Rapport gezamenlijk benoemde deskundige is noodzakelijk

Een vordering op grond van artikel 7:303 BW is alleen ontvankelijk als deze vordering wordt onderbouwd door een advies omtrent de nadere huurprijs, opgesteld door één of meer door partijen gezamenlijk benoemde ter zake deskundigen (zie artikel 7:304 BW). Het is dus mogelijk dat partijen wel overeenstemming hebben bereikt over benoeming van een deskundige. Dat was de eerste stap in het proces. De tweede stap is dat partijen het eens moeten zijn over de huurprijs, die door de deskundige is berekend. Daar kan een probleem voor een partij ontstaan als deze het met de door de deskundige berekende huurprijs niet eens is. De partij die het met de berekening niet eens is, kan de rechter inschakelen. Dit is ook mogelijk zonder dat partijen een inhoudelijke discussie over de huurprijs hebben gevoerd. Artikel 7:303 BW vereist voor de ontvankelijkheid van de vordering niet dat er een inhoudelijke discussie over de huurprijs is gevoerd. Het is immers mogelijk dat een partij het met de uitkomst van een rapport niet eens is en al voorziet dat hij met de andere partij over de hoogte van de huurprijs niet tot overeenstemming zal kunnen komen. Als er al enige tijd in beslag genomen is met het benoemen van de deskundige en het deskundigenonderzoek, dan zal de partij die wijziging van de huurprijs verlangt een vordering tot wijziging van de huurprijs in kunnen stellen. Op de achtergrond kunnen partijen dan altijd nog proberen tot overeenstemming te komen. De partij die belang heeft bij wijziging van de huurprijs heeft er immers belang bij dat de ingangsdatum van de huurprijs wordt vastgezet. Om dit te bereiken moet de vordering worden ingesteld.
De rechter kan deze bezwaren zelf inhoudelijk beoordelen. Als de rechter van mening is dat het aangedragen rapport niet voldoet aan de wettelijke criteria en er door een deskundige alsnog een correct rapport opgesteld dient te worden met inachtneming van de wettelijke criteria, of als de bezwaren van een partij zodanig technisch zijn dat de rechter deze bij gebrek aan de benodigde kennis niet kan beantwoorden, dan kan hij zelf een deskundige in schakelen. De rechter en de partijen zijn in beginsel niet gebonden aan het rapport van de deskundige dat in het kader van de regeling van artikel 7:304 BW is opgesteld.
De deskundige wordt bij tussenvonnis benoemd (zie artikel 194 RV e.v.). In artikel 194 RV staat onder meer vermeld: “De rechter benoemt bij vonnis of bij latere rolbeschikking een of meer deskundigen na overleg met partijen (…)”.
In tegenstelling tot de eindbeschikking, die de rechter op het verzoek tot benoeming van een deskundige op grond van artikel 7:304 BW verstrekt waartegen de gewone rechtsmiddelen openstaan, wordt laatstgenoemde beslissing getroffen door het rechtsmiddelenverbod van artikel 194 lid 2 RV .

Het voorschrift (“De rechter (…) na overleg met partijen in artikel 194 lid 2 RV) betekent niet dat de rechter is verplicht de deskundige na overleg met partijen te benoemen. Als de rechter een deskundige benoemt zonder daarover met partijen overleg te hebben, dan wordt geen vormvoorschrift op straffe van nietigheid overschreden. Er is ook geen sprake van schending van een fundamentele regel van procesrecht.Noot 123a Het is niet aannemelijk dat bovengenoemde zinsnede in artikel 194 RV dwingend recht bevat.

Een argument om aan te nemen dat de wetgever niet heeft bedoeld het genoemde overleg verplicht te stellen luidt als volgt. Het aanwijzen van andere deskundigen leidt in andere situaties dan het berekenen van de huurprijs soms tot discussie. De benoeming van de bedrijfshuuradviescommissie (BHAC) als deskundige leidde in het verleden niet vaak tot discussie, omdat deze instantie gezien de deskundigheid en de ervaring bij het vaststellen van de huurprijs het meest in aanmerking kwam als bron van deskundig advies.Noot 123a Alle Kamers van Koophandel beschikten sinds 1981 over een BHAC, die werden ingeschakeld als deskundige voor een advies over de juiste huurprijs van een middenstandsbedrijfsruimte, zoals een horeca- of winkelpand. Per 1 januari 2014 is de Kamer van Koophandel gestopt met de Bedrijfshuuradviescommissie. Na het verdwijnen van de bedrijfshuuradviescommissie, zullen partijen én de rechter zijn aangewezen op commerciële marktpartijen.

De rechtbank Gelderland heeft in haar vonnis van 19 oktober 2016 (ECLI:NL:RBGEL:2016:5600) geoordeeld dat het rapport van de door partijen benoemde deskundige, waarin een markthuurprijs was berekend in plaats van de huurprijs conform artikel 7:303 BW volstrekt niet kon worden gebruikt door de huurder om de huurprijs zoals genoemd in dit rapport vast te kunnen laten stellen. Daarnaast had de huurder een verklaring voor recht gevorderd om de huurprijs op een bepaald niveau vast te stellen zonder daarbij zélf het rapport te volgen. De rechter zag daarom reden deze vordering af te wijzen. Daarnaast werd als subsidiaire vordering gevraagd een huurprijs op basis van het rapport vast te stellen. Deze vordering kon evenmin toegewezen worden, omdat deze was gebaseerd op het onjuist opgestelde rapport. De rechter zag geen aanleiding om een deskundige te benoemen, omdat daartoe een verzoek ontbrak. De rechter had ambtshalve een deskundige kunnen benoemen, doch is hiertoe niet verplicht. De vordering van de huurder viel dus in duigen wegens een slecht opgesteld rapport door de deskundige en wegens onjuist en/of onvolledig ingestelde vorderingen.