2.a. Het gastouderschap in een huurwoning

Het gastouderschap is een vorm van kinderopvang in een huiselijke omgeving. De gemeente waarin het gehuurde is gelegen definieert als bedrijfsmatige kinderopvang veelal de volgende activiteiten: kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en instellingen voor buitenschoolse- en 24-uursopvang.

Doorgaans wordt een gastouderschap in de zin van het bestemmingsplan van de gemeente niet als bedrijfsmatige activiteit gezien. Dit wordt als volgt beschreven. Bij oppas aan huis of een gastouder die één of meerdere kinderen in de eigen woning opvangt en verzorgt gaat het niet om bedrijfsmatige kinderopvang. Bij het opvangen van één of meerdere kinderen aan huis wordt gebruik gemaakt van de reeds aanwezige voorzieningen in de woning (woonkamer, logeer/slaapkamer, toiletvoorzieningen). Er hoeft geen aparte ruimte te worden gereserveerd en de woning behoeft geen aanpassingen. De functie en het gebruik worden niet anders dan gewoon wonen. Ook deze vorm van kinderopvang heeft gevolgen voor de directe omgeving. Het halen en brengen van de kinderen veroorzaakt extra verkeersbewegingen en parkeerdruk. Bovendien bestaat er kans op geluidsoverlast. Daarom wordt voor het aantal kinderen dat mag worden opgevangen een maximum gesteld van vier. In deze vorm wordt kinderopvang als passend binnen de woonbestemming gezien. Een huurder hoeft in dit kader van invulling van het gebruik van het gehuurde geen wijziging van de woonbestemming bij de gemeente te vragen.

Voor het huurrecht ligt dit anders. Als de woonruimte uitdrukkelijk de bestemming woonruimte heeft gekregen, dan dient de woonruimte als woonruimte gebruikt te worden. Ook hier geldt zoals voor zoveel onderwerpen op het gebied van het huurrecht, dat gebruik van de woonruimte voor hobbymatige doeleinden wel is toegestaan en dat bedrijfsmatig gebruik van de woning in combinatie met woondoeleinde ook is toegestaan als dit de woning maar niet extra belast en/of overlast door dit gebruik ontstaat. Thuiswerken kan daarom nog steeds onder het begrip ‘wonen’ vallen. De aard van de bedrijvigheid van de uitgevoerde activiteit en de gevolgen daarvan zijn maatgevend. Zo lijkt het mij niet in strijd met de woonbestemming dat de huurder een bedrijfsmatige boekhouding voor derden voert (zonder personeel) en werkzaamheden als webdesigner verricht in de woning zolang dit niet tot overmatig zakelijk bezoek leidt. Als een webdesigner zijn opdrachten via de mail ontvangt is er immers weinig verschil tussen de persoon die uren op een plek in het huis zit te gamen. Het moet wel duidelijk zijn dat het bedrijfsmatig gebruik dat met bovengemelde restricties wordt uitgevoerd in de gehuurde woning,ondergeschikt is aan de permanente bewoning van de woning door de huurder. In dezelfde zin luidt ook het standpunt van mr. P.G.A. van der Sanden (Nieuwsbrief Huurrecht@actueel 2015-02 van SDU-uitgevers).Het gastouderschap betreft een (bedrijfsmatige) activiteit die niet valt binnen het beperkte begrip van de woonbestemming als omschreven in de meeste huurcontracten als er sprake is van dagelijkse opvang van verschillende kinderen die niet tot de kring van de familie behoren. Opvang van buurkinderen lijkt mij ook toegestaan zolang er niet sprake is van kinderopvang in de zin van vrije beroepsuitoefening. Kinderopvang in de woning in de zin van vrije beroepsuitoefening valt doorgaans buiten de overeengekomen bestemming van het gebruik van het gehuurde als woonbestemming en zal daarom in strijd zijn met het gestelde in artikel 7:214 BW over het overeengekomen gebruik van het gehuurde. Verhuurders van sociale huurwoningen zijn tegen uitvoering van het (bedrijfsmatig) gastouderschap in de woning. Zij achten het niet correct als mensen winst maken door te werken in of vanuit hun huurwoning. Daarnaast verwachten zij het risico op overlast voor andere bewoners als er klanten aan huis ontvangen worden reëel aanwezig.

De huurder doet er goed aan de verhuurder voor het bedrijfsmatig opvangen van kinderen toestemming te vragen. Een oma, die als gastouder van haar kleinkinderen optreedt, valt binnen de woonbestemming van het gehuurde. Er moet daarom altijd gekeken worden naar de invulling, die de huurder aan het gastouderschap geeft. Zo zal de ene vorm van gastouderschap wel toegestaan zijn en de andere wijze van uitvoering van het gastouderschap niet zijn toegestaan. Het omslagpunt tussen het gebruik van de woning voor bedrijfsdoeleinden, waarbij het woonaspect een overwegende rol blijft spelen en het gebruik van de woning waarbij het bedrijfsmatig gebruik de overwegende factor is, zal in sommige gevallen niet duidelijk zijn. De huurder dient zich wel te realiseren dat hij in deze discussie duidelijk zal dienen te maken dat het van de woonbestemming afwijkende gebruik past binnen de overeengekomen. De huurder heeft hierin een taak. Het is dus niet vanzelfsprekend dat de huurder naast een overeengekomen gebruik de woning zonder meer voor andere doeleinden kan gebruiken. Deze aanvullende werkzaamheden zijn wel toegestaan, zolang deze vallen binnen de overeengekomen (woon)bestemming die de huurder is overeengekomen.De huurder handelt niet in strijd met de woonbestemming als er op het gehuurde een eenmanszaak wordt ingeschreven zonder het gehuurde bedrijfsmatig te gebruiken. De rechtbank Midden Nederland was daarom in haar vonnis van 9 maart 2016 ( ECLI:NL:RBMNE:2016:5104 ) van oordeel dat de verhuurder moest dulden dat de huurder haar eenmanszaak op het adres van het gehuurde inschreef. De huurder gaf trainingen in gebarentaal als freelancer op inhuurbasis. De trainingen vonden plaats bij instellingen of bij cliënten thuis. De eenmanszaak was per 2 juni 2014 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, op het adres van de woning waar de huurder een woonruimte huurde.
De kantonrechter was van oordeel dat de hiervoor genoemde bedrijfsactiviteiten niet vallen buiten het in de huurovereenkomst beschreven gebruik. Ook als zakelijke post wordt ontvangen en als zakelijke e-mails worden verstuurd en ontvangen is nog steeds sprake van ‘wonen’ in de zin van die huurovereenkomst. Daarbij was van belang dat die activiteiten gelet op de aard van haar werkzaamheden relatief gezien beperkt zullen zijn. De huurder hield zich dus aan de in de huurovereenkomst vastgelegde bestemming en zij gedroeg zich als een goed huurder. Dat zij haar eenmanszaak bij de Kamer van Koophandel had ingeschreven was voor deze beoordeling niet van belang: waar het om ging was wat de huurder in de woonruimte doet en of dat is aan te merken als ‘wonen’. Er was voor de huurder daarom ook geen verplichting om die inschrijving aan de verhuurder te melden.