Opzegging van overige bedrijfsruimte, de wettelijke basis

De wettelijke regeling over opzegging van deze overeenkomst staat in artikel 7:230a BW. Om gebruik te kunnen maken van de ontruimingsbescherming als genoemd in laatstgenoemd artikel moet er sprake zijn van gebouwde onroerende zaken; als er niet sprake is van bebouwde onroerende zaken, maar van onbebouwde onroerende zaken (bijvoorbeeld parkeerterrein, of opslagplaats), dan komt de huurder geen ontruimingsbescherming toe. Zie de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, sector kanton Rotterdam 14 februari 2008 LJN: BD2812, sector kanton Rechtbank Rotterdam, 855873. Uit deze uitspraak blijkt uit overweging 5.3 duidelijk dat er geen sprake was van een verhuurde bebouwde onroerende zaak als er sprake is van een verhard verhuurd bedrijfsterrein. Dit wordt niet anders als er op het terrein een keet staat vermeld. Deze keet is van zodanig ondergeschikt belang dat door de aanwezigheid van de keet het huurregime niet kan worden gewijzigd in het regime dat wordt beheerst door artikel 7:230a BW.

Partijen kunnen overeenkomen dat de huurovereenkomst niet opgezegd mag worden door de verhuurder. Het is ook mogelijk dat de koper en de verkoper van een pand met elkaar overeenkomen dat de huurovereenkomst die op het pand rust (tijdelijk) niet opgezegd kan worden. Zie voor meer informatie het hoofdstuk: “De opzegging van de opzegging van 7:290 BW-bedrijfsruimte”onderdeel  “De varianten betreffende de opzegging van 7:290 BW-bedrijfsruimte“.