5a. Publiek toegankelijk lokaal hoeft geen besloten karakter te hebben

Volgens een uitspraak van de Hoge Raad van 23 september 1983, NJ 1984, 309 (Staat/Koopman) blijkt dat met een ‘voor het publiek toegankelijk lokaal’ in de wettekst slechts bedoeld is ‘een voor het publiek toegankelijke ruimte’. Het gaat hierbij om een verkooppunt ten opzichte van het publiek. Lokaal en ruimte worden min of meer onder dezelfde betekenis gebruikt. De Hoge Raad zet dit letterlijk in het volgende fragment in deze uitspraak: ‘… tot uitdrukking heeft gebracht dat er een verkooppunt ten opzichte van het publiek moet zijn. Het is derhalve niet juist als vereiste te stellen dat er een besloten lokaal of ruimte moet zijn’.
De rechtbank te Assen, sector kanton, locatie Assen, heeft in haar vonnis van 14 februari 2012 ( LJN: BV7350, sector kanton rechtbank Assen, 323697\CV EXPL 11-5467 ) in het kader van een vordering tot indeplaatsstelling, eerst moeten beoordelen of er sprake was van artikel 7:290 BW-bedrijfsruimte. In het kader van deze beoordeling werd onder meer vastgesteld dat het gehuurde beschikt over een voor het publiek op reguliere openingstijden toegankelijke ruimte waarin de kasten en schuifdeuren worden gemaakt alsmede worden getoond en verkocht aan particulieren. Ten behoeve van het sluiten van een koopovereenkomst is een verkoopbalie ingericht. Deze inrichting is door de huurder bij het aangaan van de huur met medeweten en instemming van de verhuurder aangebracht. Voorts is het in het gehuurde uitgeoefende bedrijf gericht op het aan particulieren verkopen van door de huurder zelf op maat gemaakte schuifdeuren en kasten. De kantonrechter ging ervan uit dat de bedoeling van partijen bij het aangaan van de overeenkomst was het exploiteren van een ambachtsonderneming dan wel een detailhandelsbedrijf in de zin van artikel 7:290 BW. Deze uitspraak ligt in de lijn met bovengenoemde uitspraak van de Hoge Raad van 23 september 1983.

Het gerechtshof te ’s-Gravenhage besliste in haar arrest van 31 mei 2011 ( LJN: BR1898, gerechtshof ‘s-Gravenhage, 200.080.449/01 ) dat er aanzien van een pizzabesteldienst geen sprake was van artikel 7:290 BW-bedrijfsruimte. In het huurcontract stond als bestemming: “cateringsbedrijf (het bezorgen van maaltijden)”. De huurder had in het handelsregister eenzelfde bedrijfsomschrijving laten op nemen. Door de huurder was gesteld dat er geen publiektoegankelijk lokaal aanwezig was en dat de pizza’s buiten het gehuurde werden bezorgd en afgerekend. Uit de in de procedure overgelegde gegevens werd niet aannemelijk gemaakt dat zich in het gehuurde een publiek toegankelijk lokaal bevond, zodat het gehuurde niet als 7:290 BW-bedrijfsruimte kon worden beschouwd.

Indien overigens aan de gestelde criteria is voldaan, is een gebrekkige toegankelijkheid geen reden om niet van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW uit te gaan, tenzij duidelijk is dat elke bedoeling van de ondernemer het aan het publiek mogelijk te maken hem in het gehuurde op te zoeken ontbreekt (HR 4 oktober 1996, NJ 1997, 103 Drukkerij de Schinkel). Deze uitspraak had betrekking op een ambachtsbedrijf. De publieke functie was echter beperkt want niet meer dan 20% van de omzet werd behaald met particulier drukwerk, zoals geboortekaartjes. Voor toepasselijkheid van deze bepaling is het dus niet van belang dat het publiek zich “in relevante mate bij de onderneming vervoegt voor de rechtstreekse levering van goederen of diensten”. Een dergelijke eis zou tot gevolg hebben dat een beginnende onderneming, die nog relatief weinig klanten heeft, buiten de bescherming van artikel 7:290 BW zou kunnen vallen. Misbruik van deze regeling kan worden voorkomen als komt vast te staan dat “elke bedoeling van de ondernemer het aan het publiek mogelijk te maken hem in het gehuurde op te zoeken ontbreekt”.

Met dit criterium kan misbruik door ondernemingen worden voorkomen die geen artikel 7:290 BW bedrijven zijn en die zich bijvoorbeeld op industrieterreinen bevinden. Overigens lijkt hiervan geen sprake als in het huurcontract met een dergelijke activiteit geen rekening is gehouden en de huurder zowel tegen de bestemming in het huurcontact als tegen gemeentelijke verordeningen in gaat. De huurder schiet dan toerekenbaar tekort en kan daarmee ontbinding van de huurovereenkomst riskeren.

De rechtbank Arnhem besliste in haar uitspraak van 6 maart 1986 (Rb. Arnhem 6 maart 1986, NJ 1987, 783) in dezelfde zin. Vraag was of een winkel-in-winkel constructie (gehuurde ruimte in supermarkt) tot de werkingssfeer van artikel 7:290 BW zou horen, omdat er niet sprake zou zijn van een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan. De Hoge Raad verwerpt de stelling dat het verhuurde vloeroppervlak als zodanig niet kan worden aangeduid als gebouwd onroerend goed noch als gedeelte van een groter geheel van gebouwd onroerend goed. Een dergelijke beperking van de werkingssfeer van artikel 7:290 BW tot verhuur van zelfstandige, afgescheiden bedrijfsruimte kan volgens de Hoge Raad noch uit de tekst van de wet, noch uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid.

Zoals hiervoor besproken geldt deze eis niet voor het hotel en het kampeerbedrijf. Bij deze regeling is in het bijzonder gedacht aan detailhandel en ambachtsbedrijven. De plaatsgebondenheid speelt een belangrijke rol. Klanten moeten het bedrijf bezoeken om goederen en/of diensten af te nemen.

De kern van de uitspraak HR 6 februari 1987, NJ 1987, 979 (Tanke/Jawiki) is dat het voor de eis dat er ‘een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van goederen of voor dienstverlening’ aanwezig moet zijn van belang is dat ‘er een verkooppunt ten opzichte van het publiek is’. Een bijzondere inrichting is daarvoor geen vereiste. Hiermee werd een uitspraak van een rechtbank gesanctioneerd waarin was gesteld dat er voor toepasselijkheid van artikel 7:290 BW een zodanig te herkennen inrichting om klanten te ontvangen aanwezig moet zijn, wat dus door de Hoge Raad als onjuist is beoordeeld. Als daarentegen elke bedoeling bij de ondernemer ontbreekt om publiek te ontvangen, dan is er geen sprake van 7:290 BW-bedrijfsruimte. Het maakt dan niet uit of de werkzaamheden als ambacht aangemerkt kunnen worden.

Dit standpunt (HR 6 februari 1987, NJ 1987, 979 (Tanke/Jawiki) brengt met zich mee dat de voor het publiek bestemde ruimte niet gelegen hoeft te zijn in het gebouw, maar direct daarvoor gelegen kan zijn. Dit kan bijvoorbeeld van toepassing zijn als het publiek vanuit het gebouw wordt bediend aan een loket. De eis die de wet stelt is dus concreet dat er een verkooppunt ten opzichte van het publiek moet zijn. De aanwezigheid van een besloten lokaal of ruimte behoort daarom niet tot deze eis. (HR 23 september 1983, NJ 1984, 309 (Staat/Koopman). Dit verkooppunt hoeft niet tot het gehuurde te behoren. Als dit verkooppunt een onderdeel van een groter geheel vormt waarvan de delen onlosmakelijk met elkaar (het gehuurde en niet gehuurde deel) zijn verbonden, dan is ook aan de voorwaarde voldaan (Ktg. Amsterdam, 7 mei 1997, WR 1997, 86).
Een koffiekamer in een rouwcentrum kan vanwege het besloten karakter niet als 7:290-bedrijfruimte worden aangemerkt. Volgens een arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 10 februari 2009 LJN: BH6976, gerechtshof ‘s-Gravenhage, 105.006.444/02, C07 werd hierover het volgende beslist: de dienstverlening betreffende rouwplechtigheid is feitelijk slechts gericht op groepen die in die zin besloten zijn dat de tot die groep behorende personen direct daarvoor een begrafenis-, crematie of herdenkingsplechtigheid in het rouwcentrum hebben bijgewoond. Een willekeurige toerist in vrijetijdskleding wordt niet geacht binnen te lopen en tegen contante betaling een consumptie te bestellen, te gebruiken en te betalen, laat staan dit te doen terwijl er gecondoleerd wordt. Er kan daarom geen sprake zijn van een voor het publiek toegankelijk lokaal.