2.3.2. Verwaarlozing van het gehuurde

Verwaarlozing van het gehuurde door de huurder kan ook reden zijn om de huurovereenkomst te ontbinden op verzoek van de verhuurder. Daarvan kan sprake zijn als de huurder het gehuurde niet onderhoudt, waardoor er schade aan het gehuurde ontstaat. Het gerechtshof te ‘s-Gravenhage besliste in haar arrest van 22 december 2006 in hoger beroep LJN: AZ6559, gerechtshof ‘s-Gravenhage, C05/255 dat de huurovereenkomst met de huurder in tegenstelling tot de lagere rechter (sector kanton) alsnog ontbonden mocht worden. De huurder had schade aan het gehuurde niet gemeld, waardoor het gehuurde door de verhuurder niet was hersteld en verder was beschadigd. De huurder had zijn verplichting voortvloeiende uit artikel 7:222 BW geschonden (gebreken te melden waardoor het gehuurde beschadigd zou kunnen worden). De huurder had door zijn handelwijze het gehuurde verder nog beschadigd door het gehuurde niet te verwarmen, waardoor er vocht- en schimmelvorming is ontstaan. Dit alles was reden om de huurovereenkomst te ontbinden. Voor alle duidelijkheid: de huurder hoeft een gebrek niet te laten herstellen als dit gebrek van ondergeschikte betekenis is en het gehuurde door aanwezigheid van dit gebrek niet in waarde daalt, of de verhuurbaarheid door dit gebrek niet wordt verminderd.
Het gerechtshof te Leeuwarden besliste in haar arrest van 26 februari 2013 in hoger beroep LJN: BZ2350, gerechtshof Leeuwarden, 200.101.803/01 dat een huurovereenkomst met betrekking tot woonruimte ontbonden kon worden wegens verwaarlozing van het gehuurde. De woning was als een pakhuis volgestouwd met spullen. De aanwezigheid van een grote hoeveelheid spullen was al niet conform een normaal gebruik van de woning. Het grootste bezwaar achtte het hof dat de ruimten vies en ernstig vervuild waren en dat er sprake was van een gevaarlijke situatie nu het gehuurde in het geval van brand of een ander noodgeval niet goed beloopbaar was. De voor- en achtertuin waren ook bijna dichtgegroeid. De in het gehuurde zich voordoende toestand liet zich volgens het hof niet verenigen met goed huurderschap. Bovendien leverde deze toestand gezondheidsrisico’s en brandgevaar op. Het hof was dan ook met de kantonrechter van oordeel dat er sprake was van een zodanig ernstige tekortkoming aan de zijde van de huurder, dat ontbinding van de huurovereenkomst was gerechtvaardigd. Als de woning weliswaar vol, maar wel schoon was geweest, dan had het hof wellicht tot een ander oordeel gekomen.