Medehuurderschap op grond van artikel 7:267 BW – Afwijzingsgronden

Een vordering kan niet op andere gronden worden afgewezen dan de gronden als vermeld in artikel 7:267 lid 2 BW. In het bovenstaande zijn deze gronden (eis 4 tot en met 5) als eisen voor het verkrijgen van medehuurderschap genoemd. Noot 110

De rechtbank Breda, sector kanton, locatie Bergen op Zoom kwam in haar vonnis van 7 maart 2012 LJN: BV8839, sector kanton Rechtbank Breda, 681644 cv 11-6207 tot de conclusie dat een vordering strekkende tot verkrijging van medehuurderschap door een meerderjarige, bij vader inwonende, zoon toewijsbaar was nu zich geen van de in artikel 7:267 lid 2 BW voorgeschreven limitatieve- afwijzingsgronden voordeed. Het uit Europese regelgeving voortvloeiende inkomenscriterium voor toewijzing van sociale huurwoningen waaraan woningcorporaties sinds 1 januari 2011 bij het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst moeten voldoen maakte dat in dit geval volgens de rechtbank niet anders. De rechtbank is van mening dat dit criterium niet kan leiden tot afwijzing van de vordering, omdat het toekennen van medehuurderschap niet leidt tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst, althans dit kan niet -zonder meer- aan een nieuwe verhuring gelijk kan worden gesteld.

Ik kan mij voorstellen dat dit criterium wel een rol zou horen te spelen op het moment dat de oorspronkelijke huurder de woning verlaat en de medehuurder de huurovereenkomst voortzet. Een parallel met de eis van het hebben van een huisvestigingsvergunning ten tijde van voortzetting van het huurcontract (artikel 7:267 lid 6 BW) door de medehuurder lijkt hier wel te trekken. De wetgever zal voor invoering van een dergelijk criterium in het kader van verkrijging van het huurderschap na vertrek van de oorspronkelijke huurder de wet aan dienen te passen.