Rentevergoeding in het kader van huurprijswijziging

Wettelijke rente en wettelijke handelsrente

De Hoge Raad heeft in haar uitspraak van 15 juni 2001 Noot 208 beslist dat de nalatige partij rente verschuldigd was nadat was vastgesteld dat de huur na een toegewezen vordering op grond van een rapport van de Bedrijfshuuradviescommissie (BHAC) mocht worden verhoogd. Voor particulieren geldt een wettelijke rentevergoeding. Dit is niet onomstreden. Voor zakelijke huurders kan het hogere tarief van de wettelijke handelsrente van toepassing  zijn.  Ik kom hier in dit onderdeel uitgebreid op terug.

De wettelijke handelsrente

De wettelijke handelsrente vindt zijn grondslag in de artikelen 6:119a BW en 6:120 lid 2 BW. Deze bepalingen zijn ingevoerd in het Burgerlijk Wetboek ter implementatie van de richtlijn 200/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 (Richtlijn 2000/35/EG, PbEG L 2000/35 van 8 augustus 2000, hierna de Richtlijn) betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties. Blijkens haar tekst, structuur en de achtergrond, strekt deze richtlijn ertoe betalingsachterstanden bij handelstransacties tegen te gaan. Van een handelstransactie in de zin van de Richtlijn is sprake in het geval van een “transactie tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leiden  tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding”. (artikel 2 onder 1). Als een onderneming in de zin van de Richtlijn geldt: “elke organisatie die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, ook  wanneer deze door slechts één  persoon wordt uitgeoefend”. (artikel 2 onder 3)”. Deze regeling geldt alleen voor handelsovereenkomsten die tot stand zijn gekomen na invoering van deze regeling. Deze regeling is op 8 augustus 2002 in werking getreden. Op overeenkomsten die vóór deze datum tot stand zijn gekomen kan alleen de wettelijke rente worden berekend. Het gaat hier om primaire betalingsverplichtingen uit handelsovereenkomsten (zie het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3106).

Voor het vervallen van de handelsrente is niet van belang dat de nalatige partij in verzuim is. In artikel 6:119a BW wordt niet de eis van verzuim gesteld voor het vervallen van de handelsrente. In artikel 6:119a lid 6 BW staat en regeling opgenomen waarin van een betalingsdatum niet afgeweken mag worden. Dit artikel bevat dus gedeeltelijk regelende- en dwingende bepalingen.

De handelsrente is verschuldigd over schade die verschuldigd is wegens vertraging in de voldoening van een geldsom.  Onder deze regeling valt dus niet vorderingen die op basis van schadevergoeding in rekening worden gebracht zoals huurderving na bijvoorbeeld ontbinding van de overeenkomst (Hoge Raad 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:70). Er kan ook geen handelsrente worden berekend over de incassokosten die de eisende partij in rekening brengt over het verschuldigde bedrag. Evenmin valt hieronder de vorderingen op basis van onverschuldigde betaling die de huurder in kan stellen als hij op basis van de huurverlagingsactie geld van de verhuurder terugkrijgt.

Op een normaal verschuldigd bedrag aan huur zal de handelsrente van toepassing zijn. Dit betreft immers een verleende dienst. Dit is door het Europese Hof van Justitie beslist in haar uitspraak van 15 december 2016 (HvJEU 15 december 2016, C 256.15 (ECLI:EU:C:2016:954).

Bij huurverlaging kan er dus niet zonder meer van een vervallen handelsrente sprake zijn nu de rechtsgrond voor terugvordering van de huur na huurverlaging op ‘onverschuldigde betaling’ zal zijn gebaseerd en de ontvanger van een onverschuldigde betaling niet automatisch in verzuim raakt. De vordering op basis van onverschuldigde betaling is immers een vordering op grond van de wet en niet een vordering op grond van een handelstransactie. Er kan daarom geen handelsrente bij huurverlaging in rekening worden gebracht. Er kan wel wettelijke rente in rekening worden gebracht. Deze wettelijke rente kan pas in rekening worden gebracht na ingebrekestelling. Bij het instellen van de vordering (bijvoorbeeld het indienen van het verzoek tot benoeming van een deskundige) kan geen rente worden berekend, omdat op dat moment nog niet duidelijk is of er te veel huur wordt betaald. Als na de artikel 7:303 BW-procedure een huurprijs wordt vastgesteld, kan er een vordering tot betaling van het teveel betaalde bedrag worden ingesteld. Als de verhuurder de vordering niet voldoet, kan het verzuim van de verhuurder intreden.

Als de verhuurder daarna is aangeschreven en niet op tijd de achterstallige huur voldoet, dan raakt de andere partij wel in verzuim. Dan is echter nog niet de handelsrente verschuldigd, omdat de grondslag van de vordering dan nog niet een handelstransactie betreft volgens bovengenoemde richtlijn.

Bij een vordering tot huurverhoging is de handelsrente wel van toepassing. Voor het vervallen van de handelsrente is verzuim niet noodzakelijk. Als het vastgestelde huurbedrag niet wordt betaald, zal de huurder de rente al verschuldigd kunnen worden vanaf het moment dat de verhoogde huur betaald had moeten worden. Dit is toch een zure zaak voor de huurder. De huurder zal immers wél handelsrente verschuldigd zijn vanaf het moment dat de hogere huur verschuldigd is, terwijl de verhuurder bij huurverlaging slechts de wettelijke rente verschuldigd is vanaf het moment dat de verhuurder in verzuim is geraakt nadat deze door de huurder is aangeschreven om de vordering te voldoen. (Zie ook mr. K.Keij, Wettelijke rente, wettelijke handelsrente en boete, TvHB nr. 3 juni 2019, vanaf pagina 171).

De wettelijke rente 

Als er ten onrechte handelsrente wordt gevorderd, dan dient de rechter ambtshalve te beoordelen of de wettelijke rente kan worden toegewezen.  De wettelijke rente van haar grondslag in artikel 6:119 BW. Dit artikel is regelend recht.  Partijen kunnen afwijken van deze wettelijke regeling. De verhuurder kan wel een hoger percentage aan rente vragen. Partijen kunnen ook afspreken dat het verzuim van rechtswege zonder ingebrekestelling intreedt. Overigens geldt voor betalingen van huurtermijnen dat de huurder van rechtswege in verzuim verkeert als er niet binnen overeengekomen termijn wordt betaald. Ik spreek hierover uitgebreid  in het hoofdstuk “Introductie Incasso’s” onderdeel “De aanmaning” in dit boek. Als partijen een afwijkend rentepercentage afspreken die hoger is dan wettelijke rente, dan moet dit afwijkende percentage als boetebeding aangemerkt worden in de zin van artikel 6:91 BW.

Als er wettelijke rente is gevorderd, terwijl er wettelijke handelsrente gevorderd had kunnen worden, mag de rechter niet in plaats van het  gevorderde de handelsrente toewijzen (zie het arrest van het hof ‘s-Hertogenbosch van 28 augustus 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX6052).

De Hoge Raad heeft in rechtsoverweging 3.10.1 van haar arrest van 15 juni 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB2174) bepaald dat de nader vastgestelde huurprijs met ingang van de datum van de inleidende dagvaarding verschuldigd is en op de onderscheiden vervaldata opeisbaar is geworden, en dat daarom ook de wettelijke rente vanaf die vervaldata toewijsbaar is.