Terugvordering van de waarborgsom en verjaringstermijnen

De rechtbank Amsterdam behandelde in haar vonnis van 12 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7465) terugvordering van een betaalde waarborgsom moeten beoordelen. De huurder had bij aanvang van een eerste huurovereenkomst een waarborgsom betaald. Bij een tweede huurovereenkomst stelde de huurder een bankgarantie en vergat de waarborgsom terug te vragen. Bij het einde van de huurrelatie in 2017 wenste de huurder alsnog de waarborgsom terug te ontvangen. Deze waarborgsom was in februari 2005 betaald ten behoeve van een huurovereenkomst, die op 1 december 2004 was gestart.

In plaats van een bankgarantie was door de huurder een waarborgsom verstrekt. In de huurovereenkomst stond de volgende bepaling opgenomen: “(…) Deze bankgarantie dient mede te gelden voor de verlengingen van de huurovereenkomst inclusief wijzigingen daarvan en dient geldig te blijven tot ten minste zes maanden na de datum waarop het gehuurde feitelijk is ontruimd en tevens de huurovereenkomst is beëindigd. Bovendien dient deze bankgarantie te gelden voor de rechtsopvolger(s) van verhuurder”.

Met ingang van 1 april 2017 had de huurder een nieuwe overeenkomst gesloten, waarbij de oude huurovereenkomst was beëindigd. Er was een bankgarantie door de huurder verstrekt. De huurder verzuimde om de waarborgsom terug te vragen. Op 1 april 2017 is de huurovereenkomst tussen partijen beëindigd. De verhuurder stelde zich op het standpunt dat de vordering tot terugbetaling van de waarborgsom was verjaard.

De rechter oordeelde als volgt:

Op het moment dat de waarborgsom werd gestort in februari 2005 was nog niet duidelijk wanneer deze zou moeten worden terugbetaald. In de (eerste) huurovereenkomst zelf was niet voorzien in een moment van terugbetaling van de waarborgsom, nu in die huurovereenkomst enkel bepalingen over een bankgarantie waren opgenomen. Gesteld noch gebleken is dat bij de afspraak tot het storten van de waarborgsom iets was overeengekomen over het moment van terugbetalen daarvan. Uit de aard van de overeenkomst volgt ook dat opeising niet binnen afzienbare tijd plaats zou vinden. Een waarborgsom bij een huurovereenkomst zal doorgaans immers pas na het einde van de huurovereenkomst worden opgeëist.

Door deze formulering is er sprake van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd en dan vangt de verjaringstermijn van vijf jaar aan de dag nadat de schuldeiser – in dit geval de huurder – heeft medegedeeld tot opeising over te gaan (artikel 3:307 lid 2 BW). Dat de verhuurder in de tweede huurovereenkomst de verplichting op zich heeft genomen de waarborgsom terug te betalen maakt niet dat genoemde verjaringstermijn is gaan lopen. Artikel 3:307 lid 2 BW legt de aanvang van deze verjaringstermijn immers exclusief in de macht van de schuldeiser. Om te voorkomen dat een vordering als deze helemaal niet vatbaar is voor verjaring zolang de schuldeiser geen actie onderneemt, is wel voorzien in een verjaringstermijn van 20 jaar die loopt vanaf de dag volgende op die waartegen opeising op zijn vroegst mogelijk was. Die termijn is wel gaan lopen bij het aangaan van de tweede huurovereenkomst, de verhuurder was vanaf dat moment immers gehouden de waarborgsom terug te betalen en de huurder kreeg daarmee de bevoegdheid de waarborgsom op te eisen. Sindsdien zijn echter geen 20 jaren verstreken.

Het is dus bij overeenkomsten die een verbintenis voor onbepaalde beslaan, voor het starten van de verjaringstermijn van belang dat de huurder de vordering opeisbaar heeft gesteld. Als dit dus niet wordt gedaan, geldt de algemene verjaringstermijn van 20 jaren. Vaak wordt de fout gemaakt dat men denkt dat een verjaringstermijn start zonder de vordering opeisbaar te stellen. Ook in de zaak was in beginsel de opeisbaarheid van de vordering bepaald voor de vraag wanneer de vordering opeisbaar wordt. In dit geval was de rechter van mening dat de vordering opeisbaar werd bij het starten van de tweede overeenkomst, waardoor de algemene verjaringstermijn van 20 jaren is gaan lopen.