Wettelijke motivatie buitengerechtelijke ontbinding 

De wetgever heeft in de gevallen dat er bij beide partijen duidelijk de behoefte bestaat om de huurovereenkomst te beëindigen wegens de toestand van het gehuurde de mogelijkheid van buitengerechtelijke ontbinding van een huurovereenkomst in de wet opgenomen. In deze gevallen was de wetgever van mening dat de noodzaak van rechterlijke ontbinding van de overeenkomst niet langer noodzakelijk was omdat het partijen in deze gevallen waarop artikel 7:210 BW betrekking heeft volstrekt duidelijk is dat het huurgenot geheel onmogelijk is geworden. Het is daarom volgens de wetgever alleen omslachtig om eerst een tijdrovende procedure te beginnen om tot de beoogde ontbinding te komen. Wanneer niet zonder meer duidelijk is of het geheel is vervallen dan wel of er nog enig genot overblijft, dan is het verstandig dat de partij die de overeenkomst heeft ontbonden, zich wendt tot de rechter om een verklaring voor recht te vorderen inhoudende dat de overeenkomst terecht is ontbonden.