Omvang schadevergoeding

Artikel 7:210 lid 2 BW stelt buiten twijfel, dat de verplichting tot schadevergoeding in verband met een gebrek dat kan lijden tot ontbinding van de overeenkomst als bedoeld in artikel 7:210 BW ook de schade omvat die ontstaat door het einde van de huur als gevolg van ontbinding.
De hier omschreven aansprakelijkheid voor schadevergoeding bestaat daarom ook wanneer ontbinding anders dan door toepassing van artikel 7:210 BW plaatsvindt (dus in het ‘gewone’ geval van ontbinding wegens wanprestatie, waarbij allicht geen sprake hoeft te zijn van gebreken die het genot van het gehuurde geheel onmogelijk maken).In het vonnis van de rechtbank Limburg van 17 mei 2017 (ECLI:NL:RBLIM:2017:4496 ) werd onder meer een vergoeding van schade besproken na een sluiting op last van de burgemeester na het ontdekken van 142 hennepplanten. Ik ga hier alleen in op het aspect van huurderving.
De huurder die in zijn sociale huurwoning 142 hennepplanten had gekweekt, werd geconfronteerd met een sluiting van de woning door de burgemeester ex artikel 13b Opiumwet. De huurder had de overeenkomst in overleg met de huurder opgezegd.
Bij besluit van 25 november 2014 had de burgemeester van de gemeente Venlo op grond van artikel 13b Opiumwet de woning gelegen van de huurder voor de duur van 1 jaar gesloten.

Bij besluit van 17 juli 2015 had de burgemeester, naar aanleiding van het verzoek van de verhuurder tot opheffing van de sluiting, de woning met onmiddellijke ingang weer aan de verhuurder ter beschikking gesteld.
Met ingang van 15 augustus 2016 werd de woning verhuurd aan een nieuwe huurder.
De verhuurder stelde zich op het standpunt dat zij door de sluiting van de woning huurderving heeft geleden over de periode van 15 november 2014 tot en met juli 2015 voor een totaalbedrag van € 6.987,78. Het betreft de periode van 8½ maand gedurende welke het pand niet is verhuurd. De kantonrechter is van oordeel dat de huurderving die de verhuurder heeft geleden, eveneens kan worden herleid tot het exploiteren van de hennepkwekerij door de huurder. Dat wordt echter anders vanaf het moment dat een verzoek tot het weer mogen gebruiken van de woning aan de burgemeester van de Gemeente V. zou zijn ingewilligd, als het was gedaan. Eventuele langere leegstand is vanaf dat moment het gevolg van de huurmarkt en niet van de gedwongen sluiting en dient dus niet langer voor rekening van gedaagde te komen.
De kantonrechter overwoog ten aanzien van de schadeclaim voor wat betreft de huurderving als volgt. Op grond van de informatie van de gemeente waarin het gehuurde gelegen ligt, komt een verzoek tot opheffing van de sluiting van een pand na een termijn van 6 maanden voor heroverweging in aanmerking. De kantonrechter heeft geen reden om aan te nemen dat een dergelijk verzoek van deze verhuurder dan zou zijn afgewezen. Daarbij betrekt de kantonrechter het gegeven dat het hier om sociale woningbouw – waaraan doorgaans een tekort bestaat – handelde, het om een bonafide verhuurder gaat en het feit dat in gevallen als het onderhavige door een groot aantal gemeentes een sluitingstermijn van 3 maanden wordt gehanteerd, welke termijn dan al is verdubbeld. In deze omstandigheid zag de kantonrechter aanleiding om de vordering van eiseres te beperken tot 6 maanden huur.
Uit het vonnis is niet te herleiden op welke grondslag de schadevergoeding is toegewezen. De schadevergoeding kan niet zijn gewezen op basis van artikel 6:265 BW e.v.. De huurovereenkomst is immers niet ontbonden. Ik ga ervan uit dat de verhuurder de vergoeding van schade heeft gebaseerd op artikel 6:74 BW. Voor de verplichting tot schadevergoeding is de toerekenbaarheid van de nalatige partij van belang. Als de tekortkoming de nalatige partij niet valt te verwijten, dan bestaat op grond van artikel 7:210 lid 2 BW en/of op grond van artikel 6:277 BW geen mogelijkheid de geleden schade op de nalatige partij te verhalen.