Schadeplichtigheid van bemiddelingsbureaus na hennepkwekerij

Schadeplichtigheid van bemiddelingsbureaus na hennepkwekerij

Een verhuurder achtte de bemiddelaar aansprakelijk voor schade aan het gehuurde nadat een woning middels een bemiddelingsovereenkomst was verhuurd en er in het gehuurde een hennepkwekerij was gevestigd. De kantonrechter had de vordering afgewezen. Het hof te Arnhem-Leeuwarden oordeelde in haar arrest van 13 juni 2017 ( ECLI:NL:GHARL:2017:4989 ) als volgt. De kantonrechter had wel een heel mager argument om de vordering af te wijzen. De kantonrechter oordeelde dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de huurder daadwerkelijk in de woning heeft verbleven en dat er ook anderszins geen feiten zijn aangevoerd waaruit kan blijken dat de huurder daadwerkelijk op enigerlei wijze actief betrokken is geweest bij de aangetroffen hennepplantage. Als dit al waar was, dan had de kantonrechter de strekking van artikel 7:219 BW over het hoofd gezien. De huurder is immers aansprakelijk voor de personen die zich met toestemming van de huurder in het gehuurde bevinden.

Hoe het ook zij: het hof is van oordeel dat er sprake was van een bemiddelingsovereenkomst tussen de verhuurder en de bemiddelaar. De bemiddelaar had de verhuurder geattendeerd op de mogelijkheid van verhuur van de woning en ook een potentiële huurder voorgedragen. De bemiddelaar handelde namens een niet bestaande vennootschap. Ik spreek hier over de bemiddelaar, zonder daarbij de relatie tussen de al dan niet bestaande vennootschap te betrekken. De bemiddelaar heeft er bovendien voor gezorgd dat de huur werd betaald en heeft hij de ontvangen huur doorbetaald aan de verhuurder. Tussen partijen staat bovendien niet ter discussie dat deze bemiddelaar deze activiteiten heeft ontplooid namens een door de bemiddelaar niet bestaande vennootschap. De bemiddelaar had allereerst een opdracht verkregen tot bemiddeling bij de verkoop van de woning, waarvoor de bemiddelaar ook een vergoeding zou ontvangen. Onder deze omstandigheden, waarin de bemiddelaar ten behoeve van de verkoper/verhuurder in het verlengde van de haar oorspronkelijk verstrekte opdracht activiteiten heeft ontplooid ten behoeve van de verhuurder betreffende de totstandkoming en de uitvoering van de huurovereenkomst, volgt het hof de bemiddelaar niet in het betoog dat de activiteiten van hem betreffende de huurovereenkomst niet hebben plaatsgevonden in het kader van een overeenkomst tussen partijen. Ook deze activiteiten hebben plaatsgevonden in het kader van een overeenkomst van opdracht.

De bemiddelaar diende daarbij de zorg van een goed opdrachtnemer te betrachten. Dat zij niet gespecialiseerd is in het sluiten van huurovereenkomsten en daarin ook nauwelijks ervaring heeft, doet daaraan niet af. Het gebrek aan ervaring heeft de bemiddelaar er niet van weerhouden te bemiddelen bij het aangaan van een huurovereenkomst. Dat voor de activiteiten van de bemiddelaar in het kader van de huurovereenkomst geen aparte vergoeding is overeengekomen, leidde evenmin tot een ander oordeel. De bemiddelaar ontving voor haar bemiddelingsactiviteiten een vergoeding, bestaande uit een percentage van de uiteindelijke verkoopprijs. De bovenstaande omstandigheden leidden er evenmin toe dat aan de bemiddelaar, die betrokken was bij een professionele onderneming, minder strenge eisen kunnen worden gesteld dan aan een gespecialiseerd bemiddelingsbureau. Het hof nam daarbij in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat de bemiddelaar haar activiteiten ontplooide als vriendendienst aan de verhuurder.
De werkzaamheden die door de bemiddelaar waren verricht, waren onder de maat. Het hof stelde voorop dat de zorgplicht van de opdrachtnemer die bemiddelt bij het aangaan van een huurovereenkomst meebrengt dat de bemiddelaar beoordeelt of de potentiële huurder voldoende waarborgen biedt voor nakoming van alle verplichtingen uit de overeenkomst, waaronder de verplichting tot betaling van de huur. Daartoe dient de bemiddelaar de identiteit van de potentiële huurder te controleren en na te gaan of de huurder in staat is om de verschuldigde huur te (blijven) voldoen, door informatie in te winnen over diens inkomen.
De huurder heeft bij het aangaan van de huurovereenkomst een identiteitskaart overgelegd, waarvan de bemiddelaar een kopie heeft gemaakt. De identiteitskaart heeft 25 januari 2013 als vervaldatum, welke datum bij het aangaan van de overeenkomst al verstreken was. Naar het oordeel van het hof heeft de bemiddelaar niet onzorgvuldig gehandeld door genoegen te nemen met een (net) vervallen identiteitskaart. De kaart strekt ertoe om de identiteit van de houder ervan te kunnen vaststellen en dat is met een kaart met een (net) verstreken geldigheidsduur ook mogelijk.
Het hof komt toch tot onzorgvuldig handelen middels de volgende redenering.
De huurder had een loonstrook overgelegd die vervalst was. De bemiddelaar had de vervalsing van de loonstrook behoren op te merken, nu de naam van de huurder onzorgvuldig was vermeld, het loonbelastingnummer ontbrak evenals het aansluitingsnummer van de werkgever, het bankrekeningnummer van de huurder niet werd vermeld, en de cumulatieve bedragen van het vakantiegeld onjuist stonden vermeld, omdat ze waren gebaseerd op een dienstverband van een maand in plaats van acht maanden.
Het hof was van oordeel dat de bemiddelaar geen genoegen had mogen nemen met de loonstrook, nu deze loonstrook een verre van professionele indruk maakte en bij een eerste bestudering vragen opriep, bijvoorbeeld over het vakantiegeld en het ontbreken van essentiële gegevens. Deze onvolledige informatie in de loonstrook had aanleiding moeten zijn meer informatie in te winnen bij de huurder en bij gebreke van afdoende informatie, contact te zoeken met diens werkgever en de huurder om een kopie van een arbeidsovereenkomst en een werkgeversverklaring te vragen. Door een en ander na te laten, is de bemiddelaar toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn zorgplicht jegens de verhuurder.
Het hof achtte de bemiddelaar aansprakelijk voor de schade aan het gehuurde en niet voor de huurderving.