Gebrek toerekenbaar aan verhuurder? 

Bij de beoordeling van de vraag of herstel in redelijkheid van de verhuurder verlangd mag worden, speelt een belangrijke rol in hoeverre de genotsverminderende omstandigheden aan de verhuurder toerekenbaar zijn.
Artikel 7:210 BW is van toepassing op gevallen waarin het desbetreffende gebrek aan één van de partijen toegerekend mag worden. Het mag niet de bedoeling zijn dat de partij aan wie het desbetreffende gebrek toerekenbaar is, deze bepaling in zijn eigen voordeel mag inroepen Noot 60. Het hof te Leeuwarden heeft in haar arrest van 27 maart 2012 (ECLI:NL:GHLEE:2012:BW0024 ) geoordeeld dat de huurovereenkomst op grond van artikel 7:210 BW door de verhuurder kon worden ontbonden. In deze zaak was een woning door brand verwoest en de oorzaak van de brand kon niet worden gevonden in achterstallig onderhoud aan de woning zoals door de huurder werd betoogd. De oorzaak van brand kon in dit geval dus niet aan de verhuurder worden toegerekend.

Als eenmaal vaststaat dat de in artikel 7:210 BW omschreven situatie zich voordoet, dan heeft de partij die de andere partij kan verwijten toerekenbaar te kort te zijn geschoten rechtens aanspraak op buitengerechtelijke ontbinding. De schuldeiser houdt de mogelijkheid de overeenkomst op grond van de ‘gewone’ regels van het vermogensrecht te ontbinden. Een ontbinding op grond van artikel 6:265 BW e.v. vereist geen toerekenbaarheid aan de zijde van de nalatige partij, maar wel een tekortschieten in zodanige mate dat dit dat ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt.