Huurtoeslag 2019 en 2020

De bedragen die in dit onderdeel zijn gebruikt zijn onder meer afkomstig van de circulaire  Parameters huurtoeslag, inkomensgrenzen, inkomensafhankelijke huurverhoging, verkoopregels en overige bedragen 2019 en de Circulaire Parameters huurtoeslag, inkomensgrenzen, inkomensafhankelijke huurverhoging en overige bedragen 2020.

Algemene regeling huurtoeslag 2019 en 2020

Met ingang van 1 januari 2016 zijn woningcorporaties verder verplicht om DEAB-woningen het merendeel van de woonruimte te verstrekken aan de huishoudens die in aanmerking komen voor huurtoeslag.

Bij het bepalen van het recht op huurtoeslag gaat de Belastingdienst uit van de kale huur plus een deel van de servicekosten. Dit bedrag tezamen vormt de rekenhuur. Er zijn vier soorten servicekosten die meetellen bij de rekenhuur. Dit zijn de kosten die voor subsidie in aanmerking komen. Dit betreffen: schoonmaakkosten, energiekosten voor gemeenschappelijke ruimte, kosten voor huismeester of conciërge en kosten voor onderhoud aan dienst- en recreatieruimten Deze mogen allemaal voor maximaal € 12 per maand meetellen. De rekenhuur kan dus maximaal € 48 hoger zijn dan de kale huur.

In beginsel komen alleen zelfstandige en onvrije woningen voor huurtoeslag in aanmerking. Alleen onder uitzonderlijke omstandigheden kan een huurder van onzelfstandige woonruimte voor huurtoeslag in aanmerking komen.  Als er sprake is van begeleid wonen of een groepswoning voor ouderen, dan kan er sprake zijn van een woning die is aangewezen voor huurtoeslag. Voor woonruimte die gelegen in een studentencomplex kan ik sommige gevallen ook huursubsidie worden gekregen. Voorwaarde is dan de woning voor 1 juli 1997 is aangewezen voor de huurtoeslag. De verhuurder kan daarover aan de huurder informatie verstrekken. De belastingdienst kan ook worden benaderd voor een antwoord op de vraag of een bepaalde (onzelfstandige) woonruimte voor huursubsidie in aanmerking komt. De belastingdienst is te bereiken via het volgende mailadres: toeslagen.verhuurders.admini@belastingdienst.nl.

Volgens de Woningwet moeten woningcorporaties ten minste 90% van de vrijkomende sociale huurwoningen toewijzen aan de doelgroep. De overige 10% vrijkomende sociale huurwoningen mogen woningcorporaties vrij toewijzen. Hierbij moeten zij de geldende voorrangsregels uit de plaatselijke huisvestingsverordening en de voorrangsregels uit het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting (BTIV) in acht nemen. Dit betekent bijvoorbeeld dat zij voorrang moeten geven aan mensen die door fysieke of psychische beperkingen moeilijk aan passende huisvesting kunnen komen. Ten minste 80% daarvan moet worden toegewezen aan huishoudens met een inkomen tot € 36.798 (in 2018) € 38.035 (2019). Tot en met 2020 kan ten hoogste 10% (zie artikel 46 en 48 woningwet en artikel 16 en 57 t/m 60 BTIV) van de vrijkomende sociale huurwoningen worden toegewezen aan huishoudens met een inkomen tussen respectievelijk € 38.035 (2019) € 39.055 (2020) en € 42.436 (2019) € 43.574 (2020). Hierbij moeten zij de geldende voorrangsregels uit de plaatselijke huisvestingsverordening en de voorrangsregels uit het BTIV in acht nemen.

Woningcorporaties moeten ingevolge de Woningwet en het BTIV jaarlijks aan 95% van de woningzoekenden met recht op huurtoeslag volgens de Wet op de huurtoeslag een woning toewijzen met een huurprijs onder de voor hen toepasselijke aftoppingsgrens.

Vanaf 1 januari 2020 zijn er geen inkomensgrenzen meer. Hoe hoog uw inkomen mag zijn, hangt af van de hoogte van de huur, de leeftijd van de huurder en de samenstelling van het huishouden van de huurder.

Deze liberalisatiegrens luidde in 2019 het bedrag van € 720,42. In 2020 luidt dit deze grens een bedrag van € 737,14. Boven is deze grens is er geen recht op huursubsidie.

De regeling zoals die tot en met 2019 gold

De huurder is gehouden de basishuur geheel te betalen. De inkomensgrenzen voor meerpersoons- en eenpersoons (ouderen)huishoudens werden voor het jaar 2018 0,86% aangepast en worden voor 2019 1,7% aangepast en vervolgens naar boven afgerond op een veelvoud van € 25. De basishuur is het gedeelte van de rekenhuur dat voor rekening van de huurtoeslagontvanger blijft (eigen bijdrage). De basis huurprijs beloopt afhankelijk van de gezinssamenstelling over 2018 en 2019 respectievelijk tussen de € 204,51 tot en met € 208,14 per maand (2018) en € 224,99 en € 228,62 per maand (2019). De gezinssamenstelling kent varianten zoals: eenpersoonshuishoudens en meerpersoonshuishoudens en huishoudens die bestaan uit van eenpersoonsouderen en meerpersoonsouderen. De normhuren zijn niet voor alle te onderscheiden huishoudcategorieën gelijk. Dit is het gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de armoedeval en ter compensatie van het afschaffen van de koopkrachttoeslag binnen de huurtoeslag, zoals die per 1 juli 2001 voor het eerst zijn toegepast.

Voor een antwoord op de vraag of een huurder recht heeft op huurtoeslag is de leeftijd van de huurder (minimaal 18 jaar oud), de hoogte van de huur, het inkomen van de huurder en het vermogen van de huurder van belang. Het gaat te ver hier volledig in te gaan op het inkomen en het vermogen van de huurder. Het volstaat hier te zeggen dat een huurder met een gezinsinkomen van meer dan € 30.400 (basis 2018) en € 30.825 (basis 2019) niet voor huurtoeslag in aanmerking komen. Het vermogen mag per 1 januari 2018 per persoon in uw huishouden niet hoger zijn dan € 30.000. Dit bedrag is het heffingsvrije vermogen. Met een toeslagpartner ligt dit bedrag op € 60.000. Voor personen van 65 jaar en ouder vervalt de eerdere toegekende extra vrijstelling voor vermogen. Voor meer informatie zie: (huurtoeslaghuurprijsgrens 2018). Voor de maximale inkomensgrenzen per huishouden (leeftijd, gezinssamenstelling de Parameters huurtoeslag, inkomensgrenzen, inkomensafhankelijke huurverhoging, verkoopregels en overige bedragen 2019. Let er op dat voor eenpersoonshuishoudens lagere grenzen gelden voor  huishoudens met deze samenstelling boven deze leeftijd.

Kwaliteitskortingsgrens over het jaar 2019

Het huurdeel onder de kwaliteitskortingsgrens (€ 417,34 basis 2018 en € 424,44, 2019) komt in aanmerking voor 100% subsidiëring. Ligt de huurprijs hoger dan deze grens, dan wordt er gekort op de huurtoeslag. Dit heet ‘kwaliteitskorting’ omdat een hogere huur ook een kwalitatief betere woning met zich mee zou brengt. Het (inkomensafhankelijke) bedrag dat ieder huishouden met toeslag zelf moet betalen heet ´basishuur´, er is geen toeslag over mogelijk. Het bedrag tussen de basishuur en de kwaliteitskortingsgrens wordt 100% vergoed door huurtoeslag. Daarboven is dat niet meer het geval. De huurder moet 35% van de huurprijs tussen de kwaliteitskortingsgrens en de lage aftoppingsgrens zelf betalen.  Er zijn dus 2 aftoppingsgrenzen, die ieder jaar op 1 januari worden aangepast. De lage aftoppingsgrens geldt voor 1-persoonshuishoudens en voor 2-persoonshuishoudens tussen 23 en de AOW-gerechtigde leeftijd. De hoge aftoppingsgrens geldt voor huishoudens van 3 of meer personen. De grens geldt ook voor 2-persoonshuishoudens, als minstens 1 van de 2 ouder is dan de AOW-gerechtige leeftijd. En voor 2-persoonshuishoudens die vanwege een handicap in een aangepaste woning wonen. De kwaliteitskortingsgrens wordt ieder jaar door de overheid vastgesteld (www.woonbond.nl).

Deze grens geldt ook als maximale huurgrens huurtoeslag voor jongeren (zonder handicap) onder de 23 jaar. Voor gehandicapte jongeren is, onder bepaalde voorwaarden, de jongerengrens niet van toepassing en geldt de algemene maximale huurgrens huurtoeslag.

Aftoppingsgrens volgens het systeem tot en met 2019

Een zittende huurder die vóór 1 juli 2013 al huurtoeslag ontvangt, houdt zijn recht op huurtoeslag ook als de huur boven de liberalisatiegrens ) uitkomt. Deze huurder heeft geen recht op huurtoeslag over het deel dat de rekenhuur uitkomt boven de liberalisatiegrens (is ook de maximale aftoppingsgrens). In sommige gevallen kan de huurder aanspraak maken op huurverlaging of huurbevriezing c. In het kader van een verworven recht blijft deze huurder  huurtoeslag ontvangen, mits deze huurder op hetzelfde adres blijft wonen. Bij een nieuwe aanvraag met betrekking tot andere woonruimte (als de huurder verhuist) moet de huur wél lager zijn dan liberalisatiegrens . Minister Blok bevestigt in zijn kamerbrief van 1 april 2016 dat de huurder die een huurprijs boven de liberalisatiegrens betaalt vanaf aanvang van de huurovereenkomst niet voor huursubsidie in aanmerking komt als hij door daling van inkomsten voor huurtoeslag in aanmerking wenst te komen. De achterliggende gedachte is dat de huurder die de huur niet meer op kan brengen op zoek moet naar andere woonruimte als er sprake is van gehuurde vrije sector woonruimte. Deze huurder heeft dan de pech als hij altijd huur boven de liberalisatiegrens heeft betaald. Als deze huurder op een zeker moment een inkomen verwerft waarvoor in beginsel huurtoeslag verkregen zou kunnen worden, dan komt deze huurder toch niet voor huurtoeslag in aanmerking, omdat hij vrije sector woonruimte huurt.
Ouderenhuishoudens, alleenstaanden en gehandicapten krijgen van het huurdeel boven de aftoppingsgrens 40% vergoed ( Circulaire Parameters huurtoeslag, inkomensgrenzen, inkomensafhankelijke huurverhoging, verkoopregels en overige bedragen 2018, pagina 8).

Huurtoeslaggrens 2019

Of een inkomen onder de huurprijstoeslaggrens valt, hangt af van de hoogte van het inkomen, de gezinssituatie de leeftijd van de huurder. Deze inkomensgrenzen geven aan wat het maximale inkomen van een huishouden mag bedragen om nog in aanmerking te komen voor huurtoeslag. Voor het inkomensbegrip wordt aangesloten bij de fiscale begrippen. Uitgangspunt is het verzamelinkomen in het berekeningsjaar op basis van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), of wanneer bij betrokkene geen inkomstenbelasting wordt geheven, het belastbare loon volgens de Wet op de loonbelasting 1964.

Huishoudens met een inkomen onder of gelijk aan het minimum-inkomensijkpunt betalen een minimum-eigen bijdrage en ontvangen het maximale bedrag aan huurtoeslag. Vanaf dit inkomen loopt de eigen bijdrage op en de huurtoeslagbijdrage af.

 Het referentie-inkomen is nodig om de hoogte van de eigen bijdrage voor huishoudens met een bovenminimaal inkomen vast te stellen. Conform de Wht maken de referentie-inkomensijkpunten een zelfde ontwikkeling door als de daarmee corresponderende minimum-inkomensijkpunten.

Bijzondere situaties volgens de regeling 2019

De huurtoeslag kent enkele bijzondere situaties. Op grond van artikel 2a van het Besluit op de huurtoeslag kan bijvoorbeeld een partner of medebewoner in bepaalde verzorgingssituaties bij het toekennen van huurtoeslag buiten beschouwing worden gelaten. Er is dan geen effect op de hoogte van de huurtoeslag. Deze uitzondering is alleen bedoeld voor bijzonder harde situaties. Als nadere voorwaarde worden extra grenzen gesteld aan het maximuminkomen en het inkomen uit vermogen (voordeel uit sparen en beleggen).

Wanneer de huurprijs door de voorgestelde huurverhogingen is gestegen tot boven de liberalisatiegrens (=huurtoeslaggrens), dan heeft een huurder die voor het eerst bij daling van inkomen huurtoeslag aanvraagt dus geen recht op huurtoeslag. Dit kan in de nabije toekomst anders worden  (zie het onderdeel Het Sociaal Huurakkoord). Voor een huurprijs boven de aftoppingsgrens geldt immers dat de huurder in het geheel geen recht op huurtoeslag toekomt. De huurder die al huurtoeslag had, behoudt zijn recht op huurtoeslag tot de aftoppingsgrens. De huurder die helemaal geen recht op subsidie heeft, loopt het risico dat hij hierdoor in financiële problemen komt. Deze huurder krijgt het dan extra zwaar, namelijk een daling van inkomsten, maar wel een verhoging van de huur. Als iemand huurtoeslag voor een woning aanvraagt, kan die aanvraag dus alleen worden gehonoreerd als de huurprijs niet hoger is dan de maximumhuurgrens van de huurtoeslag; deze is gelijk aan de liberalisatiegrens. Indien het huishoudinkomen zover gedaald is dat het aan de inkomensgrens voor huurtoeslag voldoet, komt het huishouden in ieder geval in aanmerking voor een andere, goedkopere huurwoning van een woningcorporatie omdat het huishoudinkomen dan ook tot onder de inkomensgrens voor toewijzing van huurwoningen met een gereguleerde huurovereenkomst van woningcorporaties gedaald is.

De regeling zoals die vanaf 2020 geldt
Zoals hierboven gezegd zijn vanaf 1 januari 2020 inkomensgrenzen niet meer van belang. Met deze wijziging verdwijnt de situatie waarbij bij een beperkte stijging van het inkomen ineens de volledige huurtoeslag vervalt, met veelal grote terugvorderingen tot gevolg. Door het vervallen van de maximale inkomensgrenzen loopt de huurtoeslag door tot bij een hoger inkomen. Dit betekent dus niet dat de huurder altijd recht op huursubsidie heeft, maar dat de huursubsidie bij extra inkomen niet direct terugvalt naar € 0,  maar met extra inkomen wordt afgebouwd tot € 0. Met het vervallen van de maximale inkomensgrenzen wordt het inkomensbereik van de huurtoeslag niet meer bepaald door een harde grens. Het inkomensbereik van eenpersoonshuishoudens en ouderenhuishoudens wordt bepaald door de hoogte van de eigen bijdrage (inkomensafhankelijk) en de feitelijke huur of de maximale huurgrens.

Deze huishoudens ontvangen geen huurtoeslag meer wanneer de eigen bijdrage gelijk is aan of hoger is dan de feitelijke huur of de maximale huurgrens. Het inkomensbereik van een meerpersoonshuishoudens wordt bepaald door de hoogte van de eigen bijdrage (inkomensafhankelijk) en de feitelijke huur of de aftoppingsgrens. Een meerpersoonshuishouden ontvangt geen huurtoeslag meer wanneer de eigen bijdrage van een meerpersoonshuishouden gelijk is aan of hoger is dan de voor dat huishouden geldende aftoppingsgrens óf de feitelijke huur.
De huurder mag in 2020 maximaal € 30.846 aan vermogen hebben om huurtoeslag in aanmerking te komen. Samen met de toeslagpartner mag het vermogen € 61.692 belopen.

Ook medebewoners mogen niet meer dan € 30.846 aan vermogen hebben. Het vermogen van een thuiswonend kind onder de 18 jaar wordt bij het vermogen van de huurder opgeteld. Als het vermogen van de huurder en het inwonende kind boven de € 30.846 komt, dan heeft de huurder geen recht op huursubsidie.
Als er maar een deel van het jaar een toeslagpartner of medebewoner inwonend was, dan hoeft het vermogen niet meegerekend te worden.

Hoogte van de huur en het recht op huurtoeslag vanaf 2020

De huurder kan huurtoeslag krijgen als de rekenhuur niet te hoog is (niet hoger dan de huurgrens). Bij de berekening van de huurtoeslag wordt uitgegaan van de rekenhuur. De rekenhuur bestaat uit de kale huur plus de servicekosten.

Het gaat om de volgende posten:

  • kosten voor schoonmaak van gemeenschappelijke ruimten;
  • kosten energie voor gemeenschappelijke ruimten;
  • kosten voor de huismeester;
  • kosten voor dienst- en recreatieruimten.

Per soort servicekosten wordt er maximaal € 12 bij de huurprijs opgeteld.  In totaal gaat het dus om maximaal € 48. Dit geldt ook als de kosten per post hoger liggen.

Er is geen recht op huursubsidie als de bewoner 23 jaar of ouder is en de huur € 737,14 of hoger is.

Er is geen recht op huursubsidie als de bewoner tussen 18 en 23 jaar is en de huur € 432,51 of hoger is.

Bewoners onder de 18 jaar hebben doorgaans geen recht op huurtoeslag. Dat kan anders zijn als beide ouders zijn overleden of als de jeugdige huurder een kind heeft. Een persoon die langer dan 1 jaar is gedetineerd heeft geen recht meer op huursubsidie.

Er gelden uitzonderingen voor gehandicapten en grote huishoudens.

Als door een huurverhoging de huur te hoog geworden voor huurtoeslag, dan houdt de huurder recht op huurtoeslag als de huurder de maand vóór de verhoging al huurtoeslag kreeg voor dezelfde woning. Dit wordt  ‘verworven recht’ genoemd. Voor het deel van de huur dat boven de grens voor huurtoeslag uitkomt, krijgt de huurder geen huurtoeslag.

Als de huurder verworven rechten heeft, maar niet meer voldoet aan de andere voorwaarden voor huurtoeslag, dan heeft de huurder geen recht meer op huurtoeslag. Dit geldt bijvoorbeeld als het gezamenlijk inkomen van de huurder te hoog wordt.

Vanaf januari 2020 vervalt de ene harde inkomensgrens

Met het vervallen van de maximale inkomensgrenzen wordt het inkomensbereik van de huurtoeslag niet meer bepaald door een harde grens. Hierdoor verdwijnt de situatie waarbij bij een beperkte stijging van het inkomen ineens de volledige huurtoeslag vervalt en wordt armoedeval voorkomen. Het inkomensbereik van eenpersoonshuishoudens en ouderenhuishoudens wordt bepaald door de hoogte van de eigen bijdrage (inkomensafhankelijk) en de feitelijke huur of de maximale huurgrens.

Deze huishoudens ontvangen geen huurtoeslag meer wanneer de eigen bijdrage gelijk is aan of hoger is dan de feitelijke huur of de maximale huurgrens. Het inkomensbereik van een meerpersoonshuishoudens wordt bepaald door de hoogte van de eigen bijdrage (inkomensafhankelijk) en de feitelijke huur of de aftoppingsgrens. Een meerpersoonshuishouden ontvangt geen huurtoeslag meer wanneer de eigen bijdrage van een meerpersoonshuishouden gelijk is aan of hoger is dan de voor dat huishouden geldende aftoppingsgrens óf de feitelijke huur.

Doordat er geen harde inkomensgrenzen meer zijn en het nieuwe inkomensbereik van verschillende factoren afhankelijk is, zijn er een ontelbaar nieuwe situaties te schetsen. De normhuur is het inkomensafhankelijk deel van de eigen bijdrage van de huurder. Huishoudens met een inkomen onder of gelijk aan het minimum-inkomensijkpunt betalen een minimum-eigen bijdrage en ontvangen het maximale bedrag aan huurtoeslag. Vanaf dit inkomen loopt de eigen bijdrage op en de huurtoeslagbijdrage af.  Volgens tabel 1 van de Circulaire Parameters huurtoeslag, inkomensgrenzen, inkomensafhankelijke huurverhoging en overige bedragen 2020 bedraagt bijvoorbeeld het minimum inkomen voor een eenpersoonshuishouden een bedrag van € 16.650. Dit huishouden krijgt met dit inkomen de maximale subsidie.

De normhuren zijn niet voor alle te onderscheiden huishoudcategorieën gelijk. Dit is het gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de armoedeval en ter compensatie van het afschaffen van de koopkrachttoeslag binnen de huurtoeslag, zoals die per 1 juli 2001 voor het eerst zijn toegepast. De basishuur is het gedeelte van de rekenhuur dat voor rekening van de huurtoeslagontvanger blijft (eigen bijdrage). De basishuur is de normhuur. De eigen bijdrage in de huurtoeslag bestaat uit een inkomensafhankelijk deel (normhuur) en een inkomensonafhankelijke opslag (van € 16,94 per maand). Het minimum bedrag aan huur dat de huurder zelf moet betalen (= eigen bijdrage) bedraagt in ieder geval € 215,71 (tabel 5, Circulaire Parameters huurtoeslag, inkomensgrenzen, inkomensafhankelijke huurverhoging en overige bedragen 2020). De normhuur is het inkomensafhankelijk deel van de eigen bijdrage van de huurder. De normhuur wordt jaarlijks geïndexeerd.

De bijlage laat zien wat het maximale inkomen is waarbij een huurder nog huurtoeslag krijgt, als de huur gelijk is aan het bedrag in de eerste kolom. Voorbeeld: een eenpersoonshuishouden in een woning van € 432,51, krijgt geen huurtoeslag meer als zijn of haar inkomen hoger is dan €23.762. Bij dat inkomen is de eigen bijdrage namelijk gelijk aan € 432,51. Ander voorbeeld:  een eenpersoonshuishouden in een woning van € 663,40, krijgt geen huurtoeslag meer als zijn of haar inkomen hoger is dan € 30.061.  Laatste voorbeeld: een meerpersoonshuishouden in een woning van € 619,01, krijgt geen huurtoeslag meer als hun inkomen hoger is dan €37.761. Het bedrag tussen haakjes geldt voor ouderen vanaf de AOW-leeftijd. Meerpersoonshuishoudens krijgen boven de aftoppingsgrens geen huurtoeslag, dus is het maximale inkomen bij de aftoppingsgrens en de maximale huurgrens gelijk.

In figuur 1 en 2 in de bijlage (verloop huurtoeslag) worden de gevolgen van het vervallen van de maximale inkomensgrenzen inzichtelijk gemaakt voor eenpersoons- (EP), meerpersoons-(MP), eenpersoonsouderen- (EPO) en meerpersoonsouderenhuishouden (MPO). Voorbeeld: Uit figuur 1 van deze bijlage zal een eenpersoonshuishouden met een huur van € 619,01 per maand bij een inkomen van € 15.000 per jaar een huurtoeslag krijgen van € 325 per maand. Bij een inkomen van circa € 20.000 per jaar wordt de toeslag € 250 per maand. Bij een inkomen van € 23.000 per jaar  is de toeslag € 150 per maand.  Met de regels die tot en met 2019 golden zou de huurder geen recht meer op huurtoeslag hebben. Met de regels die in 2020 gelden wordt de huurtoeslag verder afgebouwd totdat een inkomen in dit voorbeeld van € 28.950 is bereikt. Met een inkomen van € 27.000 per jaar is er nog recht op een huurtoeslag van circa € 50 per maand.

AOW-leeftijd en huurtoeslag

De pensioengerechtigde leeftijd is voor 2020 66 jaar en 4 maanden.
Bepalend voor het ouderenhuishouden is de pensioengerechtigde leeftijd op 1 januari van het berekeningsjaar; in 2020 gaat het dus om de leeftijd van 66 jaar en 4 maanden op 1 januari 2020.