Veelgestelde vragen het begrip bedrijfsruimte

Veel voorkomende vragen

De antwoorden onder de vragen zullen in soms niet volledig zijn maar een goede indicatie geven van het juiste antwoord. Het formuleren van een volledig antwoord is soms in het kader van deze vragenlijst niet mogelijk, waarin wordt gestreefd een antwoord binnen enkele regels te formuleren.  Het volledige antwoord kan dan uiteraard op deze site worden gevonden. In de meeste gevallen komen de onderdelen van deze vragenlijst overeen met de hoofdstukindeling van deze site, hetgeen de zoektocht naar het volledige antwoord vergemakkelijkt

Het begrip bedrijfsruimte

Ambacht –  Bedrijfsruimte, onderscheid – Bestemming en de regeling van 7:290 BW – Benaming en de regeling van 7:290 BW – Exploitatie en bescherming volgens het huurecht – Gemengde overeenkomsten –

Hotel, cafébedrijf of restaurant en kampeerbedrijf – Kleinhandelsbedrijf –  Onroerende zaken en de regeling van 7:290 BW – Plaatsgebonden bedrijven – Publiekrechtelijke regelingen en artikel 7:290 BW – Publiek toegankelijk lokaal –

 

De huurperiode

Ambacht

Wat wordt onder ambacht verstaan?

Een ”’ambacht”’ is handwerk dat wordt aangeleerd om een beroep mee uit te oefenen.

De ambachten kunnen worden onderverdeeld in:

Traditionele ambachten. Bijvoorbeeld: klompenmaker, touwslager, mandenvlechter, bezembinder. Sinds de industrialisatie zijn deze ambachten vrijwel uitgestorven. Vaak worden ze nog slechts beoefend als demonstratie voor een museumpubliek, bijvoorbeeld in het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem.

”Hedendaagse ambachten” – Bijvoorbeeld: timmerman, metselaar, smid, bakker (beroep)bakker, slager.

Valt de beoefenaar van een ambacht onder de werking van 7:290 BW?

Bij het ambachtsbedrijf moet men zich afvragen waar de ambachtelijke activiteiten die rechtstreeks het plubliek dienen ophouden en waar de fabrieksmatige productie begint. Zonder contacten met het publiek is er geen sprake van verhuurde ruimte waarop de regeling van 7:290 BW  van toepassing is.

Enige voorbeelden van een ambacht?

Een kleermaker

Pedicure.

Smederij.

Bedrijfsruimte, onderscheid

Welke soorten 7:290 BW bedrijfsruimte worden onderscheiden?

een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan die krachtens overeenkomst van huur en verhuur  bestemd is voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, van een restaurant- of cafébedrijf, van een afhaal- of  besteldienst of van een ambachtsbedrijf,  waarbij het gehuurde een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening aanwezig is.

 

een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan die krachtens  overeenkomst van huur en verhuur bestemd is voor de uitoefening van een hotelbedrijf.

 

een onroerende zaak die krachtens  overeenkomst van huur en verhuur  bestemd is  voor de uitoefening van een kampeerbedrijf.

 

 

Bestemming en de regeling van 7:290 BW

 

Wat is het belang bij de overeengekomen bestemming van het gehuurde?

De contractuele bestemming van het gehuurde staat centraal voor beantwoording van de vraag welk huurregime van toepassing is en niet het feitelijk gebruik of de bouwkundige aard van het pand. Het feitelijk gebruik of de bouwkundige aard kunnen echter wel een rol spelen. De  kwalificatie die partijen zelf aan hun overeenkomst hebben gegeven is niet bepalend.

 

Wat is de positie van partijen als de bestemming in het huurcontract niet is overeengekomen?

 

Als de bestemming niet is overeengekomen en/of niet in het huurcontract is opgenomen is het voor de vraag welke regeling  van toepassing is bepalend tot welk gebruik de zaak naar zijn aard bestemd is. Dit is ook als basis in artikel  7:214 BW vermeld.

 

Bestemming en het vertrouwensbeginsel

Uit de rechtspraak is vooral te herleiden dat als partijen de huurovereenkomst niet schriftelijk hebben vastgelegd en de verhuurder jarenlang heeft aanvaard dat het gehuurde volgens een bepaalde bestemming werd gebruikt dat dan de huurde met beroep op het vertrouwensbeginsel zich er op kunnen beroepen dat hij het gehuurde mocht gebruiken zoals hij het gehuurde met kennis van de verhuurder de laatste jaren heeft gebruikt.

 

Is de huurder verplicht het gehuurde het gehuurde voor het overeengekomen doel te gebruiken ?

 

De Hoge Raad heeft bepaald dat de huurder niet slechts gerechtigd is het gehuurde voor een bepaald doel te gebruiken, maar daartoe ook verplicht is.

Deze uitspraak moet echter wel worden bezien in het kader van de specifieke verplichtingen die partijen ten aanzien van de bestemming en het gebruik  van het gehuurde over en weer met elkaar hadden gesloten.   

 

Is het huurecht bedrijfsruimte (artikel 7:290 BW e.v. ) van toepassing als het daadwerkelijk gebruik niet overeenkomt met de overeengekomen bestemming ?

 

Als de verhuurde onroerende zaak geschikt en bedoeld is te zijn verhuurd conform een bestemming die is genoemd in de wet (zie artikel 7:290 lid 2 BW)  wordt verder aan de daar gestelde eisen voldaan, dan zijn de artikelen van  7:290 BW e.v. van toepassing, ook als het gebruik dat daadwerkelijk van het gehuurde wordt gemaakt daarmee niet in overeenstemming is.

 

Is het huurecht bedrijfsruimte (artikel 7:290 BW e.v. ) van toepassing als het huurobject is verhuurd met een bestemming die niet valt onder 7:290 BW en het feitelijk gebruik daar wel onder valt?

 

Een huurobject dat met een andere bestemming dan de in art. 7:290 BW genoemde bestemmingen,  wordt geen bedrijfsruimte in de zin van dit wetsartikel als het feitelijk gebruik wel overeenstemt  met het soort  bedrijf als genoemd in het tweede lid van artikel 7:290 BW.  Met andere woorden: een gebouw dat als opslagruimte is verhuurd kan geen bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW worden als de huurder er zelf winkelruimte van maakt.

 

Wat kunnen de gevolgen zijn van het eigenmachtig wijzigen van de overeengekomen bestemming ?

 

Het eigenmachtig veranderen van de bestemming van het gehuurde door de huurder levert een toerekenbaar tekortschieten van de huurder wat ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt.  Het niet gebruiken van het gehuurde volgens de overeengekomen bestemming  kan een ernstige tekortkoming opleveren.

 

Als de huurovereenkomst niet schriftelijk is vastgelegd kan de huurder soms nog wel beroep op het vertrouwensbeginsel doen. Zie hierover ook: De niet contractueel overeengekomen bestemming van het gehuurde.

 

Kan een wijziging van de bestemming met de verhuurder worden overeengekomen ?

 

Met de verhuurder kan een wijziging in de bestemming worden overeengekomen.  Door een overeengekomen wijziging van de bestemming kan de aanvankelijk onder artikel 7:230a BW  vallende overeenkomst onder het huurregime van artikel 7:290 BW e.v. worden gebracht.

 

Wat zijn de gevolgen als de verhuurder niet optreedt tegen een wijziging van het overeengekomen gebruik?

 

Als de verhuurder van de wijziging van de bestemming weet, maar daartegen niet optreedt , kan daaruit niet zonder meer afleiden dat de wijziging tussen partijen is overeengekomen. Een duidelijk gedogen wordt soms als een gedraging van de verhuurder aangemerkt.

Zelfs als de verhuurder zich enthousiast heeft gereageerd  over een met een bestemmingswijziging samenhangende verbouwing mag daaraan – gelet op de verstrekkende gevolgen – niet de gevolgtrekking worden verbonden dat hij met een bestemmingswijziging heeft ingestemd. De verhuurder veelal pas een beroep op een ander huurregime kunnen doen na uitdrukkelijk instemming door de verhuurder met deze wijziging van de bestemming van het gehuurde.

 

Wat wordt verstaan onder aanhorigheden bij 7:290 BW bedrijfsruimte?>>

 

Als een gebouw met omliggende grond of zelfs met nabij liggende grond bij één contract wordt verhuurd, ligt

het voor de hand dat de grond het juridisch lot van het gebouw volgt. Soms evenwel is die samenhang

minder duidelijk. Grond en opstal die elders ligt maar rechtstreeks dient aan de 7:290 BW moet ook als zodanig worden gekwalificeerd.

Voor alle duidelijkheid: een ongebouwde onroerende zaak valt niet onder de regeling van 7:290 BW (met uitzondering van het kampeerbedrijf) ook als deze onroerende zaak verder aan de eisen van dit huurregime valt.

 

 

Benaming en de regeling van 7:290 BW

 

Is de benaming van de overeenkomst bepalend om de vallen onder de regeling van 7:290 BW?

De benaming van de tussen partijen gesloten overeenkomst is niet bepalend voor toepasselijkheid van de regeling van artikel 7:290 BW e.v.  De overeenkomst, die de kenmerken van huur heeft, dient op grond van art. 7:201 BW als huurovereenkomst te worden aangemerkt. Esso/Pols (HR 19 juni 1987, NJ 1988, 71)

  

Exploitatie en bescherming volgens het huurecht

 

Moet de (hoofd) huurder zelf de exploitatie voeren om onder de regeling van 7:290 BW te vallen ?

De regeling van artikel 7:290 BW is ook van toepassing als de (hoofd) huurder niet zelf het bedrijf exploiteert dat in het gehuurde is gevestigd.  De Hoge Raad heeft dit  bevestigd met de kernachtige formulering: “ doch noch dit noch enige andere bepaling van genoemde afdeling  (artikel 7:290 BW e.v. ) grond geeft voor de opvatting dat die wettelijke regeling zou ophouden te gelden, indien het niet de huurder zelf is die in het gehuurde bedoeld bedrijf uitoefent, doch een onderhuurder aan wie de huurder krachtens een hem daartoe bij de huurovereenkomst gegeven bevoegdheid het gehuurde heeft onderverhuurd’.

 

Gemengde overeenkomsten

Wat wordt  bedoeld met gemengde overeenkomsten  bij bedrijfsruimten ?

 

Bij het verhuren van bedrijfsruimte kunnen diverse overeenkomsten separaat worden gesloten en verband houden met de gesloten huurovereenkomst  (bijvoorbeeld: huurovereenkomst met Heineken met betrekking tot een café, tevens sluit men een overeenkomst voor afname van bier en sluit men een huurkoopovereenkomst ten aanzien van inventaris). In zo’n geval wordt dan gesproken van een gemengde overeenkomst.

Bij gemengde overeenkomsten zijn de bepalingen van het huurrecht  voor bedrijfruimten van toepassing als het element van huurrecht het meest overheersende element is. Hierbij is van belang welke gebruik partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst met het gehuurde voor ogen hebben gehad

 

Wat is het gevolg van het tekortschieten door een partij van een overeenkomst die als gemengde overeenkomst wordt beschouwd?  

 

Bij gemengde overeenkomsten is het van belang te beseffen dat een toerekenbaar tekortschieten van een verplichting van een huurder met betrekking tot de tezamen met de huurovereenkomst gesloten overeenkomst evengoed ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt als niet nakoming van een verplichting die op de huurovereenkomst betrekking heeft.  

 

Wanneer weet je of bij gemengde overeenkomsten de regels van huurrecht van toepassing zijn?

 

Het moet gaan om een overheersend element Voor bepaling welk element overheersend is, kan het gebruik van het gehuurde oppervlakte betekenis hebben. Er kan ook op een andere manier worden bepaald welke elementen overheersen, bijvoorbeeld de verhoudingen tussen omzetten. Als bijvoorbeeld 70 % van de omzet afkomstig is van bemiddelingen en 30 % van verkopen en reparaties dan is het huurecht van artikel 7:290 BW e.v. niet van toepassing.

 

Valt de gehuurde woning bij bedrijfsruimte onder het regime van de bedrijfsruimte ?

 

Ja, als er sprake is van een afhankelijke woning, of als dit uit het huurcontract blijkt.

 

Wanneer is er sprake van een afhankelijke woning ?

 

De afhankelijke woning staat door de bouwkundige constructie niet los van de bedrijfsruimte. Vaak kan de bewoner niet zonder gebruik van de bedrijfsruimte maken in de woning komen.  Het gebruik van de afhankelijke woning door een ander dan de bedrijfsmatige huurder stuit vaak op praktische bezwaren (bijvoorbeeld indien de gebruiker van deze woning slechts via een met alarm beveiligde ruimte kan worden betreden.

 

Welke huurprijs geldt voor de afhankelijke woning ?

 

De huurprijs van de afhankelijke woning volgt  de huurprijs van de  bedrijfsruimte. Er is dus geen plaats voor jaarlijkse huurverhogingen, die voor woningen wel kunnen worden gevraagd.

 

Welke omstandigheden maken de woning afhankelijk als de woning in technisch opzicht niet afhankelijk is ?

 

Het feitelijk gebruik van de huurder van bedrijfsruimte (dus van de aanwezigheid van de afhankelijke woning) en de volgende omstandigheden kunnen zorgen dat de woning als afhankelijk wordt gekwalificeerd:

 

Wordt de woning door een willekeurige derde of door een werknemer van het bedrijf bewoond?

Is er door de verhuurder een totaalprijs voor de winkel en woning overeengekomen?

Zijn de bedrijfsruimte en de winkel op dezelfde of eigen energie meters aangesloten?

Is de woning intern met de winkel verbonden?

 

Er is sprake van een zelfstandige woning als de woning zelfstandig kan worden verhuurd  en als uit de feiten kan worden herleid dat de aanwezigheid van de woning niet bijdraagt aan de exploitatie van de bedrijfsruimte. Als verder er sprake is van een aparte opgang naar de woning dan valt de woning onder een eigen huurregime. De partij bedoeling niet van belang.  

 

Valt een bedrijfsruimte niet onder de regeling van artikel 7:290 BW (bijvoorbeeld bij woning praktijkruimte arts), dan is het de vraag of het geheel als woonruimte aangemerkt kan worden. Volgens de Hoge Raad moet een dergelijke ruimte niet als woonruimte worden aangemerkt als partijen het gehuurde in overwegende mate voor een ander doel dan voor bewoning hebben gebruikt.  

 

Welk regime moet worden gehanteerd bij het sluiten van twee aparte huurovereenkomsten ?

 

Ook als er sprake is van twee aparte overeenkomsten  (een voor de bedrijfsruimte bestemd voor de uitoefening van het ambachtsbedrijf en een voor de producten ten behoeve van dat ambachtsbedrijf) kan het zo zijn dat de tweede overeenkomst vanwege het verband met de eerste overeenkomst onder artikel 7:290 BW valt. Wel moeten er dan sprake zijn van dezelfde verhuurder die beide ruimten verhuurt.

 

Hotel, cafébedrijf of restaurant en kampeerbedrijf

valt een hotel, cafebedrijf, restaurant of kampeerbedrijf ook onder de werking van artikel 7:290 BW?

Het hotel-, restaurant- en cafébedrijf is afzonderlijk genoemd, omdat dit naar het spraakgebruik niet onder

detailhandel valt.  Wordt het gehuurde gebruikt voor dit soort bedrijven, dan valt het gehuurde onder de regeling van artikel 7:290 BW.  

 

Is voor het hotel een publiek toegankelijk lokaal een vereiste ?

Voor het hotelbedrijf is een publiek toegankelijk lokaal geen vereiste.  Een nadere overweging hiervoor is dat  een

hotel dat uitsluitend hotelkamers verhuurt geen publiek toegankelijk lokaal hoeft te hebben, maar wel onder de regeling dient te vallen.

 

Kan een kantine onder de werking van artikel 7:290 BW vallen ?

 

Een kantine zou wel onder de regeling kunnen vallen. Een bedrijfskantine voldoet veelal niet aan de eisen, omdat een voor het publiek toegankelijk lokaal ontbreekt. Een kantine op een voetbalveld daarentegen zou wel onder de regeling kunnen vallen.

 

Kleinhandelsbedrijf    

Wat is een kleinhandelsbedrijf?

Een kleinhandelsbedrijf is een distributie-eenheid waarvan de activiteit bestaat uit het wederverkopen op gewone wijze, in eigen naam en voor eigen rekening, van goederen aan consumenten, zonder deze goederen andere behandelingen te doen ondergaan dan die welke in de handel gebruikelijk zijn. Voor de hand liggende voorbeelden van een kleinhandelsbedrijf zijn: de bakker, slager en groenteboer.

Vallen meubeltoonzalen ook onder deze definitie?

 

Meubeltoonzalen vallen in het algemeen ook onder de regeling, omdat het hier om een voor het publiek toegankelijk lokaal gaat waar zich doorgaans ook een verkooppunt bevindt. Als er geen verkooppunt is, dan valt deze ruimte niet onder deze definitie.

 

Welke soort ruimten allen in ieder geval buiten deze definitie?

vrije beroepen (advocaat, notaris, arts, makelaar, begrafenisonderneming, etc). Als deze personen bedrijfsruimte huren is het niet nodig om hen de bescherming van artikel 7:290 BW te gunnen, omdat de klandizie voornamelijk in de persoon is gelegen en niet locatie gebonden is; bovendien doet de beroepsbeoefenaar niet aan kleinhandel;

Kantoren en reisbureaus;

Garageboxen en opslagruimten;

Het pensionbedrijf. Bij het pensionbedrijf speelt het verzorgingselement een grote rol;

Kamerverhuurbedrijven;

Onbebouwde grond;

Onroerende zaken die onder de pachtwet vallen;

Voorbeelden van 7:290 BW bedrijfsruimte?

 

De apotheker houdt zich in hoofdzaak bezig met het bedrijfsmatig verkopen van roerende lichamelijke zaken aan particulieren.

Autobandenbedrijf is een kleinhandelsbedrijf.

Autoschadeherstelbedrijf is ambacht

Bezinestation met  kiosk of winkel bestemd is voor de verkoop van smeermiddelen en autoaccessoires

De fietsenmaker is duidelijk een ambachtsman en vrijwel altijd ook een kleinhandelaar;

Fotostudio Ambachtsbedrijf, er moet dan wel een verkooppunt voor het publiek zijn

Galerie. Is 7:290 Bedrijfsruimte (ook als men moet aan bellen om binnen te komen

Meubelshowroom, tenzij er geen verkoop plaatsvindt

Verhuur van het recht tot exploitatie van buffet en kiosk met terrassen van sportfondsenbad

 

Geen 7:290 BW ruimte

 

Een orthopedische instrumentmakerij. Geen ambachtsbedrijf. Het feit dat verder artikelen worden verkocht, maakt dat bedrijf nog niet tot een detailhandel in de zin van art. 7:290 BW;

Bedrijf ter fabricage van speciale elektronische apparatuur.

 

Autoverhuurbedrijf met reparatiewerkplaats en benzinepomp.

Rijschool met kantoor, leslokaal en bar.

Begrafenisonderneming.;

Bank.

Bioscoop.  

Fietsenstalling is in beginsel geen 7:290 BW-ruimte. Samenhang met fietsenhandel zou dat anders kunnen doen zijn.

Fitnesscentrum

Manege

Speelautomatenhal

Sportterrein met opstallen.  Geen 7:290 BW ruimte omdat accent op sport en niet op uitoefening van bedrijf valt .

Videotheek : het gaat hier vaak niet om de door de wet omschreven vormen van bedrijf: het

kleinhandelsbedrijf, het restaurant- of cafébedrijf, de afhaal- en besteldienst en het ambachtsbedrijf. Het

verhuurbedrijf valt daar niet zonder meer onder. Discussie kan bestaan als er een groot gedeelte van de omzet wordt gehaald uit de verkoop van zaken.  

Zonnecentrum: Verhuur van zonnebanken is geen kleinhandelsbedrijf

 

Onroerende zaken en de regeling van 7:290 BW

 

Heeft de regeling alleen betrekking gebouwde onroerende zaken?

 

Ja, met uitzondering van kampeerterreinen. Een stukje grond dat bestemd wordt voor de bouw van bedrijfsruimte kan dus nog niet onder deze regeling Dit geldt ook als het onbebouwde terrein ter beschikking wordt gesteld met de bedoeling dat de huurder dit terrein zal gebruiken om te bebouwen.

Het bevat ook een winkel- winkel situatie (een bloemenstalletje in een warenhuis) als er alleen vloeroppervlakte wordt verhuurd

 

Plaatsgebonden bedrijven

 

Welk belang speelt het criterium van plaatsgebondenheid in deze regeling ?

 

De wetgever is van mening dat de onder regeling vallende bedrijven extra bescherming behoeven vanwege hun plaatsgebonden karakter.  De plaats van het gehuurde en de met deze plaats verband houdende opgebouwde klantenkring brengt de noodzaak van de extra bescherming van deze bedrijfsruimte met zich mee. Als er twijfel bestaat of het bedrijf onder de werking van artikel 7:290 BW valt, dan kan het plaatsgebonden karakter de doorslag geven voor de bepaling dat deze onderneming onder de bescherming van artikel 7:290 BW valt.

 

Moet de rechter altijd een onderzoek naar het plaatsgebonden karakter doen?  

 

De rechter behoeft  naar het aspect van plaatsgebondenheid van de onderneming niet altijd zelfstandig onderzoek in te stellen. Er is geen plaats  om de plaatsgebondenheid als criterium te hanteren als door de aard van het bedrijf en de bestemming van het gehuurde duidelijk is dat de gehuurde bedrijfsruimte onder de beschrijving van artikel 7:290 BW kan worden gebracht.  Het aspect over plaatsgebondenheid speelt  dus alleen een rol wanneer er twijfel bestaat over het antwoord op de vraag of het betreffende gebruik valt binnen 7:290 BW.

 

Een onderzoek naar plaatsgebondenheid hoeft ook niet plaats te vinden als duidelijk is dat het desbetreffende bedrijf niet onder de werking van artikel 7:290 BW valt.

 

Publiekrechtelijke regelingen en artikel 7:290 BW

 

Geldt de huurbescherming bedrijfsruimten bij publiekrechtelijke regelingen ?

 

Als er in het kader van verordeningen voor het gebruik van bebouwde onroerende zaken een vergoeding moet worden betaald, vertoont dit gelijkenis met de huur van bedrijfsruimte. Deze gelijkenis maakt niet dat er sprake is van de huur van bedrijfsruimte. De gebruiker krijgt dus geen bescherming op grond van artikel  7:290 BW e.v .

  

Publiek toegankelijk lokaal

Wat wordt bedoeld met een publiektoegankelijk lokaal?

Volgens de jurisprudentie blijkt  dat met een ‘voor het publiek toegankelijk lokaal’ in de wetstekst slechts bedoeld is ‘een voor het publiek toegankelijke ruimte’. Het gaat hierbij om een verkooppunt ten opzichte van het publiek. Lokaal en ruimte worden min of meer onder dezelfde betekenis gebruikt.

Moet deze ruimte een besloten karakter hebben ?

Neen. Er moet een verkooppunt ten opzichte van het publiek zijn. Het is derhalve niet juist als vereiste te stellen dat er een besloten lokaal of ruimte moet zijn.

Als voorbeeld kan ook dienen de stenen consumptiekiosk zonder gesloten ruimte. Etenswaren en dranken worden vanuit het gebouwtje door een raam aan het zich buiten het gebouwtje bevindende publiek aangereikt. De grond voor het gebouwtje is voor het publiek toegankelijk. Volgens de rechtspraak betrof dit 7:290 BW bedrijfsruimte.  

Is de aanwezigheid van een publiektoegankelijk lokaal vereist voor de kwalificatie 7:290 BW bedrijfsruimte?

In principe wel. Als aan de kenmerken van artikel 7:290 BW is voldaan moet worden beoordeeld of er sprake is van een verkooppunt voor rechtstreekse levering van zaken aan het publiek.  Voor het hotelbedrijf en het kampeerbedrijf is een publiek toegankelijk lokaal geen vereiste.  Een nadere overweging hiervoor is dat  een

hotel dat uitsluitend hotelkamers verhuurt geen publiek toegankelijk lokaal hoeft te hebben, maar wel onder de regeling dient te vallen.

 

Staat een gebrekkige toegankelijkheid de kwalificatie 7:290 BW in de weg?

Neen.  Een gebrekkige toegankelijkheid is geen reden om niet van bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290  BW uit te gaan, tenzij duidelijk is dat elke bedoeling van de ondernemer het aan het publiek mogelijk te maken hem in het gehuurde op te zoeken ontbreekt.

 

Dient het publiek toegankelijke lokaal aan bepaalde eisen te voldoen?

Een bijzondere inrichting is geen vereiste. Dit blijkt uit een uitspraak van de Hoge Raad waarin een uitspraak van een rechtbank werd teruggedraaid. De rechtbank ging er ten onrechte van uit dat voor toepasselijkheid van artikel 7:290 BW een zodanig te herkennen inrichting om klanten te ontvangen aanwezig moet zijn.

Dit standpunt brengt met zich mee dat  de voor het publiek bestemde ruimte niet gelegen is in het gebouw, maar direct daarvoor gelegen kan zijn. Dit kan bijvoorbeeld van toepassing zijn als het publiek vanuit het gebouw wordt bediend aan een loket.  De eis die de wet stelt is dus concreet  dat er een verkooppunt ten opzichte van het publiek moet zijn.

Moet het verkooppunt een onderdeel van het gehuurde zijn ?

 

Dit verkooppunt hoeft niet tot het gehuurde te behoren. Als dit verkooppunt een onderdeel van een groter geheel vormt  die onlosmakelijk met elkaar (het gehuurde en niet gehuurde deel) zijn verbonden, dan is ook aan de voorwaarde voldaan.  

 

Staat selectie van publiek aan het begrip van 7:290 BW in de weg?

 

Ja. Toegankelijk voor publiek moet worden gezien als een ruimte waar het publiek naar vrije keuze in – en uit kan lopen. Dit betekent niet dat het publiek niet selecteert mag worden. Een kantine van een bedrijf zal daarom niet snel als 7:290 BW ruimte worden gekwalificeerd, want een dergelijke ruimte wordt voornamelijk door personeel bezocht.  

 

Een exploitant van een uitspanning in een zwembad mag zich ook tot de 7:290 BW ruimte rekenen.   

De overwegingen zijn onder meer dat het zwembad in beginsel voor iedereen toegankelijk is.

 

Een lunchvoorziening bij het mediapark te Hilversum werd wel als 7:290 ruimte gezien.  Het park is weliswaar afgesloten en bij de toegang staan verbodsborden voor onbevoegden, maar het is een omvangrijk complex van bedrijfsgebouwen waar op werkdagen bijzonder veel personeelsleden en bezoekers verblijven.