Vermindering eis

LJN: AQ5839, Gerechtshof Leeuwarden, Rolnummer 0300155

Datum uitspraak:28-07-2004

Datum publicatie:29-07-2004

[appellant] stelt bij antwoordakte dat de thans door Talma gedane wijziging van eis in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Hij voert daartoe aan dat hem door Talma ‘door in dit late stadium van het hoger beroep nog eens te komen met een extra vordering terzake van herstel in oude toestand ( …) de mogelijkheid’ wordt ‘ontnomen om daar gefundeerd verweer tegen te voeren en eventueel de door Talma in het geding gebrachte facturen aan een kritisch onderzoek te onderwerpen.

 

 

 

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

 

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

 

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

procureur: mr J.V. van Ophem,

 

 

tegen

 

 

Stichting Corporatieholding Friesland,

h.o.d.n. Woonbedrijf Talma,

gevestigd te Drachten,

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Talma,

procureur: mr R.C.M. Kamsma.

 

De inhoud van het tussenarrest d.d. 25 februari 2004 wordt hier overgenomen.

 

Het verdere procesverloop

Ingevolge genoemd arrest van 25 februari 2004 heeft op 20 april 2004 een comparitie van partijen plaatsgehad. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

[appellant] is ter comparitie niet verschenen.

 

Talma heeft vervolgens een akte genomen, waarbij zij tevens haar eis heeft gewijzigd in die zin dat deze thans luidt:

 

“het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden, Sector kanton – locatie Opsterland te

bekrachtigen, voor wat betreft de ontbinding van de huurovereenkomst tussen Talma en [appellant], de ontruiming van de door [appellant] gehuurde woning aan [adres] te [woonplaats appellant] en de proceskostenveroordeling met aanvulling van het vonnis met de veroordeling van [appellant] tot betaling van Euro 54.287,52, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 8 april 2004 voor de kosten die Talma voor het herstel heeft moeten maken.”

 

 

[appellant] heeft daarna een antwoordakte genomen, waarbij hij bezwaar heeft gemaakt tegen de wijziging van eis.

 

Tenslotte hebben partijen de stukken wederom overgelegd en heeft het hof een dag bepaald voor het wijzen van arrest.

 

De verdere beoordeling

1. [appellant] stelt bij antwoordakte dat de thans door Talma gedane wijziging van eis in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Hij voert daartoe aan dat hem door Talma ‘door in dit late stadium van het hoger beroep nog eens te komen met een extra vordering terzake van herstel in oude toestand ( …) de mogelijkheid’ wordt ‘ontnomen om daar gefundeerd verweer tegen te voeren en eventueel de door Talma in het geding gebrachte facturen aan een kritisch onderzoek te onderwerpen.’

 

2. Anders dan [appellant] is het hof van oordeel dat de onderhavige wijziging van eis niet is strijd is de eisen van een goede procesorde. Ten opzichte van de eis van Talma zoals die vóór de thans gedane wijziging van eis luidde, behelst bedoelde wijziging deels een vermindering, deels een nadere bepaling van het gevorderde. Talma vordert immers thans niet meer om [appellant] te veroordelen om het gehuurde te herstellen in de staat waarin het zich bij de aanvang van de huurovereenkomst bevond (hetwelk kan worden aangemerkt als een schadevergoeding anders dan in geld, zie HR 20 maart 1992, NJ 1992, 495), terwijl zij haar vordering tot betaling van de herstelkosten thans nader heeft bepaald. Het laatste heeft zij kennelijk gedaan naar aanleiding van hetgeen het hof in r.o. 4, laatste zin, van genoemd arrest van 25 februari 2004 heeft overwogen. Voorts heeft Talma de facturen die zij thans bij akte overlegt, ten behoeve van de gelaste comparitie de wederpartij en de raadsheer-commissaris tijdig toegezonden, zodat [appellant] daarop desgewenst ter comparitie had kunnen reageren en derhalve thans niet voor het eerst in de procedure met de facturen wordt geconfronteerd. Het hof zal daarom uitgaan van de eis van Talma, zoals die na de onderhavige wijziging van eis luidt.

 

3.  Bij antwoordakte heeft [appellant] verweer gevoerd tegen de vordering van Talma tot betaling van een bedrag van Euro 54.287,52 aan herstelkosten. [appellant] voert daartoe in de eerste plaats aan dat de ten laste van hem te brengen herstelkosten beperkt moeten blijven tot materiaal kosten en een gematigd uurloon. Deze stelling van [appellant] moet naar het oordeel van het hof worden verworpen. Het hof ziet geen grond om voor de berekening van de herstelkosten uit te gaan van een gematigd uurloon in plaats van een uurloon ten aanzien waarvan niet is gesteld of gebleken dat dit als zodanig bovenmatig is.

 

4.  Voorts heeft [appellant] gesteld dat niet blijkt dat de herstelkosten, als vermeld onder de posten 8, 9 en 10 (belopende respectievelijk Euro 1.344,96, Euro 36.320,- en Euro 450,-) daadwerkelijk zijn gemaakt. Voor zover [appellant] hiermee zou willen betogen dat op Talma de verplichting zou rusten om de schade te herstellen, nu zij een vordering tot betaling van schadevergoeding heeft ingesteld, moet de stelling van [appellant] worden verworpen, omdat bedoeld betoog geen steun in het recht vindt. Voor zover de voormelde stelling strekt ten betoge dat het aan herstelkosten gevorderde bedrag, voor zover het genoemde posten betreft, niet bij wijze van schadevergoeding in aanmerking komt, omdat herstel van het gehuurde niet mogelijk en verantwoord zou zijn (vgl. HR 16 juni 1961, NJ 1961, 444), acht het hof het verweer van [appellant] onvoldoende onderbouwd.

 

5.  Uit vorenstaande overwegingen vloeit voort dat de grieven in het principaal appel falen en de grieven in het incidenteel appel doel treffen.

 

 

De slotsom

6.  Het bestreden vonnis van 18 februari 2003, zoals dat is hersteld op 4 maart 2003, dient te worden vernietigd, voor zover het meer of anders gevorderde dan hetgeen de kantonrechter heeft toegewezen, is afgewezen. De vonnissen waarvan beroep moeten voor het overige worden bekrachtigd. [appellant] dient te worden veroordeeld om aan Talma te betalen een bedrag van Euro 54.287,52, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 april 2004 tot de dag der algehele voldoening. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep zowel in het principaal als het incidenteel appel. De kosten zullen worden berekend naar het liquidatietarief voor de hoven (2 pt. à Euro 771,- in het principaal appel en 1/2 x 2,5 pt. à Euro 1.406,- in het incidenteel appel).

 

De beslissing

Het gerechtshof:

 

vernietigt het bestreden vonnis van 18 februari 2003, zoals dat is hersteld op 4 maart 2003, voor zover het meer of anders gevorderde dan hetgeen de kantonrechter heeft toegewezen, is afgewezen en bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor het overige;

 

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

 

veroordeelt [appellant] om aan Talma te betalen een bedrag van Euro 54.287,52, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 april 2004 tot de dag der algehele voldoening;

 

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep zowel in het principaal als in het incidenteel appel en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van Talma op Euro 205,– aan verschotten en Euro 3.299,50 aan salaris voor de procureur;

 

 

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

 

wijst af het meer of anders gevorderde.

 

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Meijeringh en Breemhaar, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 28 juli 2004.