De in rekening te brengen kosten ivm de Warmtewet

In het kader van de levering van warmte kunnen drie componenten kosten in rekening worden gebracht: de kosten voor het verbruik van warmte (de maximum prijs), de huur van de afleverset (indien aanwezig) en de meterhuur of de kosten voor het meten van het warmteverbruik.

In artikel 2 Warmtewet staan de eisen waaraan de leverancier moet voldoen. Deze eisen hebben betrekking op een betrouwbare levering tegen redelijke voorwaarden en een goede dienstverlening. In dit artikel staan ook de niet geringe administratieve eisen waaraan een leverancier op grond van de Warmtewet moet voldoen. Artikel 2 Wijziging Warmtewet uniformeert en vereenvoudigt de jaarlijkse te specificeren afrekening. Uit artikel 2 blijkt dat de leverancier ten minste eenmaal per jaar een volledige en voldoende gespecificeerde nota met betrekking tot de door hem geleverde diensten dient te verstrekken. Daarnaast dient de leverancier een volledige en voldoende gespecificeerde nota na beëindiging van de leveringsovereenkomst aan de verbruiker te geven. Artikel 8b Warmtewet regelt in dit verband onder meer:

  • de inrichting van energiekostenramingen en facturen inzake het verbruik van warmte;
  • de frequentie van facturen inzake het verbruik van warmte;
  • het verstrekken van gegevens over het verbruik van warmte;

Er zijn grote prijsverschillen tussen verschillende soorten afleversets. Dit wetsvoorstel biedt daarom de mogelijkheid om voor verschillende soorten sets een verschillende prijs vast te stellen. Deze prijsdifferentiatie is gebaseerd op de verschillende functionaliteiten van afleversets. Daarbij gaat het om afleversets bestemd voor alleen ruimteverwarming, alleen tapwater en afleversets voor zowel ruimteverwarming als tapwater. Voor alle drie de typen kan met behulp van een referentiesituatie een maximumprijs worden vastgesteld. De maximumprijssystematiek biedt ook de mogelijkheid om eventuele bijbehorende regelelektronica in de bij de afnemer in rekening te brengen kosten te verwerken.

Voor de ACM levert dit onderscheid tussen de verschillende afleversets in verband met invoering van de nieuwe regeling een “breinbreker” op. De ACM zal voor een juiste berekening van de tarieven bij de afleveringsets eerst moeten onderzoeken wat de meest voorkomende afleverset in elke categorie is. Vervolgens moet onderzocht worden welke mogelijke aanvullende functionaliteiten ten opzichte van de meest voorkomende er zijn. Als laatste moet bekeken worden welke afleveringsets daarvan een apart tarief rechtvaardigen en wat voor elke aanvullende functionaliteit een passende opslag of afslag op het basistarief is. De ACM heeft daarom nog enige tijd nodig om deze berekeningen uit te voeren. Om deze reden zal de gewijzigde Warmtewet vermoedelijk pas op 1 januari 2020 ingevoerd kunnen worden.

De maximumprijzen
De leverancier mag in beginsel bepalen welk bedrag hij in rekening brengt voor de levering van warmte. Dit vloeit voort uit de contractsvrijheid, die de wet op grond van het overeenkomstenrecht biedt. De leverancier mag echter niet de maximumprijs aanpassen aan overschrijding van kosten. De leverancier mag geen andere kosten in rekening brengen dan de kosten voor het verhuren of verkopen van de afleverset, de meetkosten en de maximumprijs.

Afwijking maximum bedragen
De nieuw voorgestelde regeling beoogt, binnen strikte voorwaarden, leveranciers in de gelegenheid te stellen om tarieven aan te bieden naast en in afwijking van het wettelijke maximumtarief. De leverancier is dus verplicht om de afnemer in ieder geval een tarief aan te bieden dat niet hoger is dan het wettelijke maximumtarief. Gezien het feit dat er in de warmtemarkt sprake is van gebonden afnemers wordt het aanbieden van leveringstarieven die afwijken van de standaard (met kans op hogere warmterekening) alleen toegestaan indien de desbetreffende afnemer hier vrijwillig en op basis van volledige transparantie voor kiest (artikel 5a Warmtewet). Deze mogelijkheid bestaat dus nog niet in de huidige regeling.

De wetgever beoogt hiermee meer keuzevrijheid voor afnemers te realiseren en de creativiteit in de sector te stimuleren, waardoor de ontwikkeling van nieuwe initiatieven voor collectieve warmtelevering bevorderd wordt. Vanuit de praktijk is aangegeven dat onder meer behoefte bestaat aan het aanbieden van de volgende tariefsoorten:

– De klant krijgt de mogelijkheid om de vaste kosten voor een aantal jaar af te kopen en betaalt vervolgens alleen een variabel tarief;

– Het tarief (variabel en/of vast) wordt voor meerdere jaren vastgesteld;

– Lagere vaste kosten en een hoger variabel tarief (en vice versa).

Voorwaarde voor het aanbieden van deze keuzemogelijkheid volgens de nog in te voeren nieuwe regeling is dat de leverancier de klant vooraf heel goed informeert over de consequenties van zijn keuze en het moet voor hem duidelijk zijn dat hij ook voor de maximumprijs kan kiezen. Het non-discriminatie-artikel in de Warmtewet (artikel 2, lid 4) voorkomt dat tussen verbruikers op basis van ongerechtvaardigde gronden onderscheid wordt gemaakt. Deze bepaling werkt ook door in de tariefstelling door leveranciers.

Deze componenten zijn in het besluit tot vaststelling van de maximumprijs en de berekening van de eenmalige aansluitbijdrage en het meettarief warmteverbruik vastgesteld. Het bedrag voor het vastrecht is vastgesteld op € 309,52 (2018) € 318,95 (2019) en de prijs voor het verbruik per gigajoule is vastgesteld op een bedrag van € 24,05 (2018) en € 28,47 (2019).

De wet regelt verder de kosten van afsluiting van het warmtenet. De regeling heeft als uitgangspunt genomen dat de kosten die in rekening worden gebracht voor het fysieke afsluiten van de aansluiting de feitelijke kosten niet ver mogen overstijgen. Hiertoe is in de wet opgenomen dat een maximumprijs wordt vastgesteld voor fysieke afsluiting van de warmteaansluiting. De basis voor vaststelling van deze maximumprijs vormen de (gemiddelde) werkelijke kosten die gemoeid zijn met de fysieke afsluiting.

Na de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de maximumprijs, bedoeld in het eerste en vierde lid, worden de prijzen voor levering van warmte die hoger zijn dan de maximumprijs, van rechtswege gesteld op die maximumprijs (artikel 5 lid 6 Warmtewet). Dit is alleen anders als de leverancier en een verbruiker in de nieuwe regeling overeenkomen dat aan de verbruiker een prijs in rekening wordt gebracht voor de levering van warmte die afwijkt van de maximumprijs, bedoeld in artikel 5, eerste lid, indien de leverancier de verbruiker aantoonbaar een aanbod voor levering van warmte heeft gedaan dat in ieder geval de mogelijkheid bevat om warmte geleverd te krijgen tegen ten hoogste de maximumprijs (artikel 5a Warmtewet). Nogmaals: dit is volgens de huidige regeling (december 2018) niet mogelijk. Men dient zich volgens het huidige systeem te houden aan de maximumprijzen, dat wil zeggen dat de verbruiksvergoeding niet uit mag stijgen boven deze maximumprijzen.

Opbouw maximumprijs volgens de huidige regeling

De maximumprijs is opgebouwd uit:

Sommige verhuurders waren volgens de oude regeling van de Warmtewet van mening dat zij door de regeling van de Warmtewet niet langer gehouden waren de facturering van het gebruiksonafhankelijke gedeelte van de warmtekosten te specificeren. De kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam heeft in haar vonnis van 18 november 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:8645) over deze kwestie een oordeel moeten geven. De vraagstelling luidde of de verhuurder op grond van artikel 5 van de Warmtewet het recht heeft naar eigen inzicht, en dus zonder de verplichting deze te specificeren, gebruiksonafhankelijke kosten in rekening te brengen bij haar huurders, zolang deze kosten het door de Autoriteit Consument en Markt vastgestelde maximumbedrag maar niet overschrijden. De kantonrechter deelde het standpunt van de verhuurder niet. Het doel van de Warmtewet is, volgens de Memorie van Toelichting, consumentenbescherming. De Warmtewet heeft onder andere tot doel individuele gebruikers te beschermen tegen te hoge tarieven. Deze beschermingsgedachte verdraagt zich niet met een verhuurder die naar eigen inzicht, en zonder daar verantwoording over af te hoeven leggen, gebruiksonafhankelijke kosten in rekening brengt. In de visie van de verhuurder zou zij, als voorbeeld, hoewel dit in deze zaak niet is gebeurd, als de ‘overige’ gebruiksonafhankelijke kosten, zoals die in deze zaak ongeveer € 200,00 bedragen, € 109,52 aan administratiekosten in rekening kunnen brengen en zodoende de gebruiksonafhankelijke kosten naar eigen inzicht ‘aanvullen’ tot het maximumbedrag van € 309,52 (2018) € 318,95 (2019). Dit was volgens de rechter onaanvaardbaar en strookte niet met de consumenten-beschermingsgedachte van de Warmtewet. Ik lees in deze uitspraak impliciet een uitleg van de berekening van de verbruikskosten, die overeenkomst met de berekening zoals deze door de Huurcommissie wordt toegepast (zie het onderdeel “Uitspraken over geleverde warmte” in dit hoofdstuk).

Dat de kosten controleerbaar moeten zijn, is niet onomstreden. De redelijkheidstoets zit volgens sommige schrijvers al ingebouwd in de Warmtewet, zodat het niet nodig is terug te vallen op de Uitvoeringswet Huurprijzen Woonruimte. Het valt te verdedigen dat de specifieke regeling als genoemd in de Warmtewet boven de regeling van de Uitvoeringswet Huurprijzen Woonruimte gaat. Anderzijds valt het in het kader van de redelijkheidstoets niet goed te rijmen als de huurder toch kosten gebaseerd op de maximum bedragen dient te betalen, als de redelijke berekende kosten onder dit maximum uitkomen. Hier heeft de kantonrechter gekozen voor de laatste interpretatie. Als er geen sprake is van een individuele meter, maar de berekening van de kosten plaatsvindt op basis van artikel 8a lid 2 Warmtewet, dan zal de leverancier aan alle verbruikers een voor alle verbruikers inzichtelijke kostenverdeelsystematiek dienen te verstrekken (artikel 8a lid 2 Warmtewet).

Volgens artikel 7:259 BW heeft de verbruiker recht op inzage van de aan het overzicht ten grondslag liggende boeken en andere bescheiden en/of van afschriften daarvan. De leverancier dient alleen een specificatie van de in rekening gebrachte bedragen te verstrekken. Als deze bedragen onder of op de door ACM vastgestelde maximum bedragen zijn gesteld, dan zit de leverancier goed (behoudens de uitzondering als genoemd in artikel 5a Warmtewet). De leverancier is dus niet gehouden de verbruiker inzicht te geven in het rendement van zijn installatie in de zin van de Warmtewet (het verschil tussen de in rekening gebrachte kosten van energie en de kosten die aan de verbruiker in rekening gebracht mogen worden). Deze gegevens moet de leverancier wél aan de ACM verstrekken volgens artikel 7 Warmtewet. Als de verbruikskosten onder de maximumprijs uitkomen, dan zal de leverancier op grond van de redelijkheid niet de hogere maximum kosten in rekening mogen brengen.

Daarnaast mag een bedrag voor meting in rekening gebracht worden. Het tarief voor meting is vastgesteld op een bedrag van € 25,36 (2018) € 25,98 (2019) per jaar. Verder mag een bedrag voor het ter beschikking stellen van een warmtekostenverdeler in rekening worden gebracht. In de begrippenlijst staan onder de term “maximum prijzen (tarief) Warmtewet” de prijzen die in de voorgaande jaren van toepassing waren.

De huurders van een complex die te maken hebben met een gemeenschappelijke installatie betaalden tot en met 2013 als servicekosten een bedrag dat is opgebouwd uit de volgende componenten: gas voor de ketel, elektriciteit voor de pompen, kosten van verdeelmeters en kosten voor uitlezing daarvan. Door berekening van de kosten op basis van de Warmtewet wordt er dus niet meer uitgegaan van toerekening van de werkelijke kosten aan verbruikers, maar van berekening van een tarief aan de verbruikers in de vorm van een vastrecht en een bedrag voor een variabel deel.

De berekening op grond van de Warmtewet bestaat uit minder componenten, namelijk: een bedrag aan vastrecht (artikel 2 lid 3 sub b en c Warmtewet) en een bedrag voor een variabel deel (artikel 5 lid 2 sub b Warmtewet). Daarnaast mag het bovengemelde tarief voor meting van het warmteverbruik in rekening worden gebracht en mag een redelijk tarief voor het beschikbaar stellen van een warmtekostenverdeler in rekening worden gebracht (artikel 2 lid 3 sub e Warmtewet). Die laatste component bevat geen voorgeschreven tarief door de ACM. Als de leverancier in een appartementencomplex één GJ-meter heeft geplaatst bij het punt waar de geleverde verwarming van de stadverwarming binnenkomt (als bij niet elk afzonderlijk appartement een GJ-meter geplaatst kan worden), maar er wel bij elke woning een warmtemeter is geplaatst, kan de leverancier kosten voor de GJ-meter en voor de warmtemeter doorbelasten.

De leverancier heeft niet de garantie dat de exploitatie van het warmtenet kostendekkend is. Nacalculatie van de servicekosten zoals tot en met 2013 aan de orde was, zal niet meer worden toegepast, voor zover de werkelijke kosten uitstijgen boven de maximumbedragen. Het is immers mogelijk dat de maximum gigajouleprijs voor een bepaald netwerk niet kostendekkend is; hoe hoger het verbruik, des te hoger het verlies. Als het verbruik niet met individuele meters is na te gaan, dan zal leidingverlies doorgaans als vaste kosten worden aangemerkt. Zie hierover het onderdeel “Uitspraken over geleverde warmte” in dit hoofdstuk. Ik vind dit toch bevreemdend. Zo wordt toch een installatie met een slecht rendement via de vaste kosten op de huurder afgewenteld. Als er sprake is van een installatie met een slecht rendement en/of slechte isolatie van leidingen, vind ik het redelijk als het verbruik wordt gecorrigeerd ten gunste van de verbruiker. Dat het verbruik dan in mindering komt op de vaste kosten is dan redelijk, omdat alle bewoners hiermee te maken hebben. Er moet hierbij wel bedacht worden dat er tenminste een GJ-meter achter de ketel geplaatst zal zijn. Bij afwezigheid van individuele meters zal het uitgangspunt van het verbruik bij zal dus in ieder geval de geleverde warmte zij die door deze GJ-meter wordt berekend. Daarbij wordt het slechte rendement van een collectieve ketel ondervangen. Niet het verbruik van deze collectieve ketel, maar de hoeveelheid afgegeven warmte ten behoeve van de verbruikers wordt dan geregistreerd. Het lijkt mij dat een huurder bezwaar kan maken tegen het ontbreken van een GJ-meter achter het centrale stookhuis. De leverancier zal immers geen zinnig argument kunnen geven dat de afwezigheid van een dergelijke mater zou kunnen rechtvaardigen. Sinds januari 2014 zijn er inmiddels al wat jaren verstreken. Een gebrek aan deze meters zal nu geen excuus meer kunnen zijn. Zonder een dergelijke meter zal de huurder immers worden betrokken in de discussie ter zake van het rendement van de collectieve installatie. Het uitgangspunt van artikel 8 en 8a Warmtewet is immers dat het verbruik met GJ-meter moet worden gemeten.  Ik vind dat de huurder op zijn minst mag verlangen dat er een GJ-meter achter de collectieve installatie is geplaatst. Bij afwezigheid van een degelijke meter zal rekening gehouden dienen te worden met het rendement van de verwarmingsketel en zal aan de hand van het rendement de warmteafgifte berekend dienen te worden. Warmteverliezen in het ketelhuis mogen niet aan huurder worden doorberekend..

Een installatie met een ongunstig rendement is in het nadeel van de leverancier, omdat slechts de afgifte van warmte in gigajoules wordt gemeten. De leverancier zal een te dure inkoop van gas en elektriciteit niet op de verbruiker afwentelen als deze een eigen meter heeft waarmee het verbruik kan worden vastgesteld. Dat geldt ook voor een niet goed ingeregelde installatie en te lang doorstoken buiten het echte stookseizoen. Door het laatste punt zal een ketel niet optimaal renderen. Bij een kleine warmtevraag buiten de seizoenen draait het systeem immers minder efficiënt. Het mindere rendement komt voor rekening van de leverancier. Als er niet sprake is van een individuele meter, dan zal het verbruik van een niet optimaal werkende installatie zoals boven vermeld in de vaste kosten verwerkt kunnen worden. De verbruiker zonder individuele meter zal hiertegen bezwaar kunnen maken als deze aan kan tonen dat het rendement van de ketel onder de maat is. Het plaatsen van een centrale GJ-meter blijft immers op basis van artikel 8 lid 9 Warmtewet verplicht.

Bij berekening van het verbruik met individuele meters is correctie ten aanzien van het rendement in beginsel niet voor de hand liggend. De ACM heeft het gemiddeld rendement van de installatie immers al verdisconteerd in de maximumprijs (zie artikel 4 Warmtebesluit). Als de installatie een slechter rendement heeft dan het door het ACM berekende gemiddelde rendement van de installatie, dan zal dit het resultaat nadelig beïnvloeden. Bij de berekening van de verbruikskosten wordt niet meer uitgegaan van de werkelijke kosten die zijn gemaakt, maar van de kosten ter hoogte van maximaal de door de ACM vermelde maximumprijs (vermenigvuldigd met het jaarverbruik van de verbruiker). Correctie van het verbruik voor het warmteverlies in het ketelhuis is dus niet toegestaan. In het vonnis van de kantonrechter van 11 januari 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:202) werd echter beslist dat de maximumprijs niet kan worden doorberekend als de redelijke prijs (de werkelijke kosten) lager zou zijn dan de maximum bedragen. De kantonrechter onderbouwt dit door verwijzing naar artikel 2 van de Warmtewet en de Memorie van toelichting bij deze wet. Ik snap deze redenering niet zo. Ik dacht dat het juist de bedoeling was om door de Warmtewet de verhuurder te bewegen efficiënte installaties aan te schaffen, waardoor het verschil tussen de maximumkosten en de lagere werkelijke kosten aan de verhuurder toe zou vallen als “een beloning” voor de toegepaste energiezuinige maatregelen.

De berekening van de totale exploitatiekosten kan dan als volgt geschieden: het aantal woningen in een complex maal het door de ACM vastgestelde bedrag van vastrecht plus het totaal geschatte gigajoules maal de gigajouleprijs. Er is geen regeling voor een berekening van een maximum voorschotbedrag. Het voorschotbedrag moet normaliter overeenkomen met het verbruik door de verbruiker. Het voorschotbedrag kan toch nog verschillen met de bedragen die uiteindelijk in rekening worden gebracht. Als een verbruiker bijvoorbeeld bij uitzondering van januari tot en met maart in Spanje overwintert, dan zal het variabele verbruik lager uitpakken dan het vorige jaar. De verbruiker zal dan betaalde voorschotbedragen terug dienen te ontvangen. Als door de voorgestelde wijziging het huurrecht weer van toepassing wordt, dan zal het voorschotbedrag weer zijn gereguleerd. Voor meer informatie hierover verwijs ik naar het hoofdstuk: “De servicekostenafrekening“.

Voor berekening van het voorschotbedrag kan de volgende berekening als voorbeeld worden genomen. De Handreiking Warmtewet voor woningcorporaties (versie 2.0) van Aedes geeft het volgende voorbeeld: bij een complex van 40 woningen met blokverwarming met een gemiddeld GJ-verbruik van 30 (totaal 1.200 GJ) is de maximale prijs die in rekening kan worden gebracht voor het gehele complex: 40 x € 318,95 + 1.200 x € 28,47 = € 46.922 (ik heb de prijzen gerelateerd aan de prijzen die over 2019 gelden).

Slechts het gedeelte in het Besluit servicekosten dat over warmtelevering gaat zal komen te vervallen; het overige in dit besluit blijft gehandhaafd. De toeslag voor administratie blijft dus ook bestaan door handhaving van dit besluit. De kosten van toeslag voor administratie zijn niet van toepassing als een derde direct levert aan de verbruiker (bijvoorbeeld stadsverwarming).

Het Niet Meer Dan Anders-principe als uitgangspunt voor bepaling van de maximumprijs

Bij de vaststelling van de maximumprijs werd uitgegaan van het Niet Meer Dan Anders (NMDA)-principe; de prijs voor warmte wordt gerelateerd aan de gassituatie van een individuele gasgestookte cv-installatie van een huishouden (een gemiddelde verbruiker van gas is iemand met een G6 meter en een combiketel met HR107 label met comfortklasse CW4 voor tappen). Dit principe vindt haar basis in artikel 5 lid 2 sub a Warmtewet. De verbruiker heeft de zekerheid niet meer te betalen dan de verbruiker die is aangesloten op gas. Bij kleinverbruikers kan voor de referentie gassituatie gekeken worden naar gereguleerde tarieven en gemiddelde gasprijzen, maar voor grotere afnemers bestaat een dergelijke referentie van tarieven en prijzen niet. Tarieven voor grotere verbruikers ontstaan in het algemeen in onderhandeling op de vrije markt. De verschillen tussen deze grote afnemers zijn te groot om als referentie voor een gemiddelde gasprijs te kunnen dienen. Gezien de veranderde energiesituatie wordt er door de politiek aan getwijfeld of deze koppeling aan de gasprijs wel voor de toekomst de juiste referentiewaarde is. Dit leverde een motie op. Minister Wiebes wordt daarin opgeroepen op zoek te gaan naar alternatieven voor de koppeling van het warmtetarief aan de gasprijs. Zolang dit niet is gewijzigd wordt de gasprijs tot referentie genomen voor de prijs van levering van warmte.

Om meerdere redenen was er aanleiding om de wijze van tariefregulering te heroverwegen.

Ten eerste bracht de opbouw van het (maximum) tarief niet wat afnemers ervan verwachtten. De uitwerking van de concrete parameters waarmee ACM de maximumprijs berekent en vaststelt, was ingewikkeld en niet altijd helder voor afnemers.

Ten tweede houdt een warmtetarief gebaseerd op een gasreferentie weinig tot geen verband met de daadwerkelijke kosten die men maakt voor de geleverde warmte. De kostenopbouw bij warmtelevering loopt sterk uiteen met de kosten die met gaslevering gemoeid zijn. Deze scheve verhouding tussen kosten en opbrengsten brengt risico’s met zich mee voor de rendementen die de bedrijven kunnen realiseren. Ik vind dit een merkwaardig argument. In mijn beleving is de Warmtewet ook als stimulans bedoeld om onrendabele collectieve installaties te vervangen door efficiënte installaties.

Ten derde zal het gebruik van aardgas als referentiepunt op langere termijn onhoudbaar zijn. Met oog op de verduurzaming van de energievoorziening zal het gebruik van aardgas als bron voor de warmtevoorziening immers vrijwel in zijn geheel moeten verdwijnen. De gasreferentie wordt echter vooralsnog gehandhaafd. De concrete parameters waarmee de maximumprijs wordt vastgesteld zijn herzien. Deze gewijzigde parameters staan in artikel 3 en 4a van het Warmtebesluit. Het verwachte effect hiervan is dat de maximumprijs lager kan worden vastgesteld dan met de eerst gehanteerde parameters.

Daarnaast wordt een aantal nieuwe elementen in de tariefregulering opgenomen: de eenmalige aansluitbijdrage, de kosten voor afsluiting en de tarieven voor het beschikbaar stellen van afleversets.

De berekening van het energieverbruik; het gebruiksafhankelijke deel
Ook als de Warmtewet voor verhuurders, VvE’s en gemengde VvE’s niet meer van toepassing is, blijven de artikelen 8 en 8a van de Warmtewet van toepassing voor deze leveranciers. Dit betekent dat de leverancier aan de afnemer een individuele meter ter beschikking moet stellen als de verbruiker hierom vraagt (artikel 8 lid 3 Warmtewet). Dit leidt uitzondering wanneer dit technisch niet mogelijk is of financieel niet verantwoord is (artikel 8 lid 3 Warmtewet). Er dient ook een GJ-meter te worden geïnstalleerd bij vervanging van een bestaande meter, of bij het aanbrengen van een nieuwe aansluiting als een gebouw ingrijpend wordt gewijzigd. De herziening van de Warmtewet vermeldt in artikel 8 lid 9 dat er een centrale GJ-meter geplaatst moet worden. Deze verplichting geldt ook voor de verhuurders, VvE’s en gemengde VvE’s.

Artikel 8a Warmtewet behoudt de verplichting voor deze leveranciers om het verbruik van de individuele verbruikers zo veel mogelijk op individuele basis te meten. Dit betekent dat er een warmtekostenverdeler aangebracht moet worden als een individuele meter niet mogelijk is.

Door het niet meer van toepassing zijn van het grootste deel van de Warmtewet voor de huurders met blokverwarming, zal de afrekening van stookkosten niet meer aan het maximale tarief van ACM wordt getoetst. Er zal op basis van werkelijke en redelijke kosten afgerekend gaan worden. Bij volledige toepassing van de Warmtewet paste de Huurcommissie toch ook al de redelijkheidstoets toe. Conform het beleid van de Huurcommissie wordt er in ieder geval afgerekend op basis van de werkelijk kosten. Als het maximum tarief hoger luidt dan de maximum kosten, dan kiest de Huurcommissie dus voor de lagere werkelijke kosten. Ik ga hier in dit hoofdstuk verder op in.

De huidige regeling
Het gebruiksafhankelijke deel bestaat uit een bedrag in euro’s dat is opgebouwd uit een afgenomen aantal gigajoules vermenigvuldigd met de maximumgigajouleprijs. Voor berekening van dit bedrag moet het aantal afgenomen gigajoules bekend zijn. Er zijn vooralsnog drie methoden om het gebruik te meten.

  1. Via een eigen warmtemeter in de woning van de afnemer (voorkeur van de wet zie artikel 8 Warmtewet).
  2. Via een warmtekostenverdeler. Dit is een apparaat dat het warmteverbruik per radiator meet (artikel 8a lid 1 Warmtewet).
  3. Met een kostenverdeelsystematiek (artikel 8a Warmtewet). Dit is een formule om de kosten voor warmte van een groep woningen eerlijk te verdelen. Zodat iedereen een rekening krijgt die past bij zijn eigen verbruik. Gezamenlijke kosten worden ook verdeeld.

Artikel 2 van het Warmtebesluit  geeft de formule waarmee de maximumprijs voor levering van warmte wordt vastgesteld. Artikel 3 en 4 van het Warmtebesluit geven hiermee inzicht in de kostencomponenten van gaslevering, waaruit de maximumprijs voor warmtelevering is opgebouwd. De toetsing zelf geschiedt volgens de toelichting bij dit besluit (pagina 8) aan de hand van de maximumprijs en niet aan de hand van losse componenten. Deze componenten zeggen volgens de toelichting slechts iets over de kostenopbouw in de gassituatie.

De nieuwe voorgestelde regeling
De Warmtewet voorziet in de nieuw voorgestelde regeling dat er meerdere tarieven gehanteerd kunnen worden en in rekening gebracht kunnen worden bij de verbruiker. Het tarief kan verschillen voor verschillende categorieën en aanvullende functionaliteiten van afleversets voor warmte.

Ad 3. Met een kostenverdeelsystematiek
Daarnaast is in de wet opgenomen dat er bij een kostenverdeelsystematiek (bij afwezigheid van een individuele warmtemeter of individuele warmtekostenverdelers) van een zo nauwkeurig mogelijke benadering van het werkelijke aandeel van het verbruik van een verbruiker wordt uitgegaan, voor zover dat technisch dan wel financieel mogelijk is (Brief van 7 juli 2014 van de Minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer, bladzijde 8). De wet gaat er vanuit dat er geen individuele meters aangebracht hoeven te worden als de kosten in verhouding tot de opbrengst geen besparing op lange termijn oplevert.

Deze keuze is toegestaan op grond van artikel 9 van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315) (hierna: EED-richtlijn). De EED-richtlijn gaat uit van individuele verbruiksmeters waar dat technisch haalbaar en kostenefficiënt is. Indien dit niet het geval is worden individuele kostenverdelers gebruikt. Indien ook dit niet kostenefficiënt is, kunnen alternatieve methoden voor de meting van het warmtegebruik worden overwogen.

Artikel 8a Warmtewet is een afzwakking van artikel 8 Warmtewet. Uit artikel 8a Warmtewet blijkt immers dat de in plaats van de voorgeschreven warmtemeter de kosten van warmte berekend kunnen worden door middel van individuele warmtekostenverdelers die het warmteverbruik van elke radiator meten. De verhuurder hoeft ook geen individuele warmtekostenverdelers te plaatsen als dit niet kostenefficiënt is.

De verhuurder zal dan de levering van warmte moeten berekenen op een voor alle verbruikers inzichtelijke kostenverdeelsystematiek (artikel 8a lid 2 Warmtewet). Deze kostenverdeelsystematiek gaat uit van een binnen de technische en financiële mogelijkheden zo nauwkeurig mogelijke benadering van het werkelijke aandeel van het verbruik van de individuele verbruiker (artikel 8a lid 3 Warmtewet).

Te denken valt aan een berekening op basis van vierkante meters of een hoofdelijke omslag. Tot en met 2013 werd voor sociale woonruimte het werkelijke verbruik van de huurder door de Huurcommissie als uitgangspunt genomen als er geen bemetering aanwezig is. Dit werkelijke verbruik van de huurder werd tot en met 2013 afgeleid uit het totale verbruik op basis van kubieke meters gas en kWh. Voor geliberaliseerde woonruimte werden tot en met 2013 de redelijke verbruikskosten tot uitgangspunt genomen. In de praktijk leek dit onderscheid in benadering een meer academische waarde te hebben. De discussie over het verbruik blijft dan hetzelfde (bijvoorbeeld liggingscorrecties, warmteverlies, verkeerd toegepaste m², etc.). Bij deze wijze van berekening kan een gelijk deel van de kosten over de woningen worden verdeeld (bijvoorbeeld 35%), terwijl het overblijvende gedeelte (65%) als variabel aangemerkt kan worden. De manier van berekening is niet verplicht. Er kan dus van af worden geweken.

Correctiefactoren
Volgens de eerste versie van de Warmtewet mocht er niet meer met reducties gewerkt worden. Ook wel de zogenaamde correctiefactoren genoemd. De gedachte van de wetgever hierachter is dat de verbruiker zelf controle moet hebben op zijn verbruik, en niet de omgeving. De omgevingsfactoren zijn immers niet de keuze van de verbruiker. De wetgever koos er daarom in eerste instantie voor om alleen nog maar de warmtekosten op het individuele verbruik te baseren.

Afleverset en Warmtewisselaar
Een afleverset vormt de verbinding tussen het centrale warmtenet van een warmteleverancier en de binneninstallatie van een afnemer. Dit geldt zowel voor een individuele als voor een collectieve afleverset. Ook als een eigenaar zelf zijn woning heeft gebouw, dan kan de afleverset op grond van de door de energieleverancier gehanteerde voorwaarden niet door natrekking eigendom van de eigenaar worden. De energieleverancier heeft doorgaans in de aansluitvoorwaarden staan dat onder een aansluiting wordt verstaan de leidingen van het bedrijf die de verwarmingsinstallatie en de warmtapwaterinstallatie verbinden met de hoofdleidingen (het openbare net). Deze leidingen zijn inclusief de meetinrichting en alle andere door of vanwege het bedrijf in of aan de leidingen aangebrachte apparatuur. De warmtapwaterinstallatie­/verwarmingsinstallatie is het systeem van binnenleidingen, inclusief de apparatuur, gerekend vanaf de aansluiting. Volgens de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam is het in haar vonnis van 29 januari 2016 voldoende aannemelijk geworden (ECLI:NL:RBROT:2016:10331) dat met de voorwaarden beoogd wordt, duidelijk te maken dat de leveringsgrens, oftewel de grens tussen de binneninstallatie en het openbare net in de meterkast, achter de afleverset ligt.

Een warmtewisselaar is een onderdeel dat de warmteoverdracht van het ene medium (bv. gas, vloeistof, lucht, water) naar het andere mogelijk maakt. Het kan dus gebruikt worden om een stof ofwel op te warmen, ofwel af te koelen. Bij elke warmtewisselaar wordt gewerkt met twee circuits of kanalen. Er bestaan verschillende types warmtewisselaars, al naargelang de toepassing waarvoor ze worden ingezet.

Een warmtewisselaar bij stadverwarming en WKO-installaties is een installatie die de warmte van stadsverwarmingbuizen en de WKO-installatie naar de cv-installatie in de woning overbrengt.

De warmtewisselaar is ook een belangrijk onderdeel van een cv-installatie. Het is een stelsel van buizen. Het zorgt ervoor dat de warmte van de verbranding van gas gebruikt wordt voor de verwarming van het water. Voor dit onderdeel wordt aluminium of roestvrij staal gebruikt. Een ideale warmtewisselaar koelt het eerste medium af tot de temperatuur waarmee de tweede instroomt en warmt het tweede medium op tot de temperatuur waarmee het eerste medium instroomt of tot een lagere temperatuur maar  dan in een grotere hoeveelheid. Dit ideaal kan benaderd worden met het tegenstroomprincipe (Het tegenstroomprincipe maakt het mogelijk, dat er tussen twee stromende substanties (lucht, water, andere gassen of vloeistoffen) iets kan worden overgedragen van de een op de ander, zoals warmte of een chemische stof).

In het kader van dit hoofdstuk wordt onder een warmtewisselaar bedoeld een onderdeel van een installatie om warm water voor de verwarming van de gehuurde ruimte te leveren, maar ook warm water te leveren voor het gebruik in douche of keuken.

In de maximumprijs zijn de kosten van zowel ruimteverwarming als tapwater al inbegrepen. De kosten voor het verbruik van ruimteverwarming en warm tapwater (tezamen) mogen daarom niet hoger zijn dan de maximumprijs.

Het garanderen van een optimaal functionerend warmtenet, is de verantwoordelijkheid van de leverancier. Deze moet er daarom van uit kunnen gaan dat alle componenten die van invloed zijn op het functioneren van het warmtenet naar behoren zijn geïnstalleerd en onderhouden. Door de verantwoordelijkheid van de afleverset bij de leverancier te leggen, kan deze hier invulling aan geven en draagt deze de consequenties indien de installatie of onderhoudsplicht niet naar behoren wordt ingevuld.

Uitgangspunt was dat er redelijke tarieven en voorwaarden gehanteerd dienen te worden ter zake van het beschikbaar stellen van de afleverset. Bij het ontbreken van een individuele warmtewisselaar mochten de kosten van een collectieve warmtewisselaar ook als gebruikskosten in rekening gebracht worden.

Het blijkt voor zowel de geschillencommissie als de toezichthouder de ACM heel lastig te toetsen of de kosten redelijk zijn. Omdat de redelijkheid van de prijs van de afleverset niet afdoende kan worden getoetst, wordt de afnemer onvoldoende beschermd. De wetgever is van mening dat het instellen van een wettelijke maximumprijs voor een afleverset een goede en wenselijke manier is om de afnemer te beschermen.

Er zijn grote prijsverschillen tussen verschillende soorten afleversets. Dit wetsvoorstel biedt daarom de mogelijkheid om voor verschillende soorten sets een verschillende prijs vast te stellen. Deze prijsdifferentiatie is gebaseerd op de verschillende functionaliteiten van afleversets. Daarbij gaat het om afleversets bestemd voor alleen ruimteverwarming, alleen tapwater en afleversets voor zowel ruimteverwarming als tapwater. Voor alle drie de typen kan met behulp van een referentiesituatie een maximumprijs worden vastgesteld.

Aansluitbijdrage
In een gebied waar reeds een warmtenet ligt en waar op dit bestaande net moet worden aangesloten wordt de aansluitbijdrage meestal door de warmteleverancier direct in rekening gebracht bij de verbruiker. De aansluitbijdrage wordt soms door een projectontwikkelaar in rekening gebracht via de huizenprijs. In dit geval heeft de verbruiker geen keuze voor een andere vorm van warmtevoorziening en is er sprake van gebondenheid van de verbruiker en een monopoliesituatie van de warmteleverancier. Om verbruikers in deze situatie te beschermen is bepaald dat op de aansluitbijdrage in dit geval het NMDA-principe van toepassing is. Volgens artikel 6 Warmtewet bedraagt deze bijdrage maximaal hetgeen een gasverbruiker zou bijdragen in de situatie waarbij sprake is van aansluiting op een gasnet. Als er sprake is van een aansluiting op een nieuw netwerk, dan is artikel 6 Warmtewet niet van toepassing. Voor deze aansluiting geldt volgens de Memorie van toelichting “in dit geval komt de aansluitbijdrage tot stand binnen het overleg tussen projectontwikkelaar, gemeente en warmteleverancier. Dit overleg speelt zich af in een situatie waarbij de projectontwikkelaar en gemeente vrije keuze hebben ten aanzien van de energievoorziening. Er is in dit geval dus geen sprake van een gebondenheid ten gevolge van een monopoliepositie. De aansluitbijdrage die uit dit overleg tot stand komt, wordt in het algemeen door de projectontwikkelaar afgedragen aan de warmteleverancier en doorberekend in de huizenprijs.

Een aansluiting op een nieuw warmtenet was nog niet gereguleerd. De wet heeft dit verschil nu weggehaald en maakt duidelijk  dat voor iedere nieuwe aansluiting een wettelijk maximumtarief geldt, ongeacht of het een aansluiting op een nieuw of bestaand net is. De achtergrond van deze wijziging staat op pagina 8 van de Memorie van toelichting van het Wetsvoorstel Herziening Warmtewet.

Gekozen is om het aansluittarief te baseren op de (gemiddelde) kosten van een warmteaansluiting. Uit de hieronder weergegeven uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 augustus 2014 (ECLI:NL:RBOBR:2014:5228) blijkt dat de afnemer inderdaad ondoorzichtige kosten opgelegd heeft gekregen en dat aanpassing van de regeling daarom wel op haar plaats is.

De aansluitbijdrage wordt dus niet rechtstreeks bij de verbruiker in rekening gebracht. Hoewel de verbruiker geen partij is in de onderhandelingen over de bijdrage, zou in deze situatie een redelijke prijs tot stand moeten komen omdat er geen sprake is van een monopoliesituatie”. (Memorie van Toelichting over artikel 6, pagina 6). Volgens een rapport van TNO van 2011 (De bescherming van de consument op grond van de Warmtewet, TNO (centrum voor economische vraagstukken) 2011, pagina 4). wordt deze stelling niet nader onderbouwd. Het is immers mogelijk dat de warmteleverancier zijn positie uitbuit, omdat de projectontwikkelaar toch niet een warmtenet door een ander kan laten aanleggen, dan wel dat de projectontwikkelaar en de warmteleverancier een hoge winstmarge samen delen en uiteindelijk doorberekenen naar de verbruiker. In dit licht bezien is het niet juist dat nieuwe aansluitingen op nieuwe warmtenetten buiten de regeling van artikel 6 Warmtewet vallen. Dit is dus een eenmalige bijdrage. Dit bedrag hoort dus niet jaarlijks op de rekening terug te komen. De jaarlijks terugkerende kosten voor het in stand houden van deze aansluiting zijn verwerkt in de vaste component van de maximumprijs.

Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch besliste in haar arrest van 4 april 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:1424) dat de leverancier naast de eenmalige aansluitbijdrage niet jaarlijks een aansluitbijdrage in rekening mocht brengen aan de bewoners. Het hof ging er allereerst van uit dat partijen een eenmalige aansluitbijdrage waren overeengekomen. Tot de inwerkingtreding van de Warmtewet had de leverancier jaarlijks een ‘tariefadvies voor de levering van warmte aan kleinverbruikers’ (het Tariefadvies) opgesteld. Het Tariefadvies was gebaseerd op het Niet-Meer-Dan-Anders-principe Uit de jaarlijkse Tariefadviezen volgde enerzijds dat er in het kader van de aansluiting op het warmtenet twee kostenposten in rekening gebracht konden worden, namelijk de rentabiliteitsbijdrage en de aansluitbijdrage. Laatstgenoemde bijdrage werd ieder jaar vastgesteld in het Tariefadvies. Het ging hier dus om een eenmalig verschuldigd bedrag, dat ieder jaar in het Tariefadvies wordt vastgesteld. Het hof concludeerde dat de leverancier met de bewoners een overeenkomst tot aansluiting van hun woning op het warmtenet heeft gesloten en daarvoor een prijs heeft geoffreerd die de bewoners hebben geaccepteerd. De leverancier heeft dan vervolgens niet meer het recht om aanvullende aansluitkosten in rekening te brengen, ook al hebben de bewoners gedurende een bepaalde periode een bedrag aan vastrecht betaald waarin een component aansluitbijdrage was opgenomen.

In een procedure die voor de rechtbank Oost-Brabant werd gevoerd, was deze aansluitbijdrage een punt van geschil. Het ging hier om het volgende. Een woningeigenaar had zijn woning laten bouwen op een vrije kavel. Voor de aansluiting van de stadverwarming had hij op 12 januari 2003 een overeenkomst gesloten met een rechtsvoorgangster van de leverancier, waarbij was overeengekomen dat deze eigenaar voor de warmteaansluiting € 2.201,- ex btw zou betalen als bijdrage in de aansluitkosten van de woning. De eigenaar had dit bedrag voldaan.

Sindsdien had de rechtsvoorgangster van de leverancier vastrecht in rekening gebracht via de voorschotten en de jaarafrekeningen. Bij brief van 9 december 2011 had de rechtsvoorgangster van de leverancier de eigenaar medegedeeld dat het jaarlijks in rekening gebrachte vastrecht een component ‘bijdrage aansluitkosten’ bevatte en dat deze post, vanwege tarieftransparantie, voortaan apart op de jaarafrekening zou worden vermeld. De verplichting om deze bijdrage te betalen, liep gedurende 30 jaar na de aansluiting op het warmtenet, aldus de huidige leverancier. Het ging in 2011 om een bedrag van € 144,- inclusief btw per jaar.

De eigenaar vorderde de jaarlijkse betalingen terug. De stelling was dat er voor een jaarlijkse doorbelasting van aansluitkosten geen wettelijke grondslag was. Deze betalingen zouden aldus onverschuldigd zijn verricht.

De leverancier was van mening dat deze kosten op basis van de algemene voorwaarden gevorderd konden worden. Volgens de leverancier was de aansluitbijdrage berekend volgens het NMDA-principe. Op grond van afspraken met de gemeente waren de kosten van aansluiting op het warmtenet gesplitst: de initiële aansluitbijdrage is ten tijde van de aansluiting op het warmtenet in rekening gebracht en de periodieke aansluitbijdrage wordt over een periode van 30 jaar in rekening gebracht.

De rechter van de rechtbank Oost-Brabant oordeelde in haar vonnis van 28 augustus 2014 (ECLI:NL:RBOBR:2014:5228) allereerst dat de algemene voorwaarden hierbij niet van belang waren, nu daarin kennelijk ook niets over de onderhavige aansluitbijdrage was vermeld. Verder overwoog de rechter dat de leverancier in een economische machtspositie verkeerde. Ingevolge artikel 24 van de Mededingingswet is het ondernemingen verboden misbruik te maken van een economische machtspositie.

De rechter ging er vervolgens van uit dat de Warmtewet, die vanaf 1 januari 2014 is ingevoerd, leidend is in deze kwestie. In deze wet is het NMDA-principe neergelegd. Dit principe wordt toegepast voor de berekening van de aansluitbijdrage, het vastrecht en de warmteprijs. Ook de ACM gaat bij het opstellen van de maximumtarieven uit van dit principe. Het is hier van belang of de in rekening gebrachte tarieven redelijk zijn. De eigenaar betwistte dat de in rekening gebrachte tarieven redelijk waren. De eigenaar bracht naar voren dat wat hij in 2003 heeft betaald voor de aansluitkosten in overeenstemming is met de bedragen die daarvoor in het Tariefadvies worden genoemd en dat daarnaast dus geen ruimte meer is voor een periodieke aansluitbijdrage.

De rechter overwoog dat in het Tariefadvies van 2013 de geadviseerde standaard aansluitbijdrage voor warmte (exclusief de aansluitbijdrage voor aardgas en btw) werd gesteld op € 1.908 en dat, in het geval het warmtebedrijf de kosten van de warmwaterunit voor haar rekening heeft genomen, op € 2.649. De standaardaansluiting betreft series van 50 à 100 woningen die op het warmtenet worden aangesloten. Vermoedelijk is hierbij uitgegaan van de situatie dat de woning wordt aangesloten op een bestaand warmtenet (en niet op een nieuw aan te leggen warmtenet). Er werd hier van de leverancier gevraagd deze kosten inzichtelijk te maken.

Naar aanleiding van deze uitspraak moet worden bedacht dat voor een nieuwe aansluiting op een bestaand warmtenet een wettelijke tariefregulering van kracht is. Dit is de reden dat de rechtbank in deze zaak de leverancier moest vragen zijn kosten te onderbouwen. Deze kosten waren tot op dat moment niet gereguleerd. De leverancier kon dus de redelijke kosten voor aansluiting op een nieuw warmtenet in rekening brengen.

Meettarief

De huurder betaalt een meettarief voor het meten van het warmteverbruik. Dit tarief is voor 2018 door ACM vastgesteld op € 25,36. Voor het tarief dat in de voorgaande jaren vanaf 2014 van toepassing was verwijs ik naar de begrippenlijst en daarin het onderdeel “maximum prijzen (tarief) Warmtewet”.

Overige verplichtingen leveranciers

In artikel 2 Warmtewet staan de eisen vermeld die aan een leverancier gesteld kunnen worden. De leverancier dient allereerst zorg te dragen voor een betrouwbare levering van warmte. Voorts dient de leverancier redelijke voorwaarden te hanteren en dient er sprake te zijn van een goede kwaliteit van dienstverlening.

De leverancier dient op grond van artikel 2 Warmtewet een goede administratie te voeren. Uit deze administratie moet in ieder geval tot uitdrukking komen: de wijzigingen voor leveringen van warmte, een boekhouding met informatie over integrale kosten en de opbrengsten in verband met de levering van warmte en een storingsregistratie.

Op grond van artikel 2 lid 4 Warmtewet mag er door de leverancier geen onderscheid tussen de verschillende verbruikers worden gemaakt.

Een leverancier van een warmtenet mag niet zomaar een klant afsluiten (artikel 6 Warmteregeling). In de periode van 1 oktober tot 1 april mag de klant of huurder helemaal niet worden afgesloten, tenzij:

  • de kwetsbare consument hierom verzoekt;
  • er sprake is van fraude of misbruik door de kwetsbare consument;
  • de onveiligheid van de installatie beëindiging van de levering noodzakelijk maakt;
  • de overeenkomst voor de levering van warmte aan de kwetsbare consument afloopt;
  • er sprake is van wanbetaling en de kwetsbare consument niet binnen een redelijke termijn een verklaring van een arts die geen behandelend arts van de betrokkene is, kan overleggen om de zeer ernstige gezondheidsrisico’s aan te tonen.

De zakelijke verbruiker valt dus niet onder deze regeling (valt niet onder de definitie kwetsbare consument) en kan dus eerder worden afgesloten, bijvoorbeeld op basis van de algemene voorwaarden.