Conclusie met betrekking tot franchiseovereenkomsten

De franchiseovereenkomst is een onbenoemde overeenkomst. Voor de regels met betrekking tot deze overeenkomst moet worden terugvallen op de algemene regels van Boek 3 en Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Partijen kunnen de rechter verzoeken voor wat betreft de overeengekomen huurperiode de wettelijke regeling buiten toepassing te verklaren. De rechter betrekt bij zijn besluitvorming doorgaans niet de regels die betrekking hebben op het mededingingsrecht.
De rechter kan van mening zijn dat bij gesloten huur- en franchiseovereenkomsten het huurecht de meest overwegende factor is. De opzegmogelijkheden van de franchiseovereenkomst kunnen in een dergelijk geval worden beheerst door het huurrecht. Het ging hier wel om een bijzondere situatie waarbij werd beslist dat aan de locatie van het gehuurde gebouw zoveel belang werd gehecht, dat het huurrecht in het kader van de gesloten verbintenissen het meest overwegende element betrof.
Als er in het kader van een franchiseovereenkomst een afnameverplichting van bijvoorbeeld benzine in het kader van de exploitatie van een tankstation wordt gesloten, dan kan dit beding in strijd zijn met de regels van het mededingingsrecht. Dit is vooral van belang als de leverancier geen volledig eigenaar/verhuurder is van het pand waarin de exploitant zijn onderneming drijft. De eigenaar/verhuurder kan op basis van artikel 5 van de Verordening (EU) nr. 330/2010 van de Europese Commissie van 20 april 2010 (in werking getreden 1 juni 2012) vrijstelling van de regels van de Mededingingswet krijgen. Voor de leverancier die geen verhuurder is, geldt deze vrijstelling niet.
De verhuurder hoeft er niet zonder meer genoegen mee te nemen dat de huurder eenzijdig een andere invulling aan de franchiseformule geeft. Dit geldt met name als de franchiseformule in de overeengekomen bestemming zit ingebakken en de overeenkomst ontbonden kan worden als de huurder zich niet aan deze overeengekomen bestemming houdt. Een overeengekomen bestemming is niet in strijd met het mededingingsrecht als deze bestemming niet is overeengekomen om concurrentie te beperken, maar louter is bedoeld om het gebruik van het pand conform het huurrecht te begrenzen.
Als de huurder zich niet aan een samenwerkingsovereenkomst wenst te houden, is het niet verstandig deze samenwerkingsovereenkomst te beëindigen als in de huurovereenkomst niet staat opgenomen dat de huurovereenkomst samen met de samenwerkingsovereenkomst beëindigd zal worden. Dat geldt eens te meer als een verhuurder zich in het kader van de samenwerkingsovereenkomst zich niet redelijk naar de huurder had opgesteld door eenzijdig een andere formule aan te bieden zonder voldoende met de belangen van de huurder rekening te houden.