4a. Kleinhandelsbedrijf/ambachtsbedrijf

Een kleinhandelsbedrijf (detailhandel) is een distributie-eenheid waarvan de activiteit bestaat uit het wederverkopen op gewone wijze, in eigen naam en voor eigen rekening, van goederen aan consumenten, zonder deze goederen andere behandelingen te doen ondergaan dan die welke in de handel gebruikelijk zijn. Het gaat  om rechtstreekse levering van producten ter plaatse zonder tussenkomst van een derde (Ktr. Heerlen, 11-12-2002, WR 2003, 26). Er daarom veel voor te zeggen dat een pick-up point, waarbij de bestelde producten worden afgehaald en betaald niet zonder meer vallen onder de regeling van 7:290 BW-bedrijfsruimte.  Het is best mogelijk dat door verschuiving van begripsvorming wegens gewijzigde maatschappelijke vormen van levering van goederen het begrip 7:290 BW-bedrijfsruimte ook wijziging ondergaat. De kantonrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad geeft in haar vonnis van 1 april 2008 LJN BC7444, Rechtbank Zwolle, 305697 CV 06-631 onder rechtsoverweging 7 duidelijk aan dat met het begrip detailhandel duidelijk wordt bedoeld de levering van zaken aan particulieren. Levering van zaken aan bedrijven valt onder groothandel. Deze laatste gehuurde ruimten vallen niet onder de regeling van artikel 7:290 BW. Voor de hand liggende voorbeelden van een kleinhandelsbedrijf zijn: de bakker, slager en groenteboer.

Meubeltoonzalen vallen in het algemeen ook onder de regeling, omdat het hier om een voor het publiek toegankelijk lokaal gaat waar zich doorgaans ook een verkooppunt bevindt. Doet zo’n situatie zich niet voor (bijvoorbeeld meubeltoonzaal bij een fabriek, waar niet wordt verkocht) dan is er geen sprake van artikel 7:290 BW ruimte Noot 14

De grens tussen een vrij beroep en een ambacht is moeilijk te trekken. Wat wordt eigenlijk verstaan onder een ambacht en een vrij beroep? In de ‘Van Dale’ wordt het begrip ‘ambacht’ omschreven als “handwerk dat aangeleerd moet worden, als broodwinning beoefend”. Het begrip wordt ook wel aangewend om aan te geven dat het gaat om productie of bewerking van zaken, en/of het leveren van technische diensten, op niet-fabrieksmatige wijze (Noot 15aa). Een ambacht hoeft niet alleen betrekking te hebben op handmatige bewerking van producten (zoals het bouwen van een viool), maar kan ook betrekking hebben op de behandeling van (lichamen) van personen. Een kapper is hier een voorbeeld van. Onder een vrij beroep wordt verstaan een beroep dat wordt uitgeoefend op grond van een relevante beroepskwalificatie door een persoon die persoonlijk, op eigen verantwoordelijkheid en professioneel onafhankelijk, intellectueel-ideële prestaties verricht ten behoeve van de opdrachtgever en de samenleving in het algemeen.

Onder een vrij beroep wordt verstaan een beroep dat wordt uitgeoefend op grond van een relevante beroepskwalificatie door een persoon die persoonlijk, op eigen verantwoordelijkheid en professioneel onafhankelijk, intellectueel-ideële prestaties verricht ten behoeve van de opdrachtgever en de samenleving in het algemeen. Soms is de scheiding tussen een ambacht een vrij beroep niet eenvoudig te trekken. Het hof Amsterdam achtte in haar arrest van 30 januari 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:315)   daarom een raamprostitutiebedrijf niet als ambacht (zie boven voor het begrip ‘ambacht’), maar als een beroep.  Het betrof hier daarom geen artikel 7:290 BW-bedrijfsruimte, maar artikel 7:230a BW-bedrijfsruimte.

De kantonrechter te Rotterdam was in haar vonnis van 6 november 2009 ECLI:NL:RBROT:2009:BK3767 van oordeel dat in de gegeven omstandigheden de schoonheidssalon als 7:290 BW bedrijfsruimte moet worden aangemerkt. Er was sprake van een huurovereenkomst met een voor het publiek toegankelijke ruimte waar diensten worden verleend. Deze diensten waren naar het oordeel van de kantonrechter te vergelijken met de diensten van een kapper of pedicure (Kantonrechter Tiel 15 april 1998, Praktijkgids, 1998, 4968). Net als deze beroepen was er naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een ambacht als bedoeld in de zin van artikel 7:290 BW. Dat de schoonheidsspecialiste op afspraak werkt maakte dit niet anders. De kantonrechter te Amersfoort oordeelde echter dat een schoonheidssalon in gegeven omstandigheden (12 juli 2000, Prg 2000, 5513) niet als 7:290 BW-bedrijfsruimte is aan te merken. Het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch oordeelde in haar arrest van 24 november 2011 ECLI:NL:GHSHE:2011:BU6216 dat een schoonheidssalon een artikel 7:230a BW-bedrijfsruimte betrof.
Het hof overwoog als volgt. Naar het oordeel van het hof was de relatieve omvang van de omzet van de verkochte producten niet van doorslaggevende betekenis voor de vraag welk regime van toepassing is. Zoveel stond wel vast dat bij het voeren van de schoonheidssalon het geven van schoonheidsbehandelingen de kernactiviteit was, in welk kader ook wel producten werden verkocht, en niet omgekeerd. Deze kernactiviteit (schoonheidsbehandelingen) volgt mede uit de aard en inrichting van het bedrijf zoals door de kantonrechter waargenomen en door partijen in de stukken verwoord. De inrichting van de onderneming is zodanig dat (tegelijkertijd) één klant een persoonsgebonden behandeling krijgt. Een volgende klant zal eventueel een korte periode in de wachtkamer verblijven. Op zodanige activiteiten heeft het bepaalde in artikel 7:290 BW niet het oog. Naar vaste rechtspraak vallen het tandarts-, fysiotherapie- en het accountantsbedrijf, waarmee de onderhavige schoonheidssalon op één lijn kan worden gesteld, buiten het toepassingsgebied van die bepaling. De wet heeft bij de term ‘een voor het publiek toegankelijk lokaal’ niet een behandelkamer en wachtruimte op het oog.

Algemeen wordt aangenomen dat een kleermaker een ambacht uitoefent. Noot 16

Pedicure: de ruimte voor de pedicure in een verzorgingshuis, waar ook externe cliënten worden geholpen, aangemerkt als bedrijfsruimte ex artikel 7:290 BW. Pedicure oefent geen beroep uit, maar een ambacht. Zij voegt meerwaarde toe aan het verzorgingshuis. Ondanks het ontbreken van een betalingsverplichting levert zij aldus een tegenprestatie. Ktg. Tiel 15 april 1998, Prg. 1998, 4968, NJ 1998, 50. Dit kan dus een onjuiste als er geen sprake is van een publiek toegankelijk lokaal. Ik verwijs in dit verband naar de overwegingen van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch in haar arrest van 24 november 2011 ECLI:NL:GHSHE:2011:BU6216 .

Een weergave uit de rijke jurisprudentie op dit gebied wordt aangetroffen onder link. De beschrijving is vanwege de overzichtelijkheid bewust kort gehouden. Voor de verdere inhoud kan onder meer Rechtspraak.nl worden geraadpleegd.