Mogelijkheid tot ontbinding volgens algemene recht blijft in stand

De huurder dan wel de verhuurder blijft bevoegd tot ontbinden op de voet van artikel 6:265 BW. Noot 58
Dit is mogelijk omdat volgens artikel 7:205 BW alle andere rechten en vorderingen uit het verbintenissenrecht ook van toepassing blijven. Bij ontbinding op grond van artikel 6:265 BW kan degene die prestatie verlangt ontbinden als degene die prestatie moet leveren nalatig blijft. In geval van artikel 7:210 BW mogen beiden partijen de overeenkomst ontbinden als het beide partijen volstrekt duidelijk is dat het huurgenot geheel onmogelijk is geworden.

De verhuurder is in beginsel verplicht tot reparatie van het gebrek aan het gehuurde; deze verplichting vervalt als herstel van het gehuurde onmogelijk is of uitgaven vergt die in redelijkheid niet van de verhuurder verlangd mogen worden. Dus zowel degene die nalatig blijft als degene die nakoming verlangt kunnen de overeenkomst dan ontbinden. De nalatige partij blijft wel gehouden om de schade die de ander lijdt te vergoeden als die schade de nalatige partij valt toe te rekenen (Kamerstukken II 1999/2000, 26 089, nr. 6, p. 14 e.v.). Ook op grond van gebreken als bedoeld in artikel 7:204 BW kan de huurovereenkomst worden ontbonden. Over de periode voor ontbinding van de overeenkomst kan er door de huurder nog huurvermindering worden gevorderd wegens de aanwezigheid van deze gebreken. De huurder moet bij sociale woonruimte er wel rekening mee houden dat huurvermindering maximaal zes maanden vanaf indiening van de vordering terug kan werken (zie artikel 7:257 BW ).Voor geliberaliseerde woonruimte geldt deze beperking niet.