Aansprakelijkheid van huurder voor schade aan het gehuurde 

In artikel 6:74 BW wordt een regeling opgenomen ten behoeve van het algemene verbintenissenrecht. In deze bepaling wordt geregeld dat de partij die tekortschiet in de nakoming van een verplichting voortvloeiende uit een verbintenis gehouden is de schade van de andere partij te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.
Het huurrecht kent naast deze algemene regeling een bijzondere regeling. De wettelijke regeling van aansprakelijkheid van huurder voor schade aan het gehuurde gedurende de huurperiode is vastgelegd in artikel 7:218 BW. Volgens deze regeling wordt alle toerekenbare schade aan het gehuurde geacht voor rekening van de huurder te komen. Alle schade wordt vermoed daardoor te zijn ontstaan behoudens brandschade.
Óf schade aan het gehuurde aan de huurder doorberekend kan worden, moet worden beantwoord aan de hand van de vraag of de schade aan de huurder toegerekend kan worden.
In mijn praktijk maakte ik enige tijd geleden het volgende geval mee. Een huurder, woonachtig in de kustplaats Katwijk, had op een zonnige dag haar raam “op het haakje gezet” en was naar het strand vertrokken. In de middag was er een harde wind opgestoken. De wind had het raam van het haakje gelicht. Het raam was met een smak opengeslagen. Het raam was vervolgens in het geheel met omlijsting en al uit de sponning gelicht en door de kas van de buren geslagen. De buren waren toevallig ook de verhuurder van de huurder. De verhuurder achtte de huurder aansprakelijk. De huurder achtte zichzelf niet aansprakelijk. De huurder was van mening dat het raam niet uit de sponning had mogen vallen, want naar de mening van de huurder was de wind niet zo heftig geweest dat deze noodzakelijkerwijs het raam uit de sponning had mogen laten slaan. Deze huurder was er lastig van te overtuigen dat zij zowel aansprakelijk was voor de schade aan het gehuurde als voor de schade aan de kas van de verhuurder. Door haar nalatigheid was de schade ontstaan. Een beroep op overmacht kon de huurder ook niet helpen, omdat de huurder verwijtbaar het raam open had laten staan. Dat zij dat deed toen het nog niet stormde deed daaraan niet af. Een goed huurder hoort immers op grond van artikel 7:213 BW ervoor te zorgen dat een raam niet uit de sponning waait. Deze wetsuitleg is gebaseerd op het gegeven dat een verhuurder nu eenmaal niet al zijn verhuurde zaken langs kan gaan, wanneer het gaat stormen, om de ramen te sluiten. Dat moet de huurder doen (Huurrecht @ctueel 2015-07, Storm wrikt een openstaand raam los- wie is aansprakelijk voor schade? Door mr P.G.A. van der Sanden). De huurder kon worden aangesproken op grond van artikel 6:74 BW. Door het in artikel 7:218 BW neergelegde bewijsvermoeden, zoals al besproken in het hoofdstuk De oplevering van woon-en bedrijfsruimte en het onderdeel “Bewijspositie gedurende de huurperiode en gedeelde schuld” in dit hoofdstuk is het voor de verhuurder eenvoudig de huurder aansprakelijk te houden voor deze schade. Dit is de toegevoegde waarde voor de verhuurder van dit artikel boven artikel 6:74 BW.
Als de kas van een andere eigenaar dan de eigenaar/verhuurder was geweest, dan had deze geleadeerde de eigenaar/verhuurder aansprakelijk kunnen stellen op basis van artikel 6:174 lid 1 BW. De eigenaar/verhuurder zou die schade dan kunnen verhalen ten laste van de huurder.

Aansprakelijkheid verhuurder op grond van fouten door hulppersonen

Als de verhuurder een persoon inschakelt om een gebrek te herstellen, en deze persoon maakt bij het uitvoeren van onderhoud en/of herstel van een gebrek een fout, waardoor er schade bij de huurder ontstaat, dan komt deze schade voor rekening van de verhuurder. Volgens artikel 6:76 BW is de verhuurder aansprakelijk voor de gedragingen van de door hem ingeschakelde hulppersonen alsof hij deze gedragingen zelf had verricht.

Een voorbeeld van aansprakelijkheid voor hulppersonen

Een voorbeeld om deze stelling te verduidelijken luidt als volgt: de verhuurder schakelt een loodgieter in om een leiding te vervangen, of een lekkage op te lossen. De loodgieter maakt een fout, waardoor er waterschade ontstaat. De verhuurder is dan aansprakelijk voor deze schade.

In het arrest van de De Hoge Raad van 2 december 2005 Noot 17 is de aansprakelijkheid van de hulppersoon uitgewerkt. Onderstaand treft u de kern van deze uitspraak voor het huurrecht aan.
De casus luidt als volgt: Lelieteler A bestelt bij leverancier B een bestrijdingsmiddel. A schakelt C (een gecertificeerd spuiter) in om het middel op het gewas te spuiten. Door een fout levert B een middel dat zeer schadelijk voor de lelieteelt is. C heeft het middel op de lelies gespoten (de gebruiksaanwijzing werd niet gelezen waardoor de schade had kunnen worden voorkomen), waardoor de lelieteelt werd vernietigd. Dit leverde aanzienlijke schade op.

De aansprakelijkheid tussen leverancier (B) en afnemer (A)
In de verhouding tussen A en B werden de gedragingen van C als eigen gedragingen van A aangemerkt. Door toerekening van deze gedragingen (niet lezen van gebruiksaanwijzing levert eigen schuld op, waardoor een deel van de schade niet bij B kon worden geclaimd) bleef een gedeelte van de schade voor rekening van A. A kon de andere helft van de schade rechtstreeks claimen bij C. Ter verduidelijking benadrukt de Hoge Raad dat A zich in de relatie A-B niet kan ontrekken aan eigen schuld (het niet lezen van de gebruiksaanwijzing waardoor de schade had kunnen worden voorkomen), omdat C een taak verrichtte die paste binnen de uitoefening van het bedrijf van A (en die dus evengoed door een werknemer van A had kunnen zijn verricht) en omdat dat het in de bedrijfsvoering van A kennelijk beter uitkwam deze taak uit te besteden aan C.

De aansprakelijkheid tussen teler (A) en spuiter (C)
C probeerde nog te betogen dat de fout van B als eigen schuld van A aangemerkt zou moeten worden en in de relatie tussen A en C tot lagere aansprakelijkheid van C zou moeten leiden. Noch het Hof, noch de de Hoge Raad ondersteunden die stelling. De Hoge Raad overwoog onder meer dat de leverancier B niet als hulppersoon van de afnemer A (lelieteler) kon worden gezien. Voorts oordeelde de Hoge raad dat een fout van leverancier B in de verhouding van de afnemer (lelieteler A) tot de spuiter (C) niet in de risicosfeer van de afnemer (A) ligt, op grond waarvan die fout in die verhouding als eigen schuld aan de afnemer (A) zou kunnen worden toegerekend.

Op grond van artikel 6:76 BW is de verhuurder dus in beginsel aansprakelijk voor fouten van de door haar ingeschakelde ondergeschikte personen. Te denken valt hierbij aan onderhoudspersoneel, administratief personeel. Eenzelfde vorm van aansprakelijkheid geldt op grond van artikel 6:171 BW voor de niet ondergeschikte hulppersoon. Hier valt te denken aan de door de verhuurder ingeschakelde aannemer.
Als door de aannemer is gewerkt aan herstel van een gebrek in de woning en er door onjuist herstel schade ontstaat aan de eigendommen van de huurder, dan is de verhuurder voor deze schade aansprakelijk. Dat is niet het geval in het kader van een risicoaansprakelijkheid, maar wordt veroorzaakt door omstandigheden die aan de verhuurder vallen toe te rekenen op grond van de wet (artikel 6:171 BW). Het lijkt mij ook juist om de verhuurder aansprakelijk te houden voor fouten door zijn hulppersonen. De verhuurder heeft immers de keuze tot aanwijzing van zijn hulppersoon bij het verhelpen van een gebrek. Als door de verhuurder bij uitvoering van de werkzaamheden wordt gekozen uit een niet gecertificeerde klusjesman die vervolgens van de opgedragen werkzaamheden een puinhoop maakt, dan is het niet meer dan logisch de verhuurder hiervoor aansprakelijk te houden. De verhuurder heeft immers het recht de persoon uit te zoeken aan wie hij de werkzaamheden overlaat. De huurder heeft hier geen zeggenschap over. Als de verhuurder ervoor kiest om een beunhaas het werk te laten doen, dan ligt het ook in de lijn van de verwachting dat de verhuurder aansprakelijk is voor de schade die de hulppersoon in de uitvoering van zijn werk veroorzaakt. Een analoge redenering met betrekking tot werkzaamheden die aan een aannemer worden opgedragen, die vervolgens onderaannemers inschakelt, lijkt hier op te gaan. Als de onderaannemer fouten in de uitvoering van het werk maakt, dan dient de opdrachtgever de aannemer en niet de onderaannemer aan te spreken.
De Hoge Raad heeft in haar arrest van 18 juni 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL9596 ) een beslissing moeten nemen over de vraag over de aansprakelijkheid voor niet-ondergeschikten. De casus luidde als volgt. In 2003 heeft opdrachtgever aan de vennootschap onder firma A opdracht gegeven een bij haar in gebruik zijnd perceel grond, bestemd voor de bloembollenteelt, te bespuiten met het bestrijdingsmiddel Round-Up. Deze werkzaamheden zijn op 21 augustus 2003 uitgevoerd door een werknemer van A. Als gevolg van deze werkzaamheden was het gewas niet meer geschikt voor consumptie.
In deze zaak was beslist dat A aansprakelijk was op grond van artikel 6:171 BW. In de procedure werd ervan uitgegaan dat de werknemer jegens de gelaedeerde aansprakelijk was. Een van de vennoten van A beschikte over een licentie om dit gif te spuiten, terwijl een andere het gif heeft ingekocht en een andere vennoot de hoeveelheid liters had bepaald dat in het kader van het spuitwerk gebruikt diende te worden.
Het hof overwoog dat – gelet op de verwevenheid van het handelen van een van de vennoten met het handelen van A – de inbreng van een andere vennoot dermate groot is geweest dat de vennoten en A wel degelijk kunnen worden beschouwd als een zekere eenheid, alsmede dat sprake is van het uitoefenen van activiteiten door A die tot de werkzaamheden ter uitoefening van het bedrijf van de vennoten behoren. De Hoge Raad zegt hierover het volgende: weliswaar berust artikel 6:171 BW onder meer op de gedachte dat een buitenstaander veelal niet kan onderkennen of de schade te wijten is aan een fout van een ondergeschikte of van een ander die ter uitoefening van het desbetreffende bedrijf werkzaamheden verricht, maar dat brengt niet mee dat de bepaling toepassing zou missen in een geval waarin het de benadeelde duidelijk is dat de schade is veroorzaakt door een fout van een niet-ondergeschikte.

Als de werknemer van de onderaannemer fouten maakt, dan is de aannemer voor deze werknemer aansprakelijk op grond van artikel 6:76 BW en kan de aannemer door de opdrachtgever op grond van artikel 6:171 BW aansprakelijk worden gehouden. Als het de huurder niet duidelijk is of de werkzaamheden door een ondergeschikte of een niet-ondergeschikte zijn uitgevoerd, dan zal de huurder eerst even na moeten vragen bij de verhuurder wie de werkzaamheden heeft verricht. Als de verhuurder daarover geen duidelijkheid wenst te verschaffen, dan is het verstandig de verhuurder zowel op basis van artikel 6:76 BW en artikel 6:171 BW aansprakelijk te stellen voor de schade.
Als er door verkeerde zaken die bij het herstel zijn gebruikt, of als er door ondeugdelijke apparatuur schade bij de huurder ontstaat, dan kan de aansprakelijkheid van de verhuurder worden herleid uit artikel 6:77 BW. Als er sprake is van een vervangen keukenkastje dat niet in orde is, dan is er geen sprake van een hulpzaak, maar van een gebrekkig keukenkastje, dat een onderdeel van de hoofdzaak vormt dat de verhuurder ter beschikking moet stellen, namelijk een goed onderhouden zaak. In deze situatie moet bedacht worden dat een leverancier geen hulppersoon is. Als de verhuurder een keukenkastje bestelt bij de leverancier en de leverancier levert rechtstreeks aan de persoon die het kastje op moet hangen, dan is de verhuurder aansprakelijk voor schade bij de huurder als de aannemer door het niet juist volgen van de instructies die bij het kastje zijn gevoegd het kastje naar beneden laat kletteren. Als door de leverancier een verkeerd kastje wordt geleverd en dat kastje is gewoon door de aannemer opgehangen, ook als duidelijk was dat er sprake was van een verkeerd kastje, dan zal de verhuurder niet geheel aansprakelijk voor deze fout zijn. De gelaedeerde stelde A aansprakelijk voor de schade. De aansprakelijkheid werd gebaseerd op artikel 6:171 BW.

Het hof te ‘s-Hertogenbosch heeft in haar arrest van 19 december 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:5799 ) een antwoord gegeven op de vraag of een verhuurder aansprakelijk is voor door de huurder gestelde schade op de voet van artikel 6:76 BW en/of artikel 6:171 BW. De huurder had een aantal claims opgevoerd, zoals schade aan inboedel, zoekgeraakt geld en immateriële schade. Een aantal posten maakten natuurlijk in ieder geval al geen kans zoals het zoekgeraakte geld en de immateriële schade. Het zoekgeraakte geld is los van de juridische grondslag al lastig te bewijzen en immateriële schade komt in dit verband doorgaans niet voor vergoeding in aanmerking.
Volgens het hof waren de algemene voorwaarden op deze huurovereenkomst van toepassing. In deze voorwaarden is onder meer opgenomen: ‘Als het huurrecht van de huurder door tussenkomst van de rechter is beëindigd en de ontruiming van de woning bij vonnis is toegewezen, dient huurder minstens een dag voor de aangezegde ontruiming zelf voor verwijdering van de inboedel zorg te dragen. Als huurder hiermee in gebreke blijft, zal de verhuurder op kosten van huurder voor het ontruimen van de woning zorgdragen. Door ondertekening van de huurovereenkomst wordt de verhuurder in het onderhavige geval beschikkingsbevoegd ten aanzien van de inboedel. Door deze beschikkingsbevoegdheid is verhuurder gerechtigd de inboedel bij ontruiming direct te vernietigen, zonder dat huurder enig recht heeft op schadevergoeding of anderszins en verhuurder aansprakelijk kan worden gesteld.’
De huurders hadden niet de stelling van de verhuurder betwist dat uit de tekst van deze bepaling niet alleen volgde dat de verhuurder niet aansprakelijk was voor vernietigde inboedel, maar ook dat de verhuurder niet aansprakelijk was voor vermiste of beschadigde inboedel. Nu beide partijen daarvan uitgingen, nam het hof dit gegeven tot uitgangspunt.
Het hof was verder van oordeel dat de huurder de woning diende te ontruimen wegens het niet opkomen tegen de uitvoerbaar bij voorraadverklaring in eerste aanleg.
Volgens het hof was het – onder meer gezien de algemene voorwaarden – de taak van de huurder om de woning te ontruimen. Door dat achterwege te laten was verhuurder genoodzaakt om tegen haar zin de ontruiming zelf te laten uitvoeren.

De verhuurder had de huurder nog aangezegd door een exploot en aangevoerd dat zij alleen dan roerende zaken op kosten van huurders zou opslaan die geschikt worden geacht voor opslag ter beoordeling aan vertegenwoordiger(s) van de verhuurder en/of de vertegenwoordiger van de onderneming waar de roerende zaken zullen worden opgeslagen – gedurende een periode van maximaal 13 weken, wanneer dat ter voldoening aan de aan haar in de gemeentelijke APV en jurisprudentie opgelegde taken wordt verlangd; dat alle, in het gehuurde aanwezige, overige roerende zaken, die ingevolge het hiervoor gestelde niet worden opgeslagen, direct en op kosten van de huurders, naar de gemeentelijke vuilstort zullen worden afgevoerd.
Het hof overwoog verder dat de verhuurder de aansprakelijkheid niet zou kunnen uitsluiten als het duidelijk was dat zij de ontruiming zou laten doen door een bedrijf waarvan zij op voorhand wist of had moeten begrijpen dat het bij de uitvoering van de ontruiming onzorgvuldig zou optreden, onnodige schade zou toebrengen aan de zaken van de huurders en/of waardevolle zaken van de huurders zou ontvreemden. Dat was echter niet het geval.
Het hof was van oordeel dat het bepaalde in artikel 6:76 BW over de aansprakelijkheid voor hulppersonen in deze kwestie niet van toepassing was. De ontruiming betrof immers niet een contractuele verbintenis die zij op grond van de huurovereenkomst jegens de huurders had. Het betrof hier de uitvoering van een vonnis en het verrichten van handelingen die de huurders zelf hadden dienen te verrichten.

De aansprakelijkheid op grond van artikel 6:171 BW kon hier ook niet worden aangenomen. De in dit wetsartikel neergelegde maatstaf ‘ter uitoefening van diens bedrijf’ moest volgens vaste rechtspraak niet te ruim worden uitgelegd (zie onder meer HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD7395 en hof ’s Hertogenbosch 26 februari 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ2823). Uit hetgeen door huurders is aangevoerd, kan niet worden afgeleid dat de  interne bedrijfsdienst de werkzaamheden heeft uitgevoerd ‘ter uitoefening van’ het bedrijf van de verhuurder. Het gaat om werkzaamheden die in beginsel niet tot de bedrijfsuitoefening van de verhuurder behoren en die de huurders zelf hadden moeten laten uitvoeren.
Het hof achtte gezien het bovenstaande de verhuurder niet aansprakelijk voor de door de huurder geclaimde schade.

De Hoge Raad heeft in haar arrest van 14 juni 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AE0657 ) een beslissing moeten nemen over de vraag of een geldtransportbedrijf op grond van artikel 6:76 BW verantwoordelijk was voor een diefstal door haar werknemer die op het moment van het vervoer van het geldtransport geen dienst had. Deze werknemer die niet bij de uitvoering van het onderhavige transport was ingeschakeld, was niet te beschouwen als hulppersoon. Derhalve was het geldtransportbedrijf niet ex artikel 6:76 BW aansprakelijk tegenover het winkelbedrijf. Het winkelbedrijf kon natuurlijk wel deze werknemer op grond van onrechtmatig handelen aanspreken. Uit deze uitspraak valt a contrario te herleiden dat als de werknemer ten tijde van de diefstal dienst had gehad, het geldtransportbedrijf wél jegens het winkelbedrijf aansprakelijk was geweest voor deze schade. De Hoge Raad is van oordeel dat de kring van personen waarop deze bepaling betrekking heeft, niet ruim moet worden getrokken. Er bestaat volgens de Hoge Raad – overeenkomstig de tekst – alleen aansprakelijkheid op grond van deze bepaling voor personen van wie de hulp wordt gebruikt bij de uitvoering van de verbintenis ten aanzien waarvan de aansprakelijkheid in het geding is.
De Hoge Raad sluit zich aan bij hetgeen mr. A.S. Hartkamp heeft gesteld in zijn conclusie van 14 juni 2002 (ECLI:NL:PHR:2002:AE0657) over de kring van personen waarvoor de opdrachtnemer gebruik maakt.
Hartkamp verwijst allereerst naar de parlementaire geschiedenis. Hieruit blijkt dat de kring van personen voor wier gedragingen krachtens artikel 6:76 BW aansprakelijkheid bestaat, niet ruim moet worden opgevat. Deze aansprakelijkheid bestaat niet “voor gedragingen van derden die door de schuldenaar niet op een of andere wijze bij de uitvoering van de verbintenis zijn betrokken, hetzij rechtstreeks hetzij door middel van een ander die de hulppersoon op zijn beurt bij de uitvoering van de verbintenis heeft ingeschakeld”. De persoon als gevolg van wiens handelen de schade is ontstaan dient derhalve bij de uitvoering van de verbintenis te zijn ingeschakeld.
In deze passage wordt benadrukt dat artikel 6:76 BW slechts aansprakelijkheid in het leven roept voor personen aan wie een taak is opgedragen met het oog op de uitvoering van de verbintenis. Aldus wordt onderscheiden tussen werknemers die door de werkgever zijn ingeschakeld bij de uitvoering van de verbintenis, voor wier gedragingen hij krachtens artikel 6:76 BW aansprakelijk is, en andere werknemers in het bedrijf, voor wie geen aansprakelijkheid bestaat.
Verder moet het gaan om een fout die een tekortkoming in de nakoming van de verbintenis oplevert, of anders gezegd, om een gedraging die met de uitvoering van de verbintenis voldoende verband houdt. Een gewone diefstal door een met de bewaking belaste werknemer kan nog als zodanig gelden. In het onderhavige geval – een gewapende roofoverval door die bewuste werknemer in samenwerking met twee overvallers van buiten het bedrijf – ligt dit anders, omdat deze gedraging op geen enkele manier in het verlengde ligt van het uitvoeren van de verbintenis.

Geen risicoaansprakelijkheid verhuurder

Voor aansprakelijkheid van gevolgschade wordt wel aangenomen dat een redelijke termijn moet zijn verstreken, waarin de verhuurder zijn herstelverplichting heeft kunnen verrichten. Het feit dat geen ingebrekestelling gestuurd hoeft te worden ontslaat de huurder niet van de verplichting de verhuurder tijdig van de schade op de hoogte te brengen(zie hierbij ook de link met de verplichting van de huurder om het gebrek binnen bekwame tijd te melden in artikel 6:89 BW om aanspraak op schadevergoeding te kunnen houden). Als er schade is ontstaan voordat de verhuurder gelegenheid heeft gehad om het gebrek volgens artikel 7:206 BW te herstellen, is er immers geen grondslag voor toerekenbaarheid (tenzij het gaat om een pand, waarvan het onderhoud is verwaarloosd). De wetgever heeft door deze regel duidelijk afstand genomen van de eerder geldende regel van risicoaansprakelijkheid ten laste van de verhuurder. De wetgever heeft de verhuurder voor zich voordoende toevalligheden niet aansprakelijk willen houden. Dit ligt uiteraard anders voor gebreken die de verhuurder bij het sluiten van de overeenkomst kende, of behoorde te kennen. De verhuurder is dan zonder meer aansprakelijk voor de schade die de huurder heeft geleden.De verhuurder is dus alleen aansprakelijk voor de gevolgschade als gevolg van het gebrek als de zorg ten aanzien van het gehuurde onvoldoende is geweest. Als de verhuurder niets kan worden aangerekend ten aanzien van de zorg, ook betreffende de door haar ingeschakelde ondergeschikten of hulppersonen, dan is er geen reden voor schadeplichtigheid. Zie ook de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, van 22 maart 2017 ( ECLI:NL:RBROT:2017:2184). De rechter merkte in dit vonnis ten overvloede op (de huurder zich niet op artikel 7:208 BW voor schadevergoeding beroepen), overwoog de kantonrechter dat artikel 7:208 BW in deze zaak geen basis kan vormen voor toewijzing van een schadevergoeding. Nu het gaat om een gebrek dat is ontstaan na het aangaan van de huur zou dat gebrek aan de verhuurder toegerekend kan worden.
Hoewel de verhuurder niets valt te verwijten als het zoeken naar een oplossing geruime tijd duurt, vond de kantonrechter te Meppel in haar vonnis van 11 oktober 1990 (Prg. 1991/3531) een herstelperiode van 10 jaar teneinde een probleem (vocht door ondoordringbare leemlaag) op te lossen toch wel erg lang duren. De kantonrechter was het volgende van mening: “hoewel het begrijpelijk is dat de Bouwvereniging eerst heeft geprobeerd om minder vergaande, dus minder dure oplossingen te kiezen, (aan degene die voor de kosten opdraait moet wat dat aangaat een zekere keuzevrijheid in de belangenafweging worden gelaten), had naar mijn mening van de Bouwvereniging in dit opzicht dus meer mogen worden verwacht”.
Als een huurder van mening is dat herstel wat lang duurt waardoor de huurder meer tijd dan gewenst thuis heeft moeten zitten, dan zal het allereerst toch duidelijk dienen te zijn dat herstel eerder plaats had kunnen vinden en de verhuurder, danwel haar hulppersonen, een verkeerde oplossing hebben gekozen. Voorts zal de huurder altijd duidelijk dienen te maken welke schade door welke oorzaak hij heeft geleden (Rechtbank Amsterdam, kantonzaken, locatie Amsterdam 23 november 2004, WR 2005/56).Partijen zijn ook verplicht om schade zo veel mogelijk te beperken. De schadebeperkingsplicht is vervat in artikel 6:101 BW. Dit betekent dat een partij verplicht is voorzorgsmaatregelen te nemen om schade te voorkomen als dit nog mogelijk is. Laat men desondanks het nemen van deze maatregelen achterwege, dan is het mogelijk dat de schade voor rekening van de gelaedeerde blijft. Dit blijkt uit het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht van 25 maart 2014 (Noot 17aa ).
Bij aanvang van de huurovereenkomst geeft de verhuurder opdracht tot reparatie van een vloer. Deze reparatie was noodzakelijk, omdat de vloer ongelijk was. De huurder wenste een laminaatvloer te leggen en daarvoor was een gelijke vloer noodzakelijk. In aanwezigheid van de opzichter werd een afspraak met de huurder gemaakt. De reparateur kwam echter tweemaal binnen het overeengekomen tijdstip bij de huurder langs, doch de huurder was niet thuis. Verder had de reparateur een voicemail achtergelaten, doch de huurder had hier ook niet op gereageerd.
De huurder heeft uiteindelijk besloten de laminaatvloer gewoon te leggen, zonder dat de ondergrond was hersteld. De laminaatvloer bleek uiteindelijk bol te liggen. De laminaatvloer moest dus worden verwijderd en de ondervloer moest alsnog worden hersteld. Verder was de huurder van mening dat de voorbereidende werkzaamheden ook voor rekening van de verhuurder diende te komen. Verder vond de huurder dat kosten van het verblijf elders gedurende de werkzaamheden ook voor rekening van de verhuurder dienden te komen.
De rechter was een andere mening dan de huurder toegedaan.
De vloer diende voor rekening van de verhuurder gerepareerd te worden. Dit was duidelijk een gebrek ex artikel 7:204 BW.
Ten aanzien van de gevolgschade merkt de rechter het volgende op.
Er was met de huurder een afspraak gemaakt voor reparatie van de ondervloer. De huurder was ondanks de gemaakte afspraken niet aanwezig. Verder heeft de huurder niet betwist dat er een mededeling door de reparateur op de voicemail was ingesproken.
De huurder gaf verder gedurende de procedure aan dat hij ervoor heeft gekozen de vloer te leggen, omdat hij geen vertrouwen had in de herstelwerkzaamheden van de reparateur. Hij wilde de vloer snel leggen wegens zijn gezondheidstoestand. Hij heeft astma en wilde de woning snel stofvrij hebben. Gezien de omstandigheden komt het leggen van de laminaatvloer voor rekening en risico van de huurder. Hij had voor het leggen van de vloer volgens de rechter ten minste de verhuurder moeten rappelleren alvorens de vloer te leggen. Ik ga ervan uit dat de huurder geen aanspraak kon maken op het gestelde in artikel 7:209 BW. Het gebrek was immers bekend, doch de huurder had zich bewust in de positie gemanoeuvreerd dat er extra kosten gemaakt moesten worden wegens verwijdering van de vloer. Deze kosten had hij kunnen vermijden door de verhuurder alsnog gelegenheid tot herstel te geven, dan wel van zijn rechten ex artikel 7:206 lid 3 BW gebruik te maken.

De huurder die goederen neerzet op een plek waar lekkage kon worden verwacht, kan daarom niet schade bij de verhuurder verhalen als deze waterschade zich daadwerkelijk voordoet. De verhuurder kan wel gehouden zijn om het gebrek te herstellen, doch de toerekenbaarheid voor de gevolgschade wordt dan niet aanwezig geacht Noot 17a .
In de memorie van antwoord bij de opzet van de artikel 7:204-208 BW (MvA Kamerstukken I 2001/02, 26089, nr. 162 p 8 e.v. onder 16) wordt bevestigd dat het de bedoeling is geweest om plotseling opkomende schade aan het gehuurde te herstellen, maar dat het geen verplichting is om gevolgschade (van bijvoorbeeld een lek in het dak) in de vorm van schade aan bezittingen van de huurder te vergoeden. Er zijn bijkomende omstandigheden nodig om de verhuurder toch aansprakelijk te houden (bijvoorbeeld aantoonbaar gebrekkig onderhoud). Tevens valt een verhuurder die met het verhelpen van de lekkage treuzelt wel aansprakelijk kunnen zijn voor de verdere waterschade die voor de huurder ontstaat. Het voortduren van de lekkage is de verhuurder dan wél toe te rekenen.

Het is voor de huurder daarom altijd verstandig om een inboedelverzekering te sluiten. De meeste verzekeringen bieden dekking als er sprake is van instromend water. Ook als de verhuurder aansprakelijk is voor de gevolgschade heeft het vaak de voorkeur de schade door de verzekering af te laten wikkelen. De verzekerde zal immers snel schadeloos gesteld kunnen worden als de schade onder dekking van de verzekering valt. Een aansprakelijkstelling van de verhuurder leidt vaak tot discussies die maanden kunnen duren. Daarnaast kan de uitkering door de verzekeraar gunstiger zijn dan de schadeloosstelling door de verhuurder. De verzekering kan een andere vergoedingsmaatstaf hanteren, dan een vergoeding op grond van een concrete schadeberekening.

De huurder kan bij een geschil over gevolgschade met een toegelaten instelling ook een klachtenprocedure volgen bij de geschillencommissie van een woningcorporatie. Volgens artikel 18a van de Woningwet dient een woningcorporatie een regeling voor de behandeling van klachten in te stellen. Het is mogelijk dat de klachtencommissie een coulance uitkering ten behoeve van de huurder adviseert aan de woningcorporatie. Dit is mogelijk als een bepaalde schade wel erg sneu voor de huurder is en de klachtencommissie het niet zonder meer opportuun acht zich voor deze specifieke situatie te verschuilen achter de regeling van artikel 7:208 BW. Op de site van de desbetreffende woningcorporatie hoort een verwijzing naar deze klachtenregeling te staan. Als de klacht wordt afgewezen, dan bestaat de mogelijkheid de zaak alsnog aan de rechter ter beoordeling voor te leggen. Dat heeft echter geen zin als de verhuurder voor wat betreft de gevolgschade een terechte afwijzing maakt op basis van artikel 7:208 BW.