Medehuurderschap op grond van artikel 7:267 BW – Updates

  • Bijgewerkt 10 april 2011 vordering huurderschap na overlijden (De voorzieningenrechter te Amsterdam is in haar vonnis van 15 maart 2011 LJN: BP9460, rechtbank Amsterdam, 481501/KG ZA 11-137 SR/LO );
  • Bijgewerkt 14 april 2011 Meerdere verhuurders en het vorderingsrecht naar de huurder, gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch, arrest van 11 januari 2011 LJN: BP9084, gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, HD 200.058.755
  • Bijgewerkt 17 juni 2011, invulling begrip duurzame gemeenschappelijke huishouding in het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Zwolle, LJN: BQ3290,Sector kanton Rechtbank Zwolle, 537185 CV 11-515 ).
  • Bijgewerkt 29 april 2012: gehele redactie van dit hoofdstuk.
  • Bijgewerkt 25 februari 2014. Een voorbeeld van een zaak waarbij sprake is van het aanvragen van het medehuurderschap na verbreking van een relatie geeft de rechtbank, kantonzaken te Amsterdam heeft in haar vonnis van 13 september 2013 ( ECLI:NL:RBAMS:2013:9533 ).
  • Bijgewerkt 22 mei 2014. Een voorbeeld van een zaak waarbij sprake is van het aanvragen van het medehuurderschap na verbreking van een relatie geeft de rechtbank, kantonzaken te Amsterdam heeft in haar vonnis van 13 september 2013 ( ECLI:NL:RBAMS:2013:9533 ).
  • Bijgewerkt 23 mei 2014. De mogelijkheid van artikel 7:267 lid 7 BW uitgewerkt.
  • Bijgewerkt 18 december 2014. De rechtbank Limburg besliste op 5 december 2014 ECLI:NL:RBLIM:2014:10549 in kort geding dat een gebruiker van woonruimte wegens ontbreken van recht of titel de woning moest verlaten.
  • Bijgewerkt 26 december 2014. De huurder en de aspirant-huurder die aanspraak wensen te maken op het medehuurderschap dienen niet alleen de juiste argumenten aan te voeren bij het aanvragen van het medehuurderschap, doch dienen ook voldoende bewijzen aan te leveren ter onderbouwing van het verzoek. Het hof te Amsterdam besliste in haar arrest van 25 november 2014 ECLI:NL:GHAMS:2014:5099 dat de aangedragen omstandigheden die zouden moeten leiden tot de verkrijging van het medehuurderschap niet voldoende waren bewezen.
  • Bijgewerkt 14 januari 2015. Uitbreiding onderdeel verbod tot samenwoning in de huurwoning.
  • Bijgewerkt 15 september 2016. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 14 augustus 2015 ( ECLI:NL:HR:2015:2193 ) bepaald dat ook na beëindiging van samenwoning het medehuurderschap aangevraagd kan worden.
  • Bijgewerkt 9 april 2017.De kantonrechter van de rechtbank Rotterdam was in haar vonnis van 3 februari 2017 ( ECLI:NL:RBROT:2017:875 ) wees in haar vonnis een vordering tot verkrijging van het medehuurderschap van de huurder toe aan een dochter van de huurder die vanaf haar negende jaar in het gehuurde ingeschreven staat. Resumerend is er sprake van een zeer langdurig samenwonen van de huurder en haar dochter, waarbij zij in gezamenlijkheid één huishouden bestieren, en waarbij er sprake is van een wederzijdse afhankelijkheid die verder gaat dan te doen gebruikelijk in een ouder-kind relatie en waardoor zij altijd bij elkaar zijn blijven wonen. Deze redenen tezamen genomen leidt tot de conclusie dat er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen hen beiden. Uit deze uitspraak blijkt toch weer dat het voor een kind niet eenvoudig is om het medehuurderschap te verkrijgen.
  • Bijgewerkt 27 juni 2017. Het hof te Arnhem-Leeuwarden komt in haar arrest van 7 maart 2017 ( ECLI:NL:GHARL:2017:1891 ) tot een oordeel dat er sprake was van omstandigheden die het medehuurderschap rechtvaardigen.
  • Bijgewerkt 27 juni 2017. de Hoge Raad genoemde uitzondering aan de orde kan zijn in dier voege of er bijzondere omstandigheden zijn die in dit geval, wat anders een aflopende samenlevingssituatie zou zijn geweest, tot een blijvende samenwoning met gemeenschappelijke huishouding aanleiding geven (De Hoge Raad arrest van 17 januari 2014 ECLI:NL:HR:2014:93)
  • Bijgewerkt 22 maart 2018. Invoeging onderdeel “Het inwonende kind woont met een partner bij de huurder”.
  • Bijgewerkt 14 juni 2018. De rechtbank Oost-Brabant, kantonzaken, locatie ‘s-Hertogenbosch beoordeelde in haar vonnis van 26 oktober 2017 (ECLI:NL:RBOBR:2017:5601) dat een zoon die de zijn eigen huurovereenkomst had opgezegd een duurzame  gemeenschappelijke huishouding met zijn vader voerde.
  • Bijgewerkt 7 september 2018. Dit standpunt over de wederkerigheid wordt ook gedeeld door de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad, in haar vonnis van 14 december 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:11556). Wederkerigheid in het kader van een duurzame gemeenschappelijke huishouding kan volgens de rechter ook bestaan in een situatie als de onderhavige waarbij eisers ieder belang hebben bij de samenleving van hen (over en weer) op zijn eigen wijze een bijdrage leveren aan de gemeenschappelijke huishouding. Dat deze bijdrage op een vergelijkbare hoogte zou moeten staan, laat staan een evenwichtigheid zou moeten behelzen, is een eis die de wet niet stelt en overigens ook niet strookt met de veelvormigheid waarmee in ons land relaties en gemeenschappelijke huishoudingen vorm wordt gegeven. (vgl. ECLI:NL:GHARL:2017:1891).
  •  Bijgewerkt 8 september 2019. De rechtbank Amsterdam heeft in haar vonnis van 5 februari 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:4804) een beslissing moeten nemen of er sprake was van wederkerigheid in de relatie tussen een zoon met mentale beperkingen en de moeder en of de afwezigheid van wederkerigheid het medehuurderschap in de weg zou staan.