Niet verschenen ter comparitie

LJN: AU4078, Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , C0400857/BR

 

rolnr. C0400857/BR

 

ARREST VAN HET GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 21 juni 2005,

gewezen in de zaak van:

 

[appellante],

wonende te [gemeente],

appellante bij exploot van dagvaarding van

10 juni 2004,

verder te noemen: huurster,

procureur: mr. J.M.C. van Gorkum,

 

tegen:

 

[geïntimeerde],

wonende te [gemeente],

geïntimeerde bij gemeld exploot,  

verder te noemen: verhuurster,

procureur: mr. C.E.M. Renckens,

 

op het hoger beroep van het onder kenmerk 289522-CV-03/7498 door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Tilburg gewezen vonnis van 10 maart 2004 tussen huurster als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, en verhuurster als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

 

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

 

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het comparitievonnis van

28 januari 2004.

        

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

 

2.1. In de appeldagvaarding, waarnaar de memorie van grieven verwijst, heeft huurster twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van haar vorderingen, kosten rechtens.

 

2.2. Bij memorie van antwoord heeft verhuurster de grieven bestreden.

 

2.3. Huurster heeft een akte met één productie genomen (deze trof het hof niet aan in het procesdossier van huurster); verhuurster een antwoordakte.

 

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

 

3. De gronden van het hoger beroep

 

Voor de inhoud en de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar de appeldagvaarding.

 

4. De beoordeling

 

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

 

4.1.1. Huurster heeft van verhuurster in de periode februari 2003 tot in mei 2003 een kamer gehuurd met medegebruik van keuken, wc en bad. Stellende dat verhuurster haar heeft gedwongen de kamer te ontruimen, vordert huurster materiële en immateriële schadevergoeding tot het beloop van E 350,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding.

 

4.1.2. Bij eis in reconventie vordert verhuurster de huur over maand mei 2004 ad E 150,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2003, stellende dat deze huur verschuldigd was, maar niet werd betaald. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft verhuurster verklaard haar eis in reconventie niet te handhaven als de vordering in conventie zou worden afgewezen. Dit is het geval.

 

4.1.3. Bij vonnis van 28 januari 2004 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast te houden op 23 februari 2004. Op verzoek van partijen is de comparitie aangehouden tot 4 maart 2004. Van deze nieuwe datum is de gemachtigden van partijen bij brief van 9 februari 2004 mededeling gedaan.

 

4.1.4. Daags voor de zitting is de griffie van het kantongerecht telefonisch benaderd door iemand die zich presenteerde als een vriendin van verhuurster (volgens de kantonrechter), met de mededeling dat zij in het buitenland verbleef. Anderzijds stelt huurster in de appeldagvaarding dat zij zelf de griffie op de hoogte heeft gesteld van haar verhindering wegens verblijf in

het buitenland.

Daags voorafgaande aan de zitting heeft ook de gemachtigde van huurster telefonisch en schriftelijk (volgens de gemachtigde bij fax, volgens de kantonrechter bij brief van 3 maart 2004, ingekomen ter griffie van het kantongerecht op

4 maart 2004; deze fax/brief is niet in geding gebracht), om uitstel verzocht omdat zijn cliënte in het buitenland verbleef.

 

4.1.5. De kantonrechter heeft het verzoek van de gemachtigde van huurster afgewezen. Deze beslissing kon niet worden doorgegeven aan deze gemachtigde omdat de telefoon op zijn kantoor niet werd opgenomen.

 

4.1.6. Op die comparitie zijn verhuurster en haar gemachtigde verschenen. Huurster en haar gemachtigde, mr. F.I. Piternella, advocaat te Dongen, zijn niet verschenen.

 

4.1.7. De kantonrechter heeft de vorderingen van huurster afgewezen overwegende dat ter comparitie het verweer van verhuurster onweersproken is gebleven, welk verweer de grondslagen van vordering ontkracht, zodat die vordering moet worden afgewezen.

 

4.2. De appellabiliteit

 

4.2.1. Ingevolge artikel 332 lid 1 Rv staat tegen het vonnis van de kantonrechter geen hoger beroep open nu de vorderingen waarover de kantonrechter had te beslissen minder belopen dan E 1.750,-. Dit geval doet zich hier voor. Tegen een zodanig vonnis heeft mogelijk wel cassatie opengestaan, artikel 80 RO. Het beroep op de leer van de doorbreking van het appelverbod kan huurster niet baten omdat deze leer geen toepassing vindt in het zich hier voordoende geval dat de vordering minder beloopt dan (thans) E 1.750,- en cassatieberoep in beginsel openstaat, HR 19 december 1986, NJ 1987/1000 en HR 12 april 1991, NJ 1992/215. Ook op inhoudelijke gronden gaat het beroep niet op.

 

4.2.2. Huurster klaagt erover dat de kantonrechter een fundamenteel rechtsbeginsel heeft geschonden, het beginsel van hoor en wederhoor, door de comparitie doorgang te laten vinden hoewel huurster telefonisch had bericht dat zij niet ter comparitie kon verschijnen wegens verblijf in het buitenland, en haar gemachtigde de griffie schriftelijk heeft verzocht in een aanhouding te willen bewilligen. Er zou geen sprake zijn van een fair trial.

 

4.2.3. Voor zover de klacht zich keert tegen de afwijzing van haar verzoek om aanhouding van de comparitie van partijen treft zij geen doel. De omstandigheid dat huurster zich met die beslissing niet kan verenigen, levert geen schending van een fundamenteel rechtsbeginsel op, noch leidt dit tot het oordeel dat geen sprake is geweest van een fair trial.

 

4.2.4. Het stond huurster en haar gemachtigde, die op de hoogte waren van de comparitiedatum, vrij in persoon of bij gemachtigde (eventueel een vervangend gemachtigde) ter zitting te verschijnen. Dat zij daartoe niet zijn overgegaan dient aan huurster te worden toegerekend. Geen rechtsregel, noch minder enig fundamenteel rechtsbeginsel, verplicht de kantonrechter de behandeling van de comparitie aan te houden louter op verzoek van één der partijen, noch bij constatering dat één der partijen of haar gemachtigde niet is verschenen.

 

4.2.5. Het niet verschijnen van huurster en/of haar gemachtigde noopte de kantonrechter evenmin om huurster in de gelegenheid te stellen alsnog, bijvoorbeeld schriftelijk, te reageren op hetgeen is voorgevallen ter comparitie. Dat de kantonrechter daartoe geen gelegenheid bood levert geen schending op van de beginselen van hoor en wederhoor en fair trial. Toereikend is geweest dat huurster en haar gemachtigde in de gelegenheid zijn gesteld ter zitting te verschijnen en het woord te voeren. Dat huurster van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, komt voor haar risico.

 

4.2.6. Huurster beroept zich op de artikelen 19 en 131 Rv. Naar het hof begrijpt stelt huurster zich op het standpunt dat de rechter zich bij zijn oordeel, ten nadele van een der partijen, niet mag baseren op bescheiden of andere gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten. Dit beroep faalt, althans leidt niet tot schending van de beginselen van hoor en wederhoor of fair trial. Dit standpunt van huurster miskent namelijk dat zij wel ter zitting had kunnen verschijnen, althans haar gemachtigde had daar kunnen verschijnen en voor haar het woord voeren.

 

4.2.7. Huurster beroept zich op overmacht. Ook dit beroep kan haar niet baten, omdat het enkele feit dat zij, zoals zij stelt, maar niet onderbouwd of aannemelijk maakt, in het buitenland verbleef, geen overmacht oplevert om – het verblijf onderbrekende – zelf dan wel bij gemachtigde te verschijnen.

 

4.2.8. De klacht dat het vonnis niet voldoende is gemotiveerd kan evenmin leiden tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod (HR 24 september 1993, NJ 1993/758).

 

4.2.9. Huurster zal als de in het ongelijk gesteld partij in de kosten worden veroordeeld.

 

5. De uitspraak

 

Het hof:

 

verklaart huurster niet-ontvankelijk in het hoger beroep;

 

veroordeelt huurster in de kosten in hoger beroep aan de zijde van verhuurster gevallen tot op heden begroot op E 241,- aan vast recht en op E 632,- voor salaris procureur op de voet van artikel 243 Rv te voldoen aan de griffier van dit hof.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Drijkoningen en Den Hartog Jager en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 21 juni 2005.

  griffier      rolraadsheer