kan worden geëxecuteerd (ten uitvoer kan worden gelegd), zelfs als de wederpartij hoger beroep heeft ingesteld. Als het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, dan wordt door het instellen van een rechtsmiddel (meestal hoger beroep; zie voor andere rechtsmiddelen de laatste paragraaf van dit hoofdstuk) de tenuitvoerlegging geschorst. De executie moet dan wachten tot de procedure in de volgende instantie (nogmaals: meestal dus in hoger beroep) is afgerond.

    De wetgever heeft gekozen voor een systeem waarin een veroordeling door de rechter niet “standaard” uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard: de eiser moet dit vorderen. In beginsel kan elke uitspraak uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. In het huurrecht bestaat echter een enkele uitzondering. Zo kan de beëindiging van een huurovereenkomst voor woonruimte alleen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard indien het verweer van de huurder de rechter kennelijk ongegrond voorkomt. Als de rechter in dat geval de vordering tot uitvoerbaar verklaring bij voorraad toewijst, dan moet hij deze veroordeling motiveren. Ontbreekt deze motivering in het vonnis, dan kan de huurder een executiegeschil (kort geding) starten om de executie alsnog te laten stoppen. Het voorgaande geldt ook als tegen de vordering tot uitvoerbaar verklaring bij voorraad geen verweer is gevoerd, zoals in de praktijk vaak gebeurt. De rechter wordt dus geacht de vordering ambtshalve te toetsen. Dit werd onder meer beslist in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2006, WR2006-11, pagina 393.

    De executiekosten staan vermeld in het Besluit Tarieven Ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. Een exemplaar van dit besluit treft u hier. Als een debiteur geen verhaal biedt dan kunt u zelf al uitrekenen welke kosten de deurwaarder dan nodeloos maakt. Schroom niet om de deurwaarder op grond van dit stuk uitleg om een nota te vragen!

    Als er een vordering is om de huurovereenkomst te beëindigen in het kader van de opzeggingsgrond "dringend eigen gebruik", dan is het verstandig als door de verweerder wordt verzocht om het vonnis niet uitvoer bij voorraad te verklaren. Door ontruiming van het gehuurde ontstaat een onomkeerbare situatie (zeker als er sprake is van sloop) en wordt verder procederen gefrustreerd als het vonnis in het kader van uitvoerbaar bij voorraad ten uitvoer wordt gelegd. Als de verweerder in hoger beroep gelijk krijgt en het huis is inmiddels gesloopt, dan is er wel sprake van een zinloze overwinning.

  • Rechtsmiddelen >>

    In deze paragraaf wordt kort aandacht besteed aan een aantal rechtsmiddelen. Daarmee wordt beoogd om in ieder geval inzicht te geven in de termijn waarbinnen actie moet worden ingesteld indien een partij (geheel of gedeeltelijk) in het ongelijk is gesteld, zodat men zich desgewenst tijdig tot een professionele rechtshulpverlener kan wenden.

    In dit onderdeel worden een tweetal zogenoemde “gewone” rechtsmiddelen behandeld, namelijk verzet en hoger beroep. Er wordt geen aandacht besteed aan cassatie: de gang naar ons hoogste rechtscollege, de Hoge Raad. Aan een cassatieprocedure gaat namelijk vrijwel altijd hoger beroep vooraf. In het kader van het hoger beroep heeft men reeds een (proces)advocaat nodig. Er wordt van uit gegaan uit dat deze (proces)advocaat, indien het hoger beroep wordt verloren, de mogelijkheden tot cassatie met u zal bespreken. De “buitengewone” rechtsmiddelen (herroeping en derdenverzet) blijven eveneens buiten beschouwing; zij komen slechts zelden voor.

    Verzet
    Als de verwerende partij niet in de procedure is verschenen, volgt een verstekvonnis. De rechter wijst in een dergelijk vonnis de vorderingen van eiser in beginsel toe, tenzij deze hem onrechtmatig voorkomen. Dat laatste is niet vaak van toepassing.

    Als de verweerder het niet met het verstekvonnis eens is, kan hij een rechtsmiddel aanwenden. Dit rechtsmiddel heet “verzet”. Het verzet dient te worden ingesteld door het indienen van een procesinleiding als bedoeld in artikel 30a lid 1 NRv. Het oproepingbericht als bedoeld in artikel 111 RV wordt betekend bij exploot binnen vier weken na het moment waarop verweerder bekend is geworden met de uitspraak, althans vanaf het moment waarop verweerder wordt geacht met de uitspraak bekend te zijn geworden (zie concreter artikel 143 RV ). Door het instellen van verzet wordt de procedure vervolgens alsnog op tegenspraak gevoerd. In de zaak die heeft geleid tot het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 23 oktober 2009 vonnis ( LJN: BK1094, gerechtshof Amsterdam, 200.022.766/01) werd het verzet geacht te laat (dus na de termijn van verzet) te zijn ingesteld nu door opposant niet werd ontkend kennis van het opgestuurde vonnis te hebben genomen. Het vonnis was bovendien doorgestuurd naar advocaat, die vervolgens om toezending van de onderliggende processtukken heeft gevraagd.

    Merk op dat de verwerende partij intussen wel al heeft verloren. Indien het verstekvonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, zoals vaak het geval zal zijn, heeft het instellen van verzet, zoals besproken, géén schorsende werking. De eiser kan dus de uitspraak al (doen) executeren.

    Bij de kantonrechter kunnen partijen, zoals eerder in dit hoofdstuk uiteen gezet, zelf procederen. Dat geldt eveneens voor de verzetprocedure. Deze procedure wordt namelijk bij dezelfde instantie gevoerd. Het verzet wordt ingesteld door middel van een verzetexploot. In dit exploot reageert de (oorspronkelijke) verweerder alsnog op de inhoud van de dagvaarding. Het vezetexploot geldt derhalve als conclusie van antwoord. De (oorspronkelijke) verweerder kan in het verzetexploot dus ook een eis in reconventie opnemen.

    Hoger beroep
    Als een procedure op tegenspraak is gevoerd, en een partij het niet eens is met de uiteindelijke uitspraak, kan deze partij besluiten om het “hogerop” te zoeken. Tegen de meeste uitspraken staat hoger beroep open. In dagvaardingszaken geldt dat in beginsel hoger beroep kan worden ingesteld tegen alle zaken met een belang van meer dan € 1.750,00. Soms heeft de wetgever echter een uitzondering gemaakt. In dergelijke gevallen is juist in beginsel géén hoger beroep mogelijk. Een voorbeeld is de procedure tot vaststelling van de huurprijs (dit is overigens geen dagvaardings-, maar een verzoekschriftprocedure).

    De normale termijn voor hoger beroep is drie maanden. Ook hier gelden echter weer uitzonderingen. Zo is de hoger beroepstermijn in kort geding slechts vier weken. Wij raden aan om na een teleurstellend vonnis, waartegen men eventueel stappen wil ondernemen, binnen korte termijn een professionele rechtshulpverlener om raad te vragen. In dit verband is relevant dat men voor het instellen van hoger beroep sowieso een (proces)advocaat nodig heeft. Het hoger beroep loopt namelijk bij een hogere instantie, te weten het gerechtshof. Aldaar kunnen partijen niet zelf procederen.

    Wij waarschuwen hier nog voor tussentijdse vonnissen. Tegen een tussenvonnis, waarin bijvoorbeeld een getuigenverhoor wordt bevolen, kan in principe geen hoger beroep worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Het komt echter ook voor dat in een tussentijds gegeven vonnis reeds een beslissing wordt genomen over een gedeelte van de vordering. Voor dat deel is dan geen sprake van een tussenvonnis, maar van een eindvonnis. Tegen zo’n eindvonnis dient, binnen drie maanden, hoger beroep te worden ingesteld. Dit volgt uit artikel 337 RV. De tekst van dit artikel blinkt niet uit in duidelijkheid, doch de toelichting op dit artikel bevestigt dit standpunt. Als er geen hoger beroep wordt ingesteld, wordt de beslissing onherroepelijk. U kunt er dan helaas niets meer tegen doen als tegen dit vonnis geen rechtsmiddel is ingesteld.

    Wie behoort tot de "zijnen" van de huurder bij ontruiming van het gehuurde?>>

    Als de verhuurder een ontruimingsactie tegen de huurder start, dan moet er ontruiming van de huurder worden gevorderd. Als er nu andere personen in de woning verblijven moet er dan een afzonderlijke ontruimingstitel tegen deze personen worden gehaald, of kan de verhuurder volstaan met een ontruimingsactie jegens de huurder en de zijnen van de huurder zonder dat daarbij een afzonderlijke ontruimingstitel jegens de overige bewoners van de woning wordt gehaald?

    In het algemeen kan worden gesteld dat het allang mogelijk is om executie jegens derden niet procespartijen te realiseren, waarbij een relatie van zeggenschap of afhankelijkheid teneinde de ontruiming jegens die derden te bewerkstellingen niet mag worden geëist. Een voorbeeld hiervan is de ontruimingstitel van de hypotheekhouder jegens de hypotheekgever. Als de hypotheekgever jegens de hypotheekhouder tekortschiet in zijn financiële verplichtingen, dan kan de hypotheekhouder bij de voorzieningenrechter ontruiming van de onroerende zaak vorderen waarvoor zekerheid tot betaling is verstrekt. Deze ontruiming raakt dan niet alleen de hypotheekgever, maar ook de zijnen die bij de hypotheekgever behoren. Tot 'de zijnen' moeten dan ook worden gerekend al degenen die zich op de hypothecair bezwaarde zaak met goedvinden of medeweten van de hypotheekgever bevinden, dus ook de door hem toegelaten huurders, mits, wat deze laatsten betreft, de huur wegens strijd met het huurbeding is vernietigd.

    Niet alle gebruikers van het gehuurde behoren tot de “zijnen” van het gehuurde
    Voor het huurrecht geldt min of meer een zelfde mogelijkheid tot ontruiming van het gehuurde. De grens ligt evenwel bij de onderhuurder van zelfstandige woonruimte, die de huurbescherming als verwoord in artikel 7:269 BW in kan roepen. Voor de positie van de huurder van zelfstandige woonruimte verwijs ik naar het hoofdstuk: “De positie van de onderhuurder”. Deze onderhuurder heeft een op de wet gebaseerde verblijfstitel, zodat deze gebruiker van de woonruimte niet hoort tot de “zijnen” van de hoofdhuurder (HR 21 mei 1982, NJ 1982, 404NJ 1982, 404 (Geerlings/Hendrick de Keyser).

    De verhuurder kan ook niet een ontruimingsvonnis ten laste van de huurder gebruiken tegen de echtgenoot van de huurder als tegen deze echtgenoot niet een afzonderlijke ontruimingstitel is gevraagd. De echtgenoot van de huurder is immers van rechtswege medehuurder. Het gebruik van het gehuurde vindt ook voor de wettelijke medehuurder een basis in de wet. Als de verhuurder tot ontruiming van het gehuurde over wenst te gaan , dan zal de verhuurder ook een afzonderlijke ontruimingstitel jegens de wettelijke medehuurder horen te halen. Als de huurovereenkomst met de huurder eindigt, dan wordt de medehuurder huurder. Dat is vastgelegd in artikel 7:266 lid 3 BW . Hetzelfde geldt als er zich een medehuurder in het gehuurde bevindt, die op basis van artikel 7:267 BW het medehuurderschap heeft verkregen. Dit blijkt uit artikel 7:267 lid 5 BW .
    Ook bij het overlijden van de huurder neemt de medehuurder op grond van artikel 7:269 lid 1 BW de positie van de huurder in. De wet geeft dus aan de medehuurders een legitimatie om het gehuurde te gebruiken tijdens aanwezigheid van de huurder, maar ook na het vertrek van de huurder.

    De gebruikers van het gehuurde
    Onder de “zijnen” van de huurder vallen dus de gebruikers van het pand, die niet als medehuurder zijn te beschouwen. Dit zijn doorgaans de kinderen van de huurder en de partners van de huurder voor zover deze nog niet het medehuurderschap hebben verkregen. Ook de onderhuurder van onzelfstandige woonruimte valt onder dit begrip.
    Voor bedrijfsruimte geldt dat de onderhuurder van de bedrijfsruimte ook onder de “zijnen” valt en dat een afzonderlijke ontruimingstitel tegen zowel de onderhuurder van een deel van de bedrijfsruimte als de gehele bedrijfsruimte niet nodig is. Voor bedrijfsruimte geldt niet een vergelijkbare regeling als verwoord in artikel 7:269 BW . De onderhuurder van bedrijfsruimte is evenals de huurder van onzelfstandige woonruimte in zijn positie afhankelijk van de huurder. Eindigt de hoofdhuur, dan zal in feite het huurgenot van de onderhuurder eindigen, omdat de eigenaar hem tot ontruiming zal kunnen noodzaken. Daarnaast geldt voor 7:290 BW-winkelruimte dat een ontruimingstitel tegen de hoofdhuurder op grond van artikel 7:306 lid 1 BW ook jegens de onderhuurder kan worden ingeroepen.
    Voor kantoorruimte geldt deze problematiek niet, omdat er voor kantoorruimte geen huurbescherming geldt. Door een opzegging eindigt de huurovereenkomst en dient de huurder het pand te ontruimen, behoudens de mogelijkheid van ontruimingsbescherming (zie artikel 7:230a lid 1 BW ). Dat geldt ook voor de andere gebruikers van het pand, die jegens de hoofdverhuurder geen gebruikstitel kunnen laten gelden.

    Stein bespreekt in zijn noot onder het arrest van de Hoge Raad van 29 november 1985 (Hoge Raad 29 november 1985, LJN AC913, met noot mr. P.A. Stein). dat in het geval van misbruik van recht de onderhuurder zich tegen ontruiming kan verweren. Van misbruik van recht zou sprake kunnen zijn als aan de veroordeling tot ontruiming van het gehuurde een ‘samenspanning’ tussen (hoofd)huurder en (hoofd) verhuurder tegen de onderhuurder ten grondslag ligt. Verder zou er volgens Stein sprake van misbruik van recht kunnen zijn als de onderhuurder op onevenredige wijze in zijn belang door de ontruiming wordt getroffen. Een misbruik van recht in deze zin is lastig aan te tonen en kan vaak pas achteraf worden vastgesteld.

    Griffierecht >>

    De procedure start bij het indienen van de procesinleiding. Op dat moment moet ook het griffierecht worden betaald. Na controle door de griffie wordt het griffierecht definitief vastgesteld. Soms wordt het eerder bepaalde bedrag dan aangepast. Hiervoor wordt dan een nieuwe nota gestuurd. Er kan worden betaald via rekening-courant, Ideal of met een nota.

    Het griffierecht is verschuldigd bij het indienen van de stukken. U moet bij het bestuderen van het digitaal procederen daarop letten. Als u als proef gegevens invoert moet u dus niet op de knop "stukken indienen" drukken. Door deze knop te activeren wordt u geacht stukken in te dienen en bent u griffierecht verschuldigd. De procedure start dus bij het indienen van de procesinleiding. Dan moet u ook de griffierechten betalen. Na controle door de griffie wordt het griffierecht definitief vastgesteld. Trekt u de vordering in voordat de verwerende partij in de procedure is verschenen of uiterlijk had moeten verschijnen? Dan krijgt u een deel van het griffierecht terug. Hoeveel griffierecht u nog wel moet betalen, hangt af van wie de eisende partij is. In principe is elke eisende partij eenderde van het griffierecht verschuldigd (met een maximum van € 75 voor onvermogenden, € 250 voor particulieren en € 500 voor organisaties). Aangezien dit systeem niet langer uit gaat roldata, is het dus mogelijk dat de verweerder één dag na het bekendmaken van de stukken in het geding verschijnt. Op dat moment is gehele griffierecht verschuldigd. Het indienen van een procesinleiding als drukmiddel kan het risico met zich mee brengen dat het gehele griffierecht wordt verschuldigd als de verweerder spoedig in de procedure verschijnt. Als de eisende partij de zitting op langere termijn vaststelt dan kan door het verschijnen van de verwerende partij in de procedure het gehele griffierecht worden verschuldigd. Als partijen nog willen onderhandelen is het dus verstandig hiermee nog even te wachten. Dat is dus anders geregeld dan bij de de huidige regeling (maart 2017). In het huidige systeem kan en andere partij immers eerder dan de roldatum de stukken indienen, doch daarmee wordt tot de roldatum niets gedaan (behoudens anticipatie).

    De verzoekprocedure >>

    De regeling van artikel 30a RV e.v. van toepassing
    Het huidige verzoekschrift vervalt en wordt vervangen door de procesinleiding houdende een verzoek, als bedoeld in artikel 30a. Wat er in de procesinleiding moet staan, volgt uit artikel 30a derde lid RV . Voor de procesinleiding waarmee uitsluitend een verzoek inzake een nalatenschap wordt gedaan, moet ook de laatste woonplaats van de overledene worden vermeld. In dit onderdeel kan ik voor en groot gedeelte volstaan met verwijzing naar het hierboven al gestelde over het starten van een procedure.

    Op verzoekprocedures zijn in de eerste plaats de bepalingen van de nieuwe basisprocedure van toepassing (artikel 30a RV e.v.). Indien de procesinleiding een verzoek bevat, zijn in aanvulling daarop de bepalingen van de derde titel van toepassing. Deze bepalingen zijn grotendeels gelijk aan de bepalingen die naar huidig recht gelden voor de verzoekschriftprocedure.
    artikel 261 RV 261 bepaalt het toepassingsgebied van de derde titel.

    De oproeping
    artikel 271 RV bepaalt dat de griffier verzoekers en belanghebbenden schriftelijk oproept. Hieronder kan ook digitaal oproepen worden verstaan, mits is voldaan aan de in de artikel 30c NRv, artikel 30e NRv en artikel 30f NRv genoemde voorwaarden. Ook de oproeping van verzoeker wordt beheerst door deze artikelen. Belanghebbenden zullen doorgaans bij brief worden opgeroepen, omdat de rechtbank niet over hun digitale adres zal beschikken en zij nog niet hebben kunnen aangeven of zij digitaal wensen te communiceren met de rechtbank en met verzoeker, voor zover deze belanghebbenden natuurlijke personen zijn. De rechter kan ook bepalen dat de oproeping op andere wijze geschiedt. Zo is in zaken met een groot aantal belanghebbenden oproeping via een website mogelijk.

    Wat er in een oproeping moet staan en wanneer deze moet worden verzonden staat voortaan in de artikel 30j lid 3 en lid 4 NRv en artikel 111 NRv.

    Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is geregeld in artikel 30n NRv. De regeling over de hernieuwde oproeping in een aangehouden zaak, wordt geregeld in artikel 30h NRv.

    De bevoegdheid
    Welke rechter bevoegd is in zaken waarbij zowel een vordering als een verzoek aan de rechter worden voorgelegd, is geregeld in artikel 109 RV

    Termijn reactie
    artikel 282 RV regelt het indienen van het verweerschrift door belanghebbenden in verzoekprocedures. Op dit verweerschrift is eveneens artikel 30i NRv van toepassing.
    Nieuw is de termijn van tien dagen voor indiening van het verweerschrift door belanghebbenden voorafgaand aan de aanvang van de mondelinge behandeling. Dit voorstel past in het streven dat procedures vaart behouden. Gekozen is voor een termijn van tien dagen om aan te sluiten bij de termijn die op grond van artikel 30k lid 5 NRv, geldt voor het indienen van processtukken. Hierdoor hebben de rechter, de verzoeker en belanghebbenden tien dagen voor de mondelinge behandeling een zo compleet mogelijk dossier en kunnen zij zich goed voorbereiden. De rechter kan een later moment voor de indiening van het verweerschrift toestaan. Ongewijzigd blijft in het eerste lid dat verweerder aan de overige partijen een afschrift overhandigt van het verweerschrift indien hij dat met toestemming van de rechter pas indient tijdens de mondelinge behandeling. De formulering is enkel aangepast aan de nieuwe procedure. Een partij hoeft geen afschriften meer in te dienen
    Het indienen van afschriften is in een digitale omgeving niet meer nodig. Ten aanzien van de partij die op papier procedeert, is verzending van papieren afschriften door de griffier geregeld in artikel 30c lid 7 NRv
    Ook een niet-opgeroepen belanghebbende mag een verweerschrift indienen, mits hij daarbij een werkelijk belang heeft. In de huidige wet vult dit lid de oproeping op grond van artikel 279 aan en daarom blijft dit lid ook staan ter aanvulling van de oproeping in artikel 30j lid 2 NRv. De regeling over het tegenverzoek staat in artikel 30i lid 8 en lid 9 NRv.

    Updates>>

    Bij samenstelling van dit hoofdstuk heb ik hulp gekregen van mr. J.C. Visscher-Hupkens, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand te Leiden en van mr. J. F.G. Godart werkzaam bij DAS rechtsbijstand.