Medehuurder moet in het gehuurde hoofdverblijf hebben (ad 2)

De medehuurder moet in het gehuurde zijn hoofdverblijf hebben, en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben. Degene die medehuurder is geworden verliest die hoedanigheid wanneer hij zijn hoofdverblijf in het gehuurde opgeeft. De medehuurder die het hoofdverblijf opgeeft zal bij terugkomst weer het medehuurderschap moeten aanvragen.
De huurder kan daarentegen zijn hoofdverblijf wel verplaatsen zonder het huurderschap te verliezen. de huurder kan echter wel tekort schieten in nakoming van zijn verplichtingen als het gehuurde door het onbewoond laten in waarde daalt of beschadigd raakt. Het samenwonen in het gehuurde is dus een voorwaarde voor het medehuurderschap. Dit vereiste geldt niet voor de kwalificatie van medehuurderschap als genoemd in artikel 7:266 BW.