Door toedoen of risico van huurder is het huurgenot beëindigd 

Artikel 7:210 BW is niet bedoeld als instrument ter beëindiging van de huurovereenkomst door de huurder als het gehuurde door zijn toedoen of door een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt is afgebrand. In gelijke zin oordeelde ook het hof te ‘s-Hertogenbosch in haar arrest van 7 januari 2014 ECLI:NL:GHSHE:2014:10 . In deze zaak werd een pand op last van de brandweer gesloten in verband met de brandveiligheid. De brandveiligheid viel echter op grond van contractuele bepalingen onder de onderhoudsverplichtingen van de huurder. Volgens het hof kon de huurder de huurovereenkomst niet buitengerechtelijk ontbinden op grond van artikel 7:210 BW nu het genot van het gehuurde onmogelijk werd gemaakt door een omstandigheid die was toe te rekenen aan de huurder. Onder deze omstandigheden was er geen sprake van een gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW en kwam de huurder niet de mogelijkheid toe om de huurovereenkomst op grond van artikel 7:210 BW buitengerechtelijk te ontbinden. De huurder kwam ook geen beroep op artikel 6:265 BW e.v. toe, omdat hier niet sprake was van een tekortschieten aan de zijde van de verhuurder, die ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigde.In dit geval kon de verhuurder de huurovereenkomst ontbinden op grond van het algemene recht van artikel 6:265 BW e.v. en op grond van artikel 7:210 BW.

Tussen deze twee acties lijkt voor de praktische uitwerking niet veel verschil te zitten. Er is wel inhoudelijk verschil tussen deze twee artikelen.
De ontbinding op grond van artikel 7:210 BW vereist toerekenbaarheid aan de zijde van de nalatige partij, of een situatie dat het gehuurde door toeval onbruikbaar is geworden, terwijl de toerekenbaarheid in het kader van een ontbindingsactie op grond van artikel 6:265 BW e.v. geen rol speelt.

Verder is de buitengerechtelijke ontbinding door de verhuurder op grond van artikel 7:210 BW toegestaan, terwijl de buitengerechtelijke ontbinding door de verhuurder op grond van artikel 6:265 BW e.v. door de werking van artikel 7:231 lid 1 BW is uitgesloten. Als de verhuurder op grond van artikel 7:210 BW de overeenkomst buitengerechtelijk wenst te ontbinden, is het verstandig deze rechtsgrond in de brief uitdrukkelijk te vermelden en de toerekenbaarheid van de huurder te onderbouwen. Als zich een situatie voordoet, die niet onder artikel 7:210 BW is te brengen, is de verhuurder immers niet bevoegd de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Als de verhuurder bedoelt de overeenkomst te ontbinden op basis van artikel 7:210 BW, maar hij noemt als rechtsgrond voor de buitengerechtelijke ontbinding ex artikel 6:265 BW e.v., dan zal de overeenkomst op basis van dit artikel niet buiten inschakeling van een rechter beëindigd kunnen worden, behoudens als de gevallen als genoemd in artikel 7:231 lid 2 BW zich voordoen.