Uitzonderingen op de schorsing van de ontruimingsverplichting

In beginsel is de huurder van de hier besproken ruimten niet tot ontruiming gehouden, maar heeft hij een respijt van minimaal twee maanden. Dit laatste is slechts anders in de door de wet bepaalde uitzonderingsgevallen als genoemd in artikel 7:230a lid 2 BW, zodat er geen ontruimingsbescherming geldt in de gevallen dat :

  • de huurder zelf heeft opgezegd;
  • hij uitdrukkelijk in de beëindiging van de huurovereenkomst heeft toegestemd;
  • hij veroordeeld is tot ontruiming wegens niet-nakoming van zijn verplichtingen.

De Hoge Raad heeft in haar arrest van 13 februari 2009 ( ECLI:NL:HR:2009:BF8925) bepaald dat dit bovenstaande lijstje, geen limitatieve opsomming geeft van omstandigheden die ontruimingsbescherming kunnen verhinderen. De Hoge Raad oordeelt evenwel dat artikel 7:230a lid 2 BW slechts ziet op de vraag in hoeverre de wijze waarop de huur is beëindigd, in de weg staat aan een beroep op ontruimingsbescherming. Zij sluit niet uit dat andere omstandigheden in de weg kunnen staan aan een beroep op de ontruimingsbescherming van artikel 7:230a BW, zoals met name afstand van het recht daartoe of omstandigheden die meebrengen dat de huurder dit recht heeft verwerkt.