Huurcommissie en periodieke huurprijsverhoging t/m 2016

De Huurcommissie dient bij een geschil de inkomensgegevens te toetsen aan de waarheid. Indien een huurder van mening is dat het huishoudinkomen minder dan € 43.786 (2015) bedraagt en er met zijn verhuurder niet uitkomt in de bezwarenfase, kan de huurder het voorstel tot extra huurverhoging voorleggen aan de Huurcommissie. De huurder zal dan bij het bezwaarschrift tegen het huurverhogingsvoorstel of bij het verzoekschrift om een uitspraak van de Huurcommissie bewijs moeten leveren middels een IBRI-formulier (voorheen IB60-formulieren) dat het huishoudinkomen in het peiljaar lager was dan één van de twee inkomensgrenzen (€43.786 of tussen € 34.229 en € 43.786) zoals die door de belastingdienst aan de verhuurder over het peiljaar is doorgeven.

Aanvraag inkomsten bij de belastingdienst

De verhoging per 1 juli 2016
De inkomensafhankelijke huurverhoging en de mogelijkheid van toetsing bij de belastingdienst van het inkomen door de verhuurder is bepaald in artikel 7:252a lid 4 BW en artikel 19b UHW.
De belastingdienst verstrekt deze gegevens alleen aan de genothebbende bij de woonruimte. Dit is degene die de WOZ-beschikking van de woonruimte krijgt van de gemeente. Dit kan de eigenaar zijn, maar ook een beperkt zakelijk gerechtigde, zoals erfpachter, opstalgerechtigde, of vruchtgebruiker. Door de belastingdienst wordt op adresniveau gecontroleerd of de aanvrager inderdaad de genothebbende betreft.
De verklaring door de belastingdienst als bedoeld in artikel 7:252a lid 3 BW wordt volgens de volgende procedure door de verhuurder verkregen.
Allereerst dient de verhuurder de woning waarvoor hij een inkomensafhankelijke verhoging toe wenst te passen aan te melden bij een door de belastingdienst opengesteld webportaal. Andere belanghebbenden (bemiddelaars, die optreden namens de eigenaar) zullen de eigenaar moeten vragen (machtigen) deze informatie op te vragen bij de belastingdienst. Dit webportaal inkomensafhankelijkehuurverhoging.nl gaat op maandag 1 februari 2016 open voor het aanvragen van accounts/inlogcodes. Het webportaal sluit op 29 februari 2016 voor het aanmelden voor een account/inlogcode.
De Belastingdienst gaat dan een bestand opbouwen van de woningen van de verhuurders die in de periode van 1 februari tot en met 29 februari 2016 accounts/inlogcodes hebben aangevraagd en die hebben verkregen.
De Belastingdienst selecteert uit de door de gemeenten aangeleverde WOZ-bestanden (WOZ 2015) de woningen met de door de verhuurders aangeleverde gegevens en zoekt bij die woningen de inkomens van de bewoners om het gezamenlijk huishoudinkomen te bepalen.
De woningen van verhuurders die geen account hebben aangevraagd en verkregen, worden niet in het bestand opgenomen.

De werkwijze luidt kort samengevat:

  • de verhuurders die gebruik willen maken van de inkomensafhankelijke huurverhoging moeten voor al hun RSIN’s (Rechtspersonen Samenwerkingsverband Informatie Nummer) en/of hun BSN (Burger Service Nummer) een aparte account/inlogcode aanvragen;
  • Het webportaal sluit op 29 februari 2016 voor het aanmelden voor een account/inlogcode;
  • De Belastingdienst gaat dan een bestand opbouwen van de woningen van de verhuurders die in de periode van 1 februari tot 1 maart 2016 accounts/inlogcodes hebben aangevraagd;
  • De Belastingdienst selecteert uit de door de gemeenten aangeleverde WOZ-bestanden de woningen met de door de verhuurders aangeleverde RSIN’s en BSN’s en zoekt bij die woningen de inkomens van de bewoners om het gezamenlijk huishoudinkomen te bepalen;
  • De eigenaar-verhuurder levert digitaal een bestand met de woonadressen van zijn woningen waarvoor hij een inkomensverklaring wil ontvangen;
  • De Belastingdienst levert vervolgens per woonadres digitaal een code. Die code geeft aan in welke inkomenscategorie het huishoudinkomen in het jaar 2014 valt.
  • De Belastingdienst stuurt aan de huurders een mededeling dat hun verhuurder voor hun woning een inkomensverklaring heeft aangevraagd en ontvangen. In het wetsvoorstel Doorstroming huurmarkt 2015 (34 373) dat op 9 februari 2016 door de Tweede Kamer is aangenomen, wordt deze wetstechnische onvolkomenheid weggenomen. Daarnaast is ook een separaat wetsvoorstel ingediend die deze wetstechnische onvolkomenheid wegneemt, het wetsvoorstel Gegevensverstrekking Belastingdienst (34 374). De Tweede Kamer heeft dit laatste wetsvoorstel nog niet aangenomen. Als een van beide wetsvoorstellen vóór 14 maart 2016 door het parlement is aangenomen en in werking is getreden, kan de Belastingdienst volgens planning vanaf 14 maart 2016 op verzoek van verhuurders die een inlogaccount voor 2016 hebben, inkomensindicaties gaan verstrekken.

Voor verdere uitleg van de werkwijze van de belastingdienst verwijs ik naar Circulaire Huurprijsbeleid voor de periode 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017. Brief Minister S.A. Blok 16 februari 2016.

Als blijkt dat een verhuurder structureel onterecht – namelijk voor geliberaliseerd verhuurde woningen, of als de huurder de maximale huurprijs al (bijna) betaalt, zodat de inkomensafhankelijke huurverhoging niet aan de orde is – inkomensverklaringen opvraagt, kan de Belastingdienst sancties opleggen en de verhuurder eventueel ook de verdere toegang tot het portaal voor het aanvragen van inkomensverklaringen ontzeggen (artikel 19b lid 5 UHW). De Belastingdienst geeft het verstrekken van onterechte inkomensgegevens door bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De verhuurders moeten de door de Belastingdienst verstrekte inkomenindicaties vernietigen zodra ze niet meer nodig zijn, dat wil zeggen zodra de voorgestelde huurverhoging is overeengekomen dan wel zodra over die voorgestelde huurverhoging onherroepelijk (door Huurcommissie of rechter) is beslist.
Als de verhuurder ten onrechte inkomensgegevens bij de belastingdienst op heeft gevraagd, dan kan de huurder daarover een klacht indienen bij de belastingdienst. Deze klacht moet worden gestuurd naar:
Belastingdienst/Centrale administratie
t.a.v. Team Juridisch Advies en Klachten
Postbus 9047
7300 GJ Apeldoorn

In dat geval kan de verhuurder ook niet meer voor gereguleerd verhuurde woningen een inkomensafhankelijke huurverhoging voorstellen. En verder staan de sanctiemogelijkheden van de Wet bescherming persoonsgegevens open en bij ernstig misbruik kunnen gedupeerden aangifte doen bij het Openbaar Ministerie wegens schending van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht.

Op 3 februari 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dan ook beslist Uitspraak 201506945/1/A3 dat de belastingdienst op basis van de huidige wettelijke regeling geen inkomensgegevens aan de verhuurder mag verstrekken in het kader van de inkomensafhankelijke huurverhoging.
Zowel artikel 7:252a lid 3 BW als artikel 19b lid 5 UHW konden door de redactie van deze artikelen naar het oordeel van de ABRvS niet dienen als een grondslag waaraan de Belastingdienst een wettelijke verrichting tot verschaffing van inkomensgegevens van huurders kon ontlenen. De redactie van deze artikelen is nu aangepast.
Volgens de ABRvS bestond volgens de destijds geldende redactie van artikel 7:252a lid 3 BW geen wettelijke verplichting voor de Belastingdienst om de gegevens over het inkomen van een huurder aan de verhuurder te verstrekken. Er bestond slechts een wettelijke plicht van de verhuurder om de bij de Belastingdienst opgevraagde inkomensverklaring te voegen bij het voorstel tot huurverhoging. Voorst bepaalde artikel 19b lid 5 UHW niet dat de Belastingdienst uitsluitend in het hier omgeschreven geval afgifte van de gevraagde verklaring kan weigeren.

Ingevolge artikel 67 van de AWR geldt de hoofdregel dat de Belastingdienst gegevens die hij voor de taakuitoefening heeft verkregen, niet aan derden mag verstrekken. Dit artikel voorziet in lid 2 in een uitzondering op de geheimhoudingsplicht ingeval een wettelijk voorschrift tot verstrekken van informatie verplicht. De Raad van State is gezien het bovenstaande gestelde over de artikelen 7:252a BW en 19b lid 5 UHW van mening dat deze uitzondering zich hier niet voordeed.

De verstrekking van gegevens zoals door de Belastingdienst is toegepast valt daarom onder artikel 8 sub c van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Hier staat immers dat de gegevens verstrekt mogen worden (door de Belastingdienst) als de gegevens verwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is. Dat is zoals boven al opgemerkt niet het geval.
De belanghebbende kon zich verzetten tegen de verstrekking van de gegevens door de Belastingdienst, omdat dit viel onder artikel 8 sub f Wbp. Ingevolge artikel 40 van de Wbp staat daartegen verzet open.
De Raad van State kwam tot oordeel dat de Belastingdienst in strijd met artikel 67 lid 1 Awr had gehandeld door de inkomensgegevens van een huurder aan de verhuurder te verstrekken.

Minister Blok heeft in zijn kamerbrief van 3 februari 2016 gesteld zich, met de staatssecretaris van Financiën, te beraden over de vraag welke gevolgen deze uitspraak heeft voor de verstrekking door de Belastingdienst van inkomensgegevens van huurders aan verhuurders en welke mogelijkheden de huidige wet en regelgeving kan bieden ten behoeve van de inkomensafhankelijke huurverhogingen per 1 juli 2016.

Het hiaat is inmiddels gedicht. De Eerste Kamer heeft ingestemd met een reparatiewet waarmee de verstrekking van inkomensindicaties aan verhuurders door de Belastingdienst explicieter in de wet wordt vastgelegd. Artikel 7:252a BW is zodanig gewijzigd dat er een wettelijke verplichting van de Belastingdienst is geformuleerd om de bedoelde inkomensgegevens aan de verhuurder te verstrekken in het kader van de inkomensafhankelijke verhoging. De Belastingdienst is op 1 april 2016 begonnen met de gegevensverstrekking aan de verhuurder.
Ik ga er niet van uit dat de huurverhogingen over de laatste jaren teruggedraaid kunnen worden. De verhuurder mochten immers de huur verhogen in het kader van de inkomensafhankelijke huurverhoging bij bekendheid van de inkomensgegevens van de huurder. Verder geldt in dit verband dat overeengekomen verhogingen gewoon rechtsgeldig zijn overeengekomen. Daarnaast speelt de verkrijging van onrechtmatig verstrekte gegevens door de Belastingdienst in het huurrecht niet zo’n grote rol. De verhogingen waren bovendien conform de wet aan de huurders aangezegd. De uitspraak van de Raad van State heeft betrekking op gegevensverstrekking door de Belastingdienst. Door de Belastingdienst zijn deze inkomensgegevens – achteraf gezien – zonder voldoende wettelijke basis ter beschikking gesteld. Verder kan worden gesteld dat de verhoging van de huur in onderlinge overeenstemming tot stand is gekomen, doordat de huurverhoging door de meeste huurders is geaccepteerd en betaald. Ook als de huurder bij de Huurcommissie heeft geklaagd over de huurverhoging en de Huurcommissie heeft geoordeeld dat de huurverhoging terecht is voorgesteld, dan is op grond van de wet een overeengekomen huurverhoging tot stand gekomen. Ik ga er niet van uit dat de verhuurder aan de huurders de huurverhogingen op grond van een vordering uit onverschuldigde betaling terug dienen te betalen. Ik ben ook van mening dat een vordering richting de verhuurder niet kan worden gebaseerd op dwaling. Als er al van dwaling kan worden gesproken, dan dient de dwaling in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven (artikel 6:228 lid 2 BW). Verder blijkt uit artikel 6:228 lid 1 sub c BW dat een partij een beroep op dwaling toekomt “indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden”. Het gaat hier om de bekendheid met het inkomen van de huurder. De bedoelde verklaring is niet de enige wijze waarop de verhuurder kennis kan nemen van het inkomen van de huurder. Als de verhuurder op andere wijze van het inkomen van de huurder op de hoogte is gebracht, dan kan de inkomensafhankelijke verhoging ook doorgang vinden. De door de verhuurder verkregen informatie rechtvaardigt daarom de verhoging op basis van de wettelijke regeling. De verhuurder heeft niet door onrechtmatige handelingen de bedoelde verklaring verkregen. Dat de staatssecretaris onrechtmatig heeft gehandeld door deze informatie aan de verhuurder heeft verstrekt valt de verhuurder niet te verwijten. Tot deze conclusie kwam Mr. G.J. Scholten ook in zijn artikel “Commotie en vragen over uitspraak Raad van State inzake gegevensverstrekking door de Belastingdienst in verband met inkomensafhankelijke huurverhoging” in WR 2016,26.

Door deze gegevens aan de verhuurder beschikbaar te stellen kon de verhuurder op basis van deze informatie al dan niet een inkomensafhankelijke huurverhoging berekenen. De verhuurder valt daarom niets te verwijten nu zij de door de Belastingdienst verstrekte gegevens heeft gebruikt voor de inkomensafhankelijke huurverhoging. Nu de Belastingdienst deze gegevens niet meer mag verstrekken, zal de inkomensafhankelijke verhoging bij gelijkblijvende wetgeving niet door kunnen gaan wegens het ontbreken van de gegevens over het inkomen van de huurder. Verder is het systeem zo ingericht dat er geen sprake kan zijn van een bezwaar tegen de verhoging met terugwerkende kracht als er niet binnen gestelde termijnen bezwaar is gemaakt tegen de jaarlijkse verhoging van de huur. Ook als de huurverhoging ten onrechte is doorgevoerd, dan geldt deze verhoging tussen partijen als er niet tijdig bezwaar is ingesteld. De verhoging kan dan alleen worden teruggedraaid door een huurverlagingsvoorstel te doen. Dit lijkt mij hier echter niet aan de orde, omdat de gegevens waaronder de verhoging is doorgevoerd juist zijn. De verhuurder had deze gegevens alleen niet van de Belastingdienst mogen ontvangen. Nu deze gegevens wél bekend zijn gemaakt, kon de huur wel worden verhoogd op basis van de wetgeving, die op het huurrecht betrekking heeft. Dat de Belastingdienst op basis van onvolledige regels informatie aan de verhuurder heeft verstrekt, kan de verhuurder niet worden verweten. De rechtbank Midden-Nederland was in haar vonnis van 2 november 2016 ECLI:NL:RBMNE:2016:5968 van oordeel dat de omstandigheid dat de informatieverstrekking door de Belastingdienst onrechtmatig was, niet in de weg staat aan het doen van een inkomensafhankelijk huurverhogingsvoorstel door de verhuurder. Volgens de huurder had de verhuurder geen gebruik mogen maken van de inkomensverklaring die aan de verhuurder beschikbaar was gesteld. De verhuurder stelde zich op het standpunt dat het voorstel tot huurverhoging een wettelijke grondslag had. Zij had bij het voorstel gebruik gemaakt van de mogelijkheden die artikel 7:252a BW bood en had aan de wettelijke vereisten voldaan. Het voorstel was voorts ruim voor de uitspraak van de Raad van State gedaan. Het zou volgens de verhuurder in strijd met de rechtszekerheid zijn indien achteraf zou blijken dat deze huurverhogingen niet mogelijk zouden zijn.
Artikel 7:252a lid 5 BW bepaalt volgens de rechter dat wanneer een inkomensverklaring van de inspecteur niet wordt overgelegd, de inkomensafhankelijke huurverhoging alleen dan niet mogelijk is wanneer de huurder daardoor wordt benadeeld. In het onderhavige geval is door huurder niet weersproken dat zijn inkomen hoger is dan € 43.786, zodat de voorgestelde huurverhoging in overeenstemming is met de wet. De redelijke huurprijs werd vastgesteld conform de voorgestelde huurverhoging.

De rechtbank Amsterdam heeft in haar vonnis van 27 november 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:8608) ook een beslissing gegeven over de rechtsgeldigheid van inkomensafhankelijke huurverhoging (met betrekking tot sociale woonruimte) na opgave van het inkomen van de huurder door de belastingdienst aan verhuurder over de periode dat het “gat” in artikel 7:252a BW nog niet was gedacht.  De was van mening dat de huurverhoging gedurende de periode 2013 -2015 als onverschuldigd betaald terug kon vorderen.  De rechtbank ging hier niet in mee.

Allereerst had de huurder tegen de verhoging gedurende de periode 2013- 2015 bij de Huurcommissie geen bezwaar gemaakt, waardoor de huurder werd geacht deze huurprijsverhoging te zijn overeengekomen.  Met betrekking tot een huurverhoging per 1 juli 2016 had de huurder wel beroep bij de Huurcommissie ingesteld. Dit bezwaar was kennelijk ongegrond bevonden. De huurder  had geen verzet tegen deze uitspraak ingesteld. Dat betekende dat partijen op grond van artikel 7:262 lid 1 BW ook geacht werden de inkomensafhankelijke verhoging van de huurprijs met ingang van 1 juli 2016 te zijn overeengekomen.

De huurder meende dat de inkomensafhankelijke verhogingen van de huurprijs over 2013 tot en met 2016, nietig was wegens strijd met een dwingende wetsbepaling.

Allereerst verwees de kantonrechter naar een vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 januari 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:171). In dit vonnis werd overwogen  (rechtsoverweging 4.40 en 4.41) dat het wettelijk systeem van artikel 7:253 BW en artikel 7:262 BW, op grond waarvan een voorstel tot verhoging van de huurprijs door de Huurcommissie en door de kantonrechter kan worden getoetst, er aan in de weg staat dat alsnog in een ander geding, zoals het onderhavige, wordt beoordeeld of een voorstel tot inkomensafhankelijke huurverhoging nietig of vernietigbaar is.

De huurder was voorts van mening dat de verhuurder bij het doen van de huurverhogingsvoorstellen aan de huurder gebruik heeft gemaakt van die inkomensverklaringen, die de inspecteur  in strijd met de Wbp had gebruikt, waardoor die huurverhogingsvoorstellen volgens deze huurder nietig waren omdat deze in strijd zouden zijn met dwingende wetsbepalingen.

De kantonrechter is van oordeel dat dit handelen van Inspecteur niet hoeft te leiden tot een nietige rechtshandeling door de verhuurder. Volgens de kantonrechter maakt de huurder ten onrechte geen onderscheid tussen enerzijds de informatie (de inkomensverklaring) die door een derde (de Inspecteur) ten behoeve van het verrichten of het aangaan van een rechtshandeling aan de verhuurder wordt verstrekt en anderzijds de rechtshandelingen zelf. De inkomensverklaring en het verstrekken daarvan door de Inspecteur veranderen immers niets aan de aard of de gevolgen van die rechtshandelingen tussen de verhuurder en de huurder en hebben daarom geen gevolg voor de rechtsgeldigheid van die rechtshandelingen.

Het behoort wellicht wel tot de mogelijkheden de Belastingdienst aansprakelijk te stellen voor de schade die de huurders hebben geleden door de onrechtmatig verstrekte informatie door de Belastingdienst. Daarnaast kunnen de verhuurders mogelijkerwijs ook een claim bij de Staat indienen als de mogelijkheid van inkomensafhankelijke verhoging door deze fout niet op 1 juli 2016 plaats kan vinden. Voor een claim zal het causaal verband tussen de schade en de onvolledige wetgeving aangetoond moeten worden. Het is de vraag of de onrechtmatige gedraging door de Belastingdienst een dergelijke grote inbreuk in de privacy van de huurders heeft veroorzaakt om daaraan een schadeclaim aan te kunnen hangen. Ik wacht de uitspraak van de procedure die hierover is gestart gewoon af.

Zie voor meer informatie over dit onderwerp “Aanvraag inkomsten bij de belastingdienst“.  in het hoofdstuk Periodieke huurverhoging vanaf 2019.

Percentages maximale huurverhoging vanaf 1 juli 2013 tot en met 1 juli 2016

De verhogingspercentages over 2013 – 2015 staan in de begrippenlijst onder inkomensafhankelijke verhoging

Huurverhoging 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017
• 2,1% (0,6% inflatie + 1,5% basisverhoging) voor huishoudinkomens tot € 34.678;
• 2,6% (0,6 % inflatie + 1,5% basisverhoging + 0,5% inkomensafhankelijke verhoging) voor middeninkomens (van € 34.678 tot € 44.360);
• 4,6% (0,6 % inflatie + 1,5% basisverhoging + 2,5% inkomensafhankelijke verhoging) voor hogere inkomens (boven € 44.360).

In de Circulaire Huurprijsbeleid voor de periode 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017. Brief Minister S.A. Blok 16 februari 2016 wordt het huurbeleid over 2016-2017 concreet uitgewerkt.

De verhuurder mag zelf bepalen of huurverhoging doorgevoerd zal worden. Er is dus geen verplichting om in het kader van de bepalingen over het scheefwonen de verhoging aan de huurder door te belasten. Indien de verhuurder een voorstel tot huurprijsverhoging doet op grond van artikel 7:252a lid 1 BW , dient hij daarbij een door de inspecteur afgegeven verklaring omtrent de hoogte van het huishoudinkomen te voegen. (bevestiging door de Belastingdienst dat het hoger is dan € 34.678 of € 44.360 (2016) bij respectievelijk een verhoging van de huur van 2,6% en 4,6%). De huurder kan dan kennis nemen van het gegeven of het huishoudinkomen meer of minder bedraagt dan de in artikel 10 lid 2 UHW opgenomen grenzen, of dat geen gegevens beschikbaar zijn. Indien de huurder bezwaar maakt tegen dat voorstel tot huurverhoging en het niet eens is met het feit dat een van de inkomensgrenzen is overschreden vanwege de hoogte van zijn inkomen of de samenstelling van het huishouden, kan hij dit via dat bezwaarschrift aan de verhuurder kenbaar maken. Ik ga hier nader op in bij de behandeling van artikel 7:253 BW.

Aanvraag inkomsten bij de belastingdienst

De verhoging per 1 juli 2019 
De inkomensafhankelijke huurverhoging en de mogelijkheid van toetsing bij de belastingdienst van het inkomen door de verhuurder is bepaald in artikel 7:252a lid 4 BW en artikel 19b UHW. Alleen verhuurders dien gebruik willen maken van de inkomensafhankelijke hogere huurverhoging (over 2019 meer dan 4,1%) mogen bij de Belastingdienst huishoudverklaringen aanvragen om te kunnen zien aan welke huishoudens zij die hogere huurverhoging mogen voorstellen. De term ‘huishoudverklaringen’ vervangt de term ‘inkomensindicaties’ omdat de Belastingdienst vanaf 2017 ofwel een inkomenscategorie ofwel een indicatie dat het huishouden tot de uitzonderingsgroepen behoort verstrekt.
De belastingdienst verstrekt deze gegevens alleen aan de genothebbende bij de woonruimte. Dit is degene die de WOZ-beschikking van de woonruimte krijgt van de gemeente. Dit kan de eigenaar zijn, maar ook een beperkt zakelijk gerechtigde, zoals erfpachter, opstalgerechtigde, of vruchtgebruiker. Door de belastingdienst wordt op adresniveau gecontroleerd of de aanvrager inderdaad de genothebbende betreft.
De verklaring door de belastingdienst als bedoeld in artikel 7:252a lid 3 BW wordt volgens de volgende procedure door de verhuurder verkregen.
Allereerst dient de verhuurder de woning waarvoor hij een inkomensafhankelijke verhoging toe wenst te passen aan te melden bij een door de belastingdienst opengesteld webportaal. Andere belanghebbenden (bemiddelaars, die optreden namens de eigenaar) zullen de eigenaar moeten vragen (machtigen) deze informatie op te vragen bij de belastingdienst. Dit webportaal inkomensafhankelijkehuurverhoging.nl gaat op vrijdag 1 februari 2019 open voor het aanvragen van accounts/inlogcodes. Het webportaal sluit op 13 december 2019 voor het aanmelden voor een account/inlogcode. Het is van belang dat verhuurders die gebruik willen maken van de inkomensafhankelijke huurverhoging voor al hun RSIN’s (Rechtspersonen Samenwerkingsverband Informatie Nummer) en/of hun BSN (Burger Service Nummer) een aparte account/inlogcode aanvragen, dus voor alle identificatienummers waarmee woningen voor de WOZ-beschikkingen als hun eigendom geregistreerd staan. Denk ook aan de RSIN’s van woningen die recentelijk zijn verkregen via bijvoorbeeld aankoop of fusie.
Vanaf 1 februari 2019 kunnen verhuurders die een account hebben aangevraagd en dat account hebben verkregen huishoudverklaringen aanvragen bij de Belastingdienst. Ook de verhuurders die in de afgelopen jaren al één of meer accounts hebben verkregen moeten deze huishoudverklaringen opnieuw aanvragen voor 2019.

De werkwijze luidt kort samengevat:

  • de verhuurders die gebruik willen maken van de inkomensafhankelijke huurverhoging moeten voor al hun RSIN’s (Rechtspersonen Samenwerkingsverband Informatie Nummer) en/of hun BSN (Burger Service Nummer) een aparte account/inlogcode aanvragen;
  • Het webportaal sluit op 13 december 2019 voor het aanmelden voor een account/inlogcode;
  • Verhuurders die een account voor 2019 hebben aangevraagd en verkregen kunnen nog wel huishoudverklaringen aanvragen;
  • Het webportaal sluit voor het aanvragen van huishoudverklaringen op 13 december 2019.

Voor verdere uitleg van de werkwijze van de belastingdienst verwijs ik naar de Circulaire d.d. 28 januari 2019 Huurprijsbeleid voor de periode 1 januari 2019 tot en met 30 juni 2020 

.Als blijkt dat een verhuurder structureel onterecht – namelijk voor geliberaliseerd verhuurde woningen, of als de huurder de maximale huurprijs al (bijna) betaalt, zodat de inkomensafhankelijke huurverhoging niet aan de orde is – inkomensverklaringen opvraagt, kan de Belastingdienst sancties opleggen en de verhuurder eventueel ook de verdere toegang tot het portaal voor het aanvragen van inkomensverklaringen ontzeggen (artikel 19b lid 5 UHW). De Belastingdienst geeft het verstrekken van onterechte inkomensgegevens door bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De verhuurders moeten de door de Belastingdienst verstrekte inkomensindicaties vernietigen zodra ze niet meer nodig zijn, dat wil zeggen zodra de voorgestelde huurverhoging is overeengekomen dan wel zodra over die voorgestelde huurverhoging onherroepelijk (door Huurcommissie of rechter) is beslist.
Dat betekent dat verhuurders die voor alle woningen of voor bepaalde woningen geen voornemen hebben om inkomensafhankelijke huurverhogingen (dus voor 2019 van meer dan 4,1%) voor te stellen, geen huishoudverklaringen voor die woningen mogen aanvragen. Huurverhogingsvoorstellen tot en met inflatie +2,5 procentpunt (2019: 4,1%) zijn immers ongeacht het inkomen toegestaan en hoeven niet vergezeld te gaan van een huishoudverklaring. Het betekent ook dat de huishoudverklaringen niet voor andere doeleinden mogen worden gebruikt dan voor het nagaan van de mogelijkheid tot het voorstellen en het daadwerkelijk voorstellen van een inkomensafhankelijke huurverhoging (denk aan bijvoorbeeld reclame of marketing). De Belastingdienst gaat pas na de aanvraag de huishoudverklaring genereren uit de gegevensbestanden van de Belastingdienst (Basisregistratie personen en Basisregistratie inkomen). Voorheen zette de Belastingdienst al huishoud-verklaringen klaar voor de woningen van verhuurders die een account hebben aangevraagd en verkregen. Met de nieuwe verwerkingsmethode worden ter verdere bescherming van de privacy van huurders alleen huishoudverklaringen aangemaakt voor woonadressen waarvoor de verhuurder een huishoudverklaring heeft aangevraagd.

Bij geconstateerd structureel oneigenlijk gebruik (niet bij een enkele vergissing), zal de Belastingdienst de verhuurder uitsluiten van verder gebruik van het webportaal (conform artikel 19b UHW) en zal de Belastingdienst een melding van dat oneigenlijk gebruik doen aan de Autoriteit bescherming persoonsgegevens. Op 25 mei 2018 heeft de Europese Algemene verordening persoonsgegevens (AVG) de Wet bescherming persoonsgegevens vervangen. De privacybescherming is hiermee strenger geworden. Zo is de maximale bestuurlijke boete die de Autoriteit persoonsgegevens (Ap) kan opleggen fors verhoogd, namelijk naar € 20 miljoen (of 4% van de totale wereldwijde jaaromzet in het voorgaande boekjaar, als dit bedrag hoger is). Zie voor meer informatie over de AVG de volgende link.

Als de verhuurder ten onrechte inkomensgegevens bij de belastingdienst op heeft gevraagd, dan kan de huurder daarover een klacht indienen bij de belastingdienst. Deze klacht moet worden gestuurd naar:
Belastingdienst/Centrale administratie
t.a.v. Team Juridisch Advies en Klachten
Postbus 9047
7300 GJ Apeldoorn

In dat geval kan de verhuurder ook niet meer voor gereguleerd verhuurde woningen een inkomensafhankelijke huurverhoging voorstellen. En verder staan de sanctiemogelijkheden van de Wet bescherming persoonsgegevens open en bij ernstig misbruik kunnen gedupeerden aangifte doen bij het Openbaar Ministerie wegens schending van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht.

In artikel 7:252a BW staat dat de inspecteur desgevraagd aan de verhuurder een huishoudverklaring verstrekt. Door de huidige redactie van de wet is er een wettelijke verplichting van de inspecteur ontstaan om deze verklaring te verstrekken. In de regeling die tot 2016 van toepassing was stond deze wettelijke verplichting niet in de wet, waardoor de inkomensverstrekking door de belasting dient verstrekt had mogen worden. Op 3 februari 2016 had de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dan ook beslist Uitspraak 201506945/1/A3 dat de belastingdienst op basis van de huidige wettelijke regeling geen inkomensgegevens aan de verhuurder mocht verstrekken in het kader van de inkomensafhankelijke huurverhoging. In het hoofdstuk Systeem periodieke huurprijsverhoging tot en met 2016 ga ik hier uitgebreid op in. Voor de huurprijsverhoging in 2017 is dit onderwerp niet langer van belang, omdat de in wettelijke regeling nu wel uitdrukkelijk een wettelijke verplichting voor de inspecteur is opgenomen om deze gegevens beschikbaar te stellen. Voorheen ontbrak deze verplichting, waardoor het verstrekken van deze gegevens in strijd was met artikel 67 lid 1 Awr.

Een antwoord op de vraag of de huurder van de verhuurder bedragen terug kan vorderen on verband met de afgegeven verklaringen waarvan de de wettelijke basis ontbrak geef ik in het hoofdstuk “Huurverhogingen tot en met 2016”, onderdeel “Aanvraag inkomsten bij de belastingdienst“.

De Woonbond heeft een poging gewaagd om de Belastingdienst (De Staat) aansprakelijk te stellen voor de schade die de huurders hebben geleden door de volgens de Woonbond gestelde onrechtmatig verstrekte informatie door de Belastingdienst. De rechtbank ‘s-Gravenhage heeft op 10 januari 2018 ( ECLI:NL:RBDHA:2018:172 ) beslist dat afgifte en gebruik van de ná 1 april 2016 afgegeven inkomensverklaringen door de belastingdienst niet onrechtmatig is. De ingestelde schadeclaims werden deels niet-ontvankelijk verklaard, deels afgewezen.

De rechtbank stelt vast dat de Wet tot doel heeft de doorstroming van huishoudens met hogere inkomens te bewerkstelligen en ‘scheefwonen’ (het fenomeen dat huishoudens met een te hoog inkomen van een sociale huurwoning gebruik maken) tegen te gaan. De Wet geeft daartoe verhuurders van sociale huurwoningen de mogelijkheid om de huurprijs jaarlijks extra te verhogen ten opzichte van het reguliere basishuurverhogingspercentage.

Een verhuurder kan via het Portaal voor Inkomensafhankelijke Huurverhoging van de Belastingdienst een inkomensverklaring opvragen. Het gaat daarbij om het gezamenlijke inkomen van het huishouden.
Naar aanleiding van een door een huurder op de voet van artikel 40 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) ingesteld verzet tegen verstrekking van een inkomensverklaring als bedoeld in artikel 7:252a lid 3 BW, heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 3 februari 2016 ECLI:NL:RVS:2016:253 – samengevat – overwogen dat het bij de verstrekking van een inkomensverklaring als bedoeld in artikel 7:252a BW gaat om verwerking van persoonsgegevens op grond van artikel 8, aanhef en onder f Wbp en dat er geen wettelijke verplichting op de inspecteur rust om inkomensgegevens van een huurder van een sociale huurwoning te verstrekken aan de verhuurder. De ABRS concludeerde dat verstrekking van de inkomensgegevens heeft plaatsgevonden in strijd met artikel 67 Awr.
Een huurder heeft gevorderd dat door de rechter wordt verklaard voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens de huurder heeft gehandeld door inkomensgegevens aan de verhuurder van eisers te verstrekken zonder wettelijke grondslag.
De rechter stelde vast dat de vordering betrekking heeft op toekomstige inkomensafhankelijke huurverhogingen.

De ontvankelijkheid
De rechter maakte verschil tussen de verstrekking van gegevens door de Belastingdienst vóór en na 1 juli 2016.
Vóór 1 april 2016 moest de verstrekking van inkomensverklaringen worden aangemerkt als verwerking van persoonsgegevens in de zin van artikel 8, onder f, Wbp. Zie ABRS 3 februari 2016 ECLI:NL:RVS:2016:253. Tegen dergelijke gegevensverwerking kan op de voet van artikel 40 Wbp verzet worden aangetekend door de belanghebbende. Een door een bestuursorgaan genomen beslissing naar aanleiding van de aantekening van dit verzet is een beslissing als bedoeld in de Awb (artikel 45 Wbp). Daartegen staat bezwaar open en uiteindelijk beroep bij de ABRS. Daarmee stond volgens de rechtbank tegen vóór 1 april 2016 door de inspecteur aan de verhuurder van huurder verstrekte inkomensverklaringen een met voldoende waarborgen omgeven rechtsgang open. In die rechtsgang kon de door huurder gestelde strijd met artikel 67 Awr aan de orde worden gesteld. Daar kon eenzelfde of een vergelijkbaar resultaat worden bereikt als wordt beoogd met de vordering zoals nu ingesteld. Dit gegeven staat in de weg aan ontvankelijkheid van de ingestelde vordering van de huurders.

Sinds 1 april 2016 valt de verstrekking van inkomensverklaringen onder artikel 8, aanhef en onder c, Wbp. Daartegen staat geen verzet open op de voet van artikel 40 Wbp; verzet is alleen opengesteld tegen gegevensverwerking op grond van artikel 8, aanhef onder e en f, Wbp. Sinds 1 april 2016 dienen bestuursorganen verzet tegen verstrekking van de inkomensverklaring dus niet-ontvankelijk te verklaren. Tegen zo’n besluit kan bezwaar worden gemaakt dat toegang geeft tot de bestuursrechter. Dat kan echter niet leiden tot inhoudelijke beoordeling en/of exceptieve toetsing van de gegevensverwerking onder de c-grond. Tegen verstrekkingen van inkomensverklaringen van na 1 april 2016 kan dus niet (inhoudelijk) worden opgekomen bij de bestuursrechter. Hier is sprake van een rechtstekort waarin de burgerlijke rechter dient te voorzien. Huurders zijn dus ontvankelijk in hun vordering voor zover deze betrekking heeft op verstrekking van inkomensverklaringen vanaf 1 april 2016.

In het kader van deze schadeclaim is hier vanwege het afgeven van de inkomensverklaringen ten behoeve van de huurverhogingen die zich vóór 1 april 2016 hebben voorgedaan alleen een rol voor de burgerlijke rechter weggelegd ten aanzien van personen die op de voet van artikel 40 Wbp verzet hebben aangetekend tegen verstrekking van een inkomensverklaring door de inspecteur, welk verzet vervolgens door de inspecteur dan wel in een bestuursrechtelijke procedure tot gegrondverklaring heeft geleid.
De Staat heeft aangevoerd dat eisers geen verzet hebben aangetekend. Zij hebben dat niet weersproken. Dit staat in de weg aan ontvankelijkheid van eisers in hun vordering ten aanzien van de vordering die betrekking heeft over de periode vóór 1 april 2016.

De beoordeling van de schadeclaim
Ten aanzien van de door de huurder gevorderde schadevergoeding besliste de rechtbank als volgt. Door de rechter werd allereerst de taakverdeling tussen de bestuursrechter en de civiele rechter in het kader van deze vordering uitgelegd. De belanghebbende is bevoegd in het kader van dit vraagstuk een vordering tot een schadevergoeding van maximaal € 25.000 voor te leggen aan de bestuursrechter. Hij kan zijn schadeverzoek desgewenst ook aan de burgerlijke rechter voorleggen. Teneinde gelijktijdige procedures over dezelfde schades te vermijden, is bepaald dat de weg naar de bestuursrechter niet meer openstaat na het instellen van een vordering bij de burgerlijke rechter.

Sinds 1 april 2016 werd voldaan aan het in het tweede lid van artikel 67 Awr neergelegde vereiste voor ontheffing van de geheimhouding, te weten dat ‘enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht.’ Huurder – op wiens weg dat ligt – heeft niet concreet gesteld waarom artikel 67 Awr in deze periode (toch) wordt geschonden. De vordering werd daarom afgewezen.

Het bovenstaande leidde ertoe dat de schadeclaim van deze huurder ten aanzien van de verhogingen die vóór 1 april 2016 zijn doorgevoerd, vanwege procedurele regels niet-ontvankelijk waren, terwijl ten aanzien van de verhogingen die na 1 juli 2016 zijn doorgevoerd geen rechtsregels zijn geschonden en daardoor geen schade kon worden geclaimd.

Uitspraak rechtbank Den Haag 23 mei 2018

De rechtbank Den Haag, afdeling bestuursrecht,  meervoudige kamer, komt in haar uitspraak van 31 mei 2018 (zaaknummer DGR 17/6621)  tot een schadevergoeding ten gunste van de huurder wegens het verstrekken van informatie door de Minister van Financiën (Belastingdienst) aan de verhuurder over de periode 2013 tot 2016. De huurder stelde zijn claim in wegens het handelen van de belastingdienst in strijd met de artikel 67 lid 1 AWR. Volgens de huurder bestond er geen wettelijke plicht voor de Belastingdienst om inkomensgegevens van de huurder van een sociale woning op verzoek van de verhuurder aan deze verhuurder te verstrekken.

Deze huurder had verzet en/of bezwaar ingesteld tegen de verstrekking van de inkomensindicaties over 2013, 2014 en 2015 aan de verhuurder. De verweerder had zich allereerst op het standpunt gesteld dat het bezwaar niet ontvankelijk was omdat de verwerking van persoonsgegevens inmiddels afgerond was en verzet daarom niet succesvol zou zijn. Het bezwaar werd daarom ongegrond verklaard.

De huurder stelde in zijn beroep tegen deze uitspraak onder meer dat er verzet ingesteld kon worden op basis van artikel 40 Wbp, omdat de verwerking van zijn gegevens in strijd was met de wettelijke geheimhoudingsplicht van artikel 9 lid 4 Wbp. Bovendien zou er sprake zijn van een rechtsmiddelenclausule die inhield dat eiser verzet in kon stellen in vergelijkbare zaken. De huurder stelde voorts dat er sprake was van een schending van artikel 21 f lid 1 Awr jo artikel 21 sub f van de Awr en artikel 67 Awr. Daarnaast zou de wetswijziging van artikel 7:252a lid 3 BW deze bezwaren niet hebben weggenomen.

De huurder vorderde onder meer vergoeding van de schade bestaande uit de extra huursommen en de kosten van zijn noodzakelijke verhuizing.

De rechtbank overwoog allereerst dat de Belastingdienst in beginsel op grond van artikel 67 Awr de gegevens die zij ten behoeve van haar taakuitoefening in handen heeft gekregen om redenen van privacy niet aan derden in handen mag geven. Het verstrekken van deze informatie  is wel toegestaan als er een wettelijke basis aan ten grondslag ligt.  Het gaat hier volgens de rechter om verwerking van persoonsgegevens op grond van artikel 8 aanhef en onder f  Wbp. Hiertegen staat op grond van artikel 40 Wbp verzet open. Het beroep werd daarom ontvankelijk verklaard.  De rechtbank komt evenwel tot oordeel dat de verwerking van de persoonsgegevens pas onrechtmatig is, indien de verwerking wordt voortgezet nadat de rechter heeft geoordeeld dat het verzet van de betrokkene gerechtvaardigd was. De rechtbank verwijst naar de memorie van toelichting bij artikel 40 Wbp waarin staat dat deze bepaling zich richt tegen een rechtmatige gegevensverwerking, die pas onrechtmatig wordt nadat de betrokkene op grond van een bijzondere situatie verzet aantekent en dit verzet gerechtvaardigd wordt geacht. Volgens de rechtbank was hiervan geen sprake omdat de verwerking voor het indienen van het verzet op 12 februari 2016 was afgerond. Het bezwaar was volgens de rechtbank daarom terecht ongegrond verklaard.

Volgens de rechtbank bestond op grond van het oude artikel 7:252a  BW ook al de verplichting van de Belastingdienst om op grond van een verzoek van de verhuurder de inkomensindicatie door te geven. Uit de parlementaire geschiedenis was volgens de rechtbank deze bedoeling af te leiden. Door de huidige (gewijzigde) redactie van artikel 7:252a BW werd volgens de rechtbank alleen de reeds bestaande bedoeling van deze wet verduidelijkt. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er dus zowel voor als na de gewijzigde redactie van deze wet de verplichting bij de Belastingdienst om de bedoelde verklaring betreffende de verstrekking van het huishoudinkomen op verzoek van de verhuurder aan deze door te geven. De rechtbank is daarom van oordeel dat van schending van de artikelen 21f lid 1 jo 21 sub f van de Awr geen sprake is. Het verzet tegen het verstrekken van inkomensgegevens over de jaren 2013,2014 en 2015 was daarom volgens de rechtbank terecht ongegrond verklaard omdat de verstrekte inkomensgegevens niet het voorwerp zijn van verwerking op grond van artikel 8, onder e of f Wbp.

Ten aanzien van de ingediende schadevergoeding verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Raad van State van 3 februari 2016 ECLI:NL:RVS:2016:253. Volgens deze uitspraak zou de hier bedoelde verstrekking van inkomensgegevens in strijd met artikel 67 Awr zijn gebeurd. De rechtbank stelt vast dat er – zoals boven besproken – via de weg van verzet geen mogelijkheid is om de schadeclaim toe te wijzen. De rechtbank stelt daarom zelf de onrechtmatigheid van de gegevensverstrekking vast onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van State over de periode 2013 tot en met 2015. De rechtbank acht het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding gegrond. De rechtbank wijst als schadevergoeding het bedrag toe dat door het verstrekken van deze gegevens ten onrechte is betaald. 

Ik ben geen jurist bestuursrecht. Ik vind deze uitspraak wellicht daarom enigszins  onbegrijpelijk. Hoe kan de rechtbank het verzet ongegrond verklaren wegens het niet in strijd handelen met de wet en vervolgens wél schadevergoeding toewijzen op grond van de uitspraak van de Raad van State  waarin een ander oordeel wordt gegeven? 

Daarnaast begrijp ik de schadebegroting niet. Uit de berekening maak ik niet op dat de rechtbank rekening heeft gehouden met  het  cumulatieve effect van de verhoging. Het is in dit verband jammer dat de huurder is verhuisd. Hoe had de schadevergoeding dan berekend moeten worden? De onrechtmatige verhoging werkt immers ook door over de periode dat de verhoging wel rechtmatig werd geacht te zijn. De verhogingen zijn immers berekend over het component, waarin zich de (onrechtmatige) verhoging bevond. Er wordt dan ook in de toekomst schade geleden omdat de verhuurder de verhoging ook kan berekenen  over een gedeelte van de huur waarvan is vastgesteld dat dit deel van de verhoging onrechtmatig was. 

Commentaar op deze uitspraak door mr. G.G. Kranendonk

Ik heb mr. G.G. Kranendonk (specialist op het gebied van het bestuursrecht) naar deze uitspraak laten kijken en hij vat de casus als volgt samen en geeft vervolgens zijn conclusie betreffende deze uitspraak.

Volgens Kranendonk kan tegen de afgifte van inkomensverklaring door de Belastingdienst aan de verhuurder verzet worden ingesteld, als er sprake is van een afgifte die niet verplicht, maar facultatief is. Als de wet verplicht tot het afgeven van informatie aan een instantie of bestuursorgaan, dan is er sprake van toepasselijkheid van artikel 8 aanhef onder c Wbp en kan er geen verzet worden ingediend. Als er sprake is van facultatieve informatieverplichting, dat wil zeggen, het gaat om een “kan” bepaling (in dit geval zou de Belastingdienst de informatie kunnen verstrekken), dan kan er wel verzet worden ingediend.

Als er sprake is van een gegevensverstrekking op grond van artikel 8 aanhef en onder e of f Wet Bescherming persoonsgegevens (Wbp), dan kan volgens Kranendonk een persoon een besluit tot gegevensverstrekking op grond van artikel 40 Wbp aanvechten, als hij meent dat dit gebeurt in strijd met artikel 67 Algemene wet rijksbelastingen (Awr). Op het moment dat dit verzet definitief gegrond wordt verklaard (bij de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State, ABRvSt) dan zal verdere gegevensverstrekking vanaf dat moment als onrechtmatig worden beschouwd.

De ABRvSt heeft op 3 februari 2016 (Uitspraak 201506945/1/A3) uitgesproken dat tot 1 april 2016 sprake was van een facultatieve informatieverschaffing. Na 1 april 2016 is artikel 7:252a lid 3 BW gewijzigd, zodat er na 1 april 2016 sprake was van een verplichte informatieverschaffing. Vóór 1 april 2016 kon dus verzet worden gedaan betreffende de verstrekte informatie. Daarna niet meer.

Voor schadevergoedingsrecht als gevolg van rechtmatig en onrechtmatig handelen van een bestuursorgaan bestaat er in Nederland een zeer ingewikkelde regeling op dit moment. Er bestaat al sinds 5 jaar een nog niet ingevoerde titel 4.5 Awb die gaat over schadevergoeding voor rechtmatig genomen besluiten. Voor onrechtmatig genomen besluiten bestaat er titel 8.4 Awb.

Tot € 25.000 is de bestuursrechter bevoegd als er beroep mogelijk is bij de bestuursrechter tegen een  besluit dat de schade heeft veroorzaakt. In die gevallen is een verzoek om schadevergoeding bij de civiele rechter niet-ontvankelijk. Als er tegen de handeling van het bestuursorgaan geen beroep mogelijk is, dan is de bestuursrechter ook bevoegd, tenzij er al een procedure aanhangig is gemaakt bij de civiele rechter om de schade vergoed te krijgen. In dat laatste geval is de civiele rechter bevoegd. Voor zover het gaat om een vordering van meer dan € 25.000 is voor dat meerdere bedrag de bestuursrechter onbevoegd. Het ging hier om een schade onder de € 25.000, zodat er geen vragen over de competentie aan de orde gesteld hoeven te worden.

Wat hier van belang is om op te merken is dat een civiele rechter uit zal gaan van de juistheid van een uitspraak van de hoogste bestuursrechter. In deze zaak is het daarom opmerkelijk dat de rechtbank ervan uitging dat de uitspraak van de ABRvSt van 3 februari 2016 (Uitspraak 201506945/1/A3) onjuist was. De rechtbank concludeert immers op basis van de memorie van toelichting bij de wijziging van artikel 7:252a lid 3 BW, dat de wetgever heeft aangegeven dat er zowel vóór als na 1 april 2016 een verplichte informatieverschaffing was voor de Belastingdienst. Er kon dus geen verzet worden ingediend tegen het besluit. De rechtbank oordeelt om die reden het beroep, voor zover gericht tegen de beslissing op bezwaar tegen de informatieverschaffing over 2016, ongegrond. De rechtbank corrigeert dus met haar oordeel de hoogste rechter! De rechtbank is aldus van oordeel dat er dus geen sprake was van een onrechtmatig genomen besluit voor 2016. Er kon ook volgens de rechtbank geen verzet worden ingediend. Om die reden is er sprake van een rechtmatig genomen besluit.

Voor de periode 2013 tot en met 2015 sluit de rechtbank zich echter wel deels aan bij de jurisprudentie van de ABRvSt. Aangezien de ABRvSt heeft geoordeeld dat die informatieverstrekking tot 1 april 2016 onrechtmatig was, werd de schadeclaim over 2013 tot en met 2015 toch toegewezen.

Kranendonk is van mening dat de rechtbank inconsistent heeft gehandeld. De rechtbank had naar de mening van Kranendonk twee mogelijkheden.

  1. De rechtbank had moeten uitspreken dat de ABRvSt een verkeerde beslissing heeft genomen en moeten zeggen dat er geen sprake is van een onrechtmatig genomen besluit. Het gevolg van deze redenering zou zijn dat de schadeclaim afgewezen had moeten worden.
  2. De rechtbank had de uitspraak van de ABRvSt kunnen onderschrijven en als gevolg hiervan over de jaren 2013 tot en met 2015 de schadeclaim moeten afwijzen, gezien de eerste overweging van de rechtbank, dat pas na gegrondverklaring van het (beroep of hoger beroep tegen ongegrond verklaring van het) verzet de gegevensverstrekking onrechtmatig moet worden beschouwd. Daar kan over 2013 tot en met 2015 geen sprake van zijn, als pas in 2016 verzet wordt ingediend.

Gezien het bovenstaande is Kranendonk van mening dat de Minister van Financiën in hoger beroep met succes dit standpunt van de rechtbank kan bestrijden.

Mr. Kranendonk is als senior jurist werkzaam bij Achmea rechtsbijstand.