Immateriële schadevergoeding en overlast 

Laatst bijgewerkt op 2020-12-27 om 15:29:08

Als de verhuurder schadeplichtig blijkt te zijn, dan kan de schade van de huurder bestaan uit vermogensschade en uit ander nadeel (immateriële schade). De huurder kan door de overlast immers in zijn persoon zijn geschaad (artikel 6:106 lid 1 sub b BW). Gelet op de jurisprudentie over toekenning van immateriële schade zal de rechter terughoudend moeten zijn met toekenning van een dergelijke schade vergoeding. In Nederland kent men in tegenstelling tot de rechtspraak in Amerika geen traditie tot het toekennen van immateriële schadevergoeding.

De rechter wees immateriële schade toe in een zaak waarin de verhuurder een ontruimingsvonnis niet ten uitvoer had gelegd tegen een ernstige overlast veroorzakende huurder. De rechter was van mening dat de verhuurder door die handelwijze toerekenbaar tekort schoot tegenover haar andere huurder en werd op grond daarvan verplicht de verhuiskosten van de huurder als schadevergoeding te betalen. Noot 54 De verhuurder die wist dat een bepaalde huurder overlast veroorzaakte werd veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan de huurder die overlast ondervond. Noot 56.

Het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft in een arrest van 28 mei 2019 (ECLI:NL:GHSHE:2019:1990) beslist dat een ontruiming van een woning op grond van kortgedingvonnis niet juist was. Het kortgedingvonnis werd vernietigd. De verhuurder had na de ontruiming de woning opnieuw verhuurd. De nieuwe huurder was met deze geschiedenis met de ontruimde huurder niet op de hoogte. De verhuurder had de huurovereenkomst tussen haar een de ontruimde huurder buitengerechtelijk vernietigd op basis van artikel 7:210 lid 1 BW omdat deze de woning al aan een derde had verhuurd en de verhuurder dus aan de ontruimde huurder geen huurgenot meer kon verschaffen. Het hof achtte de verhuurder aansprakelijkheid voor de schade die de ontruimde huurder had geleden door de onrechtmatige ontruiming en door het feit dat de verhuurder de woning niet meer ter beschikking kan stellen.

Bij arrest van 24 november 2015 had het gerechtshof ‘s‑Hertogenbosch het vonnis in kort geding van 8 mei 2015 vernietigd en de door Woonbedrijf gevorderde ontruiming afgewezen. Voor deze procedure staat dan ook niet ter discussie dat de ontruiming op 19 mei 2015 zonder rechtsgrond en dus onterecht heeft plaatsgevonden. Deze procedure draait alleen om de hoogte van de schade die ten laste van de verhuurder geclaimd kon worden.

Voor de geclaimde materiële posten verwijs ik naar het vonnis. De over en weer neergelegde argumenten hebben overwegend betrekking op het niet goed onderbouwen van de geclaimde posten door de huurder. Het grootste deel van de geclaimde schade werd wegens gebrekkige onderbouwing afgewezen.

Ten aanzien van de immateriële schade was er door de huurder een bedrag van € 4000 gevorderd. Ter onderbouwing van deze vordering hebben de huurders (echtelieden) gesteld dat zij door de gedwongen ontruiming van de woning een tijd gescheiden hebben moeten wonen. De man heeft bij zijn familie verbleven, terwijl de vrouw met haar dochter bij haar moeder tijdelijk heeft gewoond.  Voorts hebben zij gesteld een woning verloren te hebben waarin zijn jaren gelukkig hebben gewoond. De kantonrechter had in het tussenvonnis van 4 mei 2017 geoordeeld dat het gezin door de ontruiming uit elkaar is gedreven en dat deze inbreuk op het gezinsleven is te beschouwen als een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW, zodat recht kan bestaan op een schadevergoeding.  De verhuurder had dit oordeel in incidenteel hoger beroep niet bestreden, zodat ook in hoger beroep heeft te gelden dat de gedwongen ontruiming van de woning heeft geleid tot een aantasting van de huurders in hun persoon op andere wijze zoals bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW.

De kantonrechter had bij de begroting van de immateriële schadevergoeding tot uitgangspunt genomen dat de aantasting van de huurders in hun persoon omstreeks 20 maanden had geduurd. Naar het hof uit het tussenvonnis en het eindvonnis begreep, is de kantonrechter hierbij uitgegaan van de periode van de ontruiming op 19 mei 2015 tot aan de ingang van de huur van de andere woning op 2 maart 2017. De kantonrechter had bij de begroting van de immateriële schade dus niet aan de huurders  tegengeworpen dat zij in december 2015 de aangeboden vervangende woonruimte niet hebben geaccepteerd. Ook dat oordeel was door de verhuurder incidenteel hoger beroep niet bestreden. De huurders hebben op hun beurt in hoger beroep niet gesteld dat van een langere periode dan 20 maanden moet worden uitgegaan. Het hof zal er dus evenals de kantonrechter vanuit gaan dat aan huurders een vergoeding toekomt voor de aantasting in hun persoon gedurende 20 maanden. De kantonrechter had ter zake de geleden immateriële schade een vergoeding van € 100 per maand, dus in totaal € 2.000, passend geacht.

Het hof overwoog dat de huurders geen bezwaar hebben gemaakt tegen de beslissing van de kantonrechter om het kwijtraken van de woning niet te laten meewegen  bij de begroting van de vergoeding voor immateriële schade. Het hof ging er bij de berekening van de immateriële schade er alleen vanuit dat de huurders alleen een vergoeding voor immateriële schade toekomen voor het feit dat zij afgerond 20 maanden gescheiden hebben moeten wonen en niet voor het feit dat zij de bewuste huurwoning zijn kwijtgeraakt.

Bij de begroting van smartengeld moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden, waaronder met name de aard en de ernst van de ‘aantasting in de persoon’ en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. De begroting is voorbehouden aan de feitenrechter die niet gebonden is aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast. De rechter dient te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, met inachtneming van de opgetreden geldontwaarding (vergelijk onder meer HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8358). Het hof overwoog dat in aanmerking genomen moet worden dat beide huurders slachtoffer zijn en dat het niet gaat om gederfd woongenot maar om het daarmee samenhangende noodzakelijke gescheiden wonen. Het hof achtte de door de kantonrechter toegekende vergoeding van € 100 per maand (€ 50 per persoon per maand) te laag. Het hof wees schattenderwijs een vergoeding van € 3.000  toe, wat  neerkomt op € 150 per maand (€ 75 per persoon per maand) gedurende afgerond 20 maanden. Het hof nam daarbij in aanmerking dat huurders een bedrag van € 4.000 hadden gevorderd maar daar mede het verlies van hun woning ten grondslag hebben gelegd, terwijl die omstandigheid om de hiervoor genoemde redenen geen rol kan spelen in hoger beroep.

In het arrest van de Hoge Raad van 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8358 staat onder meer dat de aard van de onderhavige immateriële vergoeding meebrengt dat deze niet afhankelijk is van de voorgenomen wijze van besteding. De rechter is dan ook niet gehouden om in een onderzoek daarvan te treden en behoeft in de motivering van zijn beslissing niet aan te geven op welke wijze en met welk resultaat hij rekening heeft gehouden met een voorbeeld van mogelijke besteding. Het ging in dit arrest om letselschade. 

Het is mij niet duidelijk welke omstandigheden verantwoordelijk zijn voor begroting van de immateriële schade op een bedrag van € 100 per dag. Er waren volgens het hof ook geen vergelijkbare gevallen in de jurisprudentie te vinden.  Het door het hof berekende bedrag van € 150 per dag wordt niet onderbouwd. Aangezien onder alle omstandigheden van het geval ook de jurisprudentie wordt begrepen, kan in vergelijkbare gevallen het bedrag van € 150 in ieder geval tot uitgangspunt worden genomen als vergoeding van immateriële schade. Verder valt mij op dat de huurder er wellicht meer uit had kunnen halen als er meer stellingen onderbouwd waren betwist.