}
De Warmtewet

De Warmtewet en de afrekening van warmte

De Warmtewet en de afrekening van de levering van warmte>>

De Warmtewet is een energiewet en regelt levering van warmte aan een persoon (consument of zakelijk gebruiker) die warmte afneemt van een warmtenet en een aansluiting heeft van maximaal 100 kilowatt.

Inleiding>>

In de praktijk blijkt dat de manier waarop de tarieven voor stadsverwarming nu worden geregeld, niet werkbaar is. Er waren veel klachten van gebruikers in gebieden met stadsverwarming waar sprake was van een monopolie van de warmteleverancier. De verbruiker kan immers niet switchen naar een andere warmteleverancier. Het warmtenet is immers aangelegd en eigendom van de leverancier van warmte. Een warmtenet is gebonden aan een bepaald gebied. Volgens de nota van wijziging van de Warmtewet van 28 juni 2017 Nota wijziging Warmtewet 28 juni 2017 kan een college van burgemeester en wethouders een gebied aanwijzen als een gebied waar geen gastransportnet wordt aangelegd of uitgebreid indien zich in dat gebied een warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet, of een andere energie-infrastructuur bevindt of gaat bevinden die kan voorzien in de verwachte warmtebehoefte in het aan te wijzen gebied.
Consumenten dachten veel meer kwijt te zijn dan bewoners van vergelijkbare woningen met een gewone gasgestookte cv-installatie. Voor bewoners met stadsverwarming, blokverwarming of collectieve duurzame warmte zoals warmte-koudeopslag (WKO) of een collectieve warmtepomp komt er daarom een maximumtarief voor de warmte die zij afnemen. Als de gebruiker van een bepaald systeem wenst te wijzigen (van bijvoorbeeld warmtelevering naar gaslevering) is dat vaak niet mogelijk en als het al mogelijk is, dan zit de gebruiker vaak toch verbonden aan één bepaalde leverancier. Volgens de memorie van toelichting behorend bij de Warmtewet is deze wet bedoeld om de verbruikers te beschermen tegen te hoge tarieven (consumentenbescherming). Bovendien is de wet ook bedoeld om de verbruikers leveringszekerheid te bieden (Wijziging van de Warmtewet, nota naar aanleiding van het verslag, 32 839, nr 7).
Uit de inleiding van de Memorie van Toelichting Herziening Warmtewet 6 juli 2016 blijkt de Warmtewet ook een middel te zijn in het kader van de beperking van de CO2 uitstoot. De verwachting is dat gas als bron van verwarming een minder dominante rol in zal gaan nemen en dat nieuwe verwarmingsbronnen belangrijker zullen worden. Er wordt in dit stuk met name verwezen naar de potentie van collectieve verwarming als vervanging van aardgas voor warmtegebruik, met name in situaties waar andere warmteoplossingen geen kosteneffectief alternatief bieden om tot CO2 reductie te komen.

Op 11 juni 2013 stemde de Eerste Kamer in met de Warmtewet. De wet is in werking getreden vanaf 1 januari 2014. De Warmtewet is een energiewet en regelt levering van warmte aan consumenten en/of zakelijke gebruikers. Het criterium is niet de hoedanigheid van de afnemer (consument of zakelijke gebruiker), maar of de verbruiker warmte afneemt van een warmtenet en een aansluiting heeft van maximaal 100 kilowatt. Als dit het geval is, dan kan de verbruiker onder de regels van de Warmtewet vallen. Dit betekent ook dat de afrekening voorschotberekening voor 2014 in overeenstemming moet zijn met de maximumprijs uit de Warmtewet. De leverancier is op grond van artikel 40 Warmtewet gehouden de warmtenetten die hij exploiteert zo spoedig mogelijk na 1 januari 2014 aan te melden bij de Autoriteit Consumenten en Markt (ACM).
De wetgever heeft de levering van warmte door collectieve verwarmingsinstallaties (blokverwarming) ook onder de Warmtewet gebruikt. Blokverwarming is gebonden aan een bepaald gebouw (complexgebonden). Dit lijkt geen doordachte beslissing. De warmtewet is oorspronkelijk bedoeld voor de levering van stadsverwarming aan verbruikers en niet voor toepassing van deze wet op blokverwarming. De bedenkingen tegen het oprekken van deze regeling naar blokverwarming komt in dit onderdeel ter sprake.

In dit hoofdstuk richt ik mij op de rol van de verhuurder, die warmte aan haar huurders levert. De verhuurder die warmte ten behoeve van de individuele woonruimte van haar huurder levert wordt voor de Warmtewet als leverancier van energie en niet als verhuurder aangemerkt.

Het wettelijke kader>>

Het wettelijke kader omtrent de levering van warmte wordt gevormd door de Warmtewet, het Warmtebesluit en de de Warmteregeling. De Warmtewet is de basis van deze regeling. Het Warmtebesluit geeft een nadere invulling van de in de Warmtewet genoemde regels. Zo zegt artikel 5 lid 5 Warmtewet dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot de elementen en wijze van berekening van de maximumprijs. Het Warmtebesluit geeft in de artikelen 2 tot en met 4 de wijze van berekening van de elementen van de maximumprijs. De Warmteregeling geeft onder meer een concrete invulling van de in het Warmtebesluit weergeven variabelen. Zo geeft de Warmteregeling in artikel 2 een weergave van de vaste kosten die worden bepaald met gebruikmaking van de formule die is opgenomen in artikel 3, eerste lid van het Warmtebesluit.

Er moet, om de gehele regeling te begrijpen, dus top-down worden gekeken naar eerst de Warmtewet, vervolgens naar het Warmtebesluit en daarna voor de concrete invulling van bedragen en percentages naar de Warmteregeling.

De uitgangspunten>>

In artikel 1 van de Warmtewet worden onder meer de partijen gedefinieerd, die bij de Warmtewet zijn betrokken. Het is goed om per situatie deze begrippen goed uit elkaar te houden. Dit is met name van belang bij een grote verhuurder. De grote verhuurder kan immers in sommige gevallen als verbruiker worden aangemerkt; in andere situaties kan de verhuurder als leverancier worden aangemerkt.

De verbruiker is een persoon die warmte afneemt van een warmtenet en een aansluiting heeft van maximaal 100 kW. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen woonruimte of bedrijfsruimte. Veel kantoorruimten hebben ook geen aansluiting van meer dan 100 kW. Grotere zakelijk afnemers vallen hierdoor niet onder bescherming van de wet. Uit de toelichting bij de wet blijkt dat de wetgever niet een apart systeem voor de groep grotere afnemers heeft willen creëren. Dit zou volgens de wetgever ten koste zou gaan van de eenvoud en transparantie van het tariefstelsel. De tarieven van de grote afnemers ontstaat doorgaans door onderhandeling op de vrije markt. Bij kleinverbruikers kan voor de referentie gassituatie gekeken worden naar gereguleerde tarieven en gemiddelde gasprijzen, maar voor grotere afnemers bestaat een dergelijke referentie van tarieven en prijzen niet. Bedacht moet dus worden dat veel gehuurde kantoorruimte onder deze regeling zullen vallen. De Roz-bepalingen kantoorruimte zullen aangepast moeten worden, want deze bepalingen zijn niet ingericht op levering van warmte op grond van de Warmtewet. Het gaat dus om de aansluitcapaciteit van de verbruiker. Het is dus mogelijk dat er binnen één warmtenet zowel beschermde als niet beschermde afnemers of verbruikers voorkomen.

Als een verhuurder zelf gebruik maakt van bijvoorbeeld een huismeesterskantoor, dan wordt de verhuurder zelf ook als verbruiker aangemerkt. Ruimtes zoals hallen en trappenhuizen tellen niet mee.
Voor bewoners van een onzelfstandige woonruimte geldt dat zij niet zijn aangesloten op een warmtenet. Zij zijn aangesloten op een installatie van een verbruiker. Zij zijn dan ook niet aan te merken als verbruiker in de zin van de Warmtewet.

De leverancier is een persoon die zich bezighoudt met de levering van warmte. Dit kan dus zijn de leverancier van stadsverwarming, maar ook de verhuurder, die via blokverwarming haar huurders via een collectief systeem van verwarming voorziet. De wet bepaalt, anders dan bij gas en elektriciteit, niet dat het net in eigendom moet zijn van de leverancier. Wanneer de warmteleverancier en de eigenaar van het net niet dezelfde (rechts)persoon zijn dan moeten er afspraken worden gemaakt over het beheer van het net. Het is voor de bepaling wie als leverancier beschouwd wordt van belang wie het exploitatierisico draagt. Het is niet van belang wie de eigenaar van een warmtenet is. De eigenaar van het warmtenet kan de exploitatie immers aan een derde uitbesteden. Als de verhuurder eigenaar is van een warmtenet, dan kan zij bijvoorbeeld de exploitatie van haar warmtenet aan een exploitatie BV uitbesteden. Deze laatste draagt dan het risico en wordt als leverancier aangemerkt. Een door de verhuurder ingeschakeld administratiekantoor wordt niet als leverancier aangemerkt; deze loopt immers geen exploitatierisico.

De verhuurders die onder de regeling vallen, zijn de verhuurders die warmte leveren aan collectieve installaties (bijvoorbeeld in flatgebouwen), de verhuurders die warmte leveren via warmte-koude installaties en verhuurders die warmte leveren via stadsverwarming. In artikel 1 sub L Warmtewet is een definitie opgenomen van het begrip verhuurder. Hiervoor is aansluiting gezocht bij een reeds bestaande definitie uit de Wet op het overleg huurders verhuurder (artikel 1 lid 1 sub d Wohv). Het opnemen van deze definitie werd noodzakelijk geacht in verband met de bepaling omtrent de uitzonderingen op de vergunningplicht, bedoeld in artikel 9 Warmtewet. Verhuurders in de zin van deze wet zijn niet vergunningplichtige leveranciers.
In artikel 2 Warmtewet staan de eisen waaraan de leverancier moet voldoen. Deze eisen hebben betrekking op een betrouwbare levering tegen redelijke voorwaarden en een goede dienstverlening. In dit artikel staan ook de niet geringe administratieve eisen waaraan een leverancier op grond van de Warmtewet moet voldoen.

Een warmtenet. Een warmtenet is volgens artikel 1 sub c van de Warmtewet het geheel van tot elkaar behorende, met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen dienstbaar aan het transport van warmte van de bron naar de afnemers, behoudens voor zover deze leidingen, installaties en hulpmiddelen zijn gelegen in een gebouw of werk van een verbruiker of van een producent en strekken tot toe- of afvoer van warmte ten behoeve van dat gebouw of werk. Hierboven is al gezegd dat de leverancier van warmte geen eigenaar van het warmtenet hoeft te zijn om als leverancier aangemerkt te worden. Een huidige leverancier van warmte kan leverancier van warmte blijven los van de vraag wie eigenaar van het warmtenet is. De Warmtewet wenst niet in te grijpen in bestaande leverancier-klantrelatie.

Op grond van artikel 40 Warmtewet moet de leverancier zo spoedig mogelijk na 1 januari 2014 het warmtenet aanmelden bij de ACM. De verhuurder en/of de corporatie is niet altijd verplicht om dit warmtenet aan te melden. Als de verhuurder en/of de corporatie de exploitatie heeft uitbesteed aan een derde partij of een energie BV, dan zal deze partij de exploitatie van het warmtenet bij de ACM aan moeten melden. Als het warmtenet slechts betrekking heeft op levering van warmte aan onzelfstandige woonruimte, dan is er ook geen noodzaak om dit warmtenet bij de ACM aan te melden. Er is ook geen noodzaak om het warmtenet door de corporatie bij de ACM aan te melden als de exploitatie aan de bewoners is uitbesteed. Dat gebeurt soms bij studentenhuisvestiging.

Een verhuurder die zelf een aansluiting heeft op een stadverwarmingsnet die groter is dan 100 kW ontbeert zelf de bescherming van de Warmtewet, maar zal wel gebonden zijn aan de Warmtewet voor wat betreft zijn afnemers. Dat kan in theorie een nadeel zijn als er door de leverancier aan de verhuurder een hoger bedrag wordt gerekend aan energiekosten, dan de verhuurder aan zijn verbruikers door mag berekenen wegens de door de Warmtewet hanteerde maximumprijs.

In de Memorie van Toelichting Herziening Warmtewet 6 juli 2016 worden knelpunten geconstateerd met betrekking tot de verantwoordelijkheid van de leverancier voor interne warmtenetten, die zich bijvoorbeeld bij blokverwarming voordoen. Als zich een storing in het interne warmtenet voordoet, dan kan de externe warmteleverancier indirect verantwoordelijk gesteld worden voor het onderhoud van het inpandig warmtenet. Deze herziening van de Warmtewet maakt het, na invoering van de wet, mogelijk dat de gebouweigenaar die eigenaar is van een inpandig warmtenet dat wordt gebruikt voor de levering van warmte aan verbruikers, verantwoordelijk wordt gesteld voor het onderhoud van dit net. Daarmee is de gebouweigenaar ook verantwoordelijk voor de kosten die gepaard gaan met dit onderhoud. Dit heeft tot gevolg dat de verbruiker zich, in het geval zich een storing voordoet, nog steeds dient te wenden tot de leverancier. Hiermee wordt voorkomen dat de verbruikers van het kastje naar de muur wordt gestuurd tussen de leverancier en de eigenaar van het pand. De leverancier kan de kosten van de compensatie verhalen op de gebouweigenaar die hij als gevolg van de storing in het inpandig warmtenet van de gebouweigenaar moet uitkeren aan de verbruikers.

Een producent is de persoon die zich bezighoudt met de productie van warmte.
Warmte kan zowel warmwater zijn als warm tapwater. Koud water en levering van koude valt niet onder deze wet. Verder valt een bronwaternet niet onder de werking van deze wet. Dit is ook het geval als er warm water van een bron wordt rondgepompt, waarna dit water via individuele pompen bij een woning terechtkomt. Een warmtenet dat onder de Warmtewet valt, ligt in complexen met een gemeenschappelijke installatie (bijvoorbeeld flatgebouwen), warmte-koude installaties en stadsverwarmingsnetten.
In de gasmarkt is het gebruikelijk te kijken naar de maximale capaciteit van de aansluiting. Het ligt in de rede om de verbruikersgrens in het kader van de Warmtewet aan te laten sluiten bij de gangbare grens in de gasmarkt. Uit een nadere analyse blijken hiervoor twee mogelijke aansluitcapaciteiten als referentie te kunnen dienen: de G25 aansluiting die in de Gaswet wordt gehanteerd voor de grens voor kleinverbruikers en de G6 aansluiting die in de codes wordt gehanteerd voor de grens van huishoudens. Omrekening van de gascapaciteit van een G6 aansluiting naar warmte-aansluitingen levert een capaciteitsgrens van 88 kW2, die naar boven is afgerond en derhalve op 100 kW is bepaald.

Als de verhuurder aan één afnemer met een zelfstandige aansluiting warmte levert, dan valt deze afnemer in beginsel onder de Warmtewet. Als er twee objecten zijn waarvan er één een aansluiting heeft van meer dan 100 kW, dan is de Warmtewet niet van toepassing op het object dat de aansluiting heeft van meer dan 100kW. Als er een andere zelfstandige aansluiting zich in dit object bevindt met een vermogen van minder dan 100kW, dan valt die andere aansluiting wel onder de Warmtewet.

De verhuurder die kamers verhuurt met betrekking tot een woning met één aansluiting valt niet onder deze regeling, omdat de huurders van onzelfstandige woonruimte geen zelfstandige aansluiting heeft. De verhuurder zal dan als eindverbruiker in de zin van de Warmtewet aangemerkt worden. De huurders van deze verbruiker worden niet als verbruiker in de zin van deze wet gezien. Dit is ook logisch, omdat de Warmtewet uitgaat van een WOZ-object met een zelfstandige eigen aansluiting. Bij afwezigheid van zelfstandige WOZ-objecten is de Warmtewet niet van toepassing. De bescherming geldt bij netten voor alle klanten met een aansluiting van maximaal 100 kW. Dit vermogen is herleid tot/afgeleid uit een G6 gasaansluiting voor huishoudens. Dit gaat bijna om alle aansluitingen op particulier- en MKB-niveau. Hierbij is de aansluitcapaciteit van de verbruiker van belang. Deze gasaansluiting levert een capaciteitsgrens van 88 kW2. Dit vermogen is naar boven afgerond op 100 kW. Het is niet van belang welke capaciteit van een aansluiting daadwerkelijk wordt gebruikt.

VVE en verhuring van appartementen in een gebouwencomplex
De wet gaat ervan uit dat volledige VvE’s ook onder de regeling van de Warmtewet vallen. De minister vindt dat er op dit gebied een wijziging van de wet noodzakelijk is. Door de Warmtewet komen er immers administratieve lasten en verplichtingen te rusten op de VvE die door VvE’s als disproportioneel belastend worden ervaren. Het gaat hierbij met name om het prijsplafond op de warmtetarieven, de verplichte storingsregistratie, de kosten voor het verplichte lidmaatschap van een geschillencommissie en de compensatieregeling in geval van storingen. Verenigingen van eigenaren zijn uitgezonderd van de vergunningplicht. De vereniging is wel meldingsplichtig. De ACM wordt afwijking van de wettelijke regeling te gedogen.

In wetsvoorstel dat op 22 mei 2017 (Wetsvoorstel herziening Warmtewet;Wijziging van de Warmtewet (wijzigingen naar aanleiding van de evaluatie van de Warmtewet) aan de Tweede Kamer is aangeboden worden VvE’s vrijwel volledig uitgezonderd van de leveranciersverplichtingen uit de Warmtewet. Alleen de meetverplichting zal volgens dit wetsvoorstel worden gehandhaafd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de kosten van verbruikte warmte wordt verdeeld op basis van de opgemete warmte door een individuele warmtemeter per appartement. Als er geen individuele warmtemeters (kunnen) worden gebruikt, dan mogen individuele warmtekostenverdelers worden gebruikt, die het warmteverbruik van elke radiator meten. Dit is niet mogelijk als de installatie niet kostenefficiënt is. Als er sprake is van een geval waarbij zowel geen individuele meters als warmtekostenverdelers gebruikt kunnen worden, dan mag met een andere kostenverdeelsystematiek (op basis van breukdelen) worden gerekend.
Dit geldt ook voor gemengde complexen (koop en verhuur), voor coöperatieve verenigingen en overige vergelijkbare rechtsvormen. Voor blokverwarming zal dit systeem dus ook worden afgeschaft.

Volgens een (brief van 7 juli 2014 van de Minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer bladzijde 6 en 7 ), is de minister voornemens om de Warmtewet aan te passen en VvE’s met gebouw gebonden installaties uit te zonderen van de verplichtingen voor een leverancier die volgen uit de Warmtewet. Daarbij speelde onder meer de volgende argumenten: In de situatie dat de kostprijs van de warmte de maximumprijs overstijgt, mogen de volledige kosten door de VvE als leverancier niet doorberekend worden aan de verbruikers. De VvE kan een deel van de kosten niet als warmtekosten doorbelasten aan de verbruikers, terwijl de appartementseigenaren de plicht hebben om een exploitatietekort van de VvE aan te zuiveren. In deze situatie zijn de leden van de VvE tegelijkertijd verbruiker en leverancier. Naar mijn oordeel is de verhouding die bestaat tussen een VvE als warmteleverancier en appartementseigenaren een fundamenteel andere dan de verhouding tussen overige warmteleveranciers en afnemers. Indien de warmtetarieven de kosten van de warmtevoorziening niet dekken, betalen de appartementseigenaren het verschil immers alsnog zelf via de bijdrage aan de VvE. Dit geldt ook, zoals hiervoor vermeld, voor compensatie in het geval van storingen. Daarbij speelt bovendien een belangrijke rol dat een appartementseigenaar zelf het stemrecht heeft in de VvE. Hierdoor is de verbruiker niet te kwalificeren als een gebonden gebruiker. De bedoeling van de Warmtewet is om gebonden gebruikers te beschermen, niet om mensen te beschermen tegen zichzelf.

In de Memorie van Toelichting Herziening Warmtewet 6 juli 2016 wordt bevestigd dat verbruikers die warmte afnemen van een Vereniging van Eigenaren waar zij als eigenaar van een woon- of bedrijfsruimte in een gebouw lid van zijn, niet zijn aan te merken als de gebonden verbruikers die de wet beoogt te beschermen. Een voorbeeld hiervan is een gasgestookte ketel in de kelder van het gebouw waarmee warmte wordt opgewekt die vervolgens geleverd wordt aan de bewoners van het gebouw. Dit is dus blokverwarming.

Voor situaties waarbij woningcorporaties een deel van de woningen in een gebouwencomplex in eigendom heeft overgedragen aan particulieren die op grond van het appartementsrecht verplicht zijn ondergebracht in een VvE zal de Minister nog bekijken of en hoe de Warmtewet voor deze situaties moet worden aangepast. In deze situaties is de Warmtewet dus nog van toepassing.

Alleen als de huurder aan de woningeigenaar een all-in tarief betaalt (inclusief de kosten voor warmte) mag de warmteovereenkomst worden gesloten met de woningeigenaar. Er is sprake van een all-in tarief als er geen verrekening voor de warmtekosten plaatsvindt (ook niet achteraf). Is de huurprijs niet inclusief warmte? Dan moet de VvE een warmteovereenkomst met de huurder sluiten. Volgens de Warmtewet is de huurder dan namelijk de verbruiker met wie de warmteleverancier de overeenkomst moet sluiten (bron: Consuwijzer).

Bij gebouwencomplexen waarvan de verhuurder één of verschillende appartementen heeft verhuurd, zal de VvE dus een overeenkomst tot levering met de huurders moeten sluiten en zal deze overeenkomst tot levering niet met de verhuurder gesloten dienen te worden (tenzij er een all-in tarief voor warmte wordt overeengekomen). De VvE is immers gehouden zorg te dragen voor het onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten van een woongebouw. Daarnaast wordt de VvE ook beschouwd als leverancier van warmteproducten aan elke individuele appartementsgerechtigde, die warmte verbruikt. Voor de huurder geldt immers niet het door de Minister genoemde broek/vestzak argument dat wel geldt ten aanzien van de appartementseigenaar zelf het stemrecht heeft in de VvE. VvE’s die zijn aangesloten op stadsverwarming en VvE’s waarvan één of meer woningcorporaties deel uitmaken van de vereniging blijven volgens de ACM nog steeds onder de Warmtewet vallen.
Als er een ketel in een huurcomplex staat, die levert aan een naastgelegen blok met koopappartementen of andersom, dan is er sprake van twee warmtenetten als alleen de ketel gezamenlijk is, maar de leidingen niet. De bron (de ketel) is dus niet leidend, maar wel de leidingen.

De overeenkomst tot levering van warmte>>

Op grond van artikel 3 Warmtewet moet de levering van warmte op schrift gesteld worden. De overeenkomst tot levering van warmte kan mondeling plaatsvinden met dien verstande dat de leverancier van warmte zonder schriftelijke overeenkomst in strijd handelt met de Warmtewet en een bestuurlijke boete of een dwangsom riskeert (artikel 17 Warmtewet en artikel 18 lid 1 en 2 Warmtewet). De warmteleveringsovereenkomst op schrift is immers niet een constitutief vereiste voor de levering van warmte. Hiermee is ook duidelijk dat de levering van warmte niet als servicekosten in de letterlijke zin ex artikel 7:237 BW beschouwd zal worden. Een huurovereenkomst kan mondeling worden gesloten. Dat geldt dan ook voor de overeengekomen servicekosten. Aan een mondelinge overeenkomst tot levering van energie kan immers geen bestuurlijke boete of een dwangsom worden verbonden.

Theoretisch is het dus mogelijk dat de huurovereenkomst mondeling gesloten wordt en dat er wel een schriftelijk contract tussen partijen betreffende de levering van warmte aanwezig moet zijn om niet het risico van een dwangsom of een bestuurlijke boete te lopen. Als de leverancier (verhuurder) dus doorgaat met het leveren van warmte op basis van de huurovereenkomst, dan is er wel een geldige titel voor levering van warmte, maar dan voldoet de leverancier niet aan de regels van de Warmtewet. Als de leveringsovereenkomst niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3 Warmtewet, dan kan de ACM kan bindende regels opleggen om de wet na te leveren (artikel 17 Warmtewet). Voorts kan het ACM een last onder dwangsom opleggen, dan wel een bestuurlijke boete opleggen van € 450.000 (artikel 18 lid 1 en 2 Warmtewet). Het niet verstrekken van een leveringsovereenkomst is geen gebrek in de zin van artikel 7:204 BW . Het huurgenot van de huurder wordt immers niet aangetast. Het niet verstrekken van een leveringsovereenkomst lijkt wel een tekortschieten in de zin van artikel 6:74 BW.

Als de leverancier (verhuurder) warmte zou horen te leveren en dat niet doet, is er uiteraard wel een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW . Door een leveringsovereenkomst niet aan huurder aan te bieden conform de wettelijke regels schiet de verhuurder wel te kort in zijn verplichtingen jegens de huurder. Als de leverancier (verhuurder) warmte zou horen te leveren en dat niet doet, is er uiteraard wel een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW . Bedacht moet wel worden dat de Warmtewet de levering van warmte uit het huurcontract heeft gehaald. Energielevering dient door de leverancier te worden verzorgd en dat hoeft niet noodzakelijkerwijs de verhuurder te zijn. Een vergelijking valt te trekken met de situatie dat de verhuurder een gebouw verhuurt, waarvoor geen bouwvergunning is af gegeven. De verhuurder schiet dan te kort ex artikel 6:74 BW en ex artikel 7:204 BW . Hier is dan wel sprake van een gebrek, omdat de verhuurde ruimte door het ontbreken van een bouwvergunning gebrekkig wordt geacht te zijn.

Volgens Aedes is er doorgaans sprake van een leveringsovereenkomst als er sprake is van levering van warmte via een collectieve installatie en die levering al in de huurovereenkomst is opgenomen onder de bepaling met betrekking tot de leveringen en diensten. Daar staat dat er warmte en/of warm tapwater geleverd wordt en welk voorschotbedrag daarvoor in rekening wordt gebracht. Dit betekent echter wel dat de overeenkomst zal moeten voldoen aan de eisen zoals die in de ministeriële regeling bij de Warmtewet zijn gesteld. In de maximumprijs zijn de kosten van zowel ruimteverwarming als tapwater inbegrepen.
De kosten voor het verbruik van ruimteverwarming en warm tapwater (tezamen) mogen daarom niet hoger zijn dan de maximumprijs. Aedes is van mening dat de huurder akkoord dient te gaan met de aanvullende voorwaarden warmtelevering. Aedes is van mening dat deze voorwaarden op grond van de Warmtewet en het Warmtebesluit in de leveringsovereenkomst opgenomen dienen te zijn.

In de leveringsovereenkomst moet staan vermeld:

  • de personalia en het adres van de leverancier (wie onder leverancier verstaan wordt raadpleegt u het onderdeel: "De uitgangspunten" van dit hoofdstuk);
  • een duidelijke en volledige omschrijving van de te leveren goederen en diensten en de overeengekomen kwaliteitsniveaus daarvan, welke in ieder geval betrekking hebben op de minimum- en maximumtemperatuur van de te leveren warmte, alsmede de prijzen en voorwaarden waaronder deze goederen en diensten worden geleverd; De prijzen mogen periodiek worden gewijzigd. Dit moet wel vooraf zijn aangekondigd;
  • de voorwaarden voor opschorting of beëindiging van de overeenkomst;
  • een omschrijving van de toepasselijke vergoedingen, waaronder de uitkering van compensatie bij een ernstige storing in de levering van warmte, en terugbetalingsregelingen als de geleverde goederen en diensten niet aan de overeengekomen kwaliteitsniveaus voldoen;
  • In een overeenkomst wordt in ieder geval bepaald dat, onverminderd de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, verbruikers geschillen die voortvloeien uit de desbetreffende overeenkomst kunnen voorleggen aan een onafhankelijke geschillencommissie.

De geschillencommissies en de kantonrechter>>

In de overeenkomst moet bovendien staan vermeld dat de verbruiker bij een geschil terecht kan bij een geschillencommissie (artikel 3 lid 2 Warmtewet). De Warmtewet geeft niet de geschillencommissie weer die geschikt is om geschillen die in verband met deze wet zijn gerezen te beoordelen. Er bestaat daarom enige onduidelijkheid over de meest geschikte geschillencommissie om in dit verband geschillen te beoordelen.

De geschillencommissie bij woningcorporaties
De geschillencommssie bij woningcorporaties is niet zo geschikt voor deze taak. Over de onafhankelijkheid kan worden getwist. Daarnaast lijkt deze geschillencommissie niet te zijn toegerust voor beoordeling van de technische kant van dit soort geschillen.

De Huurcommissie
De Huurcommissie is goed toegerust voor deze taak voor sociale woonruimte. In het onderdeel: "De rol van de Huurcommissie bij de berekening van de levering van zaken en diensten" in het hoofdstuk Servicekosten heb ik betoogd dat de Huurcommissie nog steeds bevoegd is een oordeel te geven over de kosten van de levering van warmte. Sommige andere schrijvers denken hier anders over. De heer mr. P. van der Sanden laat in zijn artikel in de nieuwsbrief van de SDU (huurrecht@ctueel 2017-17, Gekrakeel over levering van warmte - wie mag die geschillen beslechten?) een aantal uitspraken de revue passeren. Zijn conclusie is dat in warmtewetgeschillen de huurcommissie doorgaans niet bevoegd om een geschil over en oordeel te geven. Hij baseert zijn standpunt op een verschuiving van de bergipsvorming van artikel 7:237 lid 3 BW . De bemeterde nutsvoorzieningen – verbruik van elektriciteit, gas en water – in het woonruimtegedeelte van het gehuurde én servicekosten zoals die zijn benoemd in het Besluit servicekosten zijn uit het begrippenkader geschrapt van dit artikel en het Besluit Servicekosten. Daarnaast is de levering van warmte gedefinieerd als en geschil dat specifiek geregeld wordt door de Warmtewet en niet door het huurrecht, zodat discussies over de levering van warmte tussen verhuurder en huurder volgens Van der Sanden niet door de Huurcommissie beoordeeld kunnen worden. In het voorgestelde Voorstel wijziging Warmtewet juli 2017 worden verhuurders/leveranciers en niet meer verplicht om de Warmtewet toe te passen op hun warmteleveranties. De methodiek van het berekenen van het verbruik blijft wel van toepassing volgens dit nieuwe voorstel. Deze wijziging zouden ook betrekking hebben op VvE’s/leveranciers. Voor meer informatie over dit onderwerp verwijs ik naar dit hoofdstuk (Servicekosten ).

De geschillencommissie Energie
Als de leverancier niet bij de overkoepelende organisaties van de energiebedrijven, de Vereniging Energie-Nederland of Netbeheer Nederland of bij de SGC voor de behandeling van geschillen is geregistreerd, dan kan de huurder niet bij deze geschillencommissie terecht. De huurders moeten zich dan tot de rechter wenden. Vooral kleine leveranciers zullen niet aangesloten zijn bij deze organisaties. Deze procedure is redelijk prijzig voor de leverancier. Een bedrag van circa € 1200 per jaar als contributie en een bedrag van circa € 1.200 per geschil zijn toch behoorlijke kostenposten. Dit is duurder dan een geschil dat voor de Huurcommissie verschuldigd is (€ 450) en ongeveer even duur als een procedure voor de kantonrechter (behoudens kosten gemachtigde en kosten ten behoeve van een deskundige). Deze bedragen zijn gebaseerd op het kostenniveau in 2014. Als er sprake is van een belang van bijvoorbeeld € 500, dan is er meer belang bij partijen om de zaak in onderling overleg te regelen. Dat is minder kostbaar dan het voeren van een procedure. Dit geldt eens te meer nu deze geschillencommissie zich niet buigt over geschillen met betrekking tot levering van elektra en overige servicekosten, zoals gebruik van meubilair en witgoed.

Aan de Geschillencommissie Energie kunnen geschillen worden voorgelegd over de aansluiting of levering van gas, warmte of elektriciteit. U treft hier en hieronder een korte uitleg van de procedure bij de geschillencommissie aan.
Geschillen waarvan het financieel belang het bedrag van € 5.000 te boven gaat kunnen alleen door de Commissie worden behandeld als beide partijen daarmee instemmen.
De Commissie kan een geschil niet behandelen indien dit geschil betrekking heeft op in het kader van een uitgeoefend beroep of bedrijf afgenomen leveringen. Ook kamerverhuur valt hieronder. Evenmin kan de Commissie een geschil behandelen dat betrekking heeft op schade als gevolg van dood, lichamelijk letsel of ziekte. Het klachtengeld beloopt een bedrag van € 52,50 (prijsbasis 2016). De kosten van rechtshulp blijven voor rekening van de klager. Reiskosten, portokosten en de kosten voor het bijwonen van de zitting blijven voor rekening van de klager.

Geschillencommissie Warmtelevering
Woningcorporaties kunnen zich vanaf 1 oktober 2015 al vrijwillig bij deze Geschillencommissie Warmtelevering registreren. Registratie is van belang, omdat een procedure bij de geschillencommissie door een huurder alleen kan worden bij deze geschillencommissie aangemeld kunnen worden als de contractspartij zich bij de geschillencommissie heeft geregistreerd. Dat geldt ook voor de warmteleverancier die gen woningcorporatie betreft. De volgende leveranciers kunnen zich aansluiten bij de Geschillencommissie Warmtelevering: woningcorporaties, commerciële en particuliere vastgoedbeheerders, verzorgingstehuizen, VVE’s waarbij een woningcorporatie mede-eigenaar is van het appartementencomplex en door woningcorporaties opgerichte energie BV’s, die ook leveren aan woningen die niet van de woningcorporatie toebehoren Lid 1 van het reglement Geschillencommissie Warmtelevering. Is uw warmteleverancier een energiebedrijf? Dan kan uw geschil mogelijk behandeld worden door de Geschillencommissie Energie in plaats van de Geschillencommissie Warmtelevering.

De natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf kan het geschil aanhangig maken. Welke partijen?
Er ontstond behoefte aan een aparte geschillencommissie Warmte nu door invoering van de Warmtewet ook corporaties als warmteleverancier zijn te beschouwen. Bijvoorbeeld wanneer zij woningen in appartementencomplexen via een collectieve installatie(blokverwarming) voorzien van warmte en/of warm water. Dit soort ‘warmtewetproducten’ levert de corporatie zoals boven reeds aangegeven op basis van een afzonderlijke leveringsovereenkomst met de verbruikers/huurders. Boven is ook al vermeld dat volgens de Warmtewet de verbruikers geschillen over warmtelevering moeten kunnen voorleggen aan een onafhankelijke geschillencommissie. Deze Geschillencommissie Warmtelevering is een dergelijke onafhankelijke instantie.

Welke geschillen?
De commissie heeft volgens artikel 3 van het reglement tot taak geschillen tussen consument en warmteleverancier te beslechten, voor zover deze betrekking hebben op de totstandkoming of de uitvoering van overeenkomsten met betrekking tot de aansluiting en/of levering van warmte. Partijen moeten op grond van artikel 4 van het regelement dan wel zijn overeengekomen zich aan een bindend advies te onderwerpen. Het leveringscontract wordt geacht hierover een bepaling te bevatten. In beginsel kunnen partijen hierover ook afspraken maken voor het in behandeling geven van een bepaalde zaak.

Niet-ontvankelijkheid
De commissie is niet bevoegd een zaak in behandeling te nemen over dood, lichamelijk letsel of ziekte. Verder zal de commissie zich ook niet bevoegd verklaren als het geschil betrekking heeft op een factuurbedrag zonder dat daar een inhoudelijk discussie aan ten grondslag ligt. Verder is de geschillencommissie niet bevoegd te oordelen over zaken waarover al voor 1 januari 2014 is geklaagd (artikel 5 van het regelement). De Commissie kan een geschil niet behandelen indien dit geschil betrekking heeft op een door de huurder in het kader van een door hem uitgeoefend beroep of bedrijf afgenomen leveringen of daarmee samenhangende diensten. Verder verklaart de geschillencommissie de klager op verzoek om de leverancier de klacht niet ontvankelijk als:

  • De consument de klacht niet conform de overeenkomst heeft ingediend;
  • De consument niet binnen 24 maanden na de datum waarop de consument de klacht bij de warmteleverancier indiende bij de commissie aanhangig heeft gemaakt. Dit is en vervaltermijn die niet kan worden gestuit.
  • Indien de warmteleverancier aan de consument een termijn van vijf weken heeft gegeven om het geschil bij de commissie aanhangig te maken en de consument van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. De warmteleverancier dient daarbij aan te kondigen dat hij na het verstrijken van voornoemde termijn zich vrij zal achten het geschil aan de gewone rechter voor te leggen.
Er geldt een hardheidsclausule in artikel 6 lid 2 van het reglement. De commissie kan besluiten het geschil toch in behandeling te nemen, indien de consument terzake van de niet naleving van de voorwaarden naar het oordeel van de commissie redelijkerwijs geen verwijt treft. Ik adviseer de consument het hier niet op aan te laten komen. Het is nooit duidelijk op welke de beslissing uit zal pakken.

Betaling van leges
Degene die een geschil aanhangig maakt, is een door de stichting vastgesteld bedrag aan klachtengeld verschuldigd. Indien de consument niet binnen één maand na een daartoe strekkend verzoek het klachtengeld voldoet, wordt hij geacht het geschil te hebben ingetrokken. De commissie kan de termijn van één maand bekorten of verlengen. De hoogte van het tarief is hetzelfde als voor de Geschillencommissie Energie en beloopt dus het bedrag van € 52,50 (zie artikel 2 Brochure geschillencommissie Warmtelevering).

De kantonrechter
De kantonrechter is altijd bevoegd om een geschil te beoordelen (artikel 17 Grondwet). Als de Huurcommissie voor sociale woonruimte niet langer bevoegd is een oordeel te geven over de levering van warmte en overige servicekosten er geen nieuwe geschillencommissie wordt voor sociale wordt opgericht die alle geschillen over warmtelevering en andere geschillen over geleverde diensten kan beoordelen, dan lijkt de weg naar de rechter de beste instantie om de zaak in één hand te houden. De rechter zal ook deskundigen in moeten schakelen om een oordeel over het geschil te geven. Doorgaans zal degenen die het meest in het ongelijk wordt gesteld worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook hier geldt dat voor geschillen onder de € 1000 beter een schikking kan worden bereikt, omdat een procedure voor de kantonrechter kostbaar is. De processtukken dienen doorgaans door deskundigen opgesteld te worden, waarvan de kosten van behandelin niet allemaal in de proceskostenveroordeling terug komen.

Overeengekomen compensatieregeling>>

De leverancier draagt zorg voor een betrouwbare en kwalitatief goede levering van warmte. Dit lijkt een risicoaansprakelijkheid. Bij ernstige storingen dienen de leveranciers van energie aan hun klanten een compensatie te verstrekken. Duurt de storing langer dan 4, maar minder dan 8 uur, dan bedraagt de compensatie 35 euro per aansluiting. Daarna bedraagt de compensatie 20 euro per periode van vier uur. De eerste dag storing van 24 uur kost dus 115 euro. Dit blijkt uit artikel 2 lid 7 van de Warmtewet en artikel 4 lid 2 van de Warmteregeling . Geplande werkzaamheden worden niet als storing beschouwd. Werkzaamheden aan de installatie waarbij de warmtelevering wordt onderbroken dienen vanaf 1 januari 2014 minimaal 3 dagen van te voren aan de verbruikers worden meegedeeld. Als de mededeling niet tijdig wordt gedaan, dan wordt de onderbreking van warmtelevering als storing aangemerkt, waarvoor compensatie verschuldigd is.

De compensatieregeling moet er toe strekken dat het geleden nadeel van een storing in de levering van warmte te compenseren. Dit geldt ongeacht of er al dan niet sprake is van overmacht of een andere gegronde reden. De grondslag voor uitkering van compensatie is immers gelegen in het ongemak bij kleinverbruikers. Hierbij is de oorzaak voor de onderbreking van de warmetelevering niet van belang.

Een exploitant van een warmtenet mag niet zomaar een klant afsluiten. In de periode van 1 oktober tot 1 april mag de klant of huurde helemaal niet worden afgesloten. Dit blijkt uit artikel 4 lid 1 van de Warmtewet en artikel 4 lid 2 van de Warmteregeling. Geplande werkzaamheden worden niet als storing beschouwd. De compensatie wordt door de leverancier binnen zes maanden na het herstel van de onderbreking betaald (artikel 4 lid 2 van de Warmteregeling ). Een storing kan betrekking hebben op een groot aantal verbruikers, maar ook op een enkele verbruiker. De Warmtewet bepaalt tevens dat de leverancier al hetgeen redelijkerwijs in zijn vermogen ligt in het werk dient te stellen om afsluiting dan wel onderbreking van de levering te voorkomen en als onderbreking toch optreedt, deze zo snel mogelijk te verhelpen. De huurder hoeft niet om deze compensatie te vragen. De leverancier dient moet uit eigen beweging tot betaling van de compensatie overgaan. De huurder die tijdens zijn vakantie met een storing te maken krijgt en gedurende zijn vakantie elders verblijft, heeft ook recht op compensatie, ook al heeft deze feitelijk geen hinder van deze storing ondervonden.

Alle warmteleveranciers zijn verplicht om een storingsregistratie bij te houden. De warmteleverancier is vrij in de wijze waarop hij dit doet. Het ligt in ieder geval voor de hand om in de storingsregistratie de volgende onderdelen op te nemen:

  • starttijd/datum onderbreking
  • eindtijd/datum onderbreking
  • getroffen verbruikers
De starttijd van de onderbreking is het moment van de eerste melding van storing door een verbruiker, of (indien eerder) een melding van de warmteleverancier. Aan de hand van de storingsregistratie kan worden bepaald of de verbruiker recht heeft op een compensatievergoeding.

In de Memorie van Toelichting Herziening Warmtewet 6 juli 2016 wordt het mogelijk gemaakt dat een leverancier jaarlijks één ernstige storing in een warmtenet heeft zonder dat hij verplicht is om compensatie uit te keren. Voorwaarde hierbij is wel dat deze storing binnen 24 uur opgelost is. Bij iedere volgende ernstige storing in hetzelfde net binnen 12 maanden is de leverancier verplicht om storingscompensatie uit te keren aan de afnemers van dat net. In het geval de oorzaak van een storing gelegen is in een warmtenet dat wordt beheerd door een netbeheerder die niet tevens de warmteleverancier is, kan de warmteleverancier in het contract met de netbeheerder vastleggen dat de netbeheerder de kosten draagt van de door de leverancier aan verbruikers betaalde storingscompensatie.

Met dit wetsvoorstel wordt geregeld dat de leverancier geen compensatie hoeft uit te keren als de oorzaak van de storing niet gelegen is in het warmtenet van de warmteleverancier of de netbeheerder of het gevolg is van overmacht. Ook wanneer de oorzaak van de storing is gelegen in de productieinstallatie van een warmteproducent, of de leidingen, installaties en hulpmiddelen strekkend tot toe- of afvoer van warmte aan het warmtenet van de warmteleverancier gelegen in een gebouw of werk van een warmteproducent, bestaat er, naar analogie met de regeling voor gas en elektriciteit, geen plicht tot het betalen van storingscompensatie.
Voor de verbruiker is in alle situaties de leverancier het duidelijk herkenbare aanspreekpunt in geval van een storing. Om deze reden is de leverancier in de wet dan ook de partij die verantwoordelijk is voor uitkering van de compensatie.

Wet op het overleg huurders verhuurder>>

Heeft de verhuurder toestemming van de huurdersorganisatie nodig om op basis van de Warmtewet de levering van warmte te berekenen? Ik ben van mening dat hiervoor niet de instemming van de huurdersorganisaties ex artikel 5a Wohv noodzakelijk is.
Er kunnen twee verschillende redeneringen worden gevoerd voor een antwoord op de vraag of de verhuurder instemming aan de huurdersorganisaties ex artikel 5a Wohv moet vragen voor berekening van warmte volgens de Warmtewet. Ik bespreek deze redeneringen hieronder.

De eerste redenering leidt tot de verplichte goedkeuring op grond van artikel 5a Wohv. Het overstappen op een ander systeem van afrekening van warmte (dus van servicekosten naar een afzonderlijke overeenkomst tot levering van warmte) moet als wijziging van beleid als bedoeld in artikel 5a Wohv worden aangemerkt. Eerst wordt immers op basis van servicekosten afgerekend en vervolgens wordt overgestapt op een ander systeem van afrekening van warmte. Volgens de Warmtewet wordt immers niet afgerekend op basis van werkelijke of reële kosten, maar op basis van de door de ACM voorgeschreven maximale kosten, Er is sprake van wijziging van beleid, omdat het eerder gevoerde beleid, waarmee de geleverde warmte wordt afgerekend niet meer wordt toegepast. Ik vind deze redenering niet het beste.
De tweede redenering, die leidt tot ontkennende beantwoording van deze vraag vind ik het beste. Ik maak voor een antwoord op deze vraag een analoge redenering met betrekking tot de invoering van de inkomensafhankelijke huurverhoging.

In het kader van deze verhoging is een discussie gevoerd of de verhuurder informatieplicht naar de huurdersorganisatie had. Ook hier werd ter discussie gesteld of de hier bedoelde informatieplicht van toepassing was, omdat er sprake was van een wetswijziging op grond waarvan de verhuurder haar beleid had gericht. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch bevestigde in hoger beroep in haar arrest van 13 maart 2014 ( LJN: BL9272, voorzieningenrechter rechtbank 's-Hertogenbosch, 209313/KG ZA 10-177) dat er sprake is van wijziging van beleid van de verhuurder betreffende de huurverhoging. De huurdersorganisatie had daarom over dit beleid geïnformeerd dienen te worden conform het bepaalde in artikel 5 Wohv. Het hof was van mening dat de verhuurder haar eerdere beleid ter zake de jaarlijks door haar aan te zeggen huurverhoging had gewijzigd vanwege de noodzakelijk te maken keuze of er slechts een huurverhoging met inflatiecorrectie in rekening zou worden gebracht of een verhoging inclusief de extra verhoging boven de inflatiecorrectie. Hier ging het hof er dus vanuit dat de verhuurder niet verplicht was deze wijziging over te nemen. De verhuurder kon immers ook de huurverhoging op de oude voet voortzetten, namelijk slechts de huurders doorbelasten met de inflatiecorrectie, zoals de laatste jaren was gedaan. De verhuurder heeft hier volgens het hof dus de keuze haar oude beleid voort te zetten, dan wel de inkomensafhankelijke verhoging toe te passen.
Deze keuzemogelijkheid heeft de leverancier van warmte niet.

De leverancier (dat is vaak de verhuurder bij blokverwarming) heeft geen keuzevrijheid om het reeds ingezette beleid op de oude voet voort te zetten, zoals de verhuurder heeft bij de toepassing van de inkomensafhankelijke huurverhoging. Door de wettelijke regeling van de Warmtewet moet de berekening van de kostprijs van warmte volgens de door wet voorgeschreven regels vanaf 1 januari 2014 plaatsvinden. Uit de redenering van het hof over de huurprijswijziging is voor de toepasselijkheid van de Wohv van belang dat voor wijziging van beleid een keuzemogelijkheid van de verhuurder aanwezig is en dat het gewijzigde beleid tevens op initiatief van de verhuurder tot stand komt.
De keuzevrijheid om de gewijzigde regels van huurverhoging toe te passen dient dus als beleid in de zin van artikel 3 lid 1 Wohv worden aangemerkt: immers de verhuurder die door de nieuwe wettelijke regeling de mogelijkheid heeft het eerder gevoerde beleid te continueren, doch daarvan ingevolge een nieuwe wettelijke mogelijkheid afstapt, past een wijziging toe van het haar gevoerde beleid waarover de huurdersorganisatie moet worden geïnformeerd. Zou de verhuurder slechts een inflatiecorrectie hebben toegepast, dan was er geen sprake geweest van een beleidswijziging waarover de huurdersorganisatie geïnformeerd diende te worden. In deze zaak had de verhuurder jaren een inflatiecorrectie toegepast (eveneens op basis van de wet) en was in 2013 overgestapt op een huurverhoging van een inflatiecorrectie plus een reële verhoging.
Dat de verhuurder slechts de wettelijke regeling uitvoerde en er dus niet sprake was van een beleidswijziging werd niet gevolgd, mede omdat de verhuurder de keuze had om ook ingevolge deze nieuwe wijziging van de wet haar oude beleid voort te zetten.

In het kader van de wijziging van levering van Warmte is geen beleidsvrijheid aanwezig ten behoeve van de leverancier (verhuurder). Er is geen sprake van keuzevrijheid om de levering van warmte als hier bedoeld anders in te richten als door de wet bepaald. Er kan dus niet worden gesproken van “zijn beleid en beheer” van de verhuurder als vermeld in artikel 3 lid 1 Wohv, maar over uitvoering van een wettelijke regel waaraan alle partijen (ook verbruikers, cq huurders) zijn gebonden. In dit geval geldt de goedkeuringsregel van 5a Wohv niet. Er valt immers door de huurdersorganisatie niets goed te keuring gezien het dwingendrechtelijke karakter van de regels van de Warmtewet. Strikt genomen zou de huurdersorganisatie hier het wettelijk beleid goed moeten keuren. Deze taak ligt echter niet bij de huurdersorganisatie en ook niet bij de verhuurder, maar bij het parlement. De Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0) van Vereniging van woningcorporaties Aedes adviseert op pagina 26 wel om de huurders tijdig te informeren. Er staat niet dat de verhuurder instemming nodig heeft met deze wijzigingen.

Met name wegens de argumentatie als genoemd onder de derde redenering ben ik van mening dat artikel 5a Wohv voor deze regel niet geldt en dat er derhalve geen instemming hoeft te worden gevraagd aan de huurderorganisatie ex artikel 5a Wohv voor de gewijzigde berekening van levering van warmte. Dit geldt eens te meer nu een huurdersorganisatie wellicht kan worden verweten haar recht (quod non) van artikel 5a Wohv te misbruiken als van de verhuurder zou worden verwacht dat deze de huurdersorganisatie toestemming zou moeten vragen als hier bedoeld, omdat er voor de huurdersorganisatie geen ruimte is om de door de warmtewet ingevoerde regels af te wijzen.

Vergunningen>>

Met de Warmtewet hebben aanbieders van stadsverwarming vergunningen nodig. Ook worden bepaalde eisen gesteld en worden de prijzen aan regels gebonden. De huurder die via een warmtenet energie ontvangt kan niet zelf een leverancier kiezen. Boven is al uitgelegd dat een woningcorporatie die via blokverwarming door een collectief warmtenetwerk warmte doorgeeft aan de huurders als leverancier in de zin van de warmtewet wordt aangemerkt.

De verhuurder of eigenaar van een gebouw, die via blokverwarming haar huurders van warmte voorziet is op grond van artikel 9 lid 2 sub c Warmtewet niet verplicht een vergunning aan te vragen. De woningcorporatie zal dus wel als leverancier hebben te gelden. De bijzondere bepalingen voor vergunninghouders zijn voor de woningcorporaties niet van toepassing (de artikelen 9 tot en met 12a Warmtewet). De woningcorporaties zullen met de verbruikers een leveringsovereenkomst aan moeten gaan. Het is nog niet duidelijk wat heeft te gelden als energie niet door de corporatie wordt geleverd, maar door een werkmaatschappij van de corporatie (een energie BV).
Volgens artikel 9 lid 2 sub a en b Warmtewet is een leverancier ook niet verplicht een vergunning aan te vragen als hij warmte levert aan ten hoogste 10 verbruikers tegelijk en/of als er niet meer warmte per jaar wordt geleverd dan 10.000 gigajoules (equivalent van ongeveer 300 woningen). Als de leverancier aan één van de voorwaarden voldoet is het voldoende om vrijstelling te verstrekken.

Volgens de letter van de wet zouden de Energie BV’s vergunningplichtig zijn. Het is de vraag hoe hiermee omgegaan wordt. Volgens artikel 42 Warmtewet dienen leveranciers die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Warmtewet reeds warmte leveren en op grond van artikel 9 vergunningplichtig worden, binnen twee jaar na dat tijdstip een vergunning aan te vragen als bedoeld in artikel 10 Warmtewet. Als binnen die twee jaar de interpretatie duidelijk is kan men altijd nog een vergunning aanvragen als dit nodig mocht zijn.

De in rekening te brengen kosten>>

In het kader van de levering van warmte kunnen drie componenten kosten in rekening worden gebracht: de kosten voor het verbruik van warmte (de maximum prijs), de huur van de warmtewisselaar (indien aanwezig) en de meterhuur of de kosten voor het meten van het warmteverbruik.

De maximumprijs
De leverancier mag in beginsel bepalen welk bedrag hij in rekening brengt. Dit vloeit voort uit de contractsvrijheid, die de wet op grond van het overeenkomstenrecht biedt. De leverancier mag echter niet de maximumprijs aanpassen aan overschrijding van kosten. De maximumprijs geldt van rechtswege. De leverancier mag geen andere kosten in rekening brengen dan de kosten voor het verhuren of verkopen van de warmtewisselaar, de meetkosten en de maximumprijs (artikel 2 lid 3 sub a, b en c Warmtewet).

De maximumprijs wordt door de Autoriteit Consument & Markt vastgesteld. In de toelichting op de wet wordt gesproken dat deze taak bij de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) ligt. De Consumentenautoriteit, de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) en de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) vormen echter vanaf 1 april 2013 de toezichthouder Autoriteit Consument & Markt (ACM). De ACM geeft elk jaar in december door welk bedrag het gebruiksafhankelijke deel (vastrecht) en het variabele Gigajoule-tarief in euro’s mag luiden. Deze twee componenten vormen de maximumprijs (artikel 2 lid 3 sub a Warmtewet). De maximumprijs moet uiteraard nog worden vermenigvuldigd met het jaarverbruik van de warmteverbruiker, uitgedrukt in Gigajoule. Dit jaarverbruik wordt door de verhuurder geschat aan de hand van de eerdere verbruikscijfers. De maximumprijs voor levering van energie zoals vermeld in artikel 2 van het Warmtebesluit is dus maximumprijs zoals door de ACM gegeven vermenigvuldigd met het jaarverbruik.

Deze componenten zijn in het besluit tot vaststelling van de maximumprijs en de berekening van de eenmalige aansluitbijdrage en het meettarief warmteverbruik per 1 januari 2016 Besluit tot vaststelling van de maximumprijs en de berekening van de eenmalige aansluitbijdrage en het meettarief warmteverbruik per 1 januari 2016. vastgesteld. De door de ACM vastgestelde tarieven (vastrecht, prijs voor gebruik per gigajopule en de eenmalige aansluitkosten vanaf 2016 en de daaraan voorgaande jaren vindt u hier. Verder mag een redelijk bedrag voor het ter beschikking stellen van een warmtekostenverdeler in rekening worden gebracht.

De huurders van een complex die te maken hebben met een gemeenschappelijke installatie betaalden tot en met 2013 als servicekosten een bedrag dat is opgebouwd uit de volgende componenten: gas voor de ketel, elektriciteit voor de pompen, kosten van verdeelmeters en kosten voor uitlezing daarvan. Door berekening van de kosten op basis van de warmtewet wordt er dus niet meer uitgegaan van toerekening van de werkelijke kosten aan verbruikers, maar van berekening van een tarief aan de verbruikers in de vorm van een vastrecht en een bedrag voor een variabel deel.

De berekening op grond van de Warmtewet bestaat uit minder componenten, namelijk: een bedrag aan vastrecht (artikel 2 lid 3 sub b en c Warmtewet) en een bedrag voor een variabel deel (artikel 5 lid 2 Warmtewet). Daarnaast mag het bovengemelde tarief voor meting van het warmteverbruik in rekening worden gebracht en mag een redelijk tarief voor het beschikbaar stellen van een warmtekostenverdeler in rekening worden gebracht. Dat laatste component bevat geen voorgeschreven tarief door de ACM. Als de leverancier in een appartementencomplex één gigajoulemeter heeft geplaatst bij het punt waar de geleverde verwarming van de stadverwarming binnenkomt (als bij niet elk afzonderlijk appartement een gigajoulemeter geplaatst kan worden), maar er wel bij elke woning een warmtemeter is geplaatst, kan de leverancier kosten voor de gigajoulemeter en voor de warmtemeter doorbelasten.

De leverancier heeft niet de garantie dat de exploitatie van het warmtenet kostendekkend is. Nacalculatie van de servicekosten zoals tot en met 2013 aan de orde was, zal niet meer worden toegepast, voor zover de werkelijke kosten uitstijgen boven de maximumbedragen. Het is immers mogelijk dat de maximumgigajouleprijs voor een bepaald netwerk niet kostendekkend is; hoe hoger het verbruik, des te hoger het verlies. Een installatie met een ongunstig rendement is in het nadeel van de leverancier, omdat slechts de afgifte van warmte in gigajoules wordt gemeten. De leverancier zal een te dure inkoop van gas en elektriciteit niet op de verbruiker afwentelen. Dat geldt ook voor een niet goed ingeregelde installatie en te lang doorstoken buiten het echte stookseizoen. Door het laatste punt zal een ketel niet optimaal renderen. Bij een kleine warmtevraag buiten de seizoenen draait het systeem immers minder efficiënt. Het mindere rendement komt voor rekening van de leverancier. De ACM heeft het gemiddeld rendement van de installatie immers al verdisconteerd in de maximumprijs (zie artikel 4 Warmtebesluit ). Als de installatie een slechter rendement heeft dan het door het ACM berekende gemiddelde rendement van de installatie, dan zal dit het resultaat nadelig beïnvloeden. Bij de berekening van de verbruikskosten wordt niet meer uitgegaan van de werkelijke kosten die zijn gemaakt, maar van de kosten ter hoogte van maximaal de door de ACM vermelde maximumprijs (vermenigvuldigd met het jaarverbruik van de verbruiker). Correctie van het verbruik voor het warmteverlies in het ketelhuis is dus niet toegestaan. In het vonnis van kantonrechter van 11 januari 2017 ( ECLI:NL:RBNHO:2017:202) werd echter beslist dat de maximumprijs niet kan worden doorberekend als de redelijke prijs (de werkelijke kosten) lager zouden zijn dan de maximum bedragen. De kantonrechter onderbouwt dit door verwijzing artikel 2 Warmtewet en de Memorie van toelichting bij deze wet. Ik snap deze redenering niet zo. Ik dacht dat het juist de bedoeling was om door de Warmtewet de verhuurder te bewegen efficiënte installaties aan te schaffen, waardoor het verschil tussen de maximum kosten en de lagere werkelijke kosten aan de verhuurder toe zou vallen als "een beloning" voor de toegepaste energiezuinige maatregelen.

De berekening van de totale exploitatiekosten kan dan als volgt geschieden: het aantal woningen in een complex maal het door de ACM vastgestelde bedrag van vastrecht plus het totaal geschatte gigajoules maal de gigajouleprijs. Er is geen regeling voor een berekening van een maximum voorschotbedrag. De Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0) van Aedes geeft het volgende voorbeeld: bij een complex van 40 woningen met blokverwarming met een gemiddeld GJ-verbruik van 30 (totaal 1.200 GJ) is de maximale prijs die in rekening kan worden gebracht voor het gehele complex: 40 x € 276,13 + 1.200 x € 22,66 = € 38.237,20 (ik heb de prijzen gerelateerd aan de prijzen die over 2016 gelden). Voor de tarieven klikt u hier). De leverancier (verhuurder) kan een redelijke schatting maken in het kader van de beoordeling of de voorschotbedragen voor de servicekosten redelijkerwijs overeenkomen met de noodzakelijke inkomsten vanuit de exploitatie.

Slechts het gedeelte in het Besluit servicekosten dat over warmtelevering gaat, zal komen te vervallen; het overige in dit besluit blijft gehandhaafd. De toeslag voor administratie blijft dus ook bestaan door handhaving van dit besluit. De kosten van toeslag voor administratie zijn niet van toepassing als een derde direct levert aan de verbruiker (bijvoorbeeld stadsverwarming).

Mr Rube (Mr. J. Rube, artikel Huurcommissie toetst warmtegeschillen aan zowel Warmtewet als huurrecht, 20 november 2015, website Rube & Wijnveld Advocaten (http://www.rubewijnveld.nl/2015/11/) is van mening dat de Huurcommissie de kosten van de geleverde warmte dient te toetsen aan artikel 18 UHW. De Huurcommissie dient naar zijn mening de kosten van warmtelevering te toetsen aan de “voor de berekening daarvan geldende wettelijke voorschriften en aan de redelijkheid”. De Warmtewet is volgens hem enerzijds een wettelijk voorschrift, waaraan de Huurcommissie haar berekening van de kosten dient te toetsen. Anderzijds moet de Huurcommissie rekening te houden met het redelijkheidsvereiste als bedoeld in de UHW. Deze redenering heeft tot gevolg dat de maximumprijs als genoemd in de Warmtewet de bovengrens vormt voor de betalingsverplichting die de huurder opgelegd kan worden. Als de geleverde warmte hogere kosten met zich mee brengt dan volgens de Warmtewet maximaal in rekening gebracht kan worden, dan kan bij de huurder alleen een prijs in rekening gebracht worden die is gebaseerd op berekening van de maximumprijs zoals door de Warmtewet voorgeschreven. Mochten deze kosten lagere uitvallen dan de maximumprijs, dan zou de redelijkheid als vervat in artikel 18 UHW met zich meebrengen, dat alleen de werkelijke kosten, die lager liggen dan de maximumprijs, in rekening gebracht mogen worden.

De wetgever is er altijd van het standpunt uitgegaan dat de verhuurder geen winst op de servicekosten mag maken. In het kader van dit uitgangspunt is een dubbele redelijkheidstoets wél te verdedigen. Uit het huidige Beleidsboek servicekosten en nutsvoorzieningen van de Huurcommissie 2016 valt uit bladzijde 12 van dit beleid deze dubbele toetsing echter niet zonder meer duidelijk beschreven. Er staat wél in dit beleid dat de Huurcommissie deze kosten mede bepaald op basis van de bepalingen van de Warmtewet. Er staat niet dat door de Huurcommissie uitsluitend de bepalingen van de Warmtewet als basis van deze kosten worden gebruikt. Er staat bovendien wél in het beleid dat de Huurcommissie de afrekening toets en de werkelijk gemaakte kosten door de verhuurder. Verder staat in het beleid dat de Huurcommissie daarnaast toetst dat de kosten niet uitkomen boven de maximumprijs volgens de Warmtewet. Dit geeft dus ook een ingang tot de dubbele redelijkheidstoets.

Ik ga ervan uit dat de Huurcommissie eerst toetst of het verbruik niet boven de maximum bedragen uit komt, waarna door de Huurcommissie wordt getoetst of de werkelijke kosten onder deze maximumkosten blijven. Op bladzijde 21 van de Memorie van toelichting staat dat onder een redelijke prijs moet worden verstaan een prijs die is gebaseerd op de redelijkerwijs aan de warmtelevering toe te rekenen aantoonbare kosten aangevuld met een redelijk rendement voor de warmteleverancier. Het begrip “redelijkerwijs aan de warmtelevering toe te rekenen aantoonbare kosten” moet volgens de toelichting restrictief uitgelegd te worden. De door de vergunninghouder in rekening te brengen prijs voor warmtelevering wordt begrensd door de in het derde lid bedoelde maximumprijs. Voor zover de toepassing van een in dit artikel bedoelde “redelijke prijs” hoger uitkomt dan de door het ACM vastgestelde maximumprijs geldt de maximumprijs. Daarentegen is het een vergunninghouder niet toegestaan de maximumprijs in rekening te brengen als de in artikel 5 lid 1 en 2 Warmtewet bedoelde “redelijke prijs” lager zou uitkomen. De redelijkheidstoets zit dus al ingebouwd in de Warmtewet, zodat het niet nodig is terug te vallen op de Uitvoeringswet Huurprijzen Woonruimte. Het valt te verdedigen dat de specifieke regeling als genoemd in de Warmtewet boven de regeling van de Uitvoeringswet Huurprijzen Woonruimte gaat. Anderzijds valt het in het kader van de redelijke niet goed te rijmen als de huurder toch kosten gebaseerd op de maximum bedragen dient te betalen, als de redelijke berekende kosten onder dit maximum uitkomen. Aangezien de Warmtewet is bedoeld om de verbruikers te beschermen tegen te hoge doorberekende kosten, kan het doorbelasten van de kosten boven de werkelijke kosten niet op grond van de Warmtewet worden verklaard als de huurder op basis van het huurrecht op een lager bedrag dan de op grond van de Warmtewet berekend kan worden. Uit de motie van het lid Faber- van de Klashorst van 11 juni 2013 blijkt eveneens dat de doorleveringskosten van warmte van redelijke aard dienen te zijn. Volgens artikel 16 van het regelement van de Geschillencommissie Warmtelevering worden de beslissingen door de commissie naar redelijkheid en billijkheid genomen. Ook hier wordt de redelijkheid en billijkheid als kernwaarde gesteld.

Niet Meer Dan Anders principe als uitgangspunt voor bepaling van de maximumprijs
Bij de vaststelling van de maximumprijs wordt uitgegaan van het Niet Meer Dan Anders (NMDA)-principe; de prijs voor warmte wordt gerelateerd aan de gassituatie van een individuele gasgestookte cv-installatie van een huishouden (een gemiddelde verbruiker van gas is iemand met een G6 meter en een combiketel met HR107 label met comfortklasse CW4 voor tappen). Dit principe vindt haar basis in artikel 5 lid 2 Warmtewet. De verbruiker heeft de zekerheid niet meer te betalen dan de verbruiker die is aangesloten op gas. Bij kleinverbruikers kan voor de referentie gassituatie gekeken worden naar gereguleerde tarieven en gemiddelde gasprijzen, maar voor grotere afnemers bestaat een dergelijke referentie van tarieven en prijzen niet. Tarieven voor grotere verbruikers ontstaan in het algemeen in onderhandeling van de vrije markt. De verschillen tussen deze grote afnemers zijn te groot om als referentie voor een gemiddelde gasprijs te kunnen dienen.

De kosten van stadsverwarming verschillen per installatie. De kosten hangen af van de techniek van de productie van warmte. De kostprijs van warmte kan enorm verschillen en is afhankelijk van de bron van de warmte. Volgens een rapport van TNO van 2011 (De bescherming van de consument op grond van de Warmtewet, TNO (centrum voor economische vraagstukken) staat het verschil tussen de werkelijke kosten en de in rekening gebrachte kosten op gespannen voet met het mededingingsrecht. Door het mededingingsrecht wordt immers getracht door de marktwerking een redelijke prijs per specifiek geval te vormen, hetgeen door de uniformiteit van de prijs niet gebeurt. Dit gegeven heeft volgens het rapport van TNO tot effect dat de positie van de consument is verslechterd, omdat de redelijkheidstoets van verbruikte warmte per individueel geval is verlaten. Aangezien echter iedere vorm van concurrentie tussen warmteleveranciers volgens TNO ontbreekt en de verbruikers niet over kunnen stappen naar andere leveranciers is een beroep van de verbruiker op het mededingingsrecht de enige mogelijkheid om op te treden tegen een bepaalde vorm van uitbuiting door de leverancier door te hoge prijsstelling.

Opbouw van de maximumprijs
In artikel 5 Warmtewet is het volgende over de maximumprijs gesteld. De maximumprijs is gebaseerd op de integrale kosten die een verbruiker zou moeten maken voor het verkrijgen van dezelfde hoeveelheid warmte bij het gebruik van gas als energiebron. Deze kosten worden bepaald met de rendementsmethode.

De maximumprijs is opgebouwd uit:

  • een gebruiksafhankelijk deel, uitgedrukt in een bedrag in euro per gigajoule (dit is maximaal het aantal afgenomen gigajoules vermenigvuldigd met de maximumgigajouleprijs voor dat jaar), en
  • een gebruiksonafhankelijk deel (artikel 5 lid 3 Warmtewet spreekt over redelijke kosten voor ter beschikking stellen van de warmtewisselaar en de redelijke kosten (zie ook artikel 8 lid 1 Warmtewet) voor het meten van het warmteverbruik) uitgedrukt in een bedrag in euro. Deze kosten zijn gebaseerd op basis van het gewogen gemiddelde meettarief voor huishoudelijke gasmeters. Als er geen meter is geïnstalleerd die het individuele verbruik meet, dan worden deze kosten niet in rekening gebracht. Bij het gebruik van een kostenverdeelsystematiek kan de leverancier de kosten van verbruik in het gemeenschappelijke belang en de kosten voor de uitvoering van de kostenverdeelsystematiek in rekening brengen, maar het hoeft niet.
Daarnaast mogen de volgende kosten in rekening worden gebracht:
  • de kosten voor de warmtekostenverdelers (afschrijving, onderhoud en administratie);
  • eventuele collectieve warmtekosten (centrale GJ-meter, collectieve warmtewisselaar).
In de maximumprijs zitten de kosten van verwarming van het huis van de verbruiker én van warm tapwater. Deze twee kostenposten samen mogen niet hoger zijn dan de maximumprijs die ACM heeft vastgesteld. De warmteleverancier mag zelf weten hoe hij dit in rekening brengt op de jaarafrekening. van de verbruiker: via aparte bedragen óf één totaalbedrag.

Deze kosten mogen niet meer in de servicekosten zijn begrepen. De verbruiker moet op de rekening terug kunnen zien wat er wordt betaald voor de warmte die is verbruikt. Die kosten mogen niet hoger zijn dan de maximumprijs die ACM vaststelt. Ook wordt het verbruik niet meer per eenheid afgerekend, maar per gigajoule. De kosten voor het verwarmen van de gemeenschappelijke ruimtes mogen apart in rekening worden gebracht. Die vallen niet onder de regels voor de maximumprijs van ACM. De verbruiker heeft op grond van de Warmtewet geen recht op inzicht in de opbouw van de in rekening gebrachte kosten. Hierin verschilt de regeling van artikel 7:259 BW . Sommige verhuurders zijn van mening dat zij door de regeling van de Warmtewet niet langer gehouden zijn een specificatie van het gebruiksonafhankelijke gedeelte van de warmtekosten te specificeren. De kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam besliste in haar vonnis van 18 november 2016 ECLI:NL:RBROT:2016:8645 over deze kwestie een oordeel moeten geven. De vraagstelling luidde of de verhuurder op grond van artikel 5 van de Warmtewet het recht heeft naar eigen inzicht, en dus zonder de verplichting deze te specificeren, gebruiksonafhankelijke kosten in rekening mag brengen bij haar huurders, zolang deze kosten het door de Autoriteit Consument en Markt vastgestelde maximumbedrag maar niet overschrijden. De kantonrechter deelde het standpunt van de verhuurder niet. Het doel van de Warmtewet is volgens de Memorie van Toelichting consumentenbescherming. De Warmtewet heeft onder andere tot doel individuele gebruikers te beschermen tegen te hoge tarieven. Deze beschermingsgedachte verdraagt zich niet met een verhuurder die naar eigen inzicht, en zonder daar verantwoording over af te hoeven leggen, gebruiksonafhankelijke kosten in rekening brengt. In de visie van de verhuurder zou zij, als voorbeeld, hoewel dit in deze zaak niet is gebeurd, als de ‘overige’ gebruiksonafhankelijke kosten zoals in deze zaak ongeveer € 200,00 bedragen, € 54,00 aan administratiekosten in rekening kunnen brengen en zodoende de gebruiksonafhankelijke kosten naar eigen inzicht ‘aanvullen’ tot het maximumbedrag van (voor het jaar 2014) € 254,00. Dit is volgens de rechter onaanvaardbaar en strookte niet met de consumenten-beschermingsgedachte van de Warmtewet. De kosten moeten controleerbaar zijn. Dit oordeel is niet onomstreden. De redelijkheidstoets zit volgens sommige schrijvers al ingebouwd in de Warmtewet, zodat het niet nodig is terug te vallen op de Uitvoeringswet Huurprijzen Woonruimte. Het valt te verdedigen dat de specifieke regeling als genoemd in de Warmtewet boven de regeling van de Uitvoeringswet Huurprijzen Woonruimte gaat. Anderzijds valt het in het kader van de redelijke niet goed te rijmen als de huurder toch kosten gebaseerd op de maximum bedragen dient te betalen, als de redelijke berekende kosten onder dit maximum uitkomen. Hier heeft de kantonrechter gekozen voor de laatste interpretatie. Ik heb overwegingen hierboven weergegeven in het onderdeel "De maximumprijs" in dit hoofdstuk.

Volgens artikel 7:259 BW heeft de verbruiker recht tot inzage van de aan het overzicht ten grondslag liggende boeken en andere bescheiden of van afschriften daarvan. De leverancier dient alleen een specificatie van de in rekening gebrachte bedragen te verstrekken. Als deze bedragen onder of op de door ACM vastgestelde maximum bedragen zijn gesteld, dan zit de leverancier goed. De leverancier is dus niet gehouden de verbruiker inzicht te geven in het rendement van zijn installatie in de zin van de Warmtewet (het verschil tussen de in rekening gebrachte kosten van energie en de kosten die aan de verbruiker in rekening gebracht mogen worden). Deze gegevens moet de leverancier wél aan de ACM verstrekken volgens artikel 7 Warmtewet. Als de verbruikskosten onder de maximumprijs uitkomen, dan zal de leverancier op grond van de redelijkheid niet de hogere maximum kosten in rekening mogen brengen.

Het is belangrijk zich te realiseren dat een leverancier/verhuurder met deze componenten kan spelen. Deze kan kiezen tussen een hoog bedrag aan vastrecht en een laag gigajouletarief of andersom. De leverancier/verhuurder kan een bepaald tariefsysteem hanteren, die de maximumprijs benadert. Men moet er wel voor zorgen dat de maximumprijs niet wordt overschreden. In het kader van het spelen met deze componenten kan de verhuurder er ook voor kiezen een bepaalde combinatie met betrekking tot bepaalde complexen afzonderlijk te bepalen. De verhuurder kan er ook voor kiezen een uniforme prijs (één vastrechtprijs en één gigajouleprijs) voor alle complexen te vragen. Dit kan het ongewenst neveneffect hebben grote prijsveranderingen per complex te veroorzaken in vergelijking met de rekenmethode, die tot over de verbruiken tot en met 2013 toegepast moet worden. De ACM controleert slechts of het maximum niet wordt overschreden. Met de invulling van de componenten van de maximumprijs houdt de ACM zich uitdrukkelijk niet bezig. Aedes waarschuwt in haar handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 1.0) dat het spelen met deze componenten voor de verbruiker verwarring kan veroorzaken, waardoor er verbruikers op het verkeerde been gezet kunnen worden (waarom hebben de buren een maximumprijs dat is opgebouwd uit andere bedragen), waardoor er wellicht onnodige zaken bij geschillencommissies gevoerd kunnen worden. Aedes adviseert in haar handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0, september 2014) zowel het GJ-tarief en het vastrechtbedrag beiden onder de berekende waarden voor de maximumprijs te laten stellen. De leverancier voldoet dan altijd aan de eis van de Warmtewet.
De wetgever is er altijd van het standpunt uitgegaan dat de verhuurder geen winst op de servicekosten mag maken. Eerder ging ik ervan uit dat de Warmtewet van dit beginsel af week en dat de leverancier/verhuurder op basis van de afrekening van warmte winst mag maken als er zeer efficiënte installaties in het complex woningen staan opgesteld, waarin het gehuurde is gevestigd. Ik ben nu echter van mening dat door de hierboven in het onderdeel “De maximumprijs” besproken toetsing aan de redelijkheid niet meer in rekening mag worden gebracht dan de werkelijke kosten. De maximum huurprijs dient als bovengrens, waarboven geen kosten doorbelast mogen worden. Dit lijkt mij ook wel logisch, omdat de Warmtewet niet is bedoeld om de verbruiker meer te laten betalen, dan bij een berekening van redelijke kosten het geval zou zijn. Het is daarentegen de bedoeling om de kosten van warmte in ieder geval niet boven de maximum bedragen uit te laten stijgen, die door de ACM zijn vastgesteld.

Het gebruiksonafhankelijke deel (vastrecht) en de maximumgigajouleprijs in euro’s worden jaarlijks vooraf door de ACM vastgesteld. Artikel 3 eerste lid van het Warmtebesluit geeft een formule op welke wijze de onderdelen van de vaste kosten berekend dienen te worden. Op pagina 9 van de toelichting op het Warmtebesluit worden als vaste kosten aangemerkt: de jaarlijkse vaste kosten voor levering, transport en de kosten voor instandhouding van de aansluiting van gas en het verschil tussen de gebruikskosten in een gassituatie en een warmtesituatie.
Artikel 2 van de Warmteregeling noemt de bedragen waarvan kan worden uitgegaan en die kunnen worden vermeld in de formule als genoemd in artikel 3 lid 1 van het Warmtebesluit. Een onderdeel van deze formule is het verschil in gebruikskosten bij het gebruik van gas als energiebron en bij het gebruik van warmte als energiebron. Onderdeel van deze gebruikskosten zijn de kapitaalslasten van een cv-ketel, waarvoor vaststelling van een aantal factoren benodigd is. Een toelichting over deze posten is uitgewerkt in paragrafen 2 en 3 bij de toelichting op de Warmteregeling .

De ACM heeft dus de vaste bedragen, zoals genoemd in artikel 2 van deze regeling, in een gassituatie (bijvoorbeeld: de jaarlijkse afschrijving van een cv-ketel, onderhoud aan deze ketel, correctie elektrisch koken) en de variabele kosten, zoals genoemd in artikel 3 van deze regeling, (bijvoorbeeld: brandstofrendement van de warmteproductie van het gasverbruik in een gaswoning, de bepaling van de verhouding tussen ruimteverwarming en tapwater, de vaststelling van het rendement van ruimteverwarming en het taprendement) berekend teneinde de maximumprijs te kunnen bepalen. Deze referentiewaarden worden bij ministeriële regeling vastgesteld, omdat de hoogte ervan kan veranderen in de tijd, bijvoorbeeld door invloed van technologische ontwikkeling. Er kan dus een nieuwe indexering plaatsvinden. Volgens de toelichting bij deze regeling vindt een dergelijke indexering in elk geval elke vier jaar plaats.

Volgens artikel 5 lid 3 Warmtewet treedt de maximumprijs in werking op een door de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit te bepalen datum en geldt tot 1 januari van het jaar volgend op de datum van inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de maximumprijs. De maximumprijs kan worden gecorrigeerd door het rendement dat de woningcorporatie in het verleden heeft behaald op zijn warmtenetten. In artikel 7 Warmtewet is de zogenaamde rendementsmonitor opgenomen. Indien het behaalde rendement hoger is dan de vastgestelde redelijke regeling, kan de NMa de maximumprijs verlagen.
Het in artikel 7 Warmtewet weergegeven rendementscriterium is een vaag criterium, omdat nog niet bekend is op welke wijze het rendement wordt vastgesteld (oktober 2016).

De berekening van het energieverbruik; het gebruiksafhankelijke deel
Het gebruiksafhankelijke deel bestaat uit een bedrag in euro’s dat is opgebouwd uit een afgenomen aantal gigajoules vermenigvuldigd met de maximumgigajouleprijs. Voor berekening van dit bedrag moet het aantal afgenomen gigajoules bekend zijn. Er zijn vooralsnog drie methoden om het gebruik te meten:

  1. Via een eigen warmtemeter in de woning van de afnemer (voorkeur van de wet zie artikel 8 lid 2 Warmtewet)
  2. Via een warmtekostenverdeler. Dit is een apparaat dat het warmteverbruik per radiator meet ( artikel 8a lid 1 Warmtewet). Hte volgende onderscheid is hierbij van belang. Een Gigajoulemeter meet het warmteverbruik. Kostenverdeelmeters geven niet het verbruik per woning aan, maar geeft alleen aan hoeveel meer of minder er is gestookt in vergelijking tot andere woningen. Bij het bekend worden van het werkelijk verbruik kunnen de gemeten eenheden aan het totale energieverbruik worden gekoppeld. De elektronische radiatormeter is een tweepuntsmeter. Dit houdt in dat hij zowel de temperatuur van de radiator als van uw woonruimte meet. De meter telt alleen als de radiator warmte afgeeft. Doordat de elektronische meter zeer nauwkeurig is, telt hij ook bij zeer geringe warmteafgifte. De meter begint te tellen als de temperatuur van de radiator minimaal 23° C bedraagt en de temperatuur van uw woonruimte minstens 4° C lager is. Aan het einde van de afrekenperiode slaat de meter de eindstand automatisch op. Er moeten per radiator verschillende omrekenfactoren worden gebruikt. Bijvoorbeeld: De halradiator geeft een stand aan van 800. De omrekenfactor is 0.15. Het berekende warmteverbruik is hier (0.15 x 800 =) 120. De woonkamer echter heeft, gezien zijn capaciteit, een omrekenfactor van 0.95. Als er een stand van 5600 geregistreerd is dan is het berekende warmteverbruik (0.95 x 5600 =) 5320. (bron: www.ista.com).
  3. Met een kostenverdeelsystematiek ( artikel 8a Warmtewet). Dit is een formule om de kosten voor warmte van een groep woningen eerlijk te verdelen. Zodat iedereen een rekening krijgt die past bij zijn eigen verbruik. Gezamenlijke kosten worden ook verdeeld.
Artikel 2 van het Warmtebesluit geeft de formule waarmee de maximumprijs voor levering van warmte wordt vastgesteld. Artikel 3 en 4 van het Warmtebesluit geven hiermee inzicht in de kostencomponenten van gaslevering, waaruit de maximumprijs voor warmtelevering is opgebouwd. De toetsing zelf geschiedt, volgens de toelichting bij dit besluit (pagina 8), aan de maximumprijs en niet aan de losse componenten. Deze componenten zeggen volgens de toelichting slechts iets over de kostenopbouw in de gassituatie.

Volgens de Warmtewet mag er niet meer met reducties gewerkt worden. Ook wel de zogenaamde correctiefactoren genoemd. De gedachte van de wetgever hierachter is dat de verbruiker zelf controle moet hebben op zijn verbruik, en niet de omgeving. De omgevingsfactoren zijn immers niet de keuze van de verbruiker. De wetgever heeft er daarom voor gekozen om alleen nog maar de warmtekosten op basis van het individuele verbruik te baseren. Daarnaast is in de wet opgenomen dat er bij een kostenverdeelsystematiek (bij afwezigheid van een individuele warmtemeter of individuele warmtekostenverdelers) van een zo nauwkeurig mogelijke benadering van het werkelijke aandeel van het verbruik van een verbruiker wordt uitgegaan, voor zover dat technisch dan wel financieel mogelijk is (brief van 7 juli 2014 van de Minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer bladzijde 8 ). De wet gaat er vanuit dat er geen individuele meters aangebracht hoeven te worden als de kosten in verhouding tot de opbrengst geen besparing op lange termijn oplevert.

De minister zal de wet aanpassen en correctiefactoren toch van toepassing achten in de volgende situatie: als door de ligging van de woning sprake is van warmteverlies en transportleidingen weinig of geen isolatie is aangebracht. Als voorbeeld wordt genoemd: Een appartement dat op de bovenste etage op het noorden gelegen is gebruikt meer warmte dan een appartement dat in het midden van het gebouw gelegen is. Als deze woning niet of slecht is geïsoleerd, dan is er sprake van verlies van warmte. Dat geldt ook voor leidingverlies via transportleidingen (stijgleidingen en ringleidingen). In de praktijk is er nogal eens sprake van verwarming van woningen via muren, vloeren en plafonds, zonder dat de bewoners hun radiatoren hoeven aan te zetten omdat de buurman aan het stoken is.

Als er geen correctie plaatsvindt, dan wordt de individuele verbruikers geconfronteerd met een significante stijging van de energierekening. In artikel 2 lid 4 Warmtewet staat dat een leverancier zich onthoudt van ieder ongerechtvaardigd onderscheid jegens zijn verbruikers. Een dergelijke correctie is niet in strijd met dit artikel. Warmteafgifte door stijgleidingen in de woning is immers wel degelijk aan te merken als warmtelevering in de woning, hetgeen correctie rechtvaardigt; het is alleen lastig dat daar geen meetmethode voor aanwezig is (Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0), bladzijde 13 door Aedes). Aedes adviseert wel dat de corporatie de wijze vastlegt waarop zij met de correcties omgaat.
De leidingverliezen bij collectieve ketelinstallaties in het ketelhuis kunnen niet worden herleid tot het stookgedrag van de individuele afnemers. Het toestaan van correctiefactoren voor deze categorie leidt tot onevenredige verdeling van de kosten voor de verbruikers en is derhalve onwenselijk. Deze verliezen zijn reeds verdisconteerd in de maximumprijs (brief van 7 juli 2014 van de Minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer bladzijde 9 ).

De volgende correcties worden dus toegestaan:

  • correctie van het verbruik vanwege de ligging van de woning in het appartementencomplex (bijvoorbeeld situering van woning tussen verwarmde woningen en profijt van sommige woningen van gemeenschappelijke warmteleidingen);
  • correctie voor de warmteverliezen in de transportleidingen.
Correctie van het verbruik voor het warmteverlies in het ketelhuis wordt niet toegestaan.

Het Beleidsboek servicekosten en nutsvoorzieningen van de Huurcommissie 2016, pagina 11 geeft als correctiefactor bovendien een mogelijkheid om rekening te houden met een collectieve stookinstallatie die onvoldoende functioneert en/of dat de stookkosten onredelijk hoog zijn. Ik vraag mij echter af of dit een grote rol zal spelen, omdat er bij collectieve installaties verwacht kan worden dat er tenminste één Gigajoulemeter tussen de installatie en leidingen zit gemonteerd, waardoor de geleverde warmte als uitgangspunt wordt genomen en een slecht rendement van de ketel niet langer op het bordje van de huurders wordt gelegd. Als er nog geen Gigajoulemeter aanwezig is, dan adviseer ik de huurders/verbruikers aanleg van een dergelijke meter te vorderen en vervolgens beroep te doen deze redelijkheidstoets bij aanwezigheid van een collectieve ketel met een slecht rendement.

Voor de berekening van waarden die nodig zijn ten behoeve van de berekening van de maximumprijs vanuit de gassituatie is het nodig het rendement van een gasgestookte installatie op een bepaalde gemiddelde waarde te stellen Bij de vaststelling van het rendement voor ruimteverwarming en van het taprendement is gebruik gemaakt van de analyse van Haskoning. Het gemiddelde rendement voor ruimteverwarming is vastgesteld op 90%. Bij de bepaling van dit rendement is een temperatuurcorrectie aangebracht. Reden hiervoor is dat indien alleen een woonvertrek wordt verwarmd of niet alle radiatoren worden opengezet, de ketel wordt gedwongen op een hogere temperatuur te werken waardoor het hoge rendement dat de ketel in principe zou kunnen halen (96,3%) niet wordt bereikt. Voor de bepaling van het rendement voor tapwater wordt uitgegaan van een combitoestel omdat dit het meest gebruikt wordt. Haskoning gebruikt voor de vaststelling van het taprendement een gemiddelde van wat er aan Gaskeur certificaten bekend is en komt uit op een rendement voor tapwater van ruim 65% (zie de toelichting op de Warmteregeling, pagina 5). Het is duidelijk dat een leverancier (verhuurder) met een hypermoderne installatie minder kosten kan maken dan waarmee met de bepaling van de maximumprijs rekening is gehouden flink kan verdienen als de berekende kosten lager zijn dan de werkelijke kosten om de noodzakelijke warmte op te wekken. Voor de leverancier (verhuurder) van een onzuinige installatie is dit precies omgekeerd: die zal waarschijnlijk niet kostendekkend de warmte kunnen produceren. Voor de verbruiker zijn de werkelijke verbruikskosten om de warmte op te wekken niet langer van belang. Voor de verbruiker is immers slechts de door het ACM vermelde maximumprijs van belang en de afgenomen hoeveelheid gigajoules. Een en ander kan anders liggen als er achter een gigajoulemeter een onevenredig warmteverlies optreedt. Dan kan er immers sprake zijn van een gebrek aan het gehuurde en dan dient er alsnog een extra correctie plaats te vinden.

In de Memorie van Toelichting Herziening Warmtewet 6 juli 2016 is gesteld dat de huidige regeling niet voorziet in de mogelijkheid om correctiefactoren toe te passen. Op grond van de uiteindelijke tekst van artikel 9 van de EED Richtlijn wordt het gebruik van correctiefactoren niet uitgesloten. Hierboven is het nodige gezegd. Om deze redenen wordt de mogelijkheid om correctiefactoren toe te passen alsnog in de wet opgenomen (artikel 8a, vijfde lid). Deze mogelijkheid wordt echter beperkt tot bestaande bouw. Bovendien wordt het toepassen van correctiefactoren niet verplicht. Het is een mogelijkheid waar leveranciers gebruik van kunnen maken, maar waar zij geen gebruik van hoeven te maken.

Ad 1. Een eigen warmtemeter in de woning
Artikel 8a lid 1 Warmtewet gaat primair uit van een berekening van kosten op basis van een individuele warmtemeter. Als er een bestaande meter aanwezig is, dan dient deze te worden vervangen als dit niet een gigajoulemeter is. In nieuwe woningen of tijdens ingrijpende renovatie dient een dergelijke meter geïnstalleerd te worden. Voor het gebruik van deze meter mag een redelijk bedrag aan huur in rekening worden gebracht. De warmtemeter is immers onroerend als deze onlosmakelijk aan de verwarming of in de meterkast zit vastgekoppeld. Bij een onroerende voorziening mogen de aanleg- of onderhoudskosten van de meter niet via de servicekosten worden doorberekend.

De gebruiker van woonruimte, die is aangesloten op stadsverwarming heeft doorgaans een doorstroommeter bij het aansluitpunt. De gebruiker van woonruimte die warmte via blokverwarming geleverd krijgt, wordt doorgaans bemeterd via een centraal entreepunt, of via radiatormeters. Als er bijvoorbeeld bij flatgebouwen verschillende leidingen door de woning lopen (is vaak het geval bij flatgebouwen), dan is er niet één entreepunt aanwezig, waarop een meter aangesloten kan worden en zal men doorgaans met radiatormeters het verbruik moeten meten. Bij een complex met verwarming door een WKO-installatie is er doorgaans wél één entreepunt per woning. Aangezien er echter in de zomer koude wordt geleverd en in de winter warmte wordt geleverd, is het apart bemeteren van koude en warmte lastig. Als er een bestaande meter aanwezig is, dan dient deze te worden vervangen als dit niet een gigajoulemeter is. In nieuwe woningen of tijdens ingrijpende renovatie dient een dergelijke meter, dan wel een afleverset (warmtewisselaar en een (warmte)meter) geïnstalleerd te worden. Een afleverset vormt de verbinding tussen het centrale warmtenet van een warmteleverancier en de binneninstallatie van een afnemer. Dit geldt zowel voor een individuele als collectieve afleverset.

Een antwoord op de vraag of een meter vervangen moet worden, of dat tot plaatsing van een meter overgaan moet worden, wordt beantwoord door artikel 8 lid 2 Warmtewet. Als er nu geen GJ-meter aanwezig is om het verbruik te meten, dan zal dit ook niet op basis van de Warmtewet verlangd kunnen worden als plaatsing van deze meter niet kostenefficiënt is. Ook na een verzoek van de verbruiker kan de leverancier/verhuurder zich immers beroepen op het feit dat het ter beschikking stellen van deze meetapparatuur technisch niet is te realiseren (bijvoorbeeld bij blokverwarming met meerdere stijgleidingen, waardoor geen centraal invoerpunt in een woning aanwezig is), dan wel dat dit op basis van financiële argumenten niet van de leverancier kan worden gevergd. De kern van de vraag zal hierover zijn: wanneer is het technisch onmogelijk of financieel onredelijk om individuele gigajoulemeters te plaatsen? Als het technisch onmogelijk of financieel onredelijk om individuele gigajoulemeters te plaatsen, dan hoeft de leverancier daartoe niet over te gaan.

Zonder een GJ-meter moet daarnaast een correcte omrekening van gas (m3) naar warmte (GJ) plaatsvinden die rekening houdt met de kwaliteit van gas en het brandstofrendement van de betreffende ketel. ACM raadt aan om eenmalig advies in te winnen bij een technisch adviesbureau om het juiste verbruik per verbruiker in GJ te kunnen bepalen. Iedere situatie is anders. Daarom kan ACM geen algemene formule hiervoor geven.

Het ACM geeft aan dat de leverancier wel gebruik mag maken van de door ACM gehanteerde omrekenformules in de berekening van de maximumprijs. Deze omrekenformules mogen niet worden gebruikt worden voor facturatie aan verbruikers. Voor de facturatie naar verbruikers dient immers de maximumprijs tot uitgangspunt te worden genomen. Voor de 3 mogelijke situaties zijn de omrekenformules als volgt:

  1. Ruimteverwarming: 1 m3 gas = 90% / (1 + 5%) * 0,03517 = 0,030146 GJ warmte;
  2. Warm tapwater: 1 m3 gas = 65% / (1 + 10%) * 0,03517 = 0,020782 GJ warmte;
  3. Bij ruimteverwarming én warm tapwater is het aandeel op totale verbruik nodig. In de maximumprijs wordt uitgegaan van 79% ruimteverwarming en 21% warm tapwater. Dit leidt tot: 1 m3=79%*0,030146 + 21%*0,020782= 0,028180 GJ.
De leverancier zal wel een gigajoulemeter moeten plaatsen als er sprake is van een ingrijpende renovatie van het gebouw en de gebouweninstallatie, waarbij ook de woningindeling wijzigt (artikel 8 lid 2 sub d Warmtewet). Er moet een gigajoulemeter worden geplaatst in een nieuw gebouw (artikel 8 lid 2 sub c Warmtewet).

Als er wel een centrale toevoerleiding is, moet de leverancier wel binnen redelijke termijn volgens de toelichting van Aedes een gigajoulemeter plaatsen. De Warmtewet bevat geen verplichting tot het plaatsen van warmtemeters bij de centrale installatie. Omwille van transparantie en om te voorkomen dat leveranciers en afnemers discussie moeten voeren over de correcte omrekening naar de hoeveelheid geproduceerde warmte is de Minister van mening dat in situaties met een gebouw gebonden installatie, waarbij door een centrale installatie gas wordt omgezet in warmte, het de voorkeur heeft dat de hoeveelheid door de installatie geproduceerde warmte daadwerkelijk gemeten wordt. De minister zal in situaties waarbij het niet mogelijk is om per woonlaag of per woning een gigajoulemeter te plaatsen de leverancier verplichten om bij de centrale installatie een gigajoulemeter te plaatsen.(zie brief van 7 juli 2014 van de Minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer bladzijde 10 ).

Het is mij niet duidelijk wat hier als een redelijke termijn wordt beschouwd. Als binnen vijf jaar een ingrijpende renovatie wordt gepland, kan dit dan bijvoorbeeld ook als redelijke termijn worden aangemerkt? Hoewel op grond van artikel 8a van de Warmtewet uitgaat van een berekening op basis van een zo nauwkeurig mogelijke benadering van het werkelijke aandeel van het verbruik van de individuele verbruiker, zal dit tot dezelfde discussies kunnen leiden als nu al het geval is. De discussie mag dan niet meer worden gevoerd op basis van kubieke meters gas en kWh, terwijl het omrekenen hiervan naar gigajoules niet is toegestaan. De verhuurder kan als het niet redelijk is om elke verbruiker van een gigajoulemeter te voorzien, ervoor kiezen om een bouwlaag van deze meter te voorzien, waarna het verbruik per verbruiker teruggerekend kan worden. Als dit ook niet mogelijk is, dan kan de verhuurder ervoor kiezen om de gigajoulemeter tussen de gemeenschappelijke installatie en de appartementen te plaatsen.

Het gigajouleverbruik kan dan in ieder geval worden herleid/afgeleid aan de hand van deze meter. Een gigajoulemeter in het ketelhuis houdt echter geen rekening met leidingverliezen. Als er (alleen) een gigajoulemeter meter in het ketelhuis is geplaatst, moet worden bepaald wat de leidingverliezen zijn. Deze leidingverliezen mogen niet in rekening worden gebracht bij de verbruikers, dus moeten van het totaalverbruik worden afgetrokken. Deze tussenoplossing is ook mogelijk als de verbruiker wel een gigajoulemeter dient te ontvangen, maar deze gewoon niet tijdig kan worden geleverd.

Zonder een gigajoulemeter moet daarnaast een correcte omrekening van gas (m3) naar warmte (gigajoule) plaatsvinden die rekening houdt met de kwaliteit van gas en het brandstofrendement van de betreffende ketel. Door een wijziging van het meetinstrumentenbesluit en de Regeling gebruik en installatie EU-meetinstrumenten zal de gigajoulemeter dienen te voldoen aan de richtlijn Meetinstrumenten (MID 2004/22/EG, MI-004) en NEN-EN 1434. Dit betekent dat deze meters geijkt moeten zijn en periodiek onderzocht moeten worden als deze meters in gebruik zijn genomen. De consument moet er altijd van uit gaan dat de meters nauwkeurig werken. ACM raadt aan om eenmalig advies in te winnen bij een technisch adviesbureau om het juiste verbruik per verbruiker in gigajoule te kunnen bepalen. Iedere situatie is anders. Daarom kan ACM geen algemene formule hiervoor geven. Als er regelmatig controle van de meters plaatsvindt, dan is de eenmalige controle minder van belang, want dan komt de meter toch wel op een zeker moment aan de beurt. Ik heb naar deze mogelijkheid van eenmalige controle ook verwezen in het onderdeel: "Onderwerpen geschillen".

Ad 2. Een warmtekostenverdeler
De leverancier mag subsidiair op grond van artikel 8a lid 1 Warmtewet de kosten van verbruik ook berekenen op basis van individuele warmtekostenverdelers die het warmteverbruik van elke radiator meten. De Warmtewet voorziet in deze situatie, in tegenstelling tot de situatie van meetkosten bij meting door middel van een individuele warmtemeter, niet in een tarief dat rechtstreeks in rekening kan worden gebracht bij de verbruiker. De kosten voor warmtekostenverdelers kunnen doorberekend kunnen aan de verbruikers. Deze kosten dienen redelijk te zijn en niet meer bedragen dan NMDA (brief van 7 juli 2014 van de Minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer bladzijde 10).

Ad 3. Een kostenverdeelsystematiek.
De leverancier mag meer subsidiair op basis van artikel 8a lid 2 Warmtewet de verbruikskosten zonder individuele warmtemeter, of zonder individuele warmtekostenverdelers berekenen op basis van een voor alle verbruikers inzichtelijke kostenverdeelsystematiek. Te denken valt aan een berekening op basis van vierkante meters of een hoofdelijke omslag. Tot en met 2013 werd voor sociale woonruimte het werkelijke verbruik van de huurder door de Huurcommissie als uitgangspunt genomen als er geen bemetering aanwezig is. Dit werkelijke verbruik van de huurder werd tot en met 2013 afgeleid uit het totale verbruik op basis van kubieke meters gas en kWh. Voor geliberaliseerde woonruimte werden tot en met 2013 de redelijke verbruikskosten tot uitgangspunt genomen. In de praktijk leek dit onderscheid in benadering een meer academische waarde te hebben. De discussie over het verbruik blijft dan hetzelfde (bijvoorbeeld liggingscorrecties, warmteverlies, verkeerd toegepaste m², etc.). Bij deze wijze van berekening kan een gelijk deel van de kosten over de woningen worden verdeeld (bijvoorbeeld 35%), terwijl het overblijvende gedeelte (65%) als variabel aangemerkt kan worden. De manier van berekening is niet verplicht. Er kan dus vanaf worden geweken.

In de Memorie van Toelichting Herziening Warmtewet 6 juli 2016 wordt opgemerkt dat de wanneer verbruikers geen individuele afleverset met individuele warmtemeter hebben, maar zijn aangesloten op een systeem van leidingen waarop op verschillende plaatsen warmtekostenverdelers zijn geplaatst ten behoeve van de verdeling van de kosten van het warmteverbruik, de Warmtewet in deze situatie niet voorziet in een afzonderlijk tarief dat rechtstreeks in rekening kan worden gebracht bij de verbruiker. Wel kan in deze gevallen het door ACM vastgestelde meettarief in rekening worden gebracht. Dit tarief is gebaseerd op het meten van het individueel verbruik met behulp van individuele meters in de gassituatie (de gasreferentie). De kosten voor het meten van het individuele verbruik met behulp van warmtekostenverdelers zijn over het algemeen hoger dan de kosten voor het meten met behulp van een individuele meter. Indien de leverancier deze kosten niet volledig terug kan verdienen, kiest de leverancier naar alle waarschijnlijkheid voor het verdelen van de warmtekosten met behulp van een kostenverdeelsystematiek, bijvoorbeeld op basis van vierkante meters. Een redelijke verdeelsleutel kan ook worden gebaseerd op objectieve, controleerbare criteria. Naast een kostensystematiek gebaseerd op vierkante meters kan ook worden gedacht aan een verdeelsleutel op basis van het totale verwarmde oppervlakte van de radiatoren, de inhoud van de woning in kubieke meters, of een combinatie van factoren.
Als de verhuurder geen gegevens aanlevert dan kan de Huurcommissie een inschatting van de verbruikskosten maken op grond van eigen verbruiksnormen. Dit is ook mogelijk als de installatie een rendement heeft dat lager is dan 80%.
De wetgever vindt het echter een onwenselijke ontwikkeling als leveranciers kiezen voor een kostenverdeelsystematiek omdat zij de kosten voor warmtekostenverdelers niet terug kunnen verdienen. De verbruiker wordt met een kostenverdeelsysteem immers geheel niet gestimuleerd om energie te besparen, aangezien ieder inzicht in individueel gebruik ontbreekt. Het wetsvoorstel beoogt zodoende te regelen dat de kosten voor warmtekostenverdelers doorberekend kunnen worden aan de verbruikers.

Warmtewisselaar
Een warmtewisselaar is een onderdeel dat de warmteoverdracht van het ene medium (bv. gas, vloeistof, lucht, water) naar het andere mogelijk maakt. Het kan dus gebruikt worden om een stof ofwel op te warmen, ofwel af te koelen. Bij elke warmtewisselaar wordt gewerkt met twee circuits of kanalen. Er bestaan verschillende types warmtewisselaars, al naargelang de toepassing waarvoor ze worden ingezet.
Een warmtewisselaar bij stadverwarming en WKO-installaties is een installatie die de warmte van stadsverwarmingbuizen en de WKO-installatie naar de cv-installatie in de woning overbrengt.
De warmtewisselaar is ook een belangrijk onderdeel van een cv-installatie. Het is een stelsel van buizen. Het zorgt er voor dat de warmte van de verbranding van gas gebruikt wordt voor de verwarming van het water. Voor dit onderdeel wordt aluminium of roestvrij staal gebruikt. In het kader van dit hoofdstuk wordt onder een warmtewisselaar bedoeld een onderdeel van een installatie om warm water voor de verwarming van de gehuurde ruimte te leveren, maar ook warm water te leveren voor het gebruik in douche of keuken.

In de maximumprijs zijn de kosten van zowel ruimteverwarming als tapwater al inbegrepen. De kosten voor het verbruik van ruimteverwarming en warm tapwater (tezamen) mogen daarom niet hoger zijn dan de maximumprijs.
Volgens artikel 8 lid 1Warmtewet is een leverancier in beginsel gehouden aan de verbruikers een warmtewisselaar ter beschikking te stellen in de vorm van verhuring als een warmtewisselaar vervangen dient te worden of als een nieuwe warmtewisselaar moet worden geïnstalleerd in een nieuw gebouw. Uitgangspunt is dat er redelijke tarieven en voorwaarden gehanteerd dienen te worden. Bij het ontbreken van een individuele warmtewisselaar mogen de kosten van voor een collectieve warmtewisselaar ook als gebruikskosten in rekening gebracht worden. In de maximumprijs zijn de kosten van een warmtewisselaar niet opgenomen. De wetgever heeft de kosten van een warmtewisselaar buiten de maximumprijs gelaten, omdat er zich verschillende situaties voor doen in de praktijk. Bijvoorbeeld als de warmtewisselaar eigendom is van een verbruiker, zou deze onnodig te veel betalen. Deze kosten worden niet door ACM vastgesteld.

Aansluitbijdrage
In een gebied waar reeds een warmtenet ligt en waar op dit bestaande net moet worden aangesloten wordt de aansluitbijdrage meestal door de warmteleverancier direct in rekening gebracht bij de verbruiker, hoewel deze soms door een projectontwikkelaar in rekening wordt gebracht via de huizenprijs. In dit geval heeft de verbruiker geen keuze voor een andere vorm van warmtevoorziening en is er sprake van gebondenheid van de verbruiker en een monopoliesituatie van de warmteleverancier. Om verbruikers in deze situatie te beschermen is bepaald dat op de aansluitbijdrage in dit geval het NMDA-principe van toepassing is. Volgens artikel 6 Warmtewet bedraagt deze bijdrage maximaal hetgeen een gasverbruiker zou bijdragen in de situatie waarbij sprake is van aansluiting op een gasnet. Voor de tarieven die het ACM voor de aansluitbijdrage heeft vastgesteld klikt u hier
Als er sprake is van een aansluiting op een nieuw netwerk, dan is artikel 6 warmtewet niet van toepassing. Voor deze aansluiting geldt volgens de Memorie van toelichting: “in dit geval komt de aansluitbijdrage tot stand binnen het overleg tussen projectontwikkelaar, gemeente en warmteleverancier. Dit overleg speelt zich af in een situatie waarbij de projectontwikkelaar en gemeente vrije keuze hebben ten aanzien van de energievoorziening. Er is in dit geval dus geen sprake is van een gebondenheid ten gevolge van een monopoliepositie. De aansluitbijdrage die uit dit overleg tot stand komt, wordt in het algemeen door de projectontwikkelaar afgedragen aan de warmteleverancier en doorberekend in de huizenprijs.
In de Memorie van Toelichting Herziening Warmtewet 6 juli 2016 wordt een regeling voor deze situatie opgenomen. Uit dit stuk blijkt dat voor deze handelingen hoge tarieven in rekening gebracht worden bij afnemers, die geen recht doen aan de werkelijke kosten daarvan. Het is voor afnemers niet duidelijk hoe de gerekende tarieven zijn opgebouwd. Bescherming van de gebonden afnemers is daarom op zijn plaats. Het kabinet is van mening dat de regulering op deze punten zuiver moet zijn en dat helder moet zijn waarvoor een afnemer precies betaalt. Gekozen is om het aansluittarief te baseren op de (gemiddelde) kosten van een warmteaansluiting. Uit de hieronder weergegeven uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 augustus 2014 ECLI:NL:RBOBR:2014:5228 blijkt dat de afnemer inderdaad ondoorzichtige kosten opgelegd heeft gekregen en dat aanpassing van de regeling daarom wel op haar plaats is.

De aansluitbijdrage wordt dus niet rechtstreeks bij de verbruiker in rekening gebracht. Hoewel de verbruiker geen partij is in de onderhandelingen over de bijdrage, zou in deze situatie een redelijke prijs tot stand moeten komen omdat er geen sprake is van een monopoliesituatie”. Er wordt in de NMDA prijs dus geen rekening gehouden met eventuele kosten die in het verleden door warmteafnemers zijn gemaakt. De eenmalige aansluitbijdrage die in het verleden is betaald, is het resultaat van onderhandelingen tussen warmteleverancier, gemeente en projectontwikkelaar en is verrekend in de huizenprijs Wijziging van de Warmtewet, nota naar aanleiding van het verslag, 32 839, nr 7, bladzijde 4.. Omdat de betaalde aansluitbijdrage het resultaat is geweest van een onderhandeling, verschilt de uitkomst per situatie en is onbekend welke componenten hierin zijn meegenomen. Volgens een rapport van TNO van 2011 (De bescherming van de consument op grond van de Warmtewet, TNO (centrum voor economische vraagstukken) 2011, pagina 4.) wordt deze stelling echter niet nader onderbouwd. Het is immers mogelijk dat de warmteleverancier zijn positie uitbuit, omdat de projectontwikkelaar toch niet een warmtenet door een ander kan laten aanleggen, dan wel dat de projectontwikkelaar en de warmteleverancier een hoge winstmarge samen delen en uiteindelijk doorberekenen naar de verbruiker. In dit licht bezien is het niet juist dat nieuwe aansluitingen op nieuwe warmtenetten buiten de regeling van artikel 6 Warmtewet vallen. Dit is dus een eenmalige bijdrage. Dit bedrag hoort dus niet jaarlijks op de rekening terug te komen. De jaarlijks terugkerende kosten voor het in stand houden van deze aansluiting zijn verwerkt in het vaste component van de maximumprijs.

In een procedure die voor de rechtbank Oost-Brabant werd gevoerd was deze aansluitbijdrage een punt van geschil. het ging hier om het hiernavolgende. een woningeigenaar had zijn woning laten bouwen op een vrije kavel. Voor de aansluiting van de stadverwarming had hij op 12 januari 2003 een overeenkomst gesloten met een rechtsvoorgangster van de leverancier, waarbij is overeengekomen dat deze eigenaar voor de warmteaansluiting € 2.201,- ex btw zou betalen als bijdrage in de aansluitkosten van de woning. de eigenaar had dit bedrag voldaan.

Sindsdien had de rechtsvoorgangster van de leverancier vastrecht in rekening gebracht via de in rekening gebrachte voorschotten en de jaarafrekeningen. Bij brief van 9 december 2011 had de rechtsvoorgangster van de leverancier de eigenaar medegedeeld dat het jaarlijks in rekening gebrachte vastrecht een component ‘bijdrage aansluitkosten’ bevatte en dat deze post, vanwege tarieftransparantie, voortaan apart op de jaarafrekening zou worden vermeld. De verplichting om deze bijdrage te betalen liep gedurende 30 jaar na de aansluiting op het warmtenet, aldus de huidige leverancier. Het ging in 2011 om een bedrag van € 144,- inclusief btw per jaar.

De eigenaar vorderde de jaarlijkse betalingen terug. De stelling was dat er voor een jaarlijkse doorbelasting van aansluitkosten geen wettelijke grondslag was. Deze betalingen zouden aldus onverschuldigd zijn verricht. De leverancier was van mening dat deze kosten op basis van de algemene voorwaarden gevorderd konden worden. Volgens de leverancier was de aansluitbijdrage berekend volgens het NMDA-principe. Op grond van afspraken met de gemeente waren de kosten van aansluiting op het warmtenet gesplitst: de initiële aansluitbijdrage is ten tijde van de aansluiting op het warmtenet in rekening gebracht en de periodieke aansluitbijdrage wordt over een periode van 30 jaar in rekening gebracht.

De rechter van de rechtbank Oost-Brabant oordeelde in haar vonnis van 28 augustus 2014 ECLI:NL:RBOBR:2014:5228 allereerst dat de algemene voorwaarden hierbij niet van belang waren nu daarin kennelijk ook niets over de onderhavige aansluitbijdrage was vermeld. Verder overwoog de rechter dat de leverancier in een economische machtspositie verkeerde. Ingevolge artikel 24 van de Mededingingswet is het ondernemingen verboden misbruik te maken van een economische machtspositie.

De rechter ging er vervolgens vanuit dat de Warmtewet die van vanaf 1 januari 2014 is ingevoerd leidend is in deze kwestie. In deze wet is het NMDA-principe neergelegd. Dit principe wordt toegepast voor de berekening van de aansluitbijdrage, het vastrecht en de warmteprijs. Ook de ACM gaat bij het opstellen van de maximumtarieven uit van dit principe. Het is hier van belang of de in rekening gebrachte adviezen redelijk zijn. De eigenaar betwistte dat de in rekening gebrachte tarieven redelijk waren. De eigenaar bracht naar voren dat wat hij in 2003 heeft betaald voor de aansluitkosten in overeenstemming is met de bedragen die daarvoor in het Tariefadvies worden genoemd en dat daarnaast dus geen ruimte meer is voor een periodieke aansluitbijdrage.
De rechter overwoog dat in het Tariefadvies van 2013 de geadviseerde standaard aansluitbijdrage voor warmte (exclusief de aansluitbijdrage voor aardgas en btw) werd gesteld op € 1.908 en dat, in het geval het warmtebedrijf de kosten van de warmwaterunit voor haar rekening heeft genomen, op € 2.649. De standaardaansluiting betreft series van 50 à 100 woningen die op het warmtenet worden aangesloten. Vermoedelijk is hierbij uitgegaan van de situatie dat de woning wordt aangesloten op een bestaand warmtenet (en niet op een nieuw aan te leggen warmtenet). Er werd hier van de leverancier gevraagd deze kosten inzichtelijk te maken.

Naar aanleiding van deze uitspraak moet worden bedacht dat voor een nieuwe aansluiting op een bestaand warmtenet een wettelijke tariefregulering van kracht is. Een aansluiting op een nieuw warmtenet is tot op heden niet gereguleerd. Inmiddels is de Memorie van Toelichting Herziening Warmtewet 6 juli 2016 verschenen. Dit wetsvoorstel beoogt dit verschil weg te nemen en te verduidelijken dat voor iedere nieuwe aansluiting een wettelijk maximumtarief geldt, ongeacht of het een aansluiting op een nieuw of bestaand net is. Dit is de reden dat de rechtbank in deze zaak de leverancier moest vragen zijn kosten te onderbouwen. Deze kosten waren tot op dat moment niet gereguleerd. De leverancier kon dus de redelijke kosten voor aansluiting op een nieuw warmtenet in rekening brengen.

Meettarief
De huurder betaalt een meettarief voor het meten van het warmteverbruik. Dit tarief wordt door ACM vastgesteld. Voor de tarieven die het ACM voor het meten van het warmteverbruik heeft vastgesteld klikt u hier

Overige verplichtingen leveranciers
In artikel 2 Warmtewet staan de eisen vermeld die aan een leverancier gesteld kunnen worden. De leverancier dient allereerst zorg te dragen voor een betrouwbare levering van warmte. Voorts dient de leverancier redelijke voorwaarden te hanteren en dient er sprake te zijn van een goede kwaliteit van dienstverlening.
De leverancier dient op grond van artikel 12 lid 1 Warmtewet een goede administratie te voeren. Uit deze administratie moet in ieder geval tot uitdrukking komen: de wijzigingen voor leveringen van warmte, een boekhouding met informatie over integrale kosten en de opbrengsten in verband met de levering van warmte en een storingsregistratie.

Een leverancier van een warmtenet mag niet zomaar een klant afsluiten (artikel 3 lid 4 Warmteregeling). In de periode van 1 oktober tot 1 april mag de klant of huurder helemaal niet worden afgesloten, tenzij:

  • de kwetsbare consument hierom verzoekt;
  • er sprake is van fraude of misbruik door de kwetsbare consument;
  • de onveiligheid van de installatie beëindiging van de levering noodzakelijk maakt;
  • de overeenkomst voor de levering van warmte aan de kwetsbare consument afloopt;
  • er sprake is van wanbetaling en de kwetsbare consument niet binnen een redelijke termijn een verklaring van een arts die geen behandelend arts van de betrokkene is, kan overleggen om de zeer ernstige gezondheidsrisico’s aan te tonen.
De zakelijke verbruiker valt dus niet onder deze regeling (valt niet onder de definitie kwetsbare consument) en kan dus eerder worden afgesloten, bijvoorbeeld op basis van de algemene voorwaarden
Op grond van artikel 2 lid 4 Warmtewet mag er door de leverancier geen onderscheid tussen de verschillende verbruikers worden gemaakt.

Toezicht en handhaving>>

In hoofdstuk 4 van de Warmtewet is geregeld dat de ACM is belast met de uitvoering van de wet en het toezicht op de naleving van deze wet. Welke instantie wordt beschouwd als geschillencommissie in de zin van artikel 3 lid 2 Warmtewet.?

Voor een overzicht van de geschillencommissies waaraan een geschil kan worden voorgelegd verwijs ik naar het onderdeel: “De geschillencommissies en de kantonrechter” in dit hoofdstuk.

De ACM fungeert niet als geschillencommissie in de zin van artikel 3 lid 2 Warmtewet. De ACM wijst op grond van artikel 8a lid 7 Warmtewet een deskundige aan die in het kader van een éénmalig onderzoek naar de correcte werking van de meters aangesteld kan worden.

Termijnen indiening klacht
Een klacht bij het ACM is slechts ontvankelijk als de klacht bij de leverancier bekend is en deze een redelijke termijn van bijvoorbeeld vier weken is gegund om te reageren op deze klacht.

Dwangsom en bestuurlijke boete door het ACM
De ACM kan op grond van artikel 18 lid 1 en 2 Warmtewet een last onder dwangsom opleggen aan een overtreder van de regels van de Warmtewet. Deze bevoegdheid vervalt na verloop van vijf jaar nadat de bevoegdheid tot het opleggen van een dwangsom is ontstaan. Daarnaast is de bevoegdheid tot invordering van de verbeurde bedragen verjaard na verloop van zes maanden na de dag waarop zij zijn verbeurd.
De ACM is ook bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete. Deze boete kan behoorlijk oplopen. Deze boete kan oplopen tot maximaal € 450.000 of 1% van de omzet van de overtreder. Deze boete kan worden opgelegd bij overtreding van de volgende artikelen van de Warmtewet:

  • Onder meer het verzuimen van toezending van gespecificeerde nota één maal per jaar (artikel 2 Warmtewet);
  • Leverancier mag ten hoogste de maximumprijs in rekening brengen (artikel 5 lid 1 en 4 Warmtewet );
  • Leveren van warmte zonder vergunning (artikel 9 lid 1 Warmtewet);
  • Het niet verstrekken van inlichtingen aan de minister voor de uitvoering van deze wet en voor het opstellen van het energierapport (artikel 13 Warmtewet);
  • Het niet navolgen van een door de ACM opgelegde bindende gedragslijn (artikel 17 Warmtewet);
  • Aanmelding bij ACM van levrancier en beschrijving van de door de leverancier te exploiteren warmtenetten (artikel 40 Warmtewet).

Het indienen van klachten bij geschillencommissies>>

Welke instantie zal het geschil beoordelen?
Artikel 7:247 BW verklaart de meeste regels betreffende de afrekening van servicekosten voor de huurder van geliberaliseerde woonruimte buiten toepassing. De huurders van geliberaliseerde woonruimte krijgen door invoering van de Warmtewet de mogelijkheid om een geschil over de warmtelevering aan een geschillencommissie ter beoordeling voor te leggen. Deze huurders dienden zich immers bij een conflict over de afrekening van de levering van overige diensten zich tot de rechter te wenden, omdat de rechtsgang naar de Huurcommissie door de werking van artikel 7:247 BW is afgesneden. Op grond van artikel 3 lid 2 Warmtewet kan een verbruiker in het vervolg geschillen over de overeenkomst voorleggen aan een onafhankelijke geschillencommissie.

Voor een overzicht van de geschillencommissies waaraan een geschil kan worden voorgelegd verwijs ik naar het onderdeel: “De geschillencommissies en de kantonrechter” in dit hoofdstuk.

Voor geliberaliseerde woonruimte is deze mogelijkheid om buiten de rechter om geschillen over levering van warmte via een geschillencommissie te beslechten nieuw. Bedacht moet daarbij wel worden dat een geschil over de eindafrekening bij geliberaliseerde woonruimte uit elkaar getrokken moet worden betreffende de componenten warmte, elektriciteit en water. Alleen het component warmte kan op grond van artikel 3 lid 2 Warmtewet door een onafhankelijke geschillencommissie worden beoordeeld. Dit brengt voor geliberaliseerde woonruimte het praktische bezwaar met zich mee dat discussies over warmte door een geschillencommissie behandeld kunnen worden, terwijl deze huurder voor oplossing voor geschillen over elektriciteit en water alsnog naar de rechter zal moeten. Dit geldt ook als een geschil over de warmtelevering door de Geschillencommissie Warmtelevering is beslecht. Doorgaans zullen immers de kosten van verwarming het hoofdbestanddeel van een eindafrekening servicekosten uitmaken. Als er overeenstemming over het component warmte bestaat, dan lijkt de weg naar een minnelijke regeling over de componenten elektriciteit en water voor de hand te liggen. Deze keuze hoeft de niet-geliberaliseerde huurder niet te maken als de Huurcommissie nog bevoegd is om een oordeel over deze zaak te geven. Voor de huurder van niet-geliberaliseerde woonruimte geldt dat deze geschillen over servicekosten in het geheel door de Huurcommissie kan laten behandelen. Een beroep bij de Geschillencommissie energie over een geschil over de eindafrekening lijkt daarom voor deze categorie woonruimte niet voor de hand te liggen. Deze huurder zal immers voor de overige restpunten die onderwerp van geschil zijn (elektra en water) alsnog de Huurcommissie moeten raadplegen. Het is nog niet duidelijk of huurders bij de Huurcommissie ook terecht kunnen met geschillen over bemetering of storingscompensatie. De Woonbond ( Meldpunt Warmtewet van de Woonbond op 3 juli 2015 ). vindt dat de bevoegdheden van de Huurcommissie hiervoor moeten worden uitgebreid.

Ik acht de mogelijkheid om een probleem ter beoordeling van de klachtencommissie van de woningcorporatie te brengen geen zinvolle ingang. Deze klachtencommissie kan wat betreft een status van onafhankelijkheid niet gelijk worden gesteld met de Huurcommissie of de Geschillencommissie Energie. De kantonrechter biedt voor zowel de huurder van niet-geliberaliseerde woonruimte als de huurder van geliberaliseerde woonruimte altijd een ingang om een probleem met de verhuurder over de hoogte van de eindafrekening ter beoordeling over te leggen. De gang naar de rechter is voor een huurder vaak te complex als deze niet de beschikking over kennis van het huurrecht en het procesrecht beschikt. Daarnaast zal de eisende partij bewijs van zijn stellingen aan moeten dragen. Mocht de huurder van mening zijn dat een eindafrekening niet juist is, dan zal deze bewijs door bijvoorbeeld een rapport door een deskundige aan moeten dragen. De eisende partij zal doorgaans de kosten van een deskundige voor moeten schieten. Deze kosten kunnen behoorlijk oplopen. Ik zie daarom als laagdrempelige instantie om het probleem aanhangig te maken nog steeds de Huurcommissie als aangeven instantie voor de huurder van niet-geliberaliseerde woonruimte. Voor de huurder van geliberaliseerde woonruimte lijkt mij de Geschillencommissie Energie of de Consuwijzer, onderdeel van de ACM, de aangewezen instantie om een geschil aanhangig te maken. Partijen kunnen dan afspreken de componenten water en elektriciteit hangende het onderzoek naar warmte buiten beschouwing te laten en daar op terug te komen nadat er duidelijkheid is verschaft over de hoogte van de kosten van verwarming.

Onderwerpen geschillen
Er kunnen geschillen worden gestart over verschillende onderwerpen. De meeste geschillen zullen gaan over de volgende onderwerpen.

  • Een geschil over het ontbreken van een overeenkomst tot levering van warmte.
  • Als er een overeenkomst naar de huurder is gestuurd, kan er natuurlijk ook een geschil ontstaan over de inhoud van de overeenkomst. Deze overeenkomst moet immers voldoen aan de criteria die in artikel 3 Warmtewet staan vermeld. Voldoet de overeenkomst hier niet aan, dan kan de verbruiker daar terecht een klacht over indienen.
  • Aangezien de warmtewet niets regelt over de hoogte van de voorschotbedragen kunnen daar ook problemen door ontstaan. Volgens artikel 7:261 lid 3 BW kan het voorschotbedrag aan bemeterde nutsvoorzieningen worden gebracht in redelijke verhouding tot de verwachten kosten van deze nutsvoorzieningen. Hierin verschilt het huurrecht in aanzienlijke mate met de Warmtewet.
  • Het gros van de geschillen zal gaan over de afrekening van de verbruikskosten van warmte. Voorts zullen veel huurders van mening kunnen zijn dat ze recht hebben op een individuele meter en stelt de verhuurder dat dit uit technisch oogpunt, of op grond van onredelijk hoge kosten niet van de verhuurder kan worden gevergd.
  • Een verbruiker kan van mening zijn dat de warmtekostenverdelers niet goed functioneren. Als de afnemers het functioneren van de warmtemeters wil laten controleren, dan is de leverancier verplicht mee te werken aan een onderzoek. De afnemer en de leverancier beslissen dan samen welke deskundige het onderzoek gaat uitvoeren. Als partijen er niet uitkomen dan kan het ACM worden gevraagd een deskundige aan te wijzen. De kosten van het onderzoek worden gedragen door degene die het meest in het ongelijk wordt gesteld.
  • Een leverancier is verplicht om op verzoek van één of meer verbruikers éénmalig te laten onderzoeken of de kostenverdeelsystematiek voldoet aan de eisen van de Warmtewet. De leverancier beslist dan samen met de afnemer(s) welke deskundige het onderzoek gaat uitvoeren. Als partijen er niet uitkomen dan kan het ACM worden gevraagd een deskundige aan te wijzen. Beide partijen betalen de helft van de kosten van dit onderzoek.
In artikel 3 van het reglement Geschillencommissie Warmtelevering staan de onderwerpen vermeld, die door de Geschillencommissie Warmtelevering behandeld kunnen worden. Deze onderwerpen hebben betrekking op de totstandkoming of de uitvoering van overeenkomsten met betrekking tot de aansluiting en/of levering van warmte. In het geval van warmtelevering aan een woning in eigendom van een woningcorporatie geldt deze laatste voor de consument als de centraal aanspreekbare partij. Dit geldt dus ook voor de gevallen dat er appartementen onderdeel van een Vereniging van eigenaren uitmaken.

De geschillencommissie Energie
Het indienen van klachten bij geschillencommissies is alleen mogelijk als de leverancier ook aangesloten bij een betreffende geschillencommissie. Om en klacht bij de geschillencommissie Energie te starten is het noodzakelijk dat de leverancier is aangesloten bij de overkoepelende organisaties van de energiebedrijven, de Vereniging Energie-Nederland of Netbeheer Nederland, of bij de SGC te zijn geregistreerd voor de behandeling van geschillen. Als de klacht niet wordt opgelost, dan moet de consument binnen 3 maanden nadat daarover met de ondernemer contact is geweest het geschil bij de commissie voorleggen. Een melding na deze termijn kan tot niet-ontvankelijkheid leiden.

Voor huurders van geliberaliseerde woonruimte heeft de gang naar de Huurcommissie in het kader van de servicekosten nooit opengestaan. Voor de huurder van niet-geliberaliseerde woonruimte staat de gang naar de Huurcommissie ook nog open voor wat betreft de levering van warmte. De rol van de Huurcommissie heb ik besproken in het hoofdstuk: "De rol van de Huurcommissie bij de berekening van de levering van zaken en diensten". De termijn van indiening voor een geschil over servicekosten als genoemd in artikel 7:260 lid 2 BW is dus anders dan de termijn van drie maanden die geldt voor het aanhangig maken van een geschil voor de Geschillencommissie Energie.

Geschillencommissie Warmtelevering
De Geschillencommissie Warmtelevering verklaart op verzoek van de warmteleverancier - gedaan bij eerste gelegenheid - de consument in zijn klacht niet ontvankelijk (artikel 6 van het reglement Geschillencommissie Warmtelevering:

  • indien hij zijn klacht niet eerst overeenkomstig de op de overeenkomst van toepassing zijnde voorwaarden bij de warmteleverancier heeft ingediend en de consument zijn geschil vervolgens niet binnen 24 maanden na de datum waarop de consument de klacht bij de warmteleverancier indiende bij de commissie aanhangig heeft gemaakt;
  • indien de warmteleverancier aan de consument een termijn van vijf weken heeft gegeven om het geschil bij de commissie aanhangig te maken en de consument van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. De warmteleverancier dient daarbij aan te kondigen dat hij na het verstrijken van voornoemde termijn zich vrij zal achten het geschil aan de gewone rechter voor te leggen.

Verplichte keuze geschillencommissie?
In het onderdeel "De rol van de Huurcommissie bij de berekening van de levering van zaken en diensten" van dit hoofdstuk heb ik duidelijk gemaakt dat de niet-geliberaliseerde huurder zijn geschil over de kosten van levering van warmte aan de Huurcommissie ter beoordeling voor kan leggen. Daarnaast kan de huurder (zowel geliberaliseerd als niet-geliberaliseerd) een geschil voorleggen aan de Geschillencommissie Energie en de Geschillencommissie Warmtelevering. De huurder moet zich wel realiseren dat na een keuze voor een bepaalde instantie niet kan worden gewisseld naar een andere geschillencommissie als de uitspraak een partij niet goed uitkomt.

Het lijkt mij echter inderdaad zinvoller dat de huurder van niet-geliberaliseerde woonruimte zich tot de Huurcommissie richt als zich een geschil over de afrekening van de nutsvoorzieningen voordoet. De Huurcommissie kan zich immers eveneens buigen over de in rekening gebrachte kosten van elektriciteit en water. Deze mogelijkheid heeft de Geschillencommissie Energie niet. Voor de Geschillencommissie Warmtelevering geldt hetzelfde De Warmtewet legt immers slechts geschillen over levering van warmte bij deze commissie in verband met de levering van warmte in de wet genoemde zin. In theorie bestaat dus de mogelijkheid dat de huurder van niet-geliberaliseerde woonruimte een geschil over de warmtelevering door de Geschillencommissie Energie laat behandelen en het geschil over levering van water en elektra door de Huurcommissie laat behandelen. Dit lijkt mij inefficiënt. Dit leidt ook tot verhoging van de kosten.

Ik ga ervan uit dat zowel de geliberaliseerde huurder als de niet-geliberaliseerde huurder voor discussies over de Warmtewet het beste de zaak aan de Geschillencommissie Warmtelevering ter beoordeling kunnen geven. Deze instantie zal in de toekomst alleen zaken verbandhoudende met warmtelevering behandelen en daarom gespecialiseerd zijn op dit gebied. De huurders die van corporaties huren zullen bij deze instantie terecht kunnen met hun probleem als de corporatie zich heeft geregistreerd als lid bij deze commissie. Ik verwacht dat de corporaties zich eerder als lid bij de Geschillencommissie Warmtelevering aan zullen melden dan bij de Geschillencommissie Energie. Aedes en de Woonbond hebben het initiatief tot oprichting de Geschillencommissie Warmtelevering genomen. Ik ga er daarom van uit dat de woningcorporaties die bij Aedes zijn aangesloten zich bij deze stichting zullen laten registreren.

Op grond van de Grondwet kan in ieder geval de gang naar de rechter niet worden uitgesloten. De gewone rechter is in ieder geval bevoegd een oordeel te geven over kwesties betreffende levering van warmte naast de mogelijkheid een te kiezen voor bijvoorbeeld de Huurcommissie of de geschillencommissies.

Kan een partij bezwaar maken tegen een uitspraak van een geschillencommissie?>>

Beroepsmogelijkheden tegen de uitspraak van de Geschillencommissie Energie
Tegen een uitspraak van de Geschillencommissie Energie is geen beroep mogelijk. Na de zitting is de discussie gesloten. Wel kan na de uitspraak, indien dat binnen 14 dagen wordt verzocht, een kennelijke reken- of schrijffout in de tekst nog worden hersteld.
De uitspraak van de Geschillencommissie Energie is bindend voor beide partijen, tenzij één van de partijen binnen twee maanden na de verzenddatum van de uitspraak via dagvaarding de rechter vraagt om na te gaan of de uitspraak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit is ook een verslechtering ten opzichte van de procedure bij de Huurcommissie. Als een partij het met de uitspraak van de Huurcommissie het niet eens is, dan kan er beroep bij de kantonrechter worden ingesteld. De rechter zal het bindend advies vernietigen, indien de uitspraak in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (marginale toetsing).

Legt de ondernemer het bindend advies niet voor aan de rechter en komt hij het ook niet na, dan treedt op verzoek van de consument de nakomingsgarantieregeling in werking van de branchevereniging Vereniging Energie-Nederland of de branchevereniging Netbeheer Nederland. Het bindend advies moet wel betrekking hebben op een geschil dat is ontstaan in de periode dat de ondernemer lid is of was van Vereniging Energie-Nederland danwel Netbeheer Nederland. Is de ondernemer bij de SGC geregistreerd dan kan de klager die in het gelijk is gesteld een beroep doen op de door deze ondernemer afgegeven nakomingsgarantie.

Beroepsmogelijkheden tegen de uitspraak van de Geschillencommissie Warmtelevering
Een uitspraak van de Geschillencommissie Warmtelevering kan worden vernietigd. Vernietiging van het bindend advies van de commissie kan uitsluitend plaatsvinden door het ter toetsing voor te leggen aan de gewone rechter binnen twee maanden na de verzending van de uitspraak aan partijen ( artikel 26 reglement Geschillencommissie Warmtelevering). De rechter zal het bindend advies vernietigen, indien de uitspraak in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (marginale toetsing). Door niet binnen voornoemde termijn de uitspraak aan de gewone rechter ter toetsing voor te leggen, wordt de uitspraak onaantastbaar.

Huurrecht, Warmtewet en knelpunten>>

In de meeste huurcontracten staat al opgenomen welke diensten worden geleverd en welke geschatte kosten (het voorschotbedrag) in rekening gebracht worden. Mr. drs. J. Chr. Rube constateert in zijn artikel “De Warmtewet en Woningcorporaties” dat er tegenstrijdige berichten worden afgegeven over afhandeling van geschillen over warmtelevering door de Huurcommissie of door de geschillenregeling die in de Warmtewet is opgenomen. Mr. Rube is van mening dat mede gezien de Toelichting door de minister in de nota naar aanleiding van het verslag van 29 november 2011 (De Warmtewet en Woningcorporaties, de (onbedoelde) gevolgen van de invoering van de Warmtewet voor woningcorporaties, Tijschrift voor Bouwrecht aflevering 2, februari 2013, door mr. drs. J. Chr. Rube) met de onafhankelijke geschillencommissie in de zin van artikel 2 lid 3 Warmtewet de Huurcommissie wordt bedoeld voor niet-geliberaliseerde woonruimte.

Volgens Aedes komen meerdere instanties in aanmerking. Aedes pleit er ook voor dat voor sociale woonruimte de Huurcommissie de aangewezen instantie is. Geliberaliseerde huurders kunnen zich wenden bij Consuwijzer, onderdeel van de ACM. In het onderdeel “Toezicht en handhaving” ben ik hier verder op in gegaan. Uit deze informatie is in ieder geval duidelijk hoe verwarrend de regeling met betrekking tot invoering van de Warmtewet en de bedoelde geschillenregeling. Vanaf 1 november 2015 is voor de geliberaliseerde als de niet-geliberaliseerde huurder een Geschillencommissie Warmtelevering als nieuwe behandelaar en oplosser van geschillen in het leven geroepen.

Mr. Rube schetst in zijn artikel dat er problemen kunnen ontstaan bij verschillen tussen de diverse regelingen. Zo geldt bij aanhangig maken van een geschil over de prijs van de servicekosten een vervaltermijn voor het indienen van de vordering. In de Warmtewet is geen vervaltermijn voor een verzoek tot geschilbeslechting opgenomen. Een ander aspect van botsende rechten is dat er volgens de Warmtewet door de ACM van rechtswege een maximumprijs wordt vastgesteld. De Warmtewet kent haar eigen regels, die de regels over de levering van overeengekomen diensten volgens Boek 7 titel 4, afdeling 5, onderafdeling 1 paragraaf 2 BW buiten toepassing verklaart. De Huurcommissie dient zich aan de regels van deze afdeling te houden voor zover daarvan niet uitdrukkelijk in de Warmtewet is afgeweken. Normaliter berekent de Huurcommissie de kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter en de servicekosten op grond van respectievelijk artikel 18 lid 2 en lid 3 UHW aan de redelijkheid. Voor de Warmtewet geldt de redelijkheidstoets ook min of meer in dier voege dat een berekening van de kosten redelijk wordt geacht te zijn als de verhuurder niet meer dan de maximumprijs in rekening brengt. De Uitvoeringswet Huurprijzen Woonruimte moet door de Huurcommissie worden betrokken bij de berekening van de geleverde zaken en diensten. De Geschillencommissie Energie en de Geschillencommissie Warmtelevering is niet gebonden aan de Uitvoeringswet Huurprijzen Woonruimte. De Geschillencommissie Energie en de Geschillencommissie Warmtelevering zullen in ieder geval ook na moeten gaan dat de verhuurder niet meer berekent dan de maximumprijs.

Inmiddels is de Memorie van Toelichting Herziening Warmtewet 6 juli 2016 verschenen. In deze evaluatie staat dat gebleken is dat de Warmtewet met name voor situaties van blokverwarming meerdere knelpunten met zich brengt. Sinds de inwerkingtreding van de Warmtewet is voor huurders en verhuurders een verwarrende situatie ontstaan omdat op de levering van warmte als onderdeel van de huurovereenkomst zowel de bepalingen van het huurrecht van toepassing zijn, als de bepalingen van de Warmtewet. Deze situatie wordt door de betrokken partijen als onwenselijk ervaren. Aedes heeft bepleit dat corporaties moeten kunnen kiezen om de bescherming te regelen in de Warmtewet of in het huurrecht. Minister Kamp heeft deze keuzevrijheid meegenomen in zijn plannen: afhankelijk van het type contract met de huurder geldt de Warmtewet of het huurrecht.
De herziening op de Warmtewet vermeldt immers dat een groep die worden uitgezonderd van de reikwijdte van de Warmtewet de verhuurders zijn die als onderdeel van de huurovereenkomst warmte leveren aan hun huurders. Ook hier is gebleken dat de keuze om deze groep huurders te beschermen op grond van de Warmtewet op een onjuist uitgangspunt is gebaseerd. Hoewel huurders die warmte afnemen van hun verhuurder wel als gebonden verbruikers aan te merken zijn, zij hebben immers niet de ruimte om te kiezen voor een andere invulling van hun warmtebehoefte, worden zij op grond van de bepalingen van het huurrecht reeds beschermd tegen machtsmisbruik van de warmte leverende verhuurder. Deze gebonden verbruikers hebben de bescherming die de Warmtewet biedt derhalve niet nodig. Zoals aangegeven beoogt de Warmtewet een betrouwbare en betaalbare warmtevoorziening voor kleinverbruikers tegen redelijke voorwaarden en een daarbij behorende goede kwaliteit van dienstverlening te verzekeren. Wanneer warmtelevering onderdeel uitmaakt van de huurovereenkomst biedt het huurrecht de huurders deze bescherming ook. De kosten van warmtelevering kunnen namelijk aangemerkt worden als kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter of servicekosten in de zin van artikel 7:237 lid 3 BW. Deze bescherming is voor de niet-geliberaliseerde huurder nog steviger beschermd dan die voor geliberaliseerde huurders . De laatste categorie huurders kan alleen terugvallen op de redelijkheidstoets van artikel 7:259 BW. Deze memorie van toelichting zegt over de positie van de geliberaliseerde huurder in dit verband het hiernavolgende: voor deze groepen huurders geen noodzaak bestaat om een laagdrempelige vorm van geschilbeslechting mogelijk te maken. Deze partijen worden voldoende in staat geacht om dergelijke conflicten aan de burgerlijk rechter voor te leggen voor conflictbeslechting. Ook hier gelden deze regels ook voor andere nutsvoorzieningen en is er geen aanleiding om voor warmte een andere structuur in te voeren. Of dit zo is valt nog te bezien. Het wil immers helemaal niet zeggen dat een huurder die boven de liberalisatiegrens huurt beter in staat is om conflicten op te lossen dan de huurder de rond de € 650 huur per maand betaalt. Het bedrag dat aan huur wordt betaald zegt immers niets over de zelfredzaamheid van de huurder. Hoe het ook zij: voor invoering van de Warmtewet stond ook geen bijzondere rechtsgang voor deze huurder open. Deze huurder kon dus eerder alleen bij de kantonrechter terecht, terwijl hij nu ook bij bovengenoemde geschillencommissies aan kan kloppen.

Aanpassing van de woningwaarderingspunten
Aangezien in de maximumprijs binnen de gebruiksonafhankelijke kosten een post meegenomen wordt voor de kosten van installatie en onderhoud moest de puntentelling voor het woningwaarderingstelsel aangepast worden. Volgens artikel 11 van het Warmtebesluit wordt het aantal punten voor een verwarmd vertrek op 1,5 punt gezet in plaats van de 2 punten, die voorheen van toepassing waren. de maximale huurprijs van de woonruimte gaat daardoor omlaag. Dit is gedaan om dubbeltelling te voorkomen, omdat voor invoering van de Warmtewet het onderhoud van de installatie werd geacht in de huurprijs te zijn begrepen.

De verschillende termijnen
Ik acht dit door mr. Rube geschetste risico met betrekking tot het terugdraaien van een overeengekomen prijs in het verschil in de mogelijkheid om tot invordering over te gaan van beperkte betekenis. De huurder kan immers op grond van 7:259 BW e.v. een herberekening vragen van de betaalde overeengekomen (voorschot) bedragen aan kosten. Deze mogelijkheid bestaat voor niet-geliberaliseerde woonruimte inderdaad slechts tot een periode van 24 maanden nadat een eindafrekening gestuurd had moeten worden. Via de Warmtewet geldt een verjaringstermijn van 5 jaar. Het lijkt dan dat de huurder van niet-geliberaliseerde woonruimte bij het verlopen van de termijn van 24 maanden alsnog terug kan vallen op de geschillenregeling van de Warmtewet. Dit brengt voor de verhuurder volgens mr. Rube een enorm terug betalingsrisico met zich mee. Het is de vraag of dit zo is. Immers voor niet-geliberaliseerde woonruimte geldt voor het instellen van vorderingen betreffende de servicekosten evenzeer artikel 51 UHW. Volgens artikel 51 UHW geldt het volgende: “na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 7:260, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, ingestelde rechtsvordering ter zake van de vergoedingen, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, wordt een uitspraak van de Huurcommissie dan wel beschikking van de rechter omtrent de betalingsverplichting van de huurder met betrekking tot deze vergoedingen overgelegd.” Het is de vraag of de huurder van niet-geliberaliseerde woonruimte wél een uitspraak van een andere geschillencommissie kan overleggen ter incasso van een vordering in dit verband. Ik denk dat artikel 51 UHW ook uitdrukkelijk de andere mogelijke geschillencommissies moet noemen om de blokkering van invordering van bedragen, die voortvloeit uit artikel 51 UHW te voorkomen. Als de wetgever er uitdrukkelijk voor kiest de UHW voor toepassing van de regels van de Warmtewet geheel buiten toepassing te verklaren en/of als duidelijkheid wordt gebracht over de positie van de Huurcommissie, waarbij deze manier van geschillenbeslechting buiten toepassing wordt gehouden, is er uiteraard geen/minder sprake van botsende regels. Voor geliberaliseerde woonruimte geldt deze beperking in ieder geval niet omdat de regels van het UHW niet op deze categorie woonruimte van toepassing is.

Mocht artikel 51 UHW geen belemmeringen opwerpen ten aanzien van invorderingen van vorderingen gebaseerd op de uitspraak van een andere geschillencommissie dan de Huurcommissie, dan geldt het volgende. De regeling van artikel 7:260 lid 2 BW is een beperking van de normale verjaringstermijn als genoemd in artikel 3:308 BW. Door de termijn van 7:260 lid 2 BW terzijde te zetten valt de huurder dan weer feitelijk terug op de algemene regeling die geldt voor de verjaring van geldvorderingen. Als door de verhuurder een te hoog bedrag voor warmtelevering in rekening wordt gebracht vind ik het niet zo’n bezwaar dat de normale verjaringstermijn van artikel 3:308 BW wordt gehanteerd. De verhuurder zal zorg dienen te dragen voor het berekenen van de juiste maximumprijzen.

Voor de volledigheid wordt hier nog opgemerkt dat aansluitingen van meer dan 100 kW niet onder de Warmtewet vallen. Hierbij kan zich volgens mr Rube het volgende probleem voordoen. Als een appartementencomplex is aangesloten op een stadsverwarmingsnetwerk, dan zal de aansluiting groter zijn dan 100 kW. De leverancier van warmte aan het complex zal niet door de zwaarte van de aansluiting gebonden zijn aan de regels van de Warmtewet. De verhuurder die echter aan zijn huurders van appartementen warmte doorgeeft zal wel gebonden zijn aan de regels van de Warmtewet, omdat de huurders doorgaans geen zwaardere aansluiting hebben dan 100 kW.

Er kan een verschil ontstaan tussen de maximumprijs die de verhuurder aan zijn leverancier moet betalen en de maximumprijs die de verhuurder aan zijn huurder door mag berekenen. Daarnaast kan er in deze situatie een verschil ontstaan bij storingen. De beschermde verbruiker heeft recht op compensatie, terwijl dit niet geldt voor de verhuurder van een appartementencomplex met een aansluiting die groter is dan 100 kW. Dit probleem wordt ook onderkend door Aedes.
In de Wijziging van de Warmtewet, nota naar aanleiding van het verslag, 32 839, nr 7, bladzijde 4. is dit probleem ook onderkend. Er wordt echter in de nota gesteld dat niet "verwacht zal worden dat dit tot problemen zal leiden omdat warmteleveranciers in het algemeen juist lagere kosten per GJ hanteren voor grotere aansluitingen.

De praktijk zal moeten uitwijzen of dergelijke problemen zich voordoen en ik zou het vanzelfsprekend betreuren indien warmteleveranciers deze situatie zouden gebruiken om woningcorporaties met kosten op te zadelen die zij niet kunnen doorbereken".
Het valt nog niet te voorzien op welke wijze dit probleem kan worden ondervangen.

De praktijk>>

De Warmtewet stelt een schriftelijke leveringsovereenkomst verplicht die een aantal gegevens dient te bevatten. Al eerder in dit hoofdstuk is naar voren gebracht dat het bestaan van een schriftelijke overeenkomst geen constitutief vereiste is voor de levering van warmte. Bij het ontbreken van een leveringsovereenkomst die voldoet aan de voorwaarden van de Warmtewet (zie het onderdeel: "De overeenkomst tot levering van warmte" in dit hoofdstuk).

De huurovereenkomst bevat vaak onvoldoende gegevens om te kunnen voldoen aan de voorwaarden die aan een leveringsovereenkomst warmte worden gesteld. Doorgaans staat immers in het huurcontract welke diensten door de verhuurder geleverd zullen worden. De aanvullende bepalingen die volgens de Warmtewet in het leveringscontract vermeld dienen te worden, staan normaliter niet in het huurcontract vermeld die tot op heden zijn gesloten. Zo staat in het huurcontract doorgaans niet een minimum- en een maximumtemperatuur van de te leveren warmte vermeld. Voorts staat in het huurcontract doorgaans geen compensatieregeling bij een ernstige verstoring in de levering van warmte opgenomen.

De leverancier (verhuurder) zal ook een voorschotbedrag met de huurder overeen moeten komen. Dit is nu in het huurcontract al wel vaak geregeld, doch dit voorschotbedrag zal met inachtneming van de regels van de Warmtewet op andere wijze samengesteld dienen te worden. Het voorschotbedrag per maand kan per woning als volgt worden vastgesteld: het totaal aantal woningen in een complex x de vastrechtkosten + het totaal gemiddelde gigajouleverbruik x de gigajouleprijs gedeeld door het aantal woningen gedeeld door 12.
De eindafrekening wordt dan ook eenvoudiger. De verbruiker zal bij moeten betalen als deze meer gigajoules heeft verbruikt, dan waarmee in het voorschotbedrag rekening is gehouden en de verbruiker zal geld terug krijgen als deze minder gigajoules heeft verbruikt, dan waarmee in het voorschotbedrag rekening is gehouden. De Warmtewet geeft geen regels voor bepaling van een voorschotbedrag.
Daarnaast moet in de leveringsovereenkomst de nieuwe maximum prijs (prijs van gebruikersafhankelijk deel en gebruiksonafhankelijk deel) worden vermeld. Als de overeengekomen prijs niet wordt vermeld, dan treedt van rechtswege de door het ACM vastgestelde maximumprijs in werking.
Het is verstandig in de leveringsovereenkomst te vermelden dat er in de zomermaanden geen verplichting is warmte te leveren (uitgezonderd warm tapwater). Daarnaast gelden specifieke verplichtingen, die in dit onderdeel al zijn behandeld.
Het is verstandig de huurdersorganisaties tijdig van deze wijzigingen op de hoogte te brengen. Conform artikel 5a Wohv is immers bij wijziging in het door de verhuurder gevoerde beleid ten aanzien van de vaststelling van servicekosten als bedoeld in artikel 7:237 lid 3 BW voorafgaande instemming van de huurdersorganisatie nodig. Dat door de wet deze beleidswijziging wordt doorgevoerd lijkt dit niet anders te maken.

De leverancier (verhuurder) kan de volgende berekening maken voor bepaling van de maximumprijs. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de formules in de artikelen 1 tot en met 4 van het Warmtebesluit. Ik heb hierbij de bedragen gebruikt die het ACM in december 2013 in haar besluit ( Besluit maximumprijzen warmteverbruik per 1 januari 2014) heeft vastgesteld. In mijn boek "Huurgeschillen Ontleed" heb ik fictieve bedragen gebruikt die door Aedes in haar rekenvoorbeeld zijn gebruikt in haar “Handreiking Warmtewet”. Op het moment dat het boek in november 2013 naar de uigever werd gestuurd waren deze bedragen nog niet gepubliceerd, zodat ik genoegen moest nemen met een berekening op basis van fictieve bedragen.

De maximumprijs voor levering van warmte bestaat uit een gebruiksafhankelijk en een gebruiksonafhankelijk deel dat wordt berekend volgens de volgende formule (Artikel 2 van het Warmtebesluit ).
De bedragen waaruit de maximumprijs is opgebouwd wordt door de ACM aangeleverd. De leverancier (verhuurder) heeft deze berekening dus niet zelf te maken. Het is verstandig als de leverancier (verhuurder) deze berekening zelf ook maakt op basis van haar eigen cijfers. De leverancier (verhuurder) kan dan immers zien of de componenten waaruit de maximumprijs is opgebouwd afwijkt van de specifieke situatie en daarmee beoordelen of de maximumprijskostendekkend is.
De maximumprijs voor levering van warmte bestaat uit een gebruiksafhankelijk en een gebruiksonafhankelijk deel dat wordt berekend volgens de volgende formule.

Pmax w = VKw + Pw * Ww = € 299,16 (prijsbasis 2017) € 276,13 + € 22,69 (prijsbasis 2017) * Ww (zie voor alle prijzen over de afgelopen jaren hier)

Pmax w = de maximumprijs voor de levering van warmte in het jaar t;
VK w = de vaste kosten in het jaar t, uitgedrukt in euro;
P w = de variabele kosten in het jaar t, uitgedrukt in euro per gigajoule;
W w = het jaarverbruik van de warmteverbruiker, uitgedrukt in gigajoule.

Het vaste deel wordt vastgesteld met inachtneming van de formule. VKw = VKg + Delta GK (Artikel 3 van het Warmtebesluit ).

VK w = de vaste kosten in het jaar t;
VK g = de jaarlijkse vaste kosten van het transport, de levering en de aansluiting van gas, bestaande uit:
a. het gemiddelde van de vaste tarieven voor gaslevering van de bekende overeenkomsten tussen leverancier en verbruiker voor éénjaarscontracten met vaste prijs op basis van het G1 tarief van de drie grootste Nederlandse gasleveranciers, voor het jaar t,
b. het gewogen gemiddelde van de transportonafhankelijke verbruikerstarieven voor afnemers met een G6 aansluitingen van de netbeheerders van de gastransportnetten niet zijnde de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, voor het jaar t,
c. het gewogen gemiddelde van de transportafhankelijke verbruikerstarieven voor de G6 aansluitingen van de netbeheerders van gastransportnetten niet zijnde de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, voor het jaar t, en
d. het gewogen gemiddelde van de periodieke aansluittarieven voor de G6 aansluitingen van de netbeheerders van gastransportnetten, niet zijnde de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, voor het jaar t;

VKg = € 141,35 (excl. BTW) € 171,03 inclusief BTW (prijsbasis 2016). Voor de berekening zie de paramaters voor de berekening van de maximumprijs die het ACM op 23 december 2015 in haar besluit Warmtewet, Besluit tot vaststelling van de maximumprijs en de berekening van de eenmalige aansluitbijdrage en het meettarief warmteverbruik per 1 januari 2016. kenbaar heeft gemaakt.

en

Delta GK = GKg – GKw – Ke (artikel 3 van het Warmtebesluit ).
a. de kapitaalslasten van een cv-ketel; jaarlijkse afschrijvingslasten op basis van een lineaire afschrijving en vermogensvergoeding op basis van gemiddelde resterende levensduur en reële vermogenskostenvoet; b. de onderhoudskosten op basis van een jaarlijks onderhoudscontract; c. de meetkosten op basis van het gewogen gemiddelde van de meettarieven voor G6 aansluitingen van de gasmeter van de netbeheerders van de gastransportnetten niet zijnde de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, voor het jaar t.

GKw = de gebruikskosten bij warmte, bestaande uit;
a. de kapitaalslasten van een warmtewisselaar; jaarlijkse afschrijvingslasten op basis van een lineaire afschrijving en vermogensvergoeding op basis van gemiddelde resterende levensduur en reële vermogenskostenvoet;
b. de onderhoudskosten op basis van een jaarlijks onderhoudscontract;
c. de meetkosten op basis van het gewogen gemiddelde van de meettarieven voor G6 aansluitingen van de gasmeter van de netbeheerders van de gastransportnetten niet zijnde de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, voor het jaar t;
Ke = de meerkosten van elektrisch koken;
Delta GK = € 86,85 (excl. BTW) €105,08 (inclusief BTW). NB: meetkosten cv en warmte vallen tegen elkaar weg. Voor de berekening zie de paramaters voor de berekening van de maximumprijs die het ACM op 23 december 2015 in haar besluit Warmtewet, Besluit tot vaststelling van de maximumprijs en de berekening van de eenmalige aansluitbijdrage en het meettarief warmteverbruik per 1 januari 2016. kenbaar heeft gemaakt.

Voor de formule van het variabele deel verwijs ik naar artikel 4 van het Warmtebesluit .

Pw = gemiddelde gasprijs/ (brandstofrendement * bovenwaarde verbrandingswaarde aardgas);
Brandstofrendement = 0,81 (gebaseerd op ruimteverwarming inclusief warmtapwater voorziening);
Gasprijs = 0,53 euro per m3 (rekenwaarde).
Pw = € 22,66 inclusief BTW per GJ (prijsbasis 2016). Voor de berekening zie de paramaters voor de berekening van de maximumprijs die het ACM in 23 december 2015 in haar besluit Warmtewet, Besluit tot vaststelling van de maximumprijs en de berekening van de eenmalige aansluitbijdrage en het meettarief warmteverbruik per 1 januari 2016. kenbaar heeft gemaakt.

In het onderdeel “De In rekening te brengen kosten” is al uitgelegd dat gebruiksonafhankelijke deel (vastrecht) en het variabele gigajoule-tarief in euro’s worden jaarlijks vooraf door de ACM wordt vastgesteld. Deze twee componenten vormen de maximumprijs bij een gebruik van 1 gigajoule. Voorts is in dit laatstgenoemde onderdeel van dit hoofdstuk al opgemerkt dat de ACM bij haar controle of de maximumprijs correct wordt toepast niet de onderliggende bedragen toetst waaruit deze prijs is opgebouwd. Voor de leverancier van warmte is het daarom mogelijk een eigen tarief tot stand te brengen, waarbij een combinatie van bedragen wordt toegepast die afwijken van de door de ACM weergeven bedragen waaruit de maximumprijs bij een verbruik van 1 gigajoule is opgebouwd. Het lijkt mij dat een combinatie van onderliggende bedragen slechts is toegestaan zolang de maximumprijs (dus de maximumprijs bij verbruik van 1 gigajoule vermenigvuldigd met de verbruikte gigajoules in jaar t) voor de levering van warmte in het jaar waarop de eindafrekening betrekking heeft niet wordt overschreden, die wordt berekend met inachtneming van deze maximumbedragen.

Bij toepassing van de maximumbedragen die hierboven als voorbeeld zijn genoemd, (basis 2017) geeft dit dus het volgende beeld van de in rekening te brengen kosten bij een warmteverbruik van 30 gigajoule per jaar: € 299,16 + € 22,69 * 30 = € 979,86 (prijsbasis 2017). Dit is de maximumprijs op basis van het daarbij weergeven verbruik. In mijn beleving mag de leverancier (verhuurder) alleen een andere combinatie van de onderliggende bedragen waaruit de maximumprijs is samengesteld opvoeren zolang deze combinatie niet tot gevolg heeft dat de in rekening te brengen kosten bij een warmteverbruik van 30 gigajoule per jaar het bedrag van € 979,86 overschrijden. Zouden deze componenten worden gewijzigd in een bedrag van € 250 (vastrecht) en € 34 (gigajouleprijs), dan blijft de maximumprijs bij een verbruik van 1 gigajoule weliswaar € 284, doch deze combinatie van bedragen heeft tot effect dat de kosten van het warmteverbruik uitstijgen boven met maximumbedrag dat bij een warmteverbruik van 30 gigajoule per jaar berekend mag worden. Met de laatstgenoemde variabelen luiden de verbruikskosten immers per jaar bij een warmteverbruik van 30 gigajoule: € 250 + € 34 * 30 = € 1270. Dit bedrag is hoger dan het bedrag van € 979,86 dat met een warmteverbruik van 30 gigajoule per jaar berekend mag worden. Deze combinatie van bedragen is dus niet toegestaan. De leverancier zit altijd goed als hij beide componenten onder het daarvoor geldende maximum bedrag stelt.

Aangezien de maximumprijs voor de levering van warmte in het jaar waarop de eindafrekening betrekking heeft wordt berekend aan de hand van de door de ACM weergeven gebruiksonafhankelijke deel (vastrecht) en het variabele gigajoule-tarief in euro’s vermenigvuldigd door het aantallen verbruikte gigajoules per jaar, zal een verbruiker zijn persoonlijk verbruik alleen kunnen berekenen door bovengenoemde berekening tot te passen op zijn verbruik in een jaar. Als de in rekening gebrachte verbruikskosten over een bepaald jaar onder de maximumprijs uit komt, dan heeft het voor de verbruiker geen zin om bezwaar tegen de afrekening te maken. Ter voorkoming van verwarring bij de verbruiker over de in rekening gebrachte bedragen doet de leverancier er goed aan om de berekende waarden onder of op het maximumtarief te stellen. Dat geldt eens te meer als er een discussie over de het aantal verbruikte gigajoules per jaar mogelijk is. Als de kosten onder de maximumprijs ligt is erdoor de verbruiker geen inhoudelijke discussie mogelijk. TNO heeft in haar rapport (De bescherming van de consument op grond van de Warmtewet, TNO (centrum voor economische vraagstukken) 2011) op bladzijde 50 berekend dat een gemiddeld warmteverbruik van een zuinig huis met een zuinige bewoner circa 19 gigajoule per jaar beloopt. Een gemiddeld warmteverbruik van een onzuinig huis met een onzuinige bewoner beloopt circa 52 gigajoule per jaar. De verbruiker zal zelf de moeite moeten nemen door bovengenoemde berekening de maximumprijs te berekenen. Er moet dan wel op bedacht worden dat de ACM de parameters waarop met name de gigajouleprijs wordt bepaald vlak voor de jaarwisseling zal vaststellen en goedkeuren voor elk volgend jaar. Er moet dus goed nagekeken worden welke bedragen door de ACM vastgesteld worden. De kosten voor de warmtekostenverdelers en/of eventuele collectieve warmtekosten komen daar nog bij (zie het onderdeel "De in rekening te brengen kosten").

Updates>>

  • Bijgewerkt 12 juni 2011: er is geen wettelijke regeling waarop de servicekostenafrekening ten behoeve van geliberaliseerde woonruimte gebaseerd kan worden op de kosten van werkelijk verbruik.
  • Bijgewerkt 28 juli 2011: rechtbank Haarlem, sector kanton Haarlem, vonnis van 14 juli 2011 LJN: BR2961, sector kanton Rechtbank Haarlem, 489241\CV EXPL 10-15068. Verval vorderingsrecht servicekosten.
  • Bijgewerkt 27 december 2011: Servicekostenbeleid 2010 van de huurcommissie ingevoerd.
  • Bijgewerkt 19 juni 2012: onderdeel roerende zaken in het gehuurde en kosten van huur en/of onderhoud ingevoerd.
  • Bijgewerkt 21 september 2012: verdeling kosten meubilair aangevuld.
  • Bijgewerkt 31 oktober 2012. Formulieren huurcommissie geactualiseerd naar de modellen van 2012.
  • Bijgewerkt 4 juli 2013. Gehele redactie van het hoofdstuk herzien.
  • Bijgewerkt 31 oktober 2013. Invoering van de Warmtewet.
  • Bijgewerkt 29 december 2013. Gedeelte Warmtewet aangepast door bekendmaking van de paramaters voor de berekening van de maximumprijs door het ACM ( Besluit maximumprijzen warmteverbruik per 1 januari 2014).
  • Bijgewerkt 24 februari 2014. De kantonrechter kwam in haar vonnis van 14 februari 2014 ECLI:NL:RBROT:2014:1081 in alinea 4.3 van dit vonnis tot oordeel dat zonder een uitspraak van de Huurcommissie en/of de kantonrechter geen bedragen kunnen worden gevorderd die opeisbaar zijn geworden buiten de termijn van 24 maanden als genoemd in artikel 7:260 lid 2 BW
  • Bijgewerkt 24 februari 2014. Servicekostenbeleid van de Huurcommissie vanaf januari 2014 actueel ingevoerd.
  • Bijgewerkt 23 juni 2014. Diverse wijzigingen met betrekking tot de Warmtewet ingevoerd. Tevens onderdeel over de Warmtewet verplaatst naar de onderkant van de pagina. Voortschrijdend proces. Verdere wijzigingen volgen nog deze week.
  • Bijgewerkt 29 juni 2014. aanvulling compensatieregeling bij de Warmtewet.
  • Bijgewerkt 15 juli 2014. Bevoegdheid Huurcommissie voor niet-geliberaliseerde woonruimte gecorrigeerd. Tevens koppeling met de Wohv gewijzigd. .
  • Bijgewerkt 16 juli 2014. Hoofdstukindeling gewijzigd. Term servicekosten vervangen waar nodig door levering van zaken en diensten. Servicekosten als geldende term laten staan waar deze niet betreft de levering van warmte met individuele meter
  • Bijgewerkt 17 juli 2014. Wijziging redactie hoofdstuk, met name het gedeelte "bevoegheid Huurcommissie".
  • Bijgewerkt 18 juli 2014. In het onderdeel "De Warmtewet en de afrekening van de levering van warmte"de Huurcommissie als geschillenbeslechter opnieuw opgevoerd.
  • Bijgewerkt 4 augustus 2014. Andermaal hoofdstuk doorgelopen en verschil tussen nutsvoorzieningen en servicekosten consequent doorgevoerd.
  • Bijgewerkt 5 augustus 2014. Onderdeel "Het door de huurder verschuldigde voorschotbedrag aan geleverde zaken en diensten"aangepast. Nieuw formulier Huurcommissie over voorschotbedragen gepubliceerd. er moet rekneing worden gehouden met een minimum bedrag van € 3 per maand. Tevens kan geen discussie meer gestart worden over verlaging van het voorschotbedrag van servicekosten via de Huurcommissie.
  • Bijgewerkt 6 augustus 2014. Rol van Huurcommissie aangepast. Zoveelste aanpassing wegens onduidelijkheid rol Huurcommissie wegens Warmtewet
  • Bijgewerkt 11 september 2014. Allerlei wijzigingen doorgevoerd.
  • Bijgewerkt 24 september 2014. Wijziging naam geschillencommissie Energie en Water in geschillencommissie Energie.
  • Bijgewerkt 30 november 2014. Allerlei tekstuele wijzigingen aan het onderdeel "De Warmtewet en de afrekening van de levering van warmte".
  • Bijgewerkt 9 december 2014. Allerlei tekstuele wijzigingen aan het onderdeel "De Warmtewet en de afrekening van de levering van warmte" plus vermelding van het bericht van de Woonbond dat de Huurcommissie nog wel bevoegd is over deze zaken te oordelen.
  • Bijgewerkt 22 december 2014. Besluit tot vaststelling van de maximumprijs en de berekening van de eenmalige aansluitbijdrage en het meettarief warmteverbruik per 1 januari 2015 verwerkt.
  • Bijgewerkt 15 maart 2015. Tekstuele correcties toegepast.
  • Bijgewerkt 26 maart 2015. Aanvulling regeling bagatelzaken.
  • Bijgewerkt 29 maart 2015. De kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam besliste in haar vonnis van 6 maart 2015 ECLI:NL:RBROT:2015:2010 dat een zonnescherm aan de woning niet duurzaam met woning verenigd was en naar aard en inrichting niet bestemd was om duurzaam ter plaatse te blijven. De huurder was dus servicekosten verschuldigd.
  • Bijgewerkt 18 april 2015. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 29 oktober 2010 ( ECLI:NL:HR:2010:BM9232 ) de wetgever zich rekenschap heeft gegeven van voor- en nadelen van het heffen van rioolrechten bij gebruikers van en zakelijk gerechtigden tot woningen, en ervoor heeft gekozen - en aldus expliciet de bedoeling heeft gehad - gemeenten de keuze te laten van welke van beide groepen betrokkenen het rioolrecht wordt geheven.
  • Bijgewerkt 18 april 2015. Mr C.W.M. van Ballegooijen concludeert op 4 juni 2008 ( ECLI:NL:PHR:2009:BD5473) bij het arrest van de Hoge Raad van 15 mei 2009 (Zaaknummer 07/13183 (niet gepubliceerd) bij de zaak van de gemeente Nijmegen dat uit de parlementaire behandeling bij de Wet wijziging materiële belastingbepalingen en bij de wijziging van de Gemeentewet per 1 januari 2008 en uit BNB 1994/84 afgeleid kan worden dat alle kosten ter zake van de gemeentelijke riolering aan alleen de eigenaren in rekening mogen worden gebracht zonder dat van strijd met de wet of enig rechtsbeginsel sprake is.
  • Bijgewerkt 7 mei 2015. Een zonnescherm is een roerende zaak aldus de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch van 15 januari 2015 ECLI:NL:RBOBR:2015:167 .
  • Bijgewerkt 2 november 2015. Invoering Geschillencommissie Warmtelevering
  • Bijgewerkt 23 december. Maximum bedragen warmtelevering aangepast Warmtewet, Besluit tot vaststelling van de maximumprijs en de berekening van de eenmalige aansluitbijdrage en het meettarief warmteverbruik per 1 januari 2016..
  • Bijgewerkt 8 maart 2016. Beleidsboek servicekosten en nutsvoorzieningen van de Huurcommissie 2016 ingevoerd.
  • Bijgewerkt 24 oktober 2016. De rechter van de rechtbank Oost-Brabant oordeelde in haar vonnis van 28 augustus 2014 ECLI:NL:RBOBR:2014:5228 oordeelt dat de leverancier de in rekening gebrachte aansluitkosten inzichtelijk moet maken.
  • Bijgewerkt 24 en 28 oktober 2016. Memorie van Toelichting Herziening Warmtewet 6 juli 2016 ingevoerd.
  • Bijgewerkt 30 oktober 2016. Artikelen vernummerd wegens gewijzigde redactie van de Warmtewet zoals die tot heden van toepassing is (zolang als het duurt; zelden een wet gezien die zo veel is gewijzigd).
  • Bijgewerkt 30 december 2016. Tarieven 2017 verwerkt
  • Bijgewerkt 12 januari 2016. Sommige verhuurders zijn van mening dat zij door de regeling van de Warmtewet niet langer gehouden zijn een specificatie van het gebruiksonafhankelijke gedeelte van de warmtekosten te specificeren. De kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam besliste in haar vonnis van 18 november 2016 ECLI:NL:RBROT:2016:8645 dat het doel van de Warmtewet consumentenbescherming betreft. De Warmtewet heeft onder andere tot doel individuele gebruikers te beschermen tegen te hoge tarieven. Deze beschermingsgedachte verdraagt zich niet met een verhuurder die naar eigen inzicht, en zonder daar verantwoording over af te hoeven leggen, gebruiksonafhankelijke kosten in rekening brengt.
  • Bijgewerkt 4 juni 2017. In wetsvoorstel dat op 22 mei 2017 (Wetsvoorstel herziening Warmtewet;Wijziging van de Warmtewet (wijzigingen naar aanleiding van de evaluatie van de Warmtewet) naar de Tweede Kamer is gestuurd worden wijzigingen voorgesteld waardoor VVE's en coöperatieve verenigingen en overige vergelijkbare rechtsvormen grotendeels worden uitgezonderd van de Warmtewet.
  • Bijgewerkt 27 augustus 2017. Het voorgestelde Voorstel wijziging Warmtewet 2017 verwerkt.
  • Bijgewerkt 6 eptember 2017. In het vonnis van kantonrechter van 11 januari 2017 ( ECLI:NL:RBNHO:2017:202) werd beslist dat de de maximumprijs niet kan worden doorberekend als de redelijke prijs (de werkelijke kosten) lager zouden zijn dan de maximum bedragen.