2.2.5. Conclusie met betrekking tot hennepteelt

Uit deze bespreking kan de volgende ‘rode lijn’ worden gehaald:

  1. de exploitatie van een hennepkwekerij (meer dan vijf planten) wordt in het algemeen als gevaarzettend beschouwd;
  2. het is niet van belang of het gevaar daadwerkelijk tot uitdrukking is gekomen;
  3. de exploitatie van een hennepkwekerij wordt in het algemeen als een ongeoorloofde bestemmingswijziging van het gehuurde beschouwd;

Door voldoening aan de kwalificatie “hennepkwekerij” wegens het aantal planten en de daarbij behorende noodzakelijke installatie in een woning en de daaraan verbonden juridische betekenis (gevaarzetting en bestemmingswijziging), ligt de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst annex ontruiming, meestal voor toewijzing gereed. Een afweging van belangen hoort in het kader van de gevorderde ontbinding op grond van artikel 6:265 BW niet plaats te vinden. De rechtbank Breda, sector kanton Bergen op Zoom maakt in haar vonnis van 12 mei 2010 LJN: BM5007, sector kanton Rechtbank Breda, 585988 cv 10-890 ten onrechte in het kader van een ontbindingvordering door de verhuurder een afweging van belangen en komt in dit vonnis tot oordeel dat de belangen van de huurder dienen te prevaleren. Dit ging niet zozeer om een tekortkoming in verband met het houden van hennep, maar om het doen laten ontstaan van een aanzienlijke huurachterstand. Wel bepaalt artikel 6:265 lid 2 BW dat de tekortkoming de ontbinding moet kunnen rechtvaardigen. Dat betekent dat er wel ‘iets’ gewogen moet worden. En alle omstandigheden kunnen daarbij een rol spelen. Een antwoord op de vraag of een tekortkoming voldoende groot is om ontbinding te rechtvaardigen is iets anders dan in het kader van de procedure belangen tegen elkaar af te wegen. De kantonrechter te Bergen op Zoom heeft daarom ten onrechte in het laatstgenoemde vonnis alsnog een afweging van de belangen gemaakt. Voor het bedrijfsmatig houden van hennep en/of het overtreden van de Opiumwet in dit verband, lijkt een afweging van belangen om deze reden ook niet aan de orde. Het genoten voordeel kan bovendien door de verhuurder van de huurder worden ontnomen.
De laatste strohalm voor de huurder is dan aanwezig in de vorm van een beroep op de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW). Zoals boven reeds aangegeven zullen slechts enkele zeer bijzondere woonomstandigheden (bijvoorbeeld gehandicapte kinderen) er toe kunnen leiden dat de vordering tot ontbinding niet wordt toegewezen.